Bijlage 1 Wijzigingen “Was-word tabel technische wijzigingen APV
Tekst van het document
Bijlage Wijzigingen WAS-WORD tabel Algemene plaatselijke verordening Geertruidenberg– Technische wijzigingen Artikel 1:1 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college of de burgemeester, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft. c. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de geldende bouwverordening in Geertruidenberg; e. college: het college van burgemeester en wethouders f. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Woningwet; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; i. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. j. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; k. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c. bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college of de burgemeester, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft; d. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; e. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; f. college: het college van burgemeester en wethouders; g. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
Pagina 1 van 24
k.
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn één maal verlengen. Hierbij noemt het een redelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:4 (artikel 1, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of Pagina 2 van 24
verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.
krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. e. de houder dit verzoekt.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 2:10 (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid Pagina 3 van 24
2.
3.
4.
5.
van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, het aantal openbare parkeerplaatsen beperkt, dan wel een belemmering kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; b. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 3,5 meter breed en 4,5 meter hoog wordt gelaten. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen en andere voorwerpen. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: a. in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente roerende zaken op te slaan of b. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente toe te staan of te gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. het college kan als bedoeld in het vorige lid een omgevingsvergunning verlenen als: a.
de verkeersveiligheid, eventueel met opleggen van maatregelen wordt beschermd; b. de openbare parkeergelegenheid niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; c. het openbaar groen niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
2.
3.
4.
5.
van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, het aantal openbare parkeerplaatsen beperkt, dan wel een belemmering kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; b. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 3,5 meter breed en 4,5 meter hoog wordt gelaten. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen en andere voorwerpen. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: a. in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente roerende zaken op te slaan of b. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente toe te staan of te gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. het college kan als bedoeld in het vorige lid een omgevingsvergunning verlenen als: a.
de verkeersveiligheid, eventueel met opleggen van maatregelen wordt beschermd; b. de openbare parkeergelegenheid niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; c. het openbaar groen niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
Pagina 4 van 24
d. de belangen van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak niet onevenredig worden aangetast. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. het plaatsen van bouwafvalcontainers voor maximaal één week op een openbare parkeerplaats; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; en e. situatie waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
d. de belangen van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak niet onevenredig worden aangetast. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. het plaatsen van bouwafvalcontainers voor maximaal één week op een openbare parkeerplaats; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; en e. situatie waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 7. Het verbod is voorts niet van
toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een (omgevings)vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend:
Nieuwe tekst . 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een (omgevings)vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Pagina 5 van 24
3.
4.
5.
6.
a. Als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. Door het college in de overige gevallen. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde AVOI (Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur) gemeente Geertruidenberg. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder weg mede verstaan alle niet-openbare ontsluitingswegen voor publieke gebouwen. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van
toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder weg mede verstaan alle niet-openbare ontsluitingswegen voor publieke gebouwen.
Artikel 2:12 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg c. een verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 1 sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg c. een verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 1 sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Pagina 6 van 24
2. de vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid en het veilige en doelmatig gebruik van de weg; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; e. strijd met het geldend bestemmingplan. 3. Het college beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning binnen de genoemde termijnen zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de gewenste uitweg wordt verboden. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
2. de vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid en het veilige en doelmatig gebruik van de weg; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; e. strijd met het geldend bestemmingplan. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:21 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:28 (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:28B Weigeringsgronden a. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
Nieuwe tekst Artikel 2:28B Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de
Pagina 7 van 24
b. c.
d.
e.
f.
de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is; de exploitant en leidinggevende(n): i. niet 21 jaar of ouder zijn; ii. onder curatele staat, dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn; iii. in enig opzicht van slecht levensgedrag is. iv. binnen 5 jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest. het nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
c. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is; i. de exploitant en leidinggevende(n): ii. niet 21 jaar of ouder zijn; iii. onder curatele staat, dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn; iv. in enig opzicht van slecht levensgedrag is. v. binnen 5 jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest. c. het nodig wordt geacht in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten. 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 2:29 (artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen Pagina 8 van 24
02.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de voor de zaterdag en zondag geldende sluitingstijden ook van toepassing op a. de nacht van zondag op maandag tijdens carnaval; b. de nacht van maandag op dinsdag tijdens carnaval; c. de nacht van eerste Paasdag op tweede Paasdag; d. de nacht van 26 april op 27 april, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; e. de nacht van 5 mei op 6 mei, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; f. de nacht van Hemelvaartsdag; g. de nacht van eerste Pinksterdag op tweede Pinksterdag; h. de nacht van 25 december op 26 december, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; i. de nacht van 26 december op 27 december, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; j. per gemeentelijke kern tijdens de jaarlijkse kermisdagen
02.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn de voor de zaterdag en zondag geldende sluitingstijden ook van toepassing op a. de nacht van zondag op maandag tijdens carnaval; b. de nacht van maandag op dinsdag tijdens carnaval; c. de nacht van eerste Paasdag op tweede Paasdag; d. de nacht van 26 april op 27 april, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; e. de nacht van 5 mei op 6 mei, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; f. de nacht van Hemelvaartsdag; g. de nacht van eerste Pinksterdag op tweede Pinksterdag; h. de nacht van 25 december op 26 december, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; i. de nacht van 26 december op 27 december, voorzover deze niet op een zaterdag of een zondag valt; j. per gemeentelijke kern tijdens de jaarlijkse kermisdagen
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag de exploitant de openbare inrichting op nieuwjaarsdag geopend hebben of bezoekers in de openbare inrichting laten verblijven tot 05.00 uur. 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, is het de houder van een sportkantine, kantine in een sporthal, sociëteit, clublokaal, verenigingsgebouw, buurt- en dorpshuis of daarmee gelijk te stellen inrichtingen verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven langer dan één uur voor de aanvang en één uur na de beëindiging van de activiteiten die verband houden met de doelstelling van de houder en/of de inrichting met inachtneming van een sluitingstijd tussen 00.00 uur en 05.00 uur. 5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag de exploitant de openbare inrichting op nieuwjaarsdag geopend hebben of bezoekers in de openbare inrichting laten verblijven tot 05.00 uur. 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, is het de houder van een sportkantine, kantine in een sporthal, sociëteit, clublokaal, verenigingsgebouw, buurt- en dorpshuis of daarmee gelijk te stellen inrichtingen verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven langer dan één uur voor de aanvang en één uur na de beëindiging van de activiteiten die verband houden met de doelstelling van de houder en/of de inrichting met inachtneming van een sluitingstijd tussen 00.00 uur en 05.00 uur. 5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of Pagina 9 van 24
6. 7.
