20250513 Bijlage 1 OMWB Quickscan locatie Eendrachtsweg, Raamsdonksveer
Tekst van het document
QUICK SCAN MILIEU – LOCATIE EENDRACHTSWEG TE RAAMSDONKSVEER – Zaaknummer: Documentnummer:
Z2024-00022362 D2024-00191870
Onderwerp: Opdrachtgever:
QuickScan milieukundige haalbaarheid Eendrachtsweg te Raamsdonksveer Gemeente Geertruidenberg
Adviseur: Collegiale toets: Datum advies: Bijlage(n):
B. Viveen, b.viveen@omwb.nl, 06 39 78 88 52 V. Buil 21 oktober 2024 -
Spoorlaan 181 5038 CB Tilburg Postbus 75 5000 AB Tilburg 013 206 01 00 info@omwb.nl www.omwb.nl
Zichtbaar samen werken aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving
Inhoudsopgave 1
Inleiding.................................................................................................3
2
Milieuplanologische aspecten..................................................................5
3
2.1
Activiteiten en milieuzonering................................................................5
2.2
Geluid (weg en spoor)..........................................................................8
2.3
Bodem.............................................................................................10
2.4
Luchtkwaliteit....................................................................................12
2.5
Geur veehouderij...............................................................................13
2.6
Externe veiligheid..............................................................................15
2.7
Natuur (Stikstofdepositie)...................................................................17
2.8
Natuur (Ecologie)...............................................................................18
Conclusie...............................................................................................19
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 2 van 19
1
Inleiding
De gemeente Geertruidenberg onderzoekt mogelijke locaties voor opvang van Oekraïense ontheemden en asielzoekers. De gemeente beoogt een locatie te vinden waar aan circa 100 tot 250 mensen onderdak kan worden geboden. De trainingsvelden van een voetbalclub aan de Eendrachtsweg te Raamsdonksveer voldoen mogelijk aan de kaders en randvoorwaarden, die door de gemeenteraad zijn vastgesteld voor opvanglocaties. In het kader van onderzoek naar de haalbaarheid van opvang op deze locatie is aan de OMWB gevraagd om een quickscan milieu op te stellen. Doel van de quickscan is om eventuele belemmeringen/voorwaarden vanuit milieu in beeld te brengen. De opvanglocatie zal een tijdelijk karakter hebben maar voor een langere periode gerealiseerd worden. Voor de toetsing is daarom uitgegaan van een duur van meer dan tien jaar. In de volgende afbeelding is de locatie van het plan aangeduid.
Afbee lding: aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Op de potentiële locatie is een opvanglocatie voor ontheemden/asielzoekers volgens het omgevingsplan niet toegelaten. Voor het realiseren van een opvanglocatie op de locatie is daarom een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) benodigd. In beide gevallen moet dit leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Hierbij is onder meer de haalbaarheid vanuit milieu van belang. Advies Samengevat volgen uit de beschouwde milieuaspecten op voorhand voor de locatie geen onoverkomelijke belemmeringen. Wel zullen bij uitwerking van de plannen bepaalde milieuaspecten op sommige locaties nader bekeken moeten worden: Activiteiten en milieuzonering: De locatie ligt binnen de indicatieve richtafstand van omliggende milieubelastende functies. Bij uitwerking van de plannen moet nader bekeken worden hoe een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden gegarandeerd. Geluid: De planlocatie ligt binnen het aandachtsgebied van één of meerdere wegen, waardoor akoestisch onderzoek benodigd is. Door de geluidbelasting van de A59 kan het aspect wegverkeerslawaai een belemmering zijn, waardoor akoestisch onderzoek van groot belang is.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 3 van 19
Bodem: Aanbevolen wordt om een volledig vooronderzoek conform de NEN 5725 uit te voeren. Gezien de reeds bekende gegevens, namelijk de gedempte sloten, wordt het aannemelijk geacht dat op basis van de uitkomsten van het vooronderzoek het noodzakelijk is om een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren. Luchtkwaliteit: De locatie ligt niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit en er wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Geur veehouderij: Geen veehouderijen in de directe omgeving en het woon- en leefklimaat wordt als zeer goed gekwalificeerd. Externe veiligheid: De gemeente zal eerst moeten bepalen of ze het explosieaandachtsgebied willen aanwijzen als explosievoorschriftengebied. Stikstofdepositie: Met een Aerius-berekening zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat geen sprake is van een relevante stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden. Natuur: Een quickscan flora en fauna zal uitgevoerd moeten worden om inzicht te krijgen of het aspect soortenbescherming van invloed zal zijn op de beoogde planlocatie.
