08 onderzoek archeologie en cultuurhistorie Raadhuisstraat Raamsdonk 220613
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH VOORONDERZOEK RAADHUISSTRAAT (ONG.) IN RAAMSDONK GEMEENTE GEERTRUIDENBERG
Archeologisch vooronderzoek Raadhuisstraat (ong.) in Raamsdonk Opdrachtgever
Broos de Bruijn architecten Boomgaardsstraat 84 3012 XE Rotterdam
Rapportnummer
18546.001
Versienummer1
1
Datum
13 juni 2022
Vestiging
Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 010-7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
R.S. Verheij, MSc drs. A.J. Wullink
Paraaf
Met bijdrage van P.J.L. Wemerman Kwaliteitscontrole
ir. F.F.J.M. Top
Paraaf
© Econsultancy bv, Rotterdam Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel
beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
18546.001
Toponiem
Raadhuisstraat (ong.)
Opdrachtgever
Broos de Bruijn architecten
Gemeente
Geertruidenberg
Plaats
Raamsdonk
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Raamsdonk, sectie G, perceel 3576
Omvang plangebied
Circa 1.300 m2
Kaartblad
44G (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 121.680 / Y: 411.615
Bevoegde overheid
Gemeente Geertruidenberg Vrijheidstraat 2 4941 DX Raamsdonksveer
T: 140162 E: info@geertruidenberg.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Monumentenhuis Brabant bv K. Kersten, MA, MSc. Markt 9 4931 BR Geertruidenberg
T: 0162 - 511833 E: info@monumentenhuisbrabant.nl
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5262492100
Archeoregio NOaA
14: Zeeuws kleigebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Rotterdam; Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland
Uitvoerders
Econsultancy, R.S. Verheij, MSc & drs. A.J. Wullink
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Broos de Bruijn architecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Raadhuisstraat (ong.) in Raamsdonk in de gemeente Geertruidenberg. De initiatiefnemer heeft het voornemen zeven nieuwbouwwoningen in het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig), verkennende fase door middel van boringen. Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied dekzand van het Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel wordt verwacht. Hierop is mogelijk een kleidek afgezet. De top van het dekzand heeft een hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum, wanneer er een restant van een podzolbodem aanwezig is. Aan het maaiveld geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
Voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting, omdat het gebied rondom het plangebied bedekt is geweest met veen en daardoor vermoedelijk ongeschikt is geweest voor bewoning. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit dekzand uit het Laat-Glaciaal (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Op het dekzand is een antropogeen eerddek aanwezig, met een dikte van 10 tot 40 cm. Dit eerddek is vermoedelijk na de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen opgebracht. In boring 1 zijn in het eerddek veenbrokjes aangetroffen, dit zou kunnen duiden op dat het plangebied overveend is geweest of de veenbrokjes zijn afkomstig uit de regio waar wel veengroei heeft plaatsgevonden. Op het eerddek is in boring 2 en 4 een matig tot sterk siltig, zwak humeus zandpakket aangetroffen. Dit pakket houdt vermoedelijk verband met overstromingen vanuit de naburige rivieren. Het zou een verploegd overstromingsdek kunnen betreffen of zand vermengd met overstromingsklei uit de regio. In boring 3 is een matig siltig zandpakket tussen een Ap- en B-horizont aangetroffen. Op het eerddek of op het (verploegde) overstromingsdek is een (sub)recent opgebracht of geroerd pakket van 30 tot 60 cm dik aangetroffen. In alle boringen is een restant van een podzolbodem aangetroffen.
In vier boringen (boring 1, 2, 3 en 5) gaat het om een grotendeels intact podzolprofiel met een B-, Bhs- en een BC-horizont. In boring 4 is alleen een restant van een podzolbodem waargenomen, in de vorm van een BC-horizont. De aanwezigheid van restanten van een podzolbodem wijst erop dat het plangebied in het verleden droog genoeg is geweest voor bewoning. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de top van het dekzand een hoge verwachting heeft voor sporen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum door de aanwezigheid van een podzolbodem. De verwachting voor de Bronstijd – Vroege Middeleeuwen blijft laag en voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd blijft de verwachting voor sporen van landgebruik middelhoog. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ te behouden voor het gehele plangebied. Dit betekent dat bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden eerst verder onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum en Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd te toetsen. Het proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Rapport 18546.001 versie 1
Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Geertruidenberg), die vervolgens het advies overneemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Geertruidenberg wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Noord-Brabant of de gemeente Geertruidenberg.
Rapport 18546.001 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 12 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 10 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 11
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 12 Methoden ........................................................................................................................ 12 Resultaten ....................................................................................................................... 13 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 14
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 16 BRONNEN .......................................................................................................................................... 17
Rapport 18546.001 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel 1.
Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.
