Bestemmingsplan P04176_BP_Burg Prinssenlaan 1-5_20211108
Tekst van het document
Bestemmingsplan Burgemeester Prinssenlaan 1-5, Raamsdonksveer Gemeente Geertruidenberg Vastgesteld
Bestemmingsplan Burgemeester Prinssenlaan 1-5, Raamsdonksveer Gemeente Geertruidenberg Vastgesteld
Rapportnummer:
P04176
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0779.RVBPbprinssenlaan1-vs01
Datum:
8 november 2021
Opdrachtgever:
particulier
Projectteam BRO:
MvDn
Concept:
mei 2021
Ontwerp:
augustus 2021
Vaststelling:
16 december 2021
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde ontwikkeling
6 7 7
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2 Provinciaal beleid
10 11 12
3.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ 3.2.2 Interim Omgevingsverordening 3.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid
12 12 13 14
3.3.1 Omgevingsvisie Geertruidenberg 3.3.2 Woonvisie 2017-2021 ‘Aangenaam en duurzaam wonen’
14 15
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur agrarisch 4.6 Externe veiligheid 4.7 Ecologie 4.8 Bodem 4.9 Water 4.10 Archeologie 4.11 Cultuurhistorie 4.12 Gezondheid 4.13 Vormvrije - m.e.r. beoordeling
Inhoudsopgave
16 16 17 18 19 20 21 23 26 27 29 30 30 31
1
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Systematiek van de regels 5.3 Toelichting op de bestemmingen
33 33 33 35
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
36 36
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
36 36 36
6.2.1 Omgevingsdialoog
37
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Schetsplattegrond Bijlage 2: Schetsontwerp Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Beschikking hogere waarde Wet geluidhinder Bijlage 5: Standaard Verantwoording Groepsrisico Bijlage 6: Advies Brandweer Midden- en West-Brabant Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Toelichting archeologie Bijlage 9: Omgevingsdialoog
Inhoudsopgave
39 39
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel van het voormalige autogaragebedrijf Boxce aan de Burgemeester Prinssenlaan 1 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg. De bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels stopgezet en de bedrijfsbebouwing is gesloopt. Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het voormalige garagebedrijf een nieuwe burgerwoning te realiseren, tevens wordt de voormalige bedrijfswoning, behorende bij het voormalige garagebedrijf herbestemd naar een burgerwoning. In het vigerende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk. De gemeente Geertruidenberg heeft middels een principebesluit (d.d. 1 maart 2021) aangegeven medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan biedt het benodigde juridisch-planologisch kader om de ontwikkeling mogelijk te maken. Met de bestemmingsplanherziening zal het plangebied geheel bestemd worden tot wonen met maximaal twee woningen.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Burgemeester Prinssenlaan 1 te Raamsdonksveer. Het plangebied staat kadastraal bekend als RDK02 - H nummer 4845 en 4846 en heeft een totale oppervlakte van 1.170 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1.1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (bron Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg’ het geldend juridisch kader. Dit bestemmingsplan is op 12 december 2019 vastgesteld door de gemeente Geertruidenberg. Binnen het bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming ‘Bedrijf’, met de functieaanduiding garage en gedeeltelijk de functieaanduiding bedrijfswoning. Er zijn twee bouwvlakken opgenomen waarvoor een dient voor de bedrijfswoning en de andere voor de bedrijfsgebouwen.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren - deel 2’, zoals is vastgesteld op 19 april 2018 door de gemeente Geertruidenberg. Tevens is het bestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie’ geldend, zoals is vastgesteld op 11 februari 2021. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 4’. De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. Het oprichten van een nieuwe woning is binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Er is namelijk enkel één bedrijfswoning toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan stelt de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied en vormt de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk diende als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Raamsdonksveer is een aantrekkelijk dorp in de gemeente Geertruidenberg. Het ligt vlakbij het Nationaal Park de Biesbosch. Het dorp biedt goede woonomstandigheden voor gezinnen, jongeren, starters en ouderen. Het plangebied is gelegen aan de Burgemeester Prinssenlaan 1-5, te Raamsdonksveer. Aan de Burgemeester Prinssenlaan 1 was tot voor kort het garagebedrijf Boxce gevestigd. De eigenaar heeft onlangs besloten de bedrijfsactiviteiten stop te zetten en is voornemens om ter plaatse van de voormalige bedrijfsbebouwing een nieuwe woning te realiseren. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning herbestemd naar een burgerwoning. Het plangebied is gelegen in ten zuidoosten van het centrum van Raamdonksveer in een woonwijk. Figuur 2.1 toont de voormalige situatie met de autogarage en de bedrijfswoning, inmiddels is de bedrijfsbebouwing gesloopt.