Aanvullend willen wij erop wijzen dat onder de Omgevingswet de GGD als ketenpartner adviseert over de gezondheidskundige aspecten. Om gezondheid op een goede manier mee te nemen in ruimtelijke ontwikkelingen heeft de GGD het portaal GGD Omgevingsadvies ontwikkeld. Wij adviseren gebruik te maken van dit portaal en indien nodig de GGD te betrekken.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 4 van 19
2
Milieuplanologische aspecten
2.1 Activiteiten en milieuzonering 2.1.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies kunnen hinder en gevaar worden voorkomen en hebben bedrijven e.d. voldoende ruimte om hun activiteiten uit te voeren. De publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009) geeft hiervoor indicatieve richtafstanden. De VNG werkt aan een opvolger van deze publicatie, die meer is toegesneden op de Omgevingswet, maar die nog niet in definitieve vorm is uitgebracht. Daarnaast is (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan nog gebaseerd op de systematiek van milieuzonering 2009. Daarom is voor de quickscan gekozen de VNG-publicatie 2009 te hanteren voor een eerst indicatie van de haalbaarheid. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied kent al een hogere milieubelasting gezien de aanwezige menging van functies of de ligging direct langs drukke wegen (hoofdinfrastructuur). Hier rechtvaardigt de verhoogde milieubelasting de toepassing van kleinere richtafstanden. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. 2.1.2
Toetsing als milieugevoelige functie
Een gebouw voor al dan niet tijdelijke bewoning is op basis van de VNG-publicatie een gevoelige functie. In dit geval is sprake van verblijfsduur die de short- en midstay zal overschrijden. Bij een dergelijke verblijfsduur moet een woonkarakter aanwezig moet worden geacht (overigens wordt iets als verblijfsrecreatie in de VNG-publicatie ook aangemerkt als gevoelig). Op basis van de richtafstanden is een globale toets uitgevoerd of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de potentiële opvanglocatie naar verwachting aanvaardbaar is en in hoeverre omliggende bedrijven of voorzieningen door de ontwikkeling van woningbouw kunnen worden beperkt in hun bedrijfsvoering. In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. Tabel: Milieucategorieën en richtafstanden
Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ in meters
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’* in meters 10 30 50 100 200 300
0 10 30 50 100 200
* indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3).
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 5 van 19
Bij de toetsing is in eerste instantie uitgegaan van de richtafstanden voor een rustige woonwijk. Bij nadere uitwerking van de plannen, kan indien goed gemotiveerd, ook uitgegaan worden van gemengd gebied (mede gezien de ligging nabij hoofdinfrastructuur en het daarmee samenhangende verkeerslawaai). Voor de conclusie maakt het in dit geval geen verschil. In de directe omgeving van de planlocatie zijn de volgende milieubelastende functies aanwezig of planologisch toegestaan: Nr.