Ligging van het plangebied Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Toekomstige situatie in het plangebied Het plangebied op de paleogeografische kaart Het plangebied op de geomorfologische kaart Maaiveldhoogte in het plangebied Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op historisch kaartmateriaal Foto's van de woningen Raadhuisstraat 65 en 67 Archeologische waarden en onderzoeken Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Boorprofielen
Rapport 18546.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Broos de Bruijn architecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Raadhuisstraat (ong.) in Raamsdonk in de gemeente Geertruidenberg. De initiatiefnemer heeft het voornemen om zeven nieuwbouwwoningen in het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Econsultancy is gecertificeerd volgens de BRL 4000 Archeologie2, voor de KNA-protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004, zoals vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (KNA-protocol 4002, hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen (IVO-O; KNAprotocol 4003, hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek en in relatie tot de geplande bodemverstoringen wordt geadviseerd of en in welke vorm vervolgonderzoek nodig is (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in mei en juni 2022 door R.S. Verheij, MSc en A.J.
Wullink (senior KNA-prospector). Het rapport is gecontroleerd door ir. F.F.J.M. Top.
2 SIKB, 2018; zie ook www.sikb.nl
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 1 van 17
2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40023, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform het opgestelde beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Geertruidenberg. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); relevante (wetenschappelijke) literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Geertruidenberg; Heemkundevereniging Stichting Raamsdonks Historie.
3 SIKB, 2018
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 2 van 17
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Raamsdonk, ten noordwesten van de kern van Raamsdonk. Ten noorden van het plangebied ligt de A59. De west-, noord- en oostzijde van het plangebied grenzen aan de Raadhuisstraat en ten zuiden van het plangebied staan woonhuizen. Het plangebied ligt ten zuiden van de Bergsche Maas en ten noorden van de Donge. Ten noordoosten van Raamsdonk ligt Geertruidenberg. Het plangebied ligt in de kadastrale gemeente Raamsdonk, sectie G en beslaat perceel 3576. De oppervlakte van het plangebied is circa 1.300 m2. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en figuur 2. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Huidige situatie Het plangebied beslaat een grasveld met in het midden een skatebaan. De west-, noord- en oostzijde van het plangebied worden begrensd door de Raadhuisstraat. In figuur 3 is de huidige situatie weergegeven. Vigerend beleid Volgens het vigerend bestemmingsplan Parapluplan Archeologie4 uit 2021 heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm -mv.
De dubbelbestemmingen zijn afgeleid van de gemeentelijke beleidskaart en de bijbehorende beleidsnota.5 Milieukundige situatie Via de Omgevingsrapportage Noord-Brabant zijn de bodemgegevens opgevraagd. Er zijn voor zover bekend geen milieukundige onderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied.6 2.4
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen om in het plangebied zeven nieuwbouwwoningen te realiseren. De toekomstige situatie wordt verbeeld in figuur 4. De bebouwing zal bestaan uit een blok van vijf woningen en een blok van twee woningen. De woningen worden 2-laags en hebben een gebruiksoppervlakte circa 100 m2. Optioneel kan er een dakopbouw komen voor een 3e slaapkamer van circa 13 m2. Er zullen 16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De functie van het skatepark zal terugkomen in het plan. Er wordt op dit moment onderzocht of dat op de ontwikkelingslocatie moet of dat er in de nabije omgeving een mogelijkheid is (bijvoorbeeld het ernaast gelegen ronde pleintje). Mocht het skatepark op een andere locatie komen, dan zal het binnengebied ingericht worden met speeltoestellen. In deze fase van de planvorming zijn geen exacte bouwplannen bekend. Er wordt uitgegaan van een fundering op palen en een maximale ontgravingsdiepte tot 1 m -mv.
4 www.ruimtelijkeplannen.nl 5 Gemeente Geertruidenberg, 2017 6 Omgevingsrapportage Noord-Brabant
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 3 van 17
2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Landschappelijke ontwikkeling en geologie Het plangebied ligt in het noordwesten van Brabant, in het Zeeuws zeekleigebied. Het plangebied ligt op een dekzandrug, pal ten westen van de Gilze-Rijen breuk. Ten zuidoosten van deze breuk ligt het Kempen Blok, een tektonisch opheffingsgebied. Aan of nabij het maaiveld komen in de buurt van Raamsdonk afzettingen van de Formatie van Sterksel voor.7 Deze afzettingen zijn door de Rijn en Maas afgezet in het Vroeg- en Midden-Pleistoceen. In dit gebied zijn door de pleistocene zeespiegel bewegingen en tektonische opheffing rivierterrassen ontstaan. In het Laat-Glaciaal, het laatste deel van de laatste ijstijd, (13.000 – 10.000 jaar geleden) is op de rivierterrassen een dun pakket eolisch dekzand afgezet. Dit dekzand betreft het Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel. In het eerste deel van het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) vindt er bodemvorming plaats in de top van de pleistocene afzettingen, echter wordt er vanaf het Atlanticum (8.000 – 5.000 jaar geleden) veen gevormd die het dekzand deels afdekt. De veenvorming begint in de beekdalen, maar breidt zich uiteindelijke uit (rond 600 v. Chr.) over grote delen van West-Brabant.8 Alleen de hoger gelegen rivierterrassen worden niet overdekt met veen. Rond 5500 v. Chr. ligt er ten westen van het plangebied een beekdal waar veenvorming plaatsvindt (figuur 5B).