Figuur 2.1 Voormalige situatie plangebied (bron: Google Streetview)
2.2 Beoogde ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het voormalige autobedrijf een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. De voorgevelrooilijn van de vrijstaande woning komt ten opzichte van de voormalige bedrijfsbebouwing verder naar achteren op het perceel te liggen. De voorgevel komt parallel aan de Burgemeester Prinssenlaan te liggen. De breedte van de vrijstaande woning past binnen de stedenbouwkundige opzet van de straat. De verspringing van de rooilijn is passend bij de meer versmallende rooilijn richting de Julianalaan. De woning levert geen grotere verdichting op van het straatbeeld ten opzichte van de voormalige situatie met het autobedrijf. Tevens zullen er geen nadelige ruimtelijke effecten op de omgeving optreden. Het initiatief is een passende ruimtelijke en stedenbouwkundige invulling van het momenteel braakliggende perceel. Onderhavige ontwikkeling draagt bij
Hoofdstuk 2
7
aan het opvullen en afronden van de straat Burgemeester Prinssenlaan. Gezien het autobedrijf verdwijnt wordt de voormalige bedrijfswoning losgekoppeld en bestemd als zelfstandige burgerwoning. Het plangebied van circa 1.170 m2 wordt opgesplitst in percelen van 466 m 2 en 703 m2. Figuur 2.2 toont de toekomstige perceelindeling, deze schetsplattegrond is tevens opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
Figuur 2.2 Toekomstige perceelindeling (bron: bouwkundig teken- en adviesburo Hans van Gennip)
De woning wordt uitgevoerd als één bouwlaag met kap. Op de begane grond is er ruimte voor een slaapkamer en een badkamer. Hiermee wordt er een levensloopbestendige (senioren)woning gerealiseerd. Een levensloopbestendige woning is een woning die zo gebouwd is, dat deze geschikt is voor iedere levensfase van een bewoner, ook voor senioren die moeilijker te been zijn. De nieuwe woning wordt gasloos gebouwd en voorzien van PV-panelen. Figuur 2.3 toont het schetsontwerp van de voorgevel van de nieuwe vrijstaande woning aan de Burgemeester Prinssenlaan. Als bijlage bij deze toelichting zijn tekeningen van het schetsontwerp opgenomen.
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.3 Voorgevel nieuwe vrijstaande woning (bron: bouwkundig teken- en adviesburo Hans van Gennip)
Op 22 december 2020 is het schetsontwerp voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De commissie constateert dat het verdwijnen van de bedrijfsbebouwing op deze locatie een kwaliteitsverbetering betekent voor de omgeving. De commissie acht het van belang dat het hele perceel voldoende wordt afgeschermd ten opzichte van de andere percelen (aan de Julianalaan), bijvoorbeeld een groene erfafscheiding van ca. 2 meter hoog. Het ontwerp voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het plan wijkt af van de bestaande rooilijn. Met betrekking tot de rooilijn adviseert de commissie positief, omdat de verspringing in de rooilijn in dit geval passend is bij de zich versmallende rooilijn richting de Julianalaan. Als ontwerpsuggestie geeft de commissie mee om het bijgebouw niet te keimen, maar in donker(der) metselwerk uit te voeren. Zo ontstaat een duidelijker onderscheid tussen hoofd- en bijgebouw. Bij de aanvraag omgevingsvergunning ziet de commissie graag een overzicht van de kleurstellingen en materialisatie tegemoet van het bijgebouw, de dakkapellen, de garagedeur en de omlijsting van de voordeur.
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke per 11 september 2020 in werking is getreden. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen
Hoofdstuk 3
10
en waar de NOVI op van invloed is. Het beleid inzake het realiseren van een burgerwoning en het herbestemmen van een bedrijfswoning tot burgerwoning wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkeling. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De Ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige planontwikkeling wordt er slechts één nieuwe woning toegevoegd.