Inrichting / locatie
Bestemming
1
Kloosterweg 2-4
Sport
2
Parklaan 1a
Sport
3
Wilhelminalaan 34
Sport
4
Parklaan 1b
Sport
5
Oosterhoutseweg 18
Horeca
6
Oosterhoutseweg 11a
Horeca
7
Parklaan 3
Verkooppunt van Motorbrandstoffen
Zaaknummer: Z2024-00022362
Milieucategorie
Richtafstand in meters (rustige woonwijk) Geur Stof Geluid Gevaar
Grootste afstand Meters
Afstand planlocatie Meters
3.1
0
0
50
0
50
0
3.1
0
0
50
0
50
+/- 55
3.1
0
0
50
0
50
+/- 200
3.1
0
0
50
0
50
+/- 200
1
10
0
10
10
10
+/- 200
1
10
0
10
10
10
+/- 280
3.1
30
0
30
50
50
+/- 240
pagina 6 van 19
De Kloosterweg 2-4 heeft de bestemming Sport. Dit wordt gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. De planlocatie ligt tegen de Kloosterweg 2-4 aangelegen. Hierdoor wordt niet voldaan aan de richtafstand. Ook niet als uitgegaan wordt van gemengd gebied. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of voor de beoogde bewoning in de planlocatie voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten opzichte van de Kloosterweg 2-4. Hierbij dient aanvullend rekening te worden gehouden met licht uitstraling vanaf de sportvelden. De locaties Parklaan 1a, Parklaan 1b en Wilhelminalaan 34 hebben de bestemming Sport. Dit wordt gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 De planlocatie ligt niet binnen de richtafstand van deze locaties. De locaties Oosterhoutseweg 1-1a en Oosterhoutseweg 18 hebben de bestemming Horeca. Dit wordt gecategoriseerd als milieucategorie 1. De planlocatie ligt niet binnen de richtafstand van deze locaties. De locatie Parklaan 3 heeft de bestemming Verkooppunt van Motorbrandstoffen met de verkoop van Lpg met maximale doorzet van 100 m3/jaar. Dit wordt gecategoriseerd als milieucategorie 3.1. De planlocatie ligt niet binnen de richtafstand van deze locatie. 2.1.3
Toetsing als milieubelastende functie
Een opvanglocatie kan, naast een gevoelige functie, ook worden gezien als een milieubelastende functie, die vergelijkbaar is met een logiesfunctie/hotel. Volgens de VNG-publicatie valt een dergelijke functie in milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter (omgevingstype rustige woonwijk) of 0 meter (omgevingstype gemengd gebied). De dichtstbijzijnde gevoelige functie (woonbestemming) ligt op circa 230 meter afstand. Aan de richtafstanden wordt ten opzichte van woningen en andere gevoelige functies in de omgeving ruimschoots voldaan. 2.1.4
Conclusie
Alleen de aangrenzende sportvoorzieningen aan de Kloosterweg 2-4 hebben een richtafstand tot in het plangebied. Een deel van het plangebied ligt buiten de richtafstand. Uit oogpunt van milieuzonering heeft het de voorkeur om de opvang buiten de richtafstand te situeren. Indien de opvanglocatie binnen de richtafstanden wordt gesitueerd, zal nader moeten worden beoordeeld of ter plaatse sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor adviseren wij een onderzoek uit te voeren naar de mogelijke geluid- en lichthinder vanwege de sportvoorzieningen.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 7 van 19
2.2
Geluid (weg en spoor)
2.2.1
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden instructieregels voor het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Deze instructieregels staan in § 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente moet de instructieregels uit het Bkl volgen bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedgebied). Standaardwaarden en grenswaarden Artikel 5.78s Bkl stelt dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar moet zijn. Het geluid is in elk geval aanvaardbaar als aan de standaardwaarde wordt voldaan. Overschrijding van de standaardwaarden is onder voorwaarden mogelijk, maar mag niet hoger zijn dan de grenswaarden. Tabel: Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) en grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) op geluidgevoelige gebouwen
Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Grenswaarde
Provinciale wegen en Rijkswegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Lokale spoorwegen en Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight
60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden 45 Lnight
Tijdelijke gebouwen (maximaal 10 jaar) De meeste instructieregels van het Bkl zijn niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar (artikel 5.78 lid 2 Bkl . Maar ook bij tijdelijke gebouwen moet het omgevingsplan (of de BOPA) er wel in voorzien dat het geluid aanvaardbaar is. Zie hiervoor artikel 5.78 lid 2 en 5.78s lid 1 en 2 Bkl. Omdat tijdelijke gebouwen niet direct getoetst hoeven te worden aan voornoemde standaard- en grenswaarden heeft de gemeente wel meer vrijheid om af te wegen hoeveel geluid aanvaardbaar is. Geluidaandachtsgebieden Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met geluidproductieplafonds waarbinnen de standaardwaarde mogelijk overschreden wordt. De geluidaandachtsgebieden zijn als fysiek geografisch gebied vastgelegd in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG, Artikel 11.52 Bkl). Voor de periode waarin dit nog niet is gebeurd, is er een overgangssituatie. In artikel 17.5 van de Omgevingsregeling is vastgesteld wat in de overgangsperiode de omvang is van het geluidaandachtsgebied.
