5.2 Masterplan uitroeiing en beheersing unielijstsoorten
Tekst van het document
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
Focusgroep Beheer Den Haag, 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
Colofon: Dit document is gemaakt door de focusgroep 8, Beheer, in het kader van de implementatie van de Europese verordening invasieve exoten 1143/2014. Samenstelling van de focusgroep: Voorzitter: J. Bok, provincie Utrecht (tot april 2016) J.P. Cronau, provincie Gelderland (vanaf sept. 2016) Leden: J.N.J. Kooijman, provincie Zuid-Holland H.E. Groenewoud, Ministerie van Economische Zaken K.L. Westra-Coes, Ministerie van Economische Zaken J.W. Lammers, Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit I. Jonker, Rijkswaterstaat D. Moerkens, Unie van Waterschappen A. Reichgelt, Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren R.H. Ruks, Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit H. Siebel, voorzitter werkgroep exoten VBNE / Natuurmonumenten
Bijlagen: Soortenbijlage artikel 17 soorten, NVWA Soortenbijlage artikel 19 soorten, NVWA
1
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
Inhoud Voorwoord .............................................................................................................................................. 3 1. Inleiding............................................................................................................................................... 4 2. Verantwoordelijkheden en taken van de verschillende overheden en van andere organisaties ...... 6 3. Aanpak van nog niet gevestigde soorten (artikel 17) ......................................................................... 7 3.1. Ambitie, taken en kosten ............................................................................................................. 7 3.2. Procedurestappen en rolverdeling .............................................................................................. 8 4. Aanpak van reeds gevestigde soorten (artikel 19) ........................................................................... 12 4.1. Ambities, maatregelen en kosten .............................................................................................. 12
2
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
Voorwoord Dit Masterplan uitroeiing en beheer Unielijstsoorten beschrijft een gezamenlijke ambitie voor de wijze waarop verschillende partijen in Nederland, met name overheden en terreineigenaren, samenwerken aan de bestrijding van invasieve exoten. Onderdeel van dit Masterplan zijn twee bijlagen die separaat zijn opgesteld door de NVWA en die voor elke soort afzonderlijk de strategie beschrijven: de Soortenbijlage artikel 17-soorten en de Soortenbijlage voor artikel 19-soorten. De oorsprong van deze documenten ligt in de Europese exotenverordening die op 1 januari 2015 in werking trad: de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Bij de verordening hoort een soortenlijst met schadelijke invasieve uitheemse soorten die op 3 augustus 2016 in Europa van kracht is geworden. Een aanvulling op de lijst met 12 nieuwe soorten is van kracht geworden op 2 augustus 2017, maar dit Masterplan heeft alleen betrekking op de eerste Unielijst uit 2016 en niet op de latere aanvulling. Nadat de verordening in werking was getreden moest deze in Nederland worden geïmplementeerd. Daartoe is het ministerie van Economische Zaken (EZ) gestart met het vormgeven van de samenwerking tussen de betrokken overheden en enkele maatschappelijke partijen.
Onder de koepel van een stuurgroep en een regiegroep is opdracht gegeven aan focusgroepen om verschillende onderdelen uit te werken, zoals het opnemen van de Europese regelgeving in nationale wetgeving, het opzetten van een systeem voor vergunningverlening en handhaving en het opzetten van grenscontroles. Aan focusgroep Beheer is verzocht een uitwerking te geven aan uitroeiing en beheer van invasieve exoten die zich in de publieke ruimte hebben gevestigd. In dezelfde jaren werd in Nederland de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies afgerond. Sluitstuk was de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking trad en die de decentralisatie wettelijk veranderde. De Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming bevatten kaders om provincies de verantwoordelijkheden en bevoegdheden te geven voor het uitvoeren van uitroeiing-, beheers- en herstelmaatregelen. Tegen deze achtergrond hebben de provincies ook de voorzitter voor de focusgroep Beheer geleverd, met dit Masterplan als laatste resultaat. De in dit Masterplan en daarmee samenhangende NVWA-bijlagen beschreven gezamenlijke ambitie maakt het de provincies mogelijk om in het kader van het gedecentraliseerde natuurbeleid uitroeiing en beheer in de publieke ruimte te coördineren.
