CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Re-intergratieverordening Participatiewet 2024 gemeente Geertruidenberg

De raad besluit 13 maart 2025, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Re-integratieverordening Participatiewet 2024 gemeente Geertruidenberg13.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Sociale activering

Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt. Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening (artikel 9, eerste lid).

Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering. College stemt duur activiteiten af op de persoon Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.

Er is een nieuw derde lid toegevoegd waarin is een bepaling is opgenomen die moet voorkomen dat verdringing plaatsvindt door inzet van sociale activering.

Artikel 10

Scholing

Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon.

Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Artikel 11

Detachering

In sommige gevallen heeft een werkgever wel de bereidheid om een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking werk te laten verrichten, maar ziet de werkgever op tegen de mogelijke risico’s die hieraan zijn verbonden. Om deze reden wordt de mogelijkheid gecreëerd van de detacheringsplaats. Hierbij krijgt de werknemer een dienstverband bij een (sociaal) detacheringsbureau van de overheid. De werknemer wordt vervolgens gedetacheerd bij een onderneming die hiervoor een inleenvergoeding betaalt aan het detacheringbureau. Artikel 12

Participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet. Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.

Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Scholing

In de wet is bepaald dat het college aan de persoon, die additionele werkzaamheden in het kader van een participatieplaats verricht, scholing aanbiedt als betrokkene niet over een startkwalificatie beschikt. Scholing hoeft niet te worden aangeboden als dit de krachten of bekwaamheden van belanghebbende te boven gaat. Ook kan scholing achterwege blijven als de kans op inschakeling in het arbeidsproces niet vergroot wordt. Vanwege de wettelijke eis om in bepaalde gevallen scholing aan te bieden, is in het derde lid een expliciete verwijzing opgenomen naar artikel 10 van de verordening. Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag.

Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is gekozen voor een premie van telkens € 100 per zes maanden. Uitgangspunt moet wel zijn dat er sprake is van enige omvang van de werkzaamheden. Om deze reden is in het vierde lid bepaald dat geen aanspraak bestaat op een premie indien de gemiddelde inzet minder dan 4 uur per week bedraagt. Artikel 13

Beschut werk

Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid). Stap 1: voorselectie Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken.

Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Stap 3: besluit gemeente Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'

Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken. Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.

Omvang beschut werk Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen. Artikel 14

Persoonlijke ondersteuning bij werk

De regels voor de verstrekking van persoonlijke ondersteuning waren uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit Re-integratievoorzieningen. Vanwege de wetswijziging dient dit nu voor een belangrijk deel geregeld de worden in de verordening. Om deze reden wordt artikel 14 vervangen en vindt een verwijzing naar Hoofdstuk 4A plaats waar specifieke bepalingen zijn opgenomen voor de ondersteuning van personen met een arbeidsbeperking. Artikel 15

No-riskpolis

Sinds 1 januari 2016 is de no-risk polis als voorziening vervallen omdat in verband met de harmonisatie van instrumenten ter bevordering van arbeidsdeelname van arbeid beperkten een uniforme no-risk polis via het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) voor gemeenten en werkgevers beschikbaar is. Het college hoeft deze no-risk polis niet meer als voorziening aan te bieden. Artikel 16

Incidentele loonkostensubsidie

Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. In het eerste lid is bepaald dat deze loonkostensubsidie verstrekt kan worden ten behoeve van specifieke doelgroepen. Dit betekent dus dat het niet als generieke maatregel is bedoeld, maar dat het college bepaalt voor welke doelgroepen de voorziening wordt ingezet. In het tweede lid is bepaald dat de gemeente nadere regels stelt ten behoeve van de uitvoering van de incidentele loonkostensubsidie. In deze nadere regels zullen onder andere de hoogte en duur van de incidentele loonkostensubsidie vastgelegd worden. Uitgangspunt hierbij is dat er sprake is van een regeling die eenvoudig in de uitvoering is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een loonkostensubsidie in de vorm van een baanbonus.