Volgens de Turfdatabank van provincie Antwerpen9 is het plangebied net niet afgedekt geweest door veen, maar de gebieden rondom het plangebied wel. Het veengebied rondom het plangebied strekt zich uit tot ver ten oosten, zuiden en noorden van het plangebied en betreft een veengebied van 13.032 ha, Langstraat-oost. Volgens de paleografische kaarten betreft het gebied ten westen van het plangebied een overveend beekdal in de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen (figuur 5). Vanaf het Neolithicum schuift de loopt van de Maas steeds verder naar het zuiden en ligt in de Vroege Middeleeuwen zo’n 2 km ten noorden van het plangebied. Het veen is vanaf de Late Middeleeuwen (tussen 1250 en 1750 na Chr.) afgegraven ten behoeve van de turfwinning.10 Door de winning van het turf zijn de oudere dekzanden en terrasafzettingen wederom aan het maaiveld komen te liggen. In de Late Middeleeuwen vinden er meerdere overstromingen in het gebied plaats. Het is mogelijk dat het plangebied ook is overstroomd en er een kleidek op het dekzand is afgezet. Geomorfologie en maaiveldhoogte Het plangebied wordt niet afgedekt door de geomorfologische kaart van Nederland (figuur 6), maar rondom het plangebied komt een dekzandrug voor en vlaktes van ten dele verspoelde dekzand of löss.
De dekzandrug is al dan niet afgedekt met een oud-bouwlanddek en de vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden, al dan niet afgedekt met overstromingsmateriaal en/of veen. Ten noorden van het plangebied komt een vlakte van getij-afzettingen voor.
7 De Mulder e.a., 2003 8 Leenders, 2013 9 Turfdatabank 10 Leenders, 2013
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 4 van 17
Op het Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN3; figuur 7) is de dekzandrug duidelijk te onderscheiden van de vlaktes van ten dele verspoelde dekzand en van getij-afzettingen. Het maaiveld van de dekzandrug ligt 0,2 en 2 m NAP. Het maaiveld van de vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden ligt tussen 0 en 1 m NAP. Het maaiveld van de vlakte van getij-afzettingen ligt tussen en 0,1 en 0,6 m NAP. In het plangebied ligt het maaiveld tussen 0,5 en 1,2 m NAP. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland (figuur 8) ligt het plangebied in de bebouwde kom, maar rondom de bebouwde kom komen veldpodzolgronden voor. Dit zijn humuspodzolbodems die gevormd zijn in mineralogisch arme zandgronden met relatief hoge grondwaterstanden. Kenmerkend voor deze bodems is de humusinspoelingshorizont (Bh(s)-horizont). Veldpodzolgronden hebben een matig dikke (30 – 50 cm) eerdlaag, die in de Late Middeleeuwen vanaf de ontginning is ontstaan door plaggenbemesting. De grondwatertrap in het plangebied is niet bepaald, maar de veldpodzolgronden hebben grondwatertrap VI. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (winterpeil) tussen 40 en 80 cm -mv staat en de laagste grondwaterstand (zomerpeil) dieper dan 120 cm -mv. De grondwaterstand is van invloed op de conservering van organische archeologische resten, zoals hout, leer en bot.
Deze resten worden boven de laagste grondwaterstand niet of slecht geconserveerd verwacht. 2.6
Beschrijving van het historische gebruik
Bewoningsgeschiedenis en historisch kaartmateriaal Het dekzandlandschap dat in de laatste ijstijd is ontstaan, ligt in het eerste deel van het Holoceen nog aan het oppervlak en wordt in het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum bewoont door jagers-verzamelaars en daarna door landbouwers. In de loop van het Holoceen ontstaat door het stijgen van de zeespiegel een veenmoeras, waardoor het gebied ongeschikt wordt voor bewoning. De veenvorming begint in de beekdalen en breidt zich vanaf daar verder uit over het gebied. Onderzoek in West-Brabant heeft aangetoond dat voor de vorming van het veenmoeras bewoning ook al onmogelijk wordt door te hoge grondwaterstanden.11 Het moment waarop het dekzandlandschap onbewoonbaar wordt, is afhankelijk van de topografie van het dekzand: hoe hoger het dekzand ligt, hoe langer het bewoonbaar blijft. Afhankelijk van de diepteligging van het dekzand is het dekzandlandschap ergens tussen het einde van het Mesolithicum en de Midden-Bronstijd veranderd in een veenmoeras. Er komt wellicht al eerder een einde aan de bewoningsmogelijkheden in het gebied. Pas in de Late Middeleeuwen wordt het veengebied ontgonnen. Hierdoor daalt het maaiveld en wordt het gebied gevoelig voor overstromingen vanuit de omliggende rivieren, de Donge en de Maas. Raamsdonk is vermoedelijk ontstaan in de 11e of 12e eeuw en in 1253 voor het eerst vermeld als Ramesdunc.