Op basis van geldende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet met één woning dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de uitgangspunten van de ladder. 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
11
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Doorwerking plangebied Met de beoogde ontwikkeling wordt er één nieuwe burgerwoning toegevoegd en wordt een bestaande voormalige bedrijfswoning bestemd tot burgerwoning, dit heeft geen grote invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan.
In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is op 10 december 2020 geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen.
Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim Omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt grotendeels binnen gronden die op de kaarten behorende bij de Interim Omgevingsverordening als landelijke kern en stedelijk gebied.
Hoofdstuk 3
12
De volgende artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing op de voorgestane ontwikkelingen binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Met dit planvoornemen wordt het realiseren van één nieuwe woning en het herbestemmen van een bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk gemaakt aan de Burgemeester Prinssenlaan te Raamsdonksveer.
De Interim Omgevingsverordening staat woningbouw in het stedelijk gebied toe, mits dit mogelijk is binnen de lokale woningbouwcapaciteit. Gezien er slechts één woning wordt toegevoegd heeft dit geen grote gevolgen voor de lokale woningbouwcapaciteit. Het plan draagt bij aan het invullen van de regionale en gemeentelijke woonbehoefte. De ontwikkeling is ruimtelijk en stedenbouwkundig passend op de voorgestane locatie en de ontwikkeling draagt bij aan de afronding van de straat Burgemeester Prinssenlaan. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie, zo wordt de nieuwe woning gasloos gebouwd en voorzien van PV-panelen. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening. 3.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld (planidn: NL.IMRO.9930.OvrNBrabant-on01). Dit ontwerp doorloopt een zienswijze- en overlegprocedure voor de periode van zes weken. Daarvoor ligt het ontwerp met ingang van 9 april 2021 ter inzage.
Het ontwerp van de Omgevingsverordening is vastgesteld om te voldoen aan de Omgevingswet. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt, met enkele aanpassingen vanwege de Omgevingswet of nieuwe inzichten of beleid. De ontwerp Omgevingsverordening is momenteel nog geen geldend beleid. Indien de Omgevingsverordening vastgesteld wordt voor vaststelling van dit bestemmingsplan, zal er voor dit plan een beleidstoets aan de Omgevingsverordening plaatsvinden.
Hoofdstuk 3
13
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Geertruidenberg De Omgevingsvisie Geertruidenberg is op 4 juni 2021 door de Raad vastgesteld. In de omgevingsvisie laat de gemeente Geertruidenberg zien waar ze voor staat en waar ze naar toe willen in de toekomst. De gemeente Geertruidenberg wordt in de Omgevingsvisie onderscheidt gemaakt in elf gebieden. Voor al deze gebieden is het mogelijk om gebiedsgericht maatwerk te formuleren. Dat betekent dat afhankelijk van het gebied bepaalt word wat er wel en niet kan, en welke thema’s, waarden en ambities daaraan worden gekoppeld. De combinatie van ‘thema’s’, ‘waarden’ en ‘ambities’ bepaalt de mogelijkheden voor nieuwe initiatieven in de verschillende gebieden. In de Omgevingsvisie komen de volgende vier ambities aan bod: Toekomstbestendige en groene gemeente Gezonde en veilige Levendige gemeente Ondernemende gemeente Het plangebied is gelegen in het gebied Raamsdonksveer. Raamsdonksveer is met 12.500 inwoners de grootste kern in de gemeente Geertruidenberg. Raamsdonksveer heeft een aangenaam woon, werk en verblijfsklimaat. Er is een hoogwaardige kwaliteit van de openbare ruimte in wijken en buurten en er bestaan voldoende recreatiemogelijkheden voor de inwoners. Ook kent de grootste kern in de gemeente een goed ondernemersklimaat met veel mogelijkheden voor ondernemers.