3
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
1. Inleiding In toenemende mate vestigen zich door invloeden van de mens planten- en diersoorten in ons deel van de wereld die hier niet van nature thuis horen. Deze zogenaamde exoten worden gehouden in tuinen of vijvers, ontsnappen als gehouden pels- of huisdieren of komen onbedoeld mee met transporten. Daarnaast hebben we een aantal natuurlijke barrières opgeheven door rivieren via kanalen met elkaar te verbinden, waardoor met name aquatische soorten onbedoeld hun verspreidingsgebied hebben kunnen vergroten. De komst van dergelijke exoten is niet zonder risico’s, zeker wanneer ze een invasief karakter hebben. Invasieve exoten veroorzaken schade aan biodiversiteit of de aanverwante ecosysteemdiensten en kunnen nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid of de economie. Om deze risico’s een halt toe te roepen is het noodzakelijk dat er wordt samengewerkt. Vandaar dat er per 1 januari 2015 in EU-verband een verordening in werking is getreden om invasieve exoten aan te pakken vanuit het oogpunt van behoud van biodiversiteit en ecosysteemdiensten. De verordening verplicht lidstaten onder andere om de import en handel in dergelijke soorten aan banden te leggen en maatregelen te treffen om ze bij eerste waarneming uit te roeien en daar waar ze reeds gevestigd zijn maatregelen te treffen om verdere verspreiding te voorkomen en schade te beperken.
Waar ecosystemen zijn aangetast dienen zo mogelijk herstelmaatregelen getroffen te worden.
Uit de verordening:
Artikel 17: Snelle uitroeiing in een vroeg stadium van invasie Lid 1: Na vroegtijdige detectie en uiterlijk drie maanden na het verzenden van de in artikel 16 vermelde kennisgeving van vroegtijdige detectie nemen de lidstaten uitroeiingsmaatregelen, stellen zij de Commissie in kennis van deze maatregelen en informeren zij de andere lidstaten. Artikel 18 Afwijkingen van de verplichting tot snelle uitroeiing Lid 1: Binnen twee maanden na de in artikel 16 bedoelde detectie van een invasieve uitheemse soort, kan een lidstaat op basis van degelijk wetenschappelijk bewijs besluiten geen uitroeiingsmaatregelen uit te voeren indien aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan: Artikel 19 Beheersmaatregelen Lid 1: Binnen 18 maanden nadat een invasieve uitheemse soort in de Unielijst is opgenomen beschikken de lidstaten over doeltreffende beheersmaatregelen voor de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten waarvan de lidstaten hebben vastgesteld dat ze wijdverspreid zijn op hun grondgebied, zodat de gevolgen ervan voor de biodiversiteit, de aanverwante ecosysteemdiensten en, in voorkomend geval, de menselijke gezondheid of de economie tot een minimum worden beperkt.
Per 3 augustus 2016 is een lijst met soorten van kracht geworden waarop de verordening van toepassing is, de zogenaamde Unielijst. De eerste lijst bevat in totaal 37 soorten, planten zowel als dieren. Een aanvulling op de lijst met 12 nieuwe soorten is reeds van kracht geworden op 2 augustus 2017 en nieuwe uitbreidingen mogen in de toekomst verwacht worden. Er is daarom gekozen voor een eenvoudig masterplan dat alleen algemene uitgangspunten bevat. Daarnaast bevat het plan voor elke soort een bijlage die volgens een vast stramien is opgebouwd. Bij uitbreiding van de Unielijst kunnen deze soortenbijlagen snel worden geactualiseerd. Een deel van deze soorten was nog niet in ons land gevestigd op het moment van plaatsing op de Unielijst. Dat wil zeggen dat ze hier nog niet zijn waargenomen of er zijn uitsluitend enkele losse individuen gezien; van populatievorming is in ieder geval nog geen sprake. Artikel 17 van de EUverordening verplicht lidstaten, als er wel een kans op voorplanting is, direct maatregelen te treffen.
4
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
In hoofdstuk 3 is aangegeven hoe met dergelijke soorten zal worden omgegaan. Een ander deel van de Unielijstsoorten is wel reeds in ons land gevestigd. Artikel 19 stelt dat lidstaten binnen achttien maanden nadat de Unielijst van kracht is moeten beschikken over beheersmaatregelen voor soorten die wijdverspreid op hun grondgebied aanwezig zijn. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven hoe met dergelijke soorten zal worden omgegaan. Daarnaast dienen er bij schade aan ecosystemen herstelmaatregelen getroffen te worden. In dit plan is vooralsnog niet in dergelijke maatregelen voorzien omdat in ons land nog geen sprake is van ernstige schade aan ecosystemen. De Unielijst is een dynamische lijst, waaraan nieuwe soorten kunnen worden toegevoegd of waarvan soorten afgehaald kunnen worden.