8.
9.
bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het eerste en het zesde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
6. 7.
8.
9.
bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het eerste en het zesde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel..
Artikel 2:39 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen: 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen: 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Pagina 10 van 24
c.
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
c.
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 2:64 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 2:71 (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Pagina 11 van 24
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 3:13 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid;
Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie
van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan;
c.
er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Pagina 12 van 24
g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 4:1 (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer b. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; c. geluidsgevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. geluidsgevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; e. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; f. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; g. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; h. LAr,LT: langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode; i. LAmax: het maximale niveau van het ter plaatse optredende geluid. j. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
Nieuwe tekst Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; c. geluidsgevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. geluidsgevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; e. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; f. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; g. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; h. LAr,LT: langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode; i. LAmax: het maximale niveau van het ter plaatse optredende geluid; j.
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4:6 (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Pagina 13 van 24
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 4:15 (artikel I, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:15 Vergunningsplicht handelsreclame in rijksbeschermd stadsgezicht 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning (ex artikel 2.2 lid 1 sub h en i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) van het bevoegd gezag in door hem aangewezen gebieden in het rijksbeschermde stadsgezicht op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is, voorzover de reclame-uiting niet al vergunningplichtig is vanwege bouwactiviteiten. 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
Artikel 4:15 Vergunningsplicht handelsreclame in rijksbeschermd stadsgezicht 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag in door hem aangewezen gebieden in het rijksbeschermde stadsgezicht op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is, voor zover de reclameuiting niet al vergunningplichtig is vanwege bouwactiviteiten 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken daartoe aangewezen door de overheid; Pagina 14 van 24
daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - openbare verkoping of een aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3. Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 4. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a.
indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de reclamecriteria en redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid;
c.
opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - openbare verkoping of een aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3. Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 4. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a.
indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de reclamecriteria en redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de Pagina 15 van 24
c.
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Artikel 4:17 (artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 (artikel I, onderdeel T, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 5. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 6. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 7. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. 9. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van
recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
Artikel 5:5 (artikel I, onderdeel U, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Pagina 16 van 24
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te parkeren. 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6 (artikel I, onderdeel V, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant of de provinciale landschapsverordening. 4. een voertuig als bedoeld in de aanhef van dit artikel word geacht op dezelfde plaats op de weg of in de directe nabijheid daarvan ter plaatse te zijn gebleven indien het binnen een afstand van vijfhonderd meter, gerekend vanaf die plaats op de weg wordt aangetroffen.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
4. een voertuig als bedoeld in de aanhef van dit artikel word geacht op dezelfde plaats op de weg of in de directe nabijheid daarvan ter plaatse te zijn gebleven indien het binnen een afstand van vijfhonderd meter, gerekend vanaf die plaats op de weg wordt aangetroffen. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve Pagina 17 van 24
5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 5:18 (artikel I, onderdeel W, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning
wegens strijd met het omgevingsplan.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 5:20 (artikel I, onderdeel X, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwsels.
Pagina 18 van 24
Artikel 5:24 (artikel I, onderdeel Y, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5:25 (artikel I, onderdeel Z, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (inclusief pontons) 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op openbaar water, behalve op de door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (inclusief pontons) 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op openbaar water, behalve op de door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Pagina 19 van 24
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien en voorzover het vaartuig met toestemming van het college een ligplaats heeft op basis van: a. een specifieke regeling die is gebaseerd op deze verordening (zoals de Regeling gebruik aanlegplaatsen binnenvaartschepen Geertruidenberg, de Regeling gebruik haven Raamsdonksveer, de geldende Woonschepenverordening Geertruidenberg) of b. een contract met de gemeente Geertruidenberg. 3. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de geldende verordening water NoordBrabant.
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien en voor zover het vaartuig met toestemming van het college een ligplaats heeft op basis van: c. een specifieke regeling die is gebaseerd op deze verordening (zoals de Regeling gebruik aanlegplaatsen binnenvaartschepen Geertruidenberg, de Regeling gebruik haven Raamsdonksveer, de geldende Woonschepenverordening Geertruidenberg) of d. een contract met de gemeente Geertruidenberg. 3. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5:30 (artikel I, onderdeel AA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het is verboden op bruggen te klimmen en/of hiervan af te springen in openbaar water. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het is verboden op bruggen te klimmen en/of hiervan af te springen in openbaar water. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod. Pagina 20 van 24
4. Deze verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale vaarwegenverordening.
4. Het verbod is niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5:32 (artikel I, onderdeel AB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:32 Crossterreinen Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op