Raamsdonksveer is te typeren als een groot dorp met een dynamisch centrum en een meer dan gemiddeld voorzieningenaanbod. Rondom het centrum zijn Raamsdonksveer Noord en Raamsdonksveer Zuid gelegen, met als hoofdbestemming wonen. In deze buurten zijn ook andere voorzieningen te vinden, zoals sportvoorzieningen (o.a. tennis en voetbal), het Dongemond College (vmbo, havo en vwo) en basisscholen. Het voorzieningenniveau is aanzienlijk. In de wijken is een netwerk van groene plekken, voornamelijk aan de oost- en zuidoostzijde, nabij de A27 en A59. Deze plekken bieden ruimte in de wijk en beleving van groen. Ook liggen in de wijk (of dicht tegen de wijk aan) enkele sportcomplexen. Raamsdonksveer kent het kernwinkelgebied en het grootste werkgebied van de gemeente Geertruidenberg. Maar in het grootste gedeelte van deze kern is het vooral fijn wonen. De Donge is de ruggengraat, waar de kern tegenaan gebouwd is. Aan de andere zijden wordt de kern begrensd door de snelwegen A27 en A59. In de toekomst zorgt de gemeente ervoor dat onze inwoners fijn kunnen blijven wonen in Raamsdonkveer. We houden de voorzieningen op peil in het centrum, zodat deze dichtbij zijn en gemakkelijk met de fiets of lopend te bereiken. Hiervoor houden we de kwaliteit van de wegen op peil. We bouwen nieuwe woningen om te voorzien in de behoefte van onze inwoners.
Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling verdwijnt er een autogarage binnen een woonwijk, wat een positieve ontwikkeling is gezien een autogarage geen passende functie is binnen een rustige woonwijk. Voor de beoogde ontwikkeling is het thema wonen van belang. Raamsdonksveer is de grootste woonkern van de gemeente. De gemeente gaat zich inzetten om te komen tot een Programma Wonen, waarbij in beeld wordt gebracht hoe lokale vraag en aanbod beter op elkaar kunnen aansluiten. Bij nieuwbouw van woningen gaat de voorkeur uit naar inbreiding, dit betekent dat er eerst binnen de kernen wordt gebouwd en niet uitgebreid wordt naar het buitengebied. Met de ontwikkeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd, er is sprake van inbreiding gezien de nieuwe woning wordt gerealiseerd ter plaatse
Hoofdstuk 3
14
van een voormalige autogarage binnen de kern Raamsdonksveer. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling welke in lijn is met de Omgevingsvisie Geertruidenberg. 3.3.2 Woonvisie 2017-2021 ‘Aangenaam en duurzaam wonen’ De woonvisie 2017 “Aangenaam en duurzaam wonen” is de opvolger van de woonvisie ‘Bouwen naar behoefte’. In de gemeentelijke Woonvisie 2017 wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Het aantal inwoners blijft in de gemeente Geertruidenberg de komende jaren redelijk stabiel. Door de afname van de gemiddelde woningbezetting oftewel een toename van het aantal huishoudens, is er een behoefte om het aantal woningen beperkt te blijven uitbreiden. Voordat er een nieuwe ontwikkeling komt, moet worden gekeken welke mogelijkheden er zijn voor inbreiding en voor het transformeren van leegstaande gebouwen. In Raamsdonksveer is de markt heel goed. Er is behoefte aan meer aanbod (nieuwbouw). Gemiddeld is een woning binnen een half jaar verkocht. In Raamsdonksveer-Zuid is behoefte aan middeldure koop. In Geertruidenberg is voornamelijk vraag naar middeldure koopwoningen, in Raamsdonksveer naar dure huurwoningen, middeldure koopwoningen en dure koopwoningen, terwijl in Raamsdonk vraag is naar goedkope huur en middeldure koopwoningen.
Doorwerking plangebied Het plan voorziet in het realiseren één woning in het koopsegment in Raamsdonksveer. Er is sprake van inbreiding en transformatie gezien de nieuwe woning wordt gerealiseerd ter plaatse van een voormalige autogarage binnen de kern Raamsdonksveer. De woning vormt een mooie aanvulling op de bestaande woningvoorraad van Raamsdonkveer en zorgt voor afronding van de Burgemeester Prinssenlaan. De woning wordt uitgevoerd als één bouwlaag met kap. Op de begane grond is er ruimte voor een slaapkamer en een badkamer. Hiermee wordt er een levensloopbestendige (senioren)woning gerealiseerd. Een levensloopbestendige woning is een woning die zo gebouwd is, dat deze geschikt is voor iedere levensfase van een bewoner, ook voor senioren die moeilijker te been zijn. De nieuwe woning wordt gasloos gebouwd en voorzien van PV-panelen. Hiermee speelt de nieuwe woning in op belangrijke kwaliteitsaspecten die vanuit de woonvisie verwacht worden bij nieuwe woningen. Het plan is in lijn met de woonvisie.
