20251215 Mva Infrastructurele Kunstwerken nav vragen Gemeentebelangen
Tekst van het document
Zaaknummer: 20250515131348 Memorie van antwoord Aan : de leden van de gemeenteraad Van : het college van burgemeester en wethouders Datum : 15 december 2025 Onderwerp : memorie van antwoord bij Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026-2032 Vraag van : Gemeentebelangen (dhr. A. Smit) Onder verwijzing naar het inspectierapport “Instandhoudingsinspectie 88 kunstwerken en constructieve risicoscan 19 bruggen” (Westenberg, 2018) en het recent vastgestelde Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026– 2032, heb ik de volgende vragen:
Vraag 1 Hoe verhoudt het Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026–2032 zich tot het inspectierapport uit 2018, dat destijds de basis vormde voor het beheerplan 2019–2023? Is dus het rapport uit 2018 volledig verwerkt in het nieuwe Programma? Antwoord Elke nieuwe inspectieronde geeft een nieuw actueel beeld van de staat van onderhoud van de objecten, de benodigde onderhoudsmaatregelen en -kosten en vervangingsinvesteringen. Activiteiten uit een voorgaande inspectie die niet uitgevoerd zijn komen daarmee automatisch terug in de nieuwe inspectierapportage. De resultaten van de laatste inspectie van een object maken daarom dat de resultaten van de voorgaande inspecties niet meer actueel zijn en voor het beheer en onderhoud geen waarde meer hebben. Dit is tijdens de raad luistert van 11 december 2025 door de wethouder al toegelicht. In het raadsvoorstel geven wij daarom expliciet aan dat het Programma Infrastructurele Kunstwerken 20262032 het Beheerplan 2019-2023 vervangt. Vraag 2 Welke onderdelen uit het inspectierapport 2018 zijn nog actueel en welke zijn vervangen door nieuwe inspecties (2022– 2024)? Antwoord Geen. Zie antwoord vraag 1 Vraag 3 Is er een expliciete analyse gemaakt van verschillen tussen de bevindingen uit 2018 en de bevindingen uit de inspecties van 2022–2024? Zo ja, kan de raad deze vergelijking ontvangen? Antwoord Nee. Zie antwoord vraag 1.
Vraag 4 In het rapport 2018 worden vier bruggen aangemerkt met een verhoogd constructief risico (risicoklasse 1 en 2). Welke opvolging heeft het college gegeven aan deze risico’s? Antwoord Zover wij kunnen nagaan (de betrokken ambtenaren uit die tijd zijn niet meer in dienst) zijn deze objecten hersteld, vervangen of verwijderd.
Vraag 5 Hoe zijn deze risico’s verwerkt in het Programma 2026–2032 en in de financiële planning? Antwoord Ja. Alle risico’s/gebreken die geconstateerd zijn bij de laatste inspectieronde (2022) en aanvullende inspecties zijn met de benodigde kosten voor de maatregelen in dit plan verwerkt. Dit kan zijn in de vorm van herstelmaatregelen (groot onderhoud) of vervanging. De kosten voor de herstelmaatregelen worden gedekt vanuit de Voorziening Infrastructurele Kunstwerken die zoals u op blz. 19 kunt zien meerjarig toereikend is. De kosten voor objecten die niet meer voor groot onderhoud in aanmerking en in de toekomst vervangen moeten worden zijn opgenomen in de vervangingsinvesteringen (blz. 20). Overige mogelijke risico’s worden benoemd in hoofdstuk 6 paragraaf 6.3 (Risico’s) Vraag 6 Het inspectierapport 2018 raamde de jaarlijkse kosten op €132.000 per jaar (gemiddeld). Hoe verklaart het college de verschillen tussen deze raming en de bedragen in het Programma 2026–2032? Antwoord In het inspectierapport van 2018 is sprake van € 132.000 gemiddeld per jaar voor (groot) onderhoud waarvan € 15.500 voor vervanging. In het bijbehorende raadsvoorstel is echter sprake van gemiddeld € 128.000 (incl. vervanging) per jaar. Uit de stukken blijkt de genoemde € 132.000 uit de rapportage een foute telling te zijn.