De in artikel 16 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. Deze structurele loonkostensubsidie wordt geregeld in artikel 17 van deze verordening. De in artikel 18 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Hoofdstuk 4A Specifieke bepalingen voor personen met een arbeidsbeperking Artikel 17

Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie

Na de wijziging van de Participatiewet is in artikel 8a, lid 2, onderdeel c, bepaald dat de wijze waarop het administratieve proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d, wordt vormgegeven, in de verordening geregeld moet worden. Dit proces wordt in dit nieuwe artikel 17 vorm gegeven. De leden 1 tot en met 4 spreken voor zich en worden dan ook niet verder toegelicht. Landelijk is in samenwerking met “De normaalste zaak” (netwerk van ondernemers die werken aan een inclusieve arbeidsmarkt) een proces loonkostensubsidie opgesteld. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat wij bij het verstrekken van loonkostensubsidie dit preferente proces zullen volgen. Artikel 17a Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Ook ten aanzien van persoonlijke ondersteuning geldt dat de wet nu bepaalt dat de voorwaarden in de verordening geregeld moeten worden. Tot nu toe zijn de meeste bepalingen opgenomen in het uitvoeringsbesluit. In het tweede lid zijn de voorwaarden die gelden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning geregeld. Op enkele specifieke aspecten hiervan wordt kort ingegaan. Onderdeel c kent bepaling over de omvang van de dienstbetrekking.

Vanwege een efficiënte inzet van beperkte middelen is hierin bepaald dat er sprake moet zijn van enige omvang duur en omvang van de dienstbetrekking In onderdeel d is nog expliciet opgenomen dat er geen toekenning plaatsvindt als het een reguliere taak van de werkgever is. Op grond van onder andere Arbo-wetgeving heeft een werkgever immers ook een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van zijn werknemers. Het is niet de bedoeling dat wij deze verantwoordelijkheid overnemen. Ook in de onderdelen e en f is opgenomen dat geen toekenning plaatsvindt voor voorzieningen die als regulier beschouwd worden. Tenslotte is bij onderdeel g nog opgenomen dat de kosten in verhouding moeten staan tot de maatschappelijke opbrengsten. Als dit niet het geval is zal gezocht moeten worden naar andere oplossingen waarbij de kosten en baten beter in verhouding zijn. Artikel 17b Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Ook de procedure voor aanvraag van persoonlijke ondersteuning dient in de verordening geregeld te worden. Een dergelijke aanvraag kan zowel door de betreffende persoon als door zijn werkgever worden ingediend. Het vijfde lid bepaalt dat in overleg met de persoon en eventueel zijn werkgever bepaald wordt welke voorzieningen worden ingezet.

Op deze manier is het mogelijk om de in te zetten voorziening goed af te stemmen met de werkomstandigheden en de persoonlijke situatie. Hiermee wordt de kans op een succesvolle plaatsing het grootst. In het zesde lid wordt het belang van een integrale benadering benadrukt. Artikel 17c Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Dit artikel bevat welke aspecten in ieder geval aan de orde komen in de beschikking op de aanvraag voor persoonlijke ondersteuning. De genoemde onderdelen spreken voor zich en behoeven geen verdere toelichting. Artikel 17d Persoonlijke ondersteuning bij werk Personen met een arbeidsbeperking hebben bij aanvang van een arbeidsovereenkomst soms voor korte of langere tijd extra begeleiding nodig. Hiervoor is het soms noodzakelijk om een jobcoach in te zetten. Overigens is de aandacht van een jobcoach niet alleen beperkt tot de betreffende werknemer, maar kijkt de jobcoach breder naar en binnen de organisatie. In dit artikel wordt geregeld dat aan de werkgever een vergoeding kan worden verstrekt voor inzet van een jobcoach of een interne werkbegeleider. In het derde lid is nog opgenomen dat een jobcoach ook al in gezet kan worden in de periode dat er sprake is van een proefplaats. Artikel 17e Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk In het eerste lid is bepaald dat de aanvraag voor persoonlijke ondersteuning binnen 6 maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking gedaan moet worden. Hierbij speelt ook een rol dat een werkgever een verantwoordelijkheid heeft richting zijn werknemers. Als een werknemer al langer in dienst is dan is het in veel gevallen de verantwoordelijkheid van de werkgever om voor de begeleiding zorg te dragen.