De omvang van de aandachtsgebieden in de overgangsperiode is: a) voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b) voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; c) voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. 2.2.2
Toetsing
Bij een verblijfsduur langer dan een half jaar moet een woonkarakter aanwezig worden geacht. Aangezien in dit geval wordt uitgegaan van een verblijfsduur die short stay en midstay overschrijdt, geldt de opvanglocatie als een geluidgevoelig gebouw.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 8 van 19
Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtgebied van meerdere omliggende wegen, waaronder de A59. Volgens de Atlas Leefomgeving voldoet de planlocatie niet aan de standaardwaarde voor geluid. De geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai is relatief hoog en op sommige delen van de locatie zal de grenswaarde waarschijnlijk worden overschreden.
Afbeelding: Indicatieve geluidbelasting vanwege het wegverkeer (bron: Atlas Leefomgeving)
2.2.3
Conclusie
Het is aannemelijk dat voor de planlocatie vanwege wegverkeerslawaai niet aan de standaardwaarde voor geluid wordt voldaan. Ook is het aannemelijk dat voor een deel van het plangebied (zonder maatregelen) niet aan de grenswaarde wordt voldaan vanwege de Rijksweg A59. Een akoestisch onderzoek is benodigd om de geluidsbelasting te bepalen en inzichtelijk te maken met welke maatregelen de geluidbelasting kan worden verminderd.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 9 van 19
2.3
Bodem
2.3.1
Toetsingskader
In het kader van het omgevingsplan moet worden bepaald of de milieu hygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies. Uit de Omgevingswet (o.a. Bkl) volgt dat er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit op de planlocatie. Een eventuele bodemverontreiniging kan namelijk gevolgen hebben voor de beoogde functies of de financiële haalbaarheid van het plan. 2.3.2
Toetsing
Uitgevoerde werkzaamheden De volgende digitale bronnen zijn geraadpleegd: Bodeminformatiesysteem OMWB Nazca; Bodemkwaliteitskaart Midden- en West-Brabant; o Ontgravingskaart bovengrond; o Ontgravingskaart ondergrond; o Functiekaart. Kaartbank provincie Noord-Brabant o Locaties voormalige stortplaatsen; o Ligging grondwaterbeschermingsgebieden. Topotijdreis Resultaten werkzaamheden Ontgravingskaart bovengrond Ontgravingskaart ondergrond Functiekaart Grondwaterbeschermingsgebied Stortplaats Voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten Bodemonderzoeken
Verontreinigingscontouren
Topotijdreis Bijzonderheden
Eendrachtsweg te Raamsdonksveer X X X X X Het dempen van diverse sloten met materiaal van onbekende kwaliteit en herkomst. X Eén bodemonderzoek bekend ter plaatse van de locatie, waarbij enkel in de bovengrond licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. X Geen verontreinigingscontouren en saneringscontouren bekend in het BodemInformatieSysteem (BIS). Voormalige watergangen op de locatie gedempt tussen medio 1986 - 1988 X
X = geen bijzonderheden Bodemkwaliteit volgens bodemkwaliteitskaart Ontgravingskaart bovengrond: Achtergrondwaarde Ontgravingskaart ondergrond: Achtergrondwaarde Functiekaart: Wonen Gegevens kaartbank provincie Noord-Brabant Geen voormalige stortplaatsen bekend binnen een contour van 1 km Niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied Gegevens bodeminformatiesysteem Voor bodemverontreiniging verdachte (bedrijfs)activiteiten: Geen bedrijfsactiviteiten bekend ter plaatse of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Uitgevoerde bodemonderzoeken:
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 10 van 19
-
Locatie: Westtangent fase 2
Verkennend onderzoek, Van Dorsser, 25 april 2000 (kenmerk 3725871) Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van het noordelijk deel van de onderhavige potentiële opvanglocatie en de directe omgeving. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen bestemmingswijziging en locatieontwikkeling voor een vinex wijk. De bovengrond bleek licht verontreinigd te zijn met nikkel, zink, PAK en EOX. In de ondergrond en het grondwater werden geen verontreinigingen aangetoond. o
Geen verontreinigingscontouren/saneringscontouren of zorgmaatregelcontouren bekend. Topotijdreis De locatie is van oudsher tot het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw in gebruik geweest als poldergebied. In de periode 1968 – 1988 zijn op de locatie diverse sloten gedempt. Het is niet bekend of dit gebeurd is met gebiedseigen grond. De locatie is vanaf het begin van de jaren ’80 onderdeel van een sportpark. De locatie is al geruime tijd in gebruik als onderdeel van voetbalvereniging RFC2017 en is vrijwel geheel onverhard (gras). Plaatselijk is een tegelpad aanwezig. 2.3.3