Hoofdstuk 3
15
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de gemiddelde verkeersgeneratie in de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW (381). Voor één vrijstaande woning is de gemiddelde verkeersgeneratie in de rest bebouwde kom – matig stedelijk gebied 8,2 motorvoertuigen per etmaal. Met onderhavig bestemmingsplan wordt er echter een autogaragebedrijf wegbestemd waardoor het aantal verkeersbewegingen afneemt. Volgens de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” (381) geldt voor een bedrijf arbeidsintensief en bezoekersextensief een gemiddelde verkeersgeneratie van 2,35 per 100 m 2 BVO. Het voormalige bedrijfsgebouw was ca. 565 m2, hiermee komt de verkeersgeneratie dus op 13,28 motorvoertuigen per etmaal. Wanneer de huidige planologische situatie wordt vergeleken met de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen dus af met circa 5 motorvoertuigen per etmaal.
De bedrijfswoning is in de berekening niet meegenomen omdat de gemiddelde verkeergeneratie feitelijk niet zal wijzigen. Parkeren De gemeente Geertruidenberg heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het Parapluplan Parkeren. Het plangebied is gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘Overige zone-parkeren’. Hiervoor gelden de parkeernormen uit de nota "Parkeren doen we zo!" Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden op de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden. De toename van de parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels "Parkeren doen we zo!". Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, gelden de gewijzigde regels. Conform de beleidsregels “Parkeren doen we zo!” zijn voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom van Raamsdonksveer 2,6 parkeerplaatsen benodigd. Het perceel is voldoende groot om te voorzien in 3 parkeerplaatsen.
Hoofdstuk 4
16
4.2 Geluid Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De breedte van de zone/invloedssfeer van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
Doorwerking plangebied Het bouwvlak van de bestaande bedrijfswoning blijft onveranderd. In het kader van de realisatie van een nieuwe woning aan de Burgemeester Prinssenlaan 1 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de autosnelweg A27 en Julianalaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Burgemeester Prinssenlaan tevens opgenomen in het akoestisch onderzoek. Autosnelweg A27 De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de autosnelweg A27 is maximaal 51 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Geertruidenberg kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de nieuwe woning wordt gebouwd ter vervanging van een bestaand autobedrijf. De A27 is al voorzien van 2-laags ZOAB en verschillende schermen.
Het aanbrengen van een ander stiller wegdek of hoger scherm om de geluidbelasting ten gevolge van de A27 terug te dringen is uit het oogpunt van financiële aard, praktische uitvoerbaarheid, esthetica, beheer en onderhoud niet wenselijk. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel. Alle gevels op de begane grond zijn geluidluwe gevels.
Hoofdstuk 4
17
Conform Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet normaliter voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Aangezien de gevelbelasting maximaal 51 dB bedraagt, betekent dit in de voorliggende situatie dat de op grond van het Bouwbesluit vereiste geluidwering gelijk is aan de minimum eis van 20 dB. De geluidwerende voorzieningen dienen enkel te worden bepaald wanneer de karakteristieke gevelgeluidwering hoger dient te zijn dan de minimumeis van 20 dB. In deze situatie is een onderzoek naar de geluidwerende voorzieningen niet noodzakelijk. Julianalaan De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 43 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Burgemeester Prinssenlaan Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 50 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 45 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’.
Gezien er met onderhavig bestemmingplan slechts één nieuwe vrijstaande woning wordt toegevoegd valt de ontwikkeling onder de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen).