De naam Raamsdonk is afgeleid van donk, wat een zandige opduiking in moerassig terrein betekend en rams betekend ‘daslook’.12 In 1421 overstroomt het gebied en daarmee ook het plangebied door de Sint Elisabethsvloed.
11 Ball e.a., 2018 12 Stichting Raamsdonks Historie, 2015; plaatsengids.nl/raamsdonk; Van Berkel & Samplonius, 2006
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 5 van 17
Op een kaart uit 1754 van M. van Barneveld is het plangebied afgebeeld aan de huidige Raadhuisstraat (figuur 9A). Ten noorden van het plangebied ligt de Kerk van Raamsdonk en de dijk. Ten zuiden van het plangebied ligt de Koorn Molen. Het plangebied ligt in de Oude Polder. Ten oosten van het plangebied ligt de Binnen Polder. De kadastrale minuut uit de periode 1811 – 1832 geeft hetzelfde beeld als de kaart uit 1754 (figuur 9B). Het plangebied beslaat delen van percelen 380, 381 en 382. De percelen zijn in gebruik als weiland. Ten zuidoosten van het plangebied ligt de kern van Raamsdonk met bebouwing aan weerzijde van de huidige Molenstraat. Rond 1880 is de situatie nagenoeg ongewijzigd gebleven ten opzichte van de kadastrale minuut (figuur 9C). Ten zuidwesten van het plangebied ligt de Bergen en het Broek en ten zuidoosten De Schans. Rond 1899 is ten zuidoosten van het plangebied aan de andere kant van de Raadhuisstraat bebouwing bijgekomen (figuur 9D). Ten zuiden van het plangebied is een spoorlijn aangelegd. Ten oosten van het plangebied wordt een afwateringskanaal aangelegd. Rond 1937 is er binnen het plangebied bebouwing komen te staan in het westen en in het oosten van het plangebied (figuur 9E). Vermoedelijk gaat het om acht woningwetwoningen die rond 1920 zijn gebouwd.
Tegenwoordig zijn er nog twee van deze woningen over, aan de Raadhuisstraat 65-67 (figuur 10).13 Het maaiveld van de polder staat aangegeven op 0,7 m NAP. Raamsdonk ligt rond 2,9 m NAP. Ten noorden van het plangebied ligt bij de kerk een begraafplaats. Rond 1962 is er bebouwing aan de huidige bebouwing aangebouwd ten zuiden van het plangebied (figuur 9F). Ook is er bebouwing aan de andere kant van de Raadhuisstraat bijgekomen. Rond 1970 is de bebouwing in het plangebied verandert (figuur 9G). De bebouwing in het westen van het plangebied is verdwenen. Ten noorden is de A59 aangelegd en ten westen is de huidige Heemraadsingel en er heeft verkaveling plaatsgevonden ten zuidwesten va het plangebied. Tussen 1980 en 1988 is pal ten zuidwesten van het plangebied een wijk aangelegd (figuur 9H). De A59 is uitgebreid, waardoor de Raadhuisstraat niet meer doorloopt naar het noorden en doorloopt om het plangebied naar het westen. Rond 2006 verdwijnt de bebouwing in het plangebied (figuur 9I). De situatie blijft tot op heden nagenoeg onveranderd (figuur 9J). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Binnen het plangebied of direct daaromheen (in een straal van 50 m) liggen geen rijks en gemeentemonumenten.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.14 Pal ten oosten van het plangebied is een ruimingsrapport bekend van BeoBOM.
13 Stichting Raamsdonks Historie, 2015 14 ikme.nl; VEO Bommenkaart; Ruimingskaart; Wageningen University & Research—Geoportal.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 6 van 17
Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed lag ten westen van Raamsdonk de Hintere Wasserstellung. De 2e of Hintere Wasserstellung is een Duitse verdedigingslinie en deze lag ten oosten van de 1e of Vordere Wasserstellung en moest een invasie vanuit de kuststreek vertragen. Ten noordoosten van het plangebied lag het operatieterrein de Kapelsche Veer. De Kapelsche Veer was een bruggenhoofd aan de Bergsche Maas, hier werd van december '44 tot januari '45 hevig gevochten. De archeologische verwachting voor linies betreffen gebouwd erfgoed zoals bunkers en tankversperringen, maar ook archeologische resten in de vorm van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, versperringen, barakken etc. De slaghandelingen weerspiegelen zich vooral in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. Het raadplegen van de bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.