Conclusie
Voor de potentiële opvanglocatie is bekend dat in het verleden diverse sloten zijn gedempt met onbekend materiaal. Verder zijn voor zover bekend op basis van onderhavig indicatief vooronderzoek geen voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten aanwezig (geweest). Ter plaatse van de locatie en de directe omgeving is eerder een bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij enkel in de bovengrond licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Aanbevolen wordt om een volledig vooronderzoek conform de NEN 5725 uit te voeren. Gezien de reeds bekende gegevens, namelijk de gedempte sloten, wordt het aannemelijk geacht dat op basis van de uitkomsten van het vooronderzoek het noodzakelijk is om een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 11 van 19
2.4
Luchtkwaliteit
2.4.1
Toetsingskader
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl) zijn voor de kwaliteit van de buitenlucht omgevingswaarden vastgelegd. Maatgevend voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5). Voor NO2 en PM10 zijn in het Bkl aandachtsgebieden aangewezen (artikel 5.51 Bkl). Gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit Als de gemeente binnen een aandachtsgebied in het omgevingsplan activiteiten toelaat, die leiden tot een verhoging van concentratie NO2 en/of PM10, moet zij in het omgevingsplan de omgevingswaarden voor die stoffen in acht nemen. Die verplichting geldt niet voor kleine projecten en ruimtelijke plannen, die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In artikel 5.54 Bkl zijn hiervoor standaardgevallen aangewezen. Zo draagt een woningbouwproject met maximaal 1500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) of maximaal 3000 woningen (bij meerdere ontsluitingswegen) per definitie niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Heersende luchtkwaliteit binnen de planlocatie Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in ieder geval rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).
De heersende luchtkwaliteit is daarbij – ook buiten aandachtsgebieden - een van de te beoordelen aspecten, aangezien luchtverontreiniging effect kan hebben op de gezondheid van mensen. 2.4.2
Toetsing
Toetsing bijdrage plan De planlocatie ligt niet binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.51 Bkl. De gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit hoeven daarom niet te worden beoordeeld. Gezien de omvang van de locatie en de insteek van het plan, zal de bebouwing op de locatie ruim onder de grens van 1500 woningen blijven en dus per definitie niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Toetsing luchtkwaliteit planlocatie In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voor een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Tabel: Hoogste concentraties NO2, PM10 en PM2.5 in het plangebied (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
Jaar 2022
Hoogste concentraties plangebied Stikstofdioxide (NO2)
Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2.5)
Planlocatie
25 μg/m
3
18 μg/m
3
10 μg/m3
Grenswaarden
40 μg/m3
40 μg/m3
25 μg/m3
Uit de tabel volgt dat op alle locaties ruimschoots aan de wettelijke omgevingswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt vooralsnog niet voldaan. Omdat ruimtelijke plannen niet hoeven te worden getoetst aan de WHO-advieswaarden, volgen hieruit geen (wettelijke) beperkingen. Wel is het mogelijk dat de Europese grenswaarden op termijn meer in lijn worden gebracht met de WHO-advieswaarden. 2.4.3
Conclusie
Voor de potentiële locatie vorm het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het realiseren van een opvanglocatie.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 12 van 19
2.5
Geur veehouderij
2.5.1
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden instructieregels voor geur. Deze instructieregels staan in § 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het omgevingsplan voorziet erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.92 Bkl). Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning, onderwijs, gezondheidszorg (met bedgebied) of kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens en pluimvee) gelden normen voor geurbelasting, die wordt uitgedrukt in aantal odour units in kubieke meter lucht (ouE/m3). Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee en paarden) gelden alleen minimumafstanden, die moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als een ruimtelijk plan de realisatie van geurgevoelige gebouwen mogelijk maakt, moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet worden gemotiveerd dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor is de achtergrondbelasting (de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelige gebouw) van belang.