Hoofdstuk 4
18
Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Bovendien is in paragraaf 4.1 reeds berekend dat de verkeergeneratie in de toekomstige situatie zal afnemen ten opzichte van de voormalige situatie met het autobedrijf. Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel (tabel 4.2) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Meetpunt
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
683261
24.7
19.1
6.9
11.9
2020
685725
24.7
19.1
6.9
11.9
2020
706977
27.5
19.3
7.1
12.0
2020
713832
27.3
19.3
7.1
11.9
2020
729952
24.9
19.2
7.0
11.9
2020
740260
27.9
19.4
7.1
12.0
2020
Norm
40
40
35
25
Tabel 4.2 Achtergrondwaarden NSL-Monitoringstool
Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de NSL-monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
19
bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Met dit initiatief wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Woningen zijn milieugevoelige objecten. Het omgevingstype is te karakteriseren als een rustige woonwijk.
Met het verdwijnen van het voormalige garagebedrijf, komen er in de omgeving van het plangebied voornamelijk woningen voor en weinig andere voorzieningen/functies. Julianalaan 103 Op circa 52 meter afstand van het plangebied zijn de bestemmingen ‘maatschappelijk’ en ‘bedrijf’ gelegen. Het betreft een gemeentewerf met brandweerkazerne. Volgens de VNG-brochure behoort een brandweerkazerne tot milieucategorie 3.1, met een bijbehorende richtafstand van 50 meter tot rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt voldaan, tevens bevinden er zich al bestaande woningen op kortere afstand van de brandweerkazerne en de gemeentewerf. Deze bestaande woningen hebben een meer beperkende werking op de brandweerkazerne en de gemeentewerf dan de burgerwoningen die met onderhavige ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. Overige potentieel hinder veroorzakende functies liggen op een afstand van minstens 90 meter van onderhavig plangebied. In de directe omgeving van deze functies zijn reeds burgerwoningen gelegen. Er is derhalve geen sprake van milieuhinder. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een
Hoofdstuk 4
20
veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geuruitstraling. Het is dan ook niet noodzakelijk om een geuronderzoek uit te voeren. Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van
Hoofdstuk 4
21
het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden?
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Figuur 4.1 toont een uitsnede van de risicokaart, met het plangebied blauw omcirkeld. Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied zijn risicovolle inrichtingen gelegen, deze liggen op een afstand van minstens 265 meter. Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen Transport van gevaarlijke stoffen Ten oosten van het plangebied is de Rijksweg A27 gelegen. De A27 is op ruime afstand, circa 225 meter, van het plangebied gelegen. Over de A27 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor deze rijksweg geldt geen PR10-6 contour.
Dit traject kent wel een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Dit plasbrandaandachtsgebied reikt niet tot het plangebied. Voor de A59 en A27 moet rekening gehouden worden met een invloedsgebied op grond van het huidige transport van gevaarlijke stoffen van 880 meter. Voor deze snelwegen geldt dat het groepsrisico ruim onder de oriënterende waarde ligt. Er is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Voor de verantwoording kan gebruik worden gemaakt van de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de gemeente Geertruidenberg en het bijbehorende standaardadvies van de Veiligheidsregio.
Hoofdstuk 4
22
De Standaard Verantwoording Groepsrisico van gemeente Geertruidenberg wordt toegepast op grond van art. 13 voor Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordening. Deze Standaard Verantwoording Groepsrisico is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Tevens heeft de Veiligheidsregio een standaardadvies opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van de snelwegen. Het standaardadvies kan toegepast worden voor ontwikkelingen buiten de 200 meter van een autoweg. Het plangebied ligt op circa 225 meter van de A27 en op circa 705 meter van de A59. Het standaardadvies mag toegepast worden. Dit standaardadvies van de Veiligheidsregio is tevens opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het plangebied is verder niet gelegen binnen invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen. Buisleiding Ten oosten van het plangebied is een aardgasbuisleiding van de Gasunie gelegen. De buisleiding A531 kent een 1%-letaliteitsafstand en 100%-letaliteitsafstand van respectievelijk 120 meter en 60 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van 370 meter. De buisleiding vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
4.7 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet
Hoofdstuk 4
23