Artikel 17f Interne Jobcoaching In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over interne jobcoaching. Van een interne jobcoaching is vooral sprake bij grote ondernemingen die meerdere personen met een arbeidsbeperking in dienst hebben. De interne jobcoach kan dan dus meerdere personen begeleiden. Vaak werk de jobcoach dan ook op verschillende locaties van de onderneming. Om te waarborgen dat jobcoaching op een juiste manier plaatsvindt worden kwaliteitseisen gesteld aan de jobcoach. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het jobcoach regiem zoals het UWV dit hanteert. Hiermee wordt voorkomen dat een werkgever met meerdere regimes te maken krijgt. Verder zijn in dit artikel bepalingen opgenomen over de omvang en de duur van de inzet van jobcoaching. Artikel 17g Externe Jobcoaching Van externe jobcoaching is sprake als de werkgever een jobcoach inhuurt bij een erkende jobcoach organisatie. Hierbij wordt aangesloten bij het erkenningskader van het UWV. Dit betekent dus dat alleen een vergoeding aan de werkgever kan worden verstrekt als de jobcoach organisatie erkend is door het UWV. Op basis van de behoefte van de werknemer wordt beoordeeld wel jobcoachniveau noodzakelijk is. Op basis hiervan wordt een vergoeding aan de werkgever verstrekt. Uitgangspunt is dat jobcoaching voor een beperkte tijd wordt ingezet. Bepalingen hierover zijn in dit artikel opgenomen.

Uiteraard is het van belang om naar de individuele situatie te kijken en de inzet van de jobcoach hierop af te stemmen. Artikel 17h Jobcoaching in natura In sommige situaties kan het lastig zijn voor de werkgever om zelf de jobcoaching te regelen. Vooral bij de kleinere MKB-bedrijven is het voor de ondernemer moeilijk om dit zelf te regelen. Om deze reden kennen we ook de mogelijkheid van jobcoaching in nature. Hierbij regelt de gemeente de inzet van de jobcoach bij de werkgever. Artikel 17i Vergoeding voor het organiseren van jobcoaching In dit artikel wordt geregeld dat aan de werkgever een vergoeding wordt verstrekt voor de inzet van een interne of externe jobcoach. In het tweede lid zijn hiervoor de voorwaarden bepaald. Het derde lid biedt de mogelijkheid om meer gedetailleerde voorwaarden vast te stellen in nadere regels.

Artikel 17j Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een lichtere vorm van ondersteuning dan jobcoaching. Het is een reguliere taak van een werkgever om (nieuwe) medewerkers ondersteuning en begeleiding te bieden. Voor personen met een arbeidsbeperking is in sommige situaties echter meer begeleiding dat deze reguliere begeleiding nodig. In dergelijke situaties voorziet dit artikel er in om hiervoor een vergoeding te verstrekken. Het is wel van belang dat de interne werkbegeleider de goede vaardigheden beschikt om de begeleiding op een adequate manier te bieden. Eventueel kan hiervoor een specifieke training voor worden aangeboden. Artikel 17k Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Voor de vervoersvoorziening geldt dat de bepalingen hiervoor tot nu toe waren opgenomen in het uitvoeringsbesluit. Vanwege de wetswijziging moet dit nu in de verordening worden geregeld. Dit wordt nu gedaan in artikel 17k. Een vervoersvoorziening is bedoeld voor de persoon die niet in staat is om zelfstandig te reizen of zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer. De vergoeding die verstrekt wordt is complementair aan andere vergoedingen. Als een werkgever dus op grond van een CAO gehouden in om reiskosten te vergoeden dan wordt hiermee dus rekening gehouden bij de vaststelling van de vergoeding.

Artikel 17l Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire voorzieningen Voor sommige personen geldt dat ze door hun beperking soms gebruik moeten maken van een intermediaire voorziening. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld een schrijftolk of een gebarentolk. In veel gevallen zijn er voorliggende voorzieningen om hiervoor een verstrekking te ontvangen. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin dit niet het geval is. Als het voor de arbeidsinschakeling nodig is om een dergelijke voorziening in te schakelen dan biedt dit artikel hiervoor de grond. Artikel 17m

Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

Tot nu toe was over meeneembare voorzieningen een bepaling opgenomen in het uitvoeringsbesluit. Ook voor deze voorziening geldt dat na de wetswijziging de basis in de verordening geregeld wordt. Artikel 18

Vaststelling loonwaarde

De regels voor de vaststelling van de loonwaarde zijn inmiddels vastgelegd in een ministerieel besluit. Dit hoeft dan ook niet meer in de verordening geregeld te worden. Artikel 19

Werkplekaanpassing

Personen met een arbeidsbeperking kunnen in sommige situaties problemen ondervinden als gevolg van de inrichting van de werkplek. De werkplek moet dan aangepast worden om belemmeringen als gevolg van de arbeidsbeperking weg te nemen. Voor zover dit de normale kosten van inrichting van de werkplek te boven gaat, kan niet altijd van een werkgever verlangd worden dat hij deze kosten draagt. Om deze reden wordt de mogelijkheid geboden om de werkgever een vergoeding te verstrekken voor de noodzakelijke aanpassing van de werkplek. Artikel 20