Heemkundevereniging Stichting Raamsdonks Historie Op 17 mei 2022 is contact gezocht met Heemkundevereniging Stichting Raamsdonks Historie. Er is binnen het tijdsbestek van dit onderzoek helaas geen reactie op gekomen. 2.7
Archeologische waarden
In de directe omgeving van het plangebied liggen volgens Archis3 geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), zijn een viertal vondstmeldingen gedaan en is een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd (figuur 11). Archeologische onderzoeksmeldingen zijn meldingen van onderzoeken die vanaf de jaren 1990 zijn uitgevoerd op basis van artikel 46 van de Monumentenwet uit 1989. Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor dit onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de veldkarteringen, booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en definitieve opgravingen. Bureauonderzoeken worden buiten beschouwing gelaten. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Een overzicht van de onderzoeksmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 2. Vondstmeldingen zijn meldingen van vondsten die bij toeval zijn gedaan of bij archeologisch onderzoek dat niet op basis van de Monumentenwet is uitgevoerd. Het gaat hierbij veelal om onderzoeken die voor de jaren 1990 zijn uitgevoerd. Bij elke vondstmelding hoort één vondstlocatie. Een overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 3. Bij een vondstlocatie horen vondsten, grondsporen en/of complexen.
Vondsten zijn mobiele archeologische resten (bijvoorbeeld fragmenten aardewerk, bouwkeramiek, bewerkt vuursteen). Grondsporen zijn duidelijk begrensbare verschijnselen in de bodem, van antropogene oorsprong (bijvoorbeeld paalkuilen of muurresten) of natuurlijke oorsprong (bijvoorbeeld een boomval). Een complex is een verzameling van sporen en vondsten in eenzelfde gebied, uit dezelfde periode en met dezelfde oorsprong. Bijvoorbeeld: aardewerk, huttenleem en paalsporen vormen samen het complextype ‘bewoning’. Archeologische monumenten zijn terreinen waar op basis van historische gegevens of vondsten archeologische resten worden vermoed of aanwezig zijn, maar die nog niet zijn onderzocht.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 7 van 17
Archeologische onderzoeksmeldingen Circa 250 m ten zuidoosten van het plangebied is in 2008 een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 2202287100). Uit het onderzoek is gebleken dat er op een diepte tussen de 70 en 220 cm -mv zich de top van het dekzand bevindt, waarin zich een podzolprofiel heeft ontwikkeld met uitzondering van de bodem ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied. Vanwege diepe recente verstoringen is de ondergrond hier tot 220 cm -mv verstoord. De podzol is in het zuidoosten van het onderzoeksgebied nog wel intact. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied is de podzolbodem tot in de B-horizont verploegd als gevolg van de ontginning van het veen. De top van het dekzand wordt afgedekt door een pakket recent verstoorde bolster en een dunne puinlaag. Gezien de lage verwachting om nog intacte archeologische vindplaatsen aan te treffen is de kans klein dat eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd. Daarbij bevindt het archeologisch relevante niveau zich op aanzienlijke diepte (0,70 tot 1,30 m -mv), terwijl de voorgenomen bodemverstoring slechts maximaal 80 cm bedraagt. Er is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Ten zuidoosten van het plangebied, circa 350 m, is in 2020 een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 4931097100). Uit het onderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied op een dekzandrug ligt.
In de top van het dekzand zijn vanaf een diepte van 70-100 cm -mv (0,2-0,4 m NAP) intacte B- en BChorizonten aangetroffen onder een oud bouwlanddek. Daarmee is archeologisch gezien sprake van een intacte bodemopbouw en geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit het LaatPaleolithicum – Nieuwe tijd. Er is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Naar aanleiding van dit onderzoek is in 2021 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zaakid. 4958638100). Dit onderzoek is nog niet afgerond. Circa 400 m ten zuidoosten van het plangebied is in 2008 een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 2190583100). Er is geadviseerd om vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van proefsleuven. Er is echter geen rapport beschikbaar in Archis of DANS. Naar aanleiding van dit onderzoek is in 2008 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zaakid. 2220706100). Er zijn vier proefsleuven van 4 x 50 m aangelegd binnen het onderzoeksgebied. Alleen in het oosten van het terrein zijn vijf sporen uit de 18e /19e eeuw aangetroffen. De sporen, betreffen twee afvalkuilen, twee paalkuilen en een sloot, hangen samen met de boerderij Molenstraat 45. In de andere proefsleuven zijn geen sporen aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Circa 450 m ten zuiden van het plangebied is in 2018 een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 4616493100).