Ten tweede is van belang dat omliggende veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Tijdelijke gebouwen (maximaal 10 jaar) De meeste instructieregels van het Bkl zijn niet van toepassing op geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. Maar ook bij tijdelijke gebouwen moet het omgevingsplan (of de BOPA) er wel in voorzien dat de geur aanvaardbaar is. Zie hiervoor artikel 5.90 lid 2 Bkl en 5.92 Bkl. 2.5.2
Toetsing
Voor de gemeente Geertruidenberg is de geurverordening ‘verordening geurhinder en veehouderij gemeente Geertruidenberg’ d.d. 31 december 2010 van toepassing. De geurverordening stelt dat de afstand tussen een ‘“veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld”, en een geurgevoelig object in het gehele grondgebied van de gemeente: Binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter en Buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter.’ Ook stelt de geurverordening een geurnorm van 2 ouE/m3 binnen de bebouwde kom en een geurnorm van 8 ouE/m3 buiten de bebouwde kom. De planlocatie is volgens de wet gelegen buiten een concentratiegebied. Volgens de geurverordening Geertruidenberg ligt het plangebied binnen de bebouwingscontour (voorheen: bebouwde kom). Binnen de bebouwingscontour geldt dan een geurnorm van 2 ouE/m3 voor dieren met een geuremissiefactor en een afstandsnorm van 50 meter tot veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Binnen 50 meter van de planlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig. Uit navolgende afbeelding volgt dat binnen de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting voor geur van <1,5 ouE/m3. Het woon- en leefklimaat voor het aspect geur wordt als zeer goed gekwalificeerd.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 13 van 19
Afbeelding: Achtergrondbelasting voor geur in ouE/m 3 (bron: Kaart Provincie Noord-Brabant – Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 2023).
2.5.3
Conclusie
Het woon- en leefklimaat voor het aspect geur ter plaatse van het plangebied is zeer goed en in de directe omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. Hierdoor levert geur geen belemmeringen op voor een opvanglocatie ter plaatse.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 14 van 19
2.6
Externe veiligheid
2.6.1
Toetsingskader
Externe veiligheid gaat over de risico’s voor de omgeving door opslag, productie en transport van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld aan de hand van het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Met het oog een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden instructieregels voor externe veiligheid. Deze instructieregels staan in § 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente moet de instructieregels uit het Bkl volgen bij het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties in een aandachtsgebied voor externe veiligheid. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een afstand vanaf een risicobron, waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand (de plaatsgebonden risicocontour) mogen geen zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties worden toegelaten in het omgevingsplan. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden gelden van rechtswege. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk).