5
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
2. Verantwoordelijkheden en taken van de verschillende overheden en van andere organisaties In een ministeriële regeling zal het Rijk soorten aanwijzen waarvoor de verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor het treffen van uitroeiing-, beheers- en herstelmaatregelen in de publieke ruimte in het kader van de EU-verordening invasieve Exoten worden overgedragen aan de provincies. Dat betekent dat de provincies verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen van beleid voor de soorten geplaatst op de Unielijst. De overdracht van verantwoordelijkheden en bevoegdheden geldt niet voor alle soorten van de Unielijst - Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het nemen van beheersmaatregelen voor soorten die onder de visserijwet vallen: de uitheemse rivierkreeften en de Chinese wolhandkrab; - De waterschappen dragen conform de Waterwet en Waterschapswet zo goed mogelijk zorg voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten. In de overige gevallen zullen de provincies initiatieven ontwikkelen om op basis van dit Masterplande bestrijding van invasieve exoten ter hand te nemen. Daartoe maken zij afspraken met beheerders van terreinen en wateren en zorgen zij ervoor dat het provinciale juridische instrumentarium op orde is. Daarnaast kunnen zij binnen de kaders van hun natuurtaken ook financiële middelen beschikbaar stellen.
Over de maatregelen en de resultaten daarvan rapporteren zij aan de NVWA, die voor het Rijk een EU-rapportage samenstelt. De decentralisatie richting provincies laat onverlet dat het Rijk nog taken blijft uitvoeren, namelijk - de inzet van douane en handhaving op import, handel, transport en houden van Unielijstsoorten; - risicobeoordelingen; - wetenschappelijke onderbouwing voor afwijking van Artikel 17 verplichtingen (Art 18), - advisering over risico’s en managementopties, - ontheffing verlening voor opvang invasieve exoten uit het wild; - pathwayanalyse en preventieve maatregelen op pathways; - de handhaving op het illegaal uitzetten van invasieve exoten; - de surveillance naar de verspreiding van invasieve exoten; - het uitzetten en begeleiden van onderzoek naar effectieve bestrijdingsmethoden en naar mogelijkheden om ecosystemen weerbaarder te maken. De EU-verordening is gericht op de instandhouding van de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten. De in dit beheersplan genoemde maatregelen worden in dat kader getroffen.
Dat neemt niet weg dat met het oog op voorkomen van overlast, de veiligheid en gezondheid van burgers alsmede de waterhuishouding, de waterkwaliteit (waaronder begrepen de ecologische kwaliteit) en de waterveiligheid overheden als Rijkswaterstaat, waterschappen en gemeenten nog steeds een eigen verantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen. Daarom bestrijden de waterschappen waterplanten om de doorstroming te garanderen en de muskus- en beverratten om de veiligheid van dijken en oevers zeker te stellen.
6
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
3. Aanpak van nog niet gevestigde soorten (artikel 17) 3.1. Ambitie, taken en kosten Kader: verplichting voor snelle uitroeiing besluit tot afwijking daarvan Uitroeiing wordt in de verordening gedefinieerd als “de volledige en permanente verwijdering van de populatie van een invasieve uitheemse soort door middel van dodelijke of niet-dodelijke middelen” (EU-verordening 1143/2014, artikel 3 punt 13). Het is dus niet per se nodig de planten en dieren te doden; waar het om gaat is dat de populatie volledig en permanent wordt verwijderd. Als uitroeiing niet mogelijk is kan een lidstaat binnen twee maanden na detectie op basis van wetenschappelijk bewijs besluiten geen uitroeiingsmaatregelen (conform artikel 17) uit te voeren op de volgende gronden: a) de beschikbare uitroeiingsmethoden kunnen niet kunnen worden toegepast in het milieu waar de invasieve uitheemse soort zich heeft gevestigd; b) uit een kosten-batenanalyse blijkt met redelijke zekerheid dat de kosten uitzonderlijk hoog zullen zijn en niet in verhouding staan tot de voordelen van de uitroeiing; c) er zijn geen uitroeiingsmethoden beschikbaar of de beschikbare methoden hebben zeer ernstige nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid, het milieu of andere soorten. Dit besluit moet wetenschappelijk degelijk worden onderbouwd.