Overige vergoedingen

De gemeente kan ter stimulering van de arbeidsinschakeling besluiten kosten te vergoeden voor activiteiten die daartoe bijdragen. Deze kosten kunnen zeer divers zijn. Een limitatieve opsomming hiervan is moeilijk te geven. Enkele voorbeelden van deze kosten zijn reiskosten, sollicitatiekosten, kosten kinderopvang. Ook bijvoorbeeld kosten die voortvloeien uit nader onderzoek naar de reintegratiemogelijkheden van de cliënt kunnen hier onder vallen. In het tweede lid is bepaald dat geen vergoeding wordt verstrekt voor zover hiervoor een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening.

Het college kan nadere regels stellen over de verstrekking van overige voorzieningen. Er kan bijvoorbeeld bepaald worden voor welk soort kosten een vergoeding verstrekt kan worden. Verder bestaat de mogelijkheid om een beperking aan te brengen in de doelgroep waarvoor vergoeding van een bepaalde kostensoort mogelijk is. Er kan bijvoorbeeld voor gekozen worden om nietuitkeringsgerechtigden geen vergoeding te geven voor bepaalde kostensoorten. Artikel 21

Overige re-integratievoorzieningen

In deze verordening is een aantal re-integratievoorzieningen genoemd. Er is echter geen sprake van een limitatieve opsomming. Re-integratie is maatwerk en om dit efficiënt en effectief te kunnen uitvoeren is het niet wenselijk om dit tot een aantal voorzieningen te beperken. Om dit te benadrukken wordt in dit artikel nog expliciet opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om ook andere reintegratiemiddelen in te zetten. Ten denken is bijvoorbeeld aan een persoonsgebonden reintegratietraject. Artikel 22 Combinatie van voorzieningen Deze verordening regelt verschillende soorten voorzieningen die ingezet kunnen worden. In dit artikel wordt nog expliciet bepaald dat het ook mogelijk is om een combinatie van verschillende voorzieningen in te zetten. Van belang is dan wel om hierbij naar het totaal plaatje te kijken en de afweging te maken of de totale kosten van alle in te zetten voorzieningen voldoende opwegen tegen de baten. Hoofdstuk 5

Staatssteunbepaling

Artikel 23

Staatssteun

De uitvoering van de Participatiewet, inclusief de uitvoering van deze verordening, moet worden beschouwd als een taak van algemeen belang. Vanuit het oogpunt van de waarborging van eerlijke concurrentieverhoudingen heeft de Europese Commissie regels gesteld ten aanzien van het verlenen van staatssteun aan bedrijven. Ook het verstrekken van loonkostensubsidie kan beschouwd worden als staatssteun. De Europese Commissie geeft aan dat het stimuleren van de aanwerving of tewerkstelling van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap een kerndoelstelling van het economische en sociale beleid van de Europese Unie is. De Commissie wil het daarom voor decentrale overheden mogelijk maken om steun te verlenen aan ondernemingen om de werkgelegenheid voor deze groepen werknemers uit te breiden. Hiervoor zijn regels gesteld in EU-verordening nr. 651/2014. Als de steun aan de voorwaarden uit deze verordening voldoet, hoeft de steun niet bij de Europese Commissie te worden aangemeld. Om deze reden is in artikel 23 van deze re-integratieverordening een expliciete verwijzing gemaakt naar de van toepassing zijnde Europese regelgeving. Hoofdstuk 6

Slotbepalingen

Artikel 24

Hardheidsclausule

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van de bepalingen van deze verordening. Artikel 25

Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening

niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 25, eerste lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de ‘oude’ reintegratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening. Voortzetten toegekende voorzieningen Toegekende voorzieningen op grond van de ‘oude’ re-integratieverordening worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 25, tweede lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening.

Lopende reintegratievoorzieningen kunnen in beginsel na inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst. Voortzetting is niet mogelijk Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de ‘oude’ re-integratieverordening of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. Ten aanzien van die voorziening blijft de ‘oude’ re-integratieverordening van toepassing (artikel 25, derde lid, van deze verordening). Artikel 26

Inwerkingtreding en intrekking

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 27

Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=43d32c1a-342f-40c4-b1f4-01d38d00e84b