Voorschriftengebieden Uitgangspunt in het Bkl is dat een brandaandachtsgebied in het omgevingsplan wordt aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden voor nieuwe bouwwerken (met verblijffuncties) aanvullende bouweisen gericht op bescherming tegen brand of explosie. Als het omgevingsplan zeer kwetsbare gebouwen (zoals basisscholen of kinderopvang) toelaat binnen een brand- of explosieaandachtsgebied is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht. In het geval van (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties (bijvoorbeeld woningen) mag de gemeente hiervan gemotiveerd afwijken. 2.6.2
Toetsing
Een gebouw met een woonfunctie geldt als een kwetsbare gebouw als bedoeld in het Bkl. Daarom is aan de hand van de EV-signaleringskaart en de Atlas Leefomgeving nagegaan in hoeverre de locaties zijn gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) of een aandachtsgebied voor brand, explosie of gifwolk. De beoogde locatie ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6). Wel ligt het plangebied in een aantal aandachtsgebieden: Het gehele plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Seveso inrichting Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Ook ligt het plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Rijkswegen A59 en A27. Een groot gedeelte van het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied van de Rijkswegen A59 en A27.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 15 van 19
Afbeelding: aandachtsgebieden externe veiligheid (bron: Signaleringskaart EV)
Met betrekking tot het gifwolkaandachtsgebied zal voor het plangebied voldaan moeten worden aan artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel benoemt dat geborgd dient te worden dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in de gebouwen op de locatie of dat het aantal aanwezige personen in de gebouwen op locatie beperkt zijn. Voor het gedeelte van het plangebied dat binnen het explosieaandachtsgebied ligt van de Rijkswegen A59 en A27, adviseren wij het volgende: De gemeente heeft de keuze om explosieaandachtsgebieden aan te wijzen als explosievoorschriftengebied. Als de gemeente het gebied aanwijst als explosievoorschriftengebied, dan dient bij de bebouwing voldaan te worden aan aanvullende bouweisen in § 4.2.14. (Brand- en explosievoorschriftengebieden) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Er zal voldaan moeten worden aan artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel benoemt dat geborgd dient te worden dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in de gebouwen op de locatie of dat het aantal aanwezige personen in de gebouwen op locatie beperkt zijn. 2.6.3
Conclusie
Aandachtspunt bij de plantontwikkeling is de overlap van het plangebied met het gifwolk- en explosieaandachtsgebied van de Rijkswegen A59 en A27 en het gifwolkaandachtsgebied van de Seveso inrichting Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Voor de explosieaandachtsgebieden zal de gemeente moeten afwegen of ze die gebieden als voorschriftengebied wil aanwijzen of dat andere maatregelen worden getroffen. Voor zowel het gifwolk- als explosieaandachtsgebied zal voldaan moeten worden aan artikel 5.15 van het Bkl.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 16 van 19
2.7
Natuur (Stikstofdepositie)
2.7.1
Toetsingskader
Voor de ontwikkeling van de locatie is mogelijk een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. De ontwikkeling is namelijk mogelijk te zien als een Natura 2000-activiteit. Dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. Conform de specifieke zorgplicht uit artikel 11.6 Bal dient degene die een activiteit verricht die nadelige gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden na te gaan of deze gevolgen significant verstorend of verslechterend kunnen zijn. Het nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn, moet plaatsvinden aan de hand van objectieve gegevens. Dit heet ook wel een voortoets. Hiervoor en ook in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties adviseren wij om te onderzoeken of de ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt, significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied in een Natura 2000-gebied heeft in potentie een significant negatief effect. De stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden dient te worden berekend met het rekeninstrument AERIUS. 2.7.2
Toetsing
De planlocatie ligt op een dusdanige afstand van een aantal Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitat, dat significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is circa 3 kilometer. Op voorhand is voor de realisatie van de beoogde opvanglocatie op de planlocaties, niet vast te stellen dat er geen sprake zal zijn van een stikstofdepositie van 0,01 of meer mol/ha/jaar. Een Aerius-berekening zal dit moeten uitwijzen. 2.7.3
Conclusie
Wij adviseren een Aerius-berekening voor zowel de aanleg- als gebruiksfase op te stellen om te bepalen of het plan al dan niet bijdraagt aan een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar of meer op overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en of dus sprake is van een Natura 2000-activiteit. Indien sprake is van een Natura 2000activiteit adviseren wij om tijdig een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit aan te vragen.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 17 van 19
2.8
Natuur (Ecologie)
2.8.1
Toetsingskader
Onder de Omgevingswet dient te worden getoetst aan de specifieke zorgplichten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (houtopstanden, flora- en fauna-activiteit en Natura 2000-activiteit) en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De bescherming van op rode lijsten aanwezige flora en fauna is hierbij onder andere gewijzigd. In artikel 11.27, lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (verder: Bal) is de specifieke zorgplicht van een flora- en fauna-activiteit uitgewerkt. Deze is van toepassing bij met naam genoemde categorieën soorten. Naast de diverse categorieën beschermde soorten (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten) zijn dat ook Rode Lijstsoorten en soorten van bijlage IX van het Bal. Bij een natuuronderzoek dienen de aanwezigheid van soorten uit deze groepen en de mogelijke effecten van de activiteiten te worden beoordeeld. Verder dienen deze effecten zo mogelijk te worden voorkomen of beperkt. Voor de ontwikkeling van de locaties is mogelijk een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. De ontwikkeling is namelijk mogelijk te zien als een Natura 2000-activiteit. Dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen.