De Europese Commissie kan het besluit van de lidstaat verwerpen, waarna de lidstaat alsnog moet voldoen aan de verplichtingen van artikel 17. De ambitie voor nog invasieve soorten die zich nog niet in ons land gevestigd hebben is helder. Conform artikel 17 van de verordening dienen populaties (of planten en dieren waarbij er een reële kans op toekomstige populatievorming bestaat) volledig en permanent verwijderd te worden. Daarvan kan alleen bij bijzondere omstandigheden worden afgeweken, conform de gronden zoals genoemd in artikel 18 (zie kader). In de soortbijlagen worden de soorten die onder artikel 17 vallen benoemd en wordt aangegeven welke maatregelen getroffen kunnen worden als zij in ons land worden aangetroffen. Voor al deze soorten geldt dat de provincies bij de uitroeiing het voortouw hebben: zij benaderen de terreineigenaren om uitroeiingsmaatregelen te treffen of geven een derde partij opdracht dat te doen. Kosten hiervoor zullen, als deze niet passen bij het reguliere beheer van de eigenaar, door de provincie worden gedragen.. Het Rijk blijft bij de uitroeiing van deze soorten een belangrijke rol spelen. Zo geeft het Rijk de NVWA opdracht om een signaleringssysteem (surveillance) te ontwikkelen en te onderhouden en om een wetenschappelijke onderbouwing op te stellen als blijkt dat een soort niet uit te roeien is.
Het Rijk informeert Brussel in een dergelijk geval over het besluit tot niet uitroeien. Ook is het Rijk verantwoordelijk voor het opstellen van rapportages richting Brussel. Daarvoor zijn weer gegevens nodig van de provincies. Daarnaast is het Rijk verantwoordelijk voor het uitzetten van onderzoek naar effectieve bestrijdingsmogelijkheden en naar het weerbaar maken van ecosystemen.
7
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
3.2. Procedurestappen en rolverdeling Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn geworden dat tussen verschillende partijen, met name Rijk en provincies maar ook tussen provincies, gemeenten, waterschappen en terreinbeheerders, goed moet worden samengewerkt. Bij de aanpak van artikel 17 soorten kunnen een aantal procedurestappen worden onderscheiden die in onderstaand stroomschema en protocol zijn uitgewerkt. Hoewel de te treffen maatregelen per soort kunnen verschillen (zie de bijlagen) is het stroomschema en het protocol voor alle artikel 17 soorten van toepassing die in de ministeriële regeling worden aangewezen. Het protocol Het protocol bestaat uit twaalf procedurestappen. In het stroomschema hieronder zijn deze schematisch weergegeven. Stroomschema protocol beheersplan artikel 17 soorten
1.Signaleren
2.Afstemmen EZ/prov.
3. Notificatie
4.Afbakeningssurvey
6. Besluit tot derogatie
uitroeiing niet mogelijk
5. bepaling verspreiding / uitroeiing uitroeiing mogelijk
7. EC in kennis stellen
8. beheer cf. artikel19 procedure
9.Uitroeiingsmaatregelen
10. Evaluatieonderzoek
uitroeiing niet succesvol 11. oordeel evaluatie uitroeiing succesvol
12.Eindrapportage
8
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
Toelichting op de procedurestappen: Stap
Regisseur
1. Signalering via het netwerk 2. Afstemming Rijk / provincies 3. Notificatie 4. Afbakeningssurvey 5. Bepaling verspreiding / uitroeiingsmogelijkheid 6. Onderbouwing derogatie (artikel 18) 7. Aanvraag derogatie 8. (verder volgens beheersplan procedure conform artikel 19) 9. Uitroeiingsmaatregelen 10. Evaluatieonderzoek 11. Oordeel evaluatie 12. Eindrapportage
NVWA Rijk Rijk Provincies Provincies / EZ NVWA EZ Provincies Provincies Provincies EZ
1. Vroegtijdige signalering De NVWA is verantwoordelijk voor het vormgeven van surveillance, waarbij het doel is art. 17 Unielijstsoorten in een vroegtijdig stadium te signaleren. De surveillance zal voor een groot deel worden uitgevoerd door medewerkers en vrijwilligers van de Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s). Belangrijke surveillancepijlers zijn het Signaleringsnetwerk Exoten en het Netwerk Ecologische Monitoring. Waarnemingen die vanuit het surveillancenetwerk of door burgers gemeld worden via portals als waarneming.nl en telmee.nl worden gevalideerd door soortenexperts. Al deze waarnemingen stromen de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) in. De NVWA is in gesprek met de waarnemingspartners om voor met name de artikel 17-soorten in de NDFF in te bouwen dat de PGO’s waarnemingen van deze soorten ook ‘duiden’. Dat wil zeggen dat zij in de NDFF aangeven of er een reële kans op populatievorming is gezien de aard en omstandigheden van de waarneming. Zodra de waarneming en ‘duiding’ daartoe aanleiding geven, meldt de NVWA dat bij de directie Natuur en Biodiversiteit van het ministerie van EZ (EZ/N&B) van. Hierbij levert de NVWA de informatie aan die noodzakelijk is voor het notificeren van de vondst (stap 4). 3.