Uit het onderzoek is gebleken dat de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied bestaat uit een intacte veldpodzol met een A/E-, B-, B/C- en C-horizont. Hierop ligt een leempakket dat als overstromingspakket is geïnterpreteerd. Deze laag heeft een beschermende werking op de onderliggende bodem. Geheel bovenop ligt een recent opgebracht pakket van 20 tot 50 cm dik. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen in situ worden aangetroffen in de A-horizont of in de daaronder gelegen lagen. De top van de A-horizont is op verschillende dieptes aangetroffen, tussen 45 en 95 cm -mv. Er is geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 8 van 17
Naar aanleiding van dit onderzoek is in 2019 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zaakid. 4658857100). Uit het onderzoek is gebleken dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied bestaat uit een verstoorde bouwvoor, met daaronder een vrijwel intacte veldpodzol met de horizonten A-, E-, B-, BC- en C-, bestaande uit licht siltig, matig fijn, lichtbruingeel dekzand. In het zuidwesten van het onderzoeksgebied is een andere bodemopbouw aangetroffen, waarbij onder de verstoorde bouwvoor een subrecente bouwvoor is gevonden. Onder deze bouwvoor is een veenlaag van circa 50 cm dik aangetroffen met daaronder een spoellaag op de natuurlijke ondergrond. Ten oosten van deze bodemopbouw is een verstoorde bouwvoor, subrecente bouwvoor, een restant veenlaag (circa 10 cm dik) en daaronder A-, E-, B-, BC- en C-horizont aangetroffen. Het onderzoeksgebied bevindt zich op de flank van een stuwwal, een relatief hoger gelegen deel in het landschap, waar de vroegere mens zich bij voorkeur vestigde. Vanwege deze hoger gelegen ligging en een vrijwel intacte podzol kunnen restanten worden verwacht vanaf het Laat-Paleolithicum. Archeologische restanten zijn echter niet aangetroffen, vermoedelijk heeft men zich op de top van de stuwwal gevestigd in plaats van op de flank.
Voor de periode Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting voor het onderzoeksgebied, omdat in de 13e eeuw de omgeving reeds is ontgonnen en sprake is van bewoning. Op basis van historisch kaartmateriaal is gebleken dat het onderzoeksgebied altijd in gebruik is geweest als weiland en vanaf 1980 in gebruik is genomen als moestuinen. Perceelsgreppels zoals aangegeven op onder andere de kadastrale minuut uit 1811 – 1832 zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek niet aangetroffen. Er is geadviseerd het onderzoeksgebied vrij te geven. Ten zuidwesten van het plangebied, circa 500 m, is in 2008 een booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 2214883100). Dit onderzoek beslaat meerdere deelgebieden, hier zal deelgebied 2 worden besproken. Uit het onderzoek is gebleken dat deelgebied 2 op de rand van een dekzandkop ligt. Er is een ACprofiel aangetroffen met een dikke, geroerde A-horizont. Daarnaast is in een enkele boringen veenlaag tussen 100 en 110 cm -mv aangetroffen en in een andere boring een dik veenpakket. Er zijn geen aanwijzingen voor archeologische resten aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Vondstmeldingen Circa 190 m ten noorden van het plangebied bij de Lambertuskerk zijn uit de Romeinse tijd – Nieuwe tijd munten, muurrestanten, stenen funderingen, doopvonten, vloeren, pleisterwerk/stucwerk, en roodbakkend geglazuurde borden/schotels aangetroffen (waarnemingsnr. 2933531100) en uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd zijn bakstenen, munten en oorringen/oorhangers gevonden (waarnemingsnr. 3176953100). Ten zuiden van het plangebied, circa 500 m, aan de Boonsstraat zijn uit de Nieuwe tijd paalgaten aangetroffen (waarnemingsnr. 4658857100). Archeologische verwachting Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Geertruidenberg (niet opgenomen) heeft het plangebied een hoge verwachting voor de top van het dekzand.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 9 van 17
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (zie tabel 1). Tabel 1.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Verwachting en complextype
Te verwachten resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Laat-Paleolithicum – Mesolithicum
Hoog; kampementen
Vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool; haardkuilen
In de top van het dekzand, onder een plaggendek, wanneer er een intacte podzolbodem aanwezig is
Neolithicum
Hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
In de top van het dekzand, onder een plaggendek
Bronstijd – Vroege Middeleeuwen
Laag; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
In de top van het dekzand, onder een plaggendek
Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Middelhoog; sporen van landgebruik
Akkerlagen, sloten/greppels
Vanaf het maaiveld