De gemiddelde uitgave voor groot onderhoud in het nieuwe Programma bedraagt € 130.353/jaar. Er is dus geen sprake van lagere uitgaven zoals u suggereert maar een lichte stijging. Wat wel lager wordt, is de jaarlijkse storting in de Voorziening Infrastructurele Kunstwerken. Bij het vaststellen van het Beheerplan Infrastructurele Kunstwerken 2019-2023 is deze bepaald op € 110.000. In 2020 is deze storting teruggebracht naar € 100.000. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde inspecties en daaruit voortvloeiende onderhoudsmaatregelen en -kosten in relatie tot de stand van de Voorziening begin 2025, brengen wij deze storting nu terug naar € 80.000/jaar. Dit kan omdat de stand van de voorziening op 1 januari 2025 (€ 524.962) hoger was dan bij het vaststellen van het Beheerplan in 2019 was voorzien (€ 163.704). De reden hiervoor zijn de vele personele wisselingen die in de periode 2019-2022 hebben plaatsgevonden en de coronapandemie waardoor werkzaamheden zijn blijven liggen of vertraagd. Om geen onnodige middelen in de Voorziening te laten zitten, verminderen wij de jaarlijkse storing naar € 80.000. De geprognotiseerde eindstand van de voorziening in 2032 van € 141.138 komt hiermee meer overeen met die van het Beheerplan 2019-2023.
Daarbij biedt deze eindstand voldoende ‘body’ om hogere dan geraamd of onvoorziene (groot) onderhoudskosten of risico’s op te kunnen vangen zonder dat het saldo van de Voorziening negatief dreigt te worden. Vraag 7 Zijn de kosten uit het Programma volledig opgenomen in de meerjarenbegroting en de totale onderhoudsopgave openbare ruimte? Antwoord Ja, met uitzondering van de vervangingsinvestering. Dit komt omdat u bij het vaststellen van de begroting steeds de investeringsagenda voor een periode van vier jaar vaststelt, thans 2026 t/m 2029. Het Programma kijkt over deze horizon heen en geeft inzicht over de verwachte investeringen voor een langere termijn tot 2033.
Vraag 8 Hoe wordt voorkomen dat kosten uit het inspectierapport 2018 en het nieuwe Programma dubbel worden begroot of elkaar overlappen? Antwoord Het Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026-2032 is gebaseerd op de inspectieresultaten van 2022 en aanvullende technische onderzoeken (2023). Zoals bij vraag 1 is aangegeven zijn niet uitgevoerde activiteiten uit de inspectierapportage van 2018 automatisch opgenomen in de inspectie van 2022. Hierdoor kan er geen overlapping ontstaan. Vraag 9 Het inspectierapport 2018 hanteerde het onderhoudsniveau “redelijk”, terwijl het Programma uitgaat van DIOR kwaliteitsniveau B vanaf 2027. Welke financiële en organisatorische gevolgen heeft deze verhoging van het kwaliteitsniveau? Antwoord Het oude inspectierapport van de inspectieronde uit 2017 en de laatste actuele inspectieronde van 2022 zijn technische inspecties op basis van de CUR-aanbeveling 117 en hanteert de normen ‘goed’, ‘voldoende/redelijk’, ‘matig’ en ‘slecht’. Het DIOR gaat uit van beeldkwaliteit (aantrekkelijkheid of netheid) volgens de Kwaliteitscatalogus openbare ruimte van het CROW en hanteert daarbij andere normen A+, A, B, C en D. Het betreft dus twee verschillende maatlatten elk met een eigen doel; veiligheid (o.b.v. CUR-aanbeveling 117) en aantrekkelijkheid (o.b.v. Kwaliteitscatalogus openbare ruimte).
Deze beide doelen komen terug in hoofdstuk 3 (Beheervisie en beheerthema’s), par. 3.2 op blz. 8 van het Programma. In paragraaf 4.3 (huidige staat van onderhoud) geven wij aan dat bij de quickscan die Sweco ten behoeve van het DIOR uitgevoerd heeft, is gebleken dat de kunstwerken zich nu op het gewenst beeldkwaliteit niveau B bevinden. Wij verwachten daarom in het kader van het DIOR niet veel extra kosten voor de infrastructurele kunstwerken te moeten maken. Extra kosten (dagelijks onderhoud) zullen zich waarschijnlijk beperken tot het herstellen van eventueel vandalisme, zoals molest en graffiti. Vraag 10 Hoe wordt de overgang van het oude onderhoudsniveau naar DIOR-niveau B concreet vormgegeven? Antwoord Zoals wij bij vraag 9 al aangegeven is er geen sprake van een overgang van onderhoudsniveau, maar geeft het DIOR een extra dimensie, namelijk aantrekkelijkheid, aan het huidige beleid naast veiligheid, duurzaamheid en kostenefficiënt. U kunt dit teruglezen in de hoofdstukken 3 en 4 par. 4.3. Vraag 11 In het Programma staat dat beschoeiingen pas in 2027 worden opgenomen, terwijl in 2018 al kademuren, keermuren en andere watergebonden objecten zijn geïnspecteerd. Waarom worden deze objecten pas in 2027 integraal opgenomen in het Programma? Antwoord Kademuren en keermuren zijn grondkeringen en komen ook terug in dit Programma.