in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Biesbosch', bevindt zich op circa 2,7 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van één nieuwe woning betreft, waarbij een autogaragebedrijf wordt gesaneerd is er ten opzichte van het huidige planologische regime geen toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Met inwerkingtreding van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering op 1 juli 2021, wordt de bouwfase vrijgesteld van de stikstofonderzoekplicht en hoeft deze dus niet meegenomen te worden bij een stikstofberekening. Het voormalige pand van het autogaragebedrijf is reeds gesloopt. Met onderhavige ontwikkeling wordt één nieuwe gasloze woning gerealiseerd. Wanneer de huidige planologische situatie wordt vergeleken met de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen af, waardoor ook de stikstofuitstoot in de gebruiksfase zal afnemen. Voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is vastgesteld is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in inwerking getreden, derhalve wordt de bouwfase niet meegenomen.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Mocht ten einde van de vaststelling van dit bestemmingsplan duidelijk worden dat de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering nog niet in werking getreden is kan er eventueel nog een stikstofberekening worden gedaan. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Hoofdstuk 4
24
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. De onderzoekslocatie is op ruim 1 kilometer afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Raamsdonksveer, in de omgeving komen voornamelijk woningen afgewisseld voor. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van een nieuwe burgerwoning. Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten en grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Daarnaast is het voorkomen van vissen, amfibieën (voortplantingswater), reptielen en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) binnen het plangebied uit te sluiten, vanwege de afwezigheid van geschikt habitat. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met in acht name van de zorgplicht. De sloopvergunningen voor het voormalige bedrijfsgebouw van de autogarage is reeds verleend en de sloop heeft ook al plaatsgevonden op basis van deze vergunning waardoor er geen reden is om aan te nemen dat het aspect flora en fauna (soortenbescherming) op dit moment nog een belemmering zou kunnen vormen voor de haalbaarheid van onderhavig planvoornemen. Er zal in ieder geval gehandeld worden volgens de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen.
Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van bovenstaande, met inachtneming van de zorgplicht voor (incidenteel) aanwezige individuen, wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
25
4.8 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Burgemeester Prinssenlaan 1-5 te Raamsdonksveer. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem).
Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De locatie heeft een oppervlakte van 1.170 m 2 en betreft een woning en voormalig garagebedrijf met showroom en olie-/waterafscheider. Op de locatie is omstreeks 1962 een garagebedrijf opgericht welke recent gestopt is. Tevens is omstreeks 1962 een benzine-service-station gerealiseerd, welke in 2000 ontmanteld is. In 1986 zijn de brandstoftanks vervangen, echter is de ondergrondse benzinetank (30.000 liter) mogelijk nog aanwezig onder de werkplaats. Tijdens de locatie-inspectie is gezocht naar de ondergrondse tank, echter aangezien deze mogelijk onder het pand (werkplaats) ligt is deze niet aangetroffen. Tijdens een bodemonderzoek (in 1996) op de locatie zijn twee verontreinigingen aangetroffen. Ter plaatse van het pompeiland/ voormalige vulpunten is de grond tot circa 2,0 m -mv verontreinigd en het grondwater tot circa 5,0 m -mv verontreinigd met olieproducten.
Aan de noordoostzijde van de locatie, ter plaatse van de tanks/ showroom/ belendende percelen is de grond tot circa 4,0 m -mv verontreinigd en het grondwater tot circa 6,0 m -mv verontreinigd met olieproducten. Vervolgens is een tanken bodemsanering sanering verricht. Hiervoor is de showroom gesloopt (en na afloop herbouwd). Na de sanering zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan minerale olie en aromaten achtergebleven in de grond. De olie-/waterafscheider is beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van minerale olie in grond en minerale olie en btexn in grondwater. Het overige terrein is beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van minerale olie in grond en minerale olie en btexn in grondwater.
Hoofdstuk 4
26
A) Olie-/waterafscheider: In de ondergrond nabij de olie-/waterafscheider (M01) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater nabij de olie-/waterafscheider (GW01) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht ter plaatse van deellocatie A. B) Gehele locatie (incl. werkplaats), 1.170 m 2: In de ondergrond waar een lichte olie-/waterreactie en matige oliegeur is waargenomen (M02) is geen verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. In de bovengrond ter plaatse van de werkplaats (M03) zijn licht verhoogde gehalten aan pcb en minerale olie aangetroffen. In de bovengrond ter plaatse van het overige terrein (M04) is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. In de ondergrond ter plaatse van de gehele locatie (M05) is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 03 (GW02) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht ter plaatse van deellocatie B.