Het plangebied ligt op een dekzandrug. In het plangebied wordt dekzand van het Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel verwacht. Hierop is vanaf het Neolithicum in de omgeving van het plangebied veen gevormd (Hollandveen, Formatie van Nieuwkoop), door een stijgend grondwaterniveau als gevolg van de zeespiegelstijging en door de invloed van de Maas. Door de veenvorming wordt het gebied ongeschikt voor bewoning. Het plangebied is vermoedelijk niet bedekt geraakt met veen, waardoor bewoning eventueel hier wel mogelijk is geweest. In de Late Middeleeuwen is het veengebied ontgonnen en afgegraven, waardoor het grootste gedeelte van het veen is verdwenen. Door de ontginning en afgraving van het veen daalt het maaiveld en wordt het gebied gevoelig voor overstromingen vanuit de Maas en de Donge. Mogelijk is er tijdens de overstromingen een kleidek op het dekzand afgezet. Volgens het geraadpleegde historisch kaart materiaal is het plangebied altijd in gebruik geweest als weiland en wordt rond 1920 bebouwd. Deze bebouwing is reeds in 2006 gesloopt. Op basis van de landschappelijke ontwikkeling heeft het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
Voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting, omdat het gebied rondom het plangebied bedekt is geweest met veen en daardoor niet geschikt is geweest voor bewoning. Resten van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum worden verwacht in de top van het dekzand, in de vorm van een archeologische laag met strooiing van vuursteen en houtskool. Daarnaast worden uit deze periode haardkuilen verwacht. Resten van landbouwers uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de vorm van cultuur- en akkerlagen met strooiing van houtskool, vuursteen, aardewerk en verbrand leem en grondsporen zoals paal- en afvalkuilen, greppels en waterputten. Deze resten worden ook in de top van het dekzand verwacht.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 10 van 17
Sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht vanaf het maaiveld, in of direct onder een plaggendek, voornamelijk in de vorm van greppels en sloten. Bodemverstoring Voor resten in de top van het dekzand, met name die uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, geldt dat deze alleen worden verwacht als het pleistocene maaiveld nog intact is, dus als er nog een (restant van) een podzolbodem aanwezig is. Idealiter wordt het dekzand afgedekt door veen, maar waarschijnlijk is het veen volledig afgegraven. Als dit het geval is en er geen restant van een podzolbodem meer aanwezig is, is de kans op de resten van jagers-verzamelaars er klein. Diepere grondsporen uit het Neolithicum kunnen dan nog wel aanwezig zijn, maar het is moeilijk vast te stellen hoeveel er van de top van het dekzand is verdwenen als er geen restanten van podzolbodems meer aanwezig zijn. Daarnaast kan de bouw van de voormalige bebouwing het plaggendek op het dekzand hebben aangetast en daarmee ook eventueel aanwezige archeologische resten. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de top van het dekzand en resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd in en direct onder een plaggendek. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring voor het plangebied vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen. In dit specifieke geval kan met het verkennend booronderzoek worden vastgesteld hoe diep het dekzand ligt binnen het plangebied en of de top van het dekzand nog intact is (aanwezigheid van een podzolbodem).
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 11 van 17
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400315, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Geertruidenberg. Het veldonderzoek is op 1 juni 2022 uitgevoerd door R.S. Verheij, MSc, drs. A.J. Wullink (senior KNAprospector) en E. Steijsiger, MSc. Voorafgaand aan het veldwerk is er een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er vijf boringen tot maximaal 2 m -mv geplaatst. De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet, waarbij rekening is gehouden met kabels en leidingen. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van meetlinten. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien figuur 12. Voor de boringen is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.16 De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 4.
15 SIKB, 2018 16 Bosch, 2005
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 12 van 17
3.3
Resultaten
Geologie en bodem De bodemopbouw in het plangebied is vrij uniform. De ondergrond bestaat over het algemeen uit een geroerd/opgebracht pakket met daaronder een podzolbodem in de top van dekzand (Formatie van Boxtel). In alle boringen bestaat de ondergrond uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand. De top van dit zandpakket is zwak tot sterk humeus en heeft een dikte tussen 10 en 40 cm. De basis van dit pakket ligt tussen 60 en 140 cm -mv (0,36 en -0,46 m NAP). In boring 1 zijn in de top veenbrokjes aangetroffen, in boring 3 een fragment wit keramiek, in boring 4 een fragment wit porselein en in boring 5 sporen van grind en roestvlekken. Dit zandpakket is geïnterpreteerd als een eerddek (A(a)p-horizont), met in boring 1 nog een restant van een verploegde podzolbodem (A/E/Bp-horizont) met roestvlekken. In alle boringen komt op dit eerddek een opgebracht of geroerd pakket voor van 30 tot 60 cm dik. In dit pakket zijn sporen van baksteen (boring 1, 3, 4 en 5), sporen van plastic (boring 1), sporen van houtskool (boring 2), sporen van puin (boring 5) en grind (boring 4) aangetroffen. In boring 1, 4 en 5 is dit pakket geroerd, in boring 3 opgebracht en komt aan de basis cunetzand voor. In boring 2 en 4 komt onder dit geroerde/opgebrachte pakket een laag matig tot sterk siltig, zwak humeus zand met roestvlekken voor.