Conform de specifieke zorgplicht uit artikel 11.6 Bal dient degene die een activiteit verricht die nadelige gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden na te gaan of deze gevolgen significant verstorend of verslechterend kunnen zijn. Het nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn, moet plaatsvinden aan de hand van objectieve gegevens. Dit heet ook wel een voortoets. Hiervoor en ook in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties adviseren wij om te onderzoeken of de ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt, significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. 2.8.2
Toetsing
De beoogde planlocatie grenst niet aan een Natuur Netwerk Brabant (NNB) gebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 400 meter afstand. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt gelegen op circa 4 km. Wij verwachten dat het aspect gebiedsbescherming (afgezien van mogelijk stikstofdepositie) niet tot belemmering zal zorgen voor het beoogde plangebied. Met betrekking tot soortenbescherming adviseren wij een quickscan flora en fauna uit te voeren om inzicht te krijgen of dit een belemmering kan vormen voor het beoogde plangebied. 2.8.3
Conclusie
Voor soortenbescherming adviseren wij een quickscan flora en fauna uit te laten voeren om inzicht te verkrijgen of het aspect soortenbescherming van invloed zal zijn op de beoogde planlocatie. Voor de planlocaties verwachten wij niet dat het aspect gebiedsbescherming voor onoverkomelijke belemmeringen zal zorgen. Wel adviseren wij als een quickscan flora en fauna wordt uitgevoerd in het kader van soortenbescherming het aspect gebiedsbescherming mee te nemen.
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 18 van 19
3
Conclusie
De door de OMWB beschouwde milieuaspecten zijn in de volgende tabel concluderen weergegeven: Milieuaspect
Criterium
Bedrijven en Milieuzonering
Richtafstanden
Geluid
Aandachtsgebied wegverkeerslawaai
Bodem
Bodemkwaliteit
Luchtkwaliteit
Stikstofdioxide en fijnstof
Geur veehouderij
Geurhinder
Externe veiligheid
Aandachtsgebieden en plaatsgebonden risico
Natuur
Stikstof
Ecologie
Beoordeling plangebied
Toelichting De locatie ligt deels binnen de indicatieve richtafstand van de aangrenzende sportvoorzieningen. Bij uitwerking van de plannen binnen de richtafstand moet nader bekeken worden hoe een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden gegarandeerd. De planlocatie ligt binnen het aandachtsgebied van één of meerdere wegen, waardoor akoestisch onderzoek benodigd is. Door de geluidbelasting van de A59 kan het aspect wegverkeerslawaai een belemmering zijn, waardoor akoestisch onderzoek van groot belang is. Aanbevolen wordt om een volledig vooronderzoek conform de NEN 5725 uit te voeren. Gezien de reeds bekende gegevens, namelijk de gedempte sloten, wordt het aannemelijk geacht dat op basis van de uitkomsten van het vooronderzoek het noodzakelijk is om een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren. De locatie ligt niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit en er wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Geen veehouderijen in de directe omgeving en het woon- en leefklimaat wordt als zeer goed gekwalificeerd. De gemeente zal eerst moeten bepalen of ze het explosieaandachtsgebied willen aanwijzen als explosievoorschriftengebied. Met een Aerius-berekening zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat geen sprake is van een relevante stikstofdepositie op Natura 2000gebieden.
Een quickscan flora en fauna zal uitgevoerd moeten worden om inzicht te krijgen of het aspect soortenbescherming van invloed zal zijn op de beoogde planlocatie.
Geen belemmeringen, mogelijke lichte onderzoek plicht Waarschijnlijk geen belemmeringen, nader onderzoek moet dit uitwijzen Mogelijke belemmeringen, nader onderzoek moet dit uitwijzen Waarschijnlijk belemmeringen, prioritair onderzoek bij verdere uitwerking
Zaaknummer: Z2024-00022362
pagina 19 van 19