Afstemming Rijk en provincies Zodra een gevalideerde en geduide waarneming via de NVWA binnenkomt bij EZ/N&B, neemt de directie contact op met de exoten contactpersoon van de desbetreffende provincie om de vervolgacties af te stemmen. 4. Notificatie EZ/N&B doet de verplichte notificatie bij de Europese Commissie conform artikel 16 lid 2 via het NOTSYS systeem. Als in deze fase nog onduidelijk is of er daadwerkelijk sprake is van populatievorming, dan volgt eerst een afbakeningssurvey (5) om zo de noodzaak voor notificatie en maatregelen te bepalen. 5. Afbakeningssurvey De provincie voert zo nodig een afbakeningssurvey uit. Onderzocht wordt in hoeverre er sprake is van populatievorming en in welk gebied de populatie zich precies bevindt. Als er geen reële kans op populatievorming is, dan stopt de procedure hier of wordt eventueel in de komende jaren de vinger aan de pols gehouden tijdens surveillanceactiviteiten (1). 6. Bepaling aanpak
9
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
In overleg en met inhoudelijke ondersteuning van de NVWA bepalen provincies en EZ gezamenlijk de mogelijke aanpak, waarbij de soortspecifieke uitgangspunten van de soortenbijlagen centraal staan. Cruciaal bij deze procedurestap is de vraag of uitroeiing mogelijk is, wat een effectieve aanpak is en wat de kosten zijn. Indien uitroeiing waarschijnlijk niet mogelijk is op basis van de gronden van artikel 18, dan wordt stap 7 in werking gezet. Indien de soort wel kan worden uitgeroeid, dan besluiten provincies en EZ over de uitroeiingsmaatregelen. 7. Besluit tot afwijking van de verplichting tot snelle uitroeiing (artikel 18) Als bewezen is dat populatievorming plaatsvindt maar uitroeiing zeer waarschijnlijk niet mogelijk is, dan bespreekt de provincie zo’n case met EZ en de NVWA. Als de case vermoedelijk voldoet aan de criteria van artikel 18 (zie kader direct onder 3.1), dan stelt de NVWA de inhoudelijke wetenschappelijke onderbouwing op voor het besluit tot het niet nemen van uitroeiingsmaatregelen. 8. EC in kennis stellen Als de wetenschappelijke onderbouwing aantoont dat de case voldoet aan de criteria van artikel 18, dan informeert EZ de Europese Commissie over het besluit tot niet nemen van uitroeiingsmaatregelen en voegt de wetenschappelijke onderbouwing als bijlage toe. 9.
(verder volgens beheersplan procedure conform artikel 19) Indien de Europese Commissie akkoord gaat met het besluit tot niet nemen van uitroeiingsmaatregelen, vervalt de verplichting om de betreffende soort conform artikel 17 uit te roeien. Vanaf dat moment dient wel bepaald te worden welke maatregelen getroffen worden om de soort conform artikel 19 te beheersen. De soortenbijlage bij dit document wordt dan aangepast. 10. Uitroeiingsmaatregelen Voor soorten die uitgeroeid moeten worden zorgen de provincies ervoor dat er uitroeiingsmaatregelen worden getroffen in samenspraak met de betreffende waterschappen, terreinbeheerders en/of gemeenten. Provincies informeren de NVWA over de start van de actie en de maatregelen die genomen worden. EZ past de notificatie (stap 4) aan op basis van deze informatie. 11. Evaluatieonderzoek Na uitvoering van de uitroeiingsmaatregelen voert de provincie een evaluatieonderzoek uit naar het effect van de uitroeiingsactie. Afhankelijk van de biologie en eigenschappen van de betreffende soort kan het nodig zijn dit evaluatieonderzoek enkele jaren te herhalen. 12. Oordeel evaluatie Indien de uitroeiing succesvol is, kan de procedure worden afgerond met de rapportage aan de Europese Commissie. Hiertoe overhandigt de provincie alle benodigde informatie over de uitgevoerde actie (aard van de maatregelen, kosten en resultaten).