Beschoeiingen zijn ook grondkeringen, maar hebben een veel lichtere constructievorm. Ook in 2018 en voorgaande jaren zijn de beschoeiingen niet geïnspecteerd. De reden hiervoor hebben wij niet kunnen achterhalen. In dit Programma Infrastructurele Kunstwerken geven wij aan dat wij in 2025 de beschoeiingen (in de gemeentelijke watergangen) hebben geïnventariseerd en in de komende periode uit gaan zoeken wie hiervoor de verantwoordelijke beheerder is. Daarna gaan we kijken of het voor de beschoeiingen, waar wij als gemeente onderhoudsplichtig van zijn, nog wenselijk is om deze beschoeiing in stand te houden of om deze om te vormen tot een natuurlijke oever.
Een natuurvriendelijke oever draagt bij aan het verbeteren van de waterkwaliteit en biodiversiteit. Natuurvriendelijke oevers zijn geen infrastructurele kunstwerken en de onderhoudskosten hiervan komen ten laste voor het budget voor het onderhoud van de watergangen. Alleen de beschoeiingen die wij in stand blijven houden worden straks meegenomen in de inspectieronde van 2027. De kosten voor het in stand houden van deze beschoeiingen worden dan in het Programma Infrastructurele Kunstwerken 2028-2037 verwerkt. Dit kunt u teruglezen in het raadsvoorstel en op blz. 11 van het Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026-2032 (Grondkeringen). Vraag 12 Zijn er objecten uit het inspectierapport 2018 die niet zijn teruggekomen in het Programma 2026–2032? Zo ja, welke en waarom? Antwoord Een kunstwerk komt niet meer terug in de rapportage van de inspectie van 2022 en daarmee ook niet in het Programma. Dit betreft kw 1.10 een houten brug langs de A59. In het nieuwe Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026-2032 zullen tenminste twee nieuwe objecten opgenomen worden. Het gaat dan om het geluidscherm en de brug van de nieuwe Koningsweg die naar verwachting in maart 2026 door Rijkswaterstaat aan de gemeente overgedragen worden . Daarnaast zijn er vier objecten waarvan wij nog moeten gaan bepalen of we deze in de toekomst in stand willen houden. Deze worden genoemd in hoofdstuk 6, par.
6.3 (Vervangingsinvesteringen) Vraag 13 (is niet opgenomen in de nummering van de vragen van Gemeentebelangen) Vraag 14 Hoe wordt geborgd dat het Programma 2026–2032 aansluit op toekomstige beleidswijzigingen, zoals de nieuwe Omgevingsvisie en de verkiezingen van 2026? Antwoord Het Programma Infrastructurele Kunstwerken 2026-2032 sluit aan op de huidige Omgevingsvisie. Mochten er wijzigingen in de Omgevingsvisie, wet- en regelgeving of ander lokaal beleid komen, dan zal dit Programma afhankelijk van de invoeringstermijn (tussentijds) aangepast worden. Dit geldt overigens voor alle beleidsplannen die betrekking hebben op de openbare ruimte. Met betrekking tot de verkiezingen van 2026 worden in dit Programma de beleidskaders en strategie voor het beheer en onderhoud van de infrastructurele kunstwerken vastgelegd met de kosten die hieraan verbonden zijn. Omdat de raad een kader stellende taak heeft, heeft zij altijd de bevoegdheid om deze kaders binnen de bestaande wet- en regelgeving te wijzigen. Dit geldt ook voor de nieuwe raad die na maart 2026 zal aantreden. Voor dit Programma zijn de mogelijkheden voor beleidswijziging beperkt omdat het beleid voor een groot deel bepaald wordt door landelijke wetgeving en de verplichtingen die voorvloeien uit het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV).
Beleidswijzingen zullen zich dus hoofdzakelijk beperken tot het in het vastgestelde lokale beleid. Vraag 15 Wordt het Programma jaarlijks geactualiseerd, of pas bij de herijking in 2028? Antwoord Als hier geen gegronde reden voor is wordt het Programma Infrastructurele Kunstwerken na elke inspectieronde (vijf jaar) herijkt en geactualiseerd. Met name hoofdstuk 6 (Financiële planning) wordt dan op basis van de nieuwe inspectie resultaten en daaruit voortvloeiende onderhoudsmaatregelen en -kosten geactualiseerd. De verwachte impact van een nieuw beleid op de overige hoofdstukken zal beperkt zijn.
Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Geertruidenberg, de secretaris, de burgemeester,
J. Donkers
M.M. van Toorenburg