Indien de uitroeiing niet succesvol is, overleggen de provincies en EZ opnieuw over de mogelijkheden voor vervolg uitroeiingsacties conform stap 6. 13. Rapportage Indien de uitroeiing succesvol is verlopen, rapporteert EZ/N&B het eindresultaat aan de Europese Commissie door de oorspronkelijke NOTSYS notificatie te updaten met de laatste informatie en resultaten van de actie.
10
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
11
versie 4 oktober 2017
Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten
4. Aanpak van reeds gevestigde soorten (artikel 19) 4.1. Ambities, maatregelen en kosten Exoten die al in ons land gevestigd waren op het moment van plaatsing op de Unielijst vallen onder artikel 19 . Dit artikel stelt dat lidstaten binnen achttien maanden nadat de Unielijst van kracht is moeten beschikken over beheersmaatregelen. De beheersmaatregelen zijn gebaseerd op kostenbatenanalyse en bestaan uit dodelijke of niet-dodelijke fysieke, chemische of biologische maatregelen om een populatie van een invasieve uitheemse soort uit te roeien, te beheersen of in te dammen. Lidstaten mogen prioriteiten stellen bij de aanpak van artikel 19 soorten. Dit betekent dat er bij reeds gevestigde soorten meer ruimte is voor eigen beleid dan bij soorten die zich nog niet gevestigd hebben en dat het zinvol is om onderscheid te maken tussen soorten die een relatief kleine verspreiding hebben en waar volledige verwijdering van populaties nog aan de orde is (zie a. Landelijk ambitieniveau: uitroeien) en soorten die zo wijdverspreid zijn dat uitroeien technisch of vanuit een sociaaleconomisch perspectief niet meer uitvoerbaar is (zie b. Landelijk ambitieniveau: beheersen). a. Landelijk ambitieniveau: uitroeien Een aantal soorten heeft zich al wel in ons land gevestigd maar komt nog maar op één of enkele locaties voor.
Dergelijke soorten kunnen met de nodige inspanningen nog volledig worden uitgeroeid. In de soortenbijlagen wordt aangegeven om welke soorten het gaat. Tevens worden de mogelijke maatregelen op hoofdlijnen inclusief de kosten genoemd. De provincies zullen met betreffende terreineigenaren afspraken maken over de bestrijding van deze soorten en over de kosten die hiermee gemoeid zijn. De beverrat is hiervan uitgezonderd, omdat de waterschappen al het voortouw in de bestrijding hebben. Als is geconcludeerd dat een soort effectief is verwijderd uit Nederland, dan is het mogelijk dat zo’n soort zich later opnieuw in Nederland vestigt. De soort valt dan onder de werking en procedure van artikel 17 (zie hoofdstuk 3). Er geldt dan een plicht om de betreffende soort uit te roeien. b. Landelijk ambitieniveau: beheersen Een deel van de Unielijstsoorten dat zich in ons land gevestigd heeft is inmiddels zo wijdverspreid dat volledige uitroeiing in heel Nederland niet meer tot de mogelijkheden behoort. Onder deze categorie vallen diverse soorten waterplanten. Bij soorten in deze categorie kan wat betreft de aanpak gedacht kan worden aan lokaal uitroeien, het voorkomen van verdere verspreiding, het beperken van schade of een willekeurige combinatie hiervan. Artikel 19 geeft lidstaten de ruimte om prioriteiten te stellen bij de aanpak van Unielijstsoorten die onder dit artikel vallen.
Dit is met name relevant voor de soorten die niet uitroeibaar zijn en beheerst worden. Het is daarom denkbaar dat bepaalde soorten niet worden bestreden of slechts beperkt, bijvoorbeeld in geïsoleerde gebieden met een belangrijke natuurfunctie. In de soortenbijlagen zijn een aantal strategieën en bijbehorende maatregelen opgenomen. De provincies kunnen een nadere uitwerking maken met de betrokken partijen. Vanuit een oogpunt van efficiëntie en effectiviteit van de aanpak is het belangrijk dat er afstemming plaatsvindt tussen de provincies onderling en tussen de verschillende overheden en andere partijen.
12
versie 4 oktober 2017