In boring 2 zijn in dit pakket kleibrokken en geelbakkend aardewerk aangetroffen. Het siltige zand heeft een dikte van 40 tot 50 cm dik en de ondergrens ligt tussen 70 en 110 cm -mv (-0,16 en -0,17 m NAP). Vermoedelijk gaat het hier om een verploegd overstromingsdek. In boring 3 komt onder de Ap-horizont een matig siltig zandpakket voor met een dikte van 60 cm. De ondergrens van dit pakket ligt op 120 cm -mv (-0,24 m NAP). Dit pakket betreft een pakket ingedroogde klei. Onder het eerddek komt in alle boringen een pakket matig fijn, zwak siltig zand voor. De top van dit pakket ligt tussen 115 en 150 cm -mv (-0,24 en -0,49 m NAP). Dit zijn in het Laat-Glaciaal afgezette dekzanden (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). In de top van deze dekzanden is in alle boringen een restant van een podzolbodem aangetroffen. In boring 1 en 3 bestaat dit restant uit een B-horizont en een BC-horizont, in boring 2 uit een B-horizont en een Bhs-horizont, in boring 4 uit alleen een BC-horizont en in boring 5 uit een Bhs-horizont en een BC-horizont. In boring 3 is aan de top van de B-horizont een roodbakkend aardewerk fragment aangetroffen. De rest van het dekzandpakket is donkergeel of (donker) grijsbeige van kleur. Archeologische indicatoren In boring 3 is aan de top van de B-horizont een fragment roodbakkende dakpan (golfpan) aangetroffen. Golfpannen worden vanaf circa 1500 geproduceerd.
Het fragment is echter redelijk dun, waardoor het waarschijnlijk dateert in de 17e tot 19e eeuw. Naast de dakpan zijn er geen archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend veldonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 13 van 17
3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloedt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Volgens het bureauonderzoek wordt er in het plangebied dekzand van het Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel verwacht. Hierop is mogelijk een kleidek afgezet. De top van het dekzand heeft een hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum, wanneer er een restant van een podzolbodem aanwezig is. Aan het maaiveld geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting, omdat het gebied rondom het plangebied bedekt is geweest met veen en daardoor vermoedelijk ongeschikt is geweest voor bewoning. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit dekzand uit het Laat-Glaciaal (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Op het dekzand is een antropogeen eerddek aanwezig, met een dikte van 10 tot 40 cm. Dit eerddek is vermoedelijk na de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen opgebracht.
In boring 1 zijn in het eerddek veenbrokjes aangetroffen, dit zou kunnen duiden op dat het plangebied overveend is geweest of de veenbrokjes zijn afkomstig uit de regio waar wel veengroei heeft plaatsgevonden. Op het eerddek is in boring 2 en 4 een matig tot sterk siltig, zwak humeus zandpakket aangetroffen. Dit pakket houdt vermoedelijk verband met overstromingen vanuit de naburige rivieren. Het zou een verploegd overstromingsdek kunnen betreffen of zand vermengd met overstromingsklei uit de regio. In boring 3 is een matig siltig zandpakket tussen een Ap- en B-horizont aangetroffen. Op het eerddek of op het (verploegde) overstromingsdek is een (sub)recent opgebracht of geroerd pakket van 30 tot 60 cm dik aangetroffen. In alle boringen is een restant van een podzolbodem aangetroffen. In vier boringen (boring 1, 2, 3 en 5) gaat het om een grotendeels intact podzolprofiel met een B-, Bhs- en een BC-horizont. In boring 4 is alleen een restant van een podzolbodem waargenomen, in de vorm van een BC-horizont. De aanwezigheid van restanten van een podzolbodem wijst erop dat het plangebied in het verleden droog genoeg is geweest voor bewoning. Hiermee wordt de hoge verwachting voor bewoningssporen uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum bevestigd.
De verwachting voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen blijft laag, maar er kan niet uitgesloten worden dat zich geen resten uit deze periode in het plangebied bevinden omdat het plangebied vermoedelijk niet overveend is geweest. De verwachting voor sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft middelhoog.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 14 van 17
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de top van het dekzand een hoge verwachting heeft voor sporen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum door de aanwezigheid van een podzolbodem. De verwachting voor de Bronstijd – Vroege Middeleeuwen blijft laag en voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd blijft de verwachting voor sporen van landgebruik middelhoog. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ te behouden voor het gehele plangebied. Dit betekent dat bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden eerst verder onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum en Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd te toetsen. Het proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend.
De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Geertruidenberg), die vervolgens het advies overneemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Geertruidenberg wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Noord-Brabant of de gemeente Geertruidenberg.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 15 van 17
LITERATUUR Ball, E. A. G., Delaruelle, S., Heeringen, R. M. V., Huijbers, A., Linde, C. V. D., Schrijvers, R., & Tebbens, L. A. (2018). Westelijk Noord- Brabant in het Malta-tijdperk Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. https://doi.org/10.17026/DANS-2ZV-E83Q Bosch, J. (2005). Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. NITG-TNO. https://www.sikb.nl/doc/archeo/leidraden/Leidraad%20ASB%20versie%205_2%20geactualiseerd%20september%202008.pdf de Mulder, E., Geluk, M., Ritsema, I., Westerhof, W., & Wong, T. (2003). De ondergrond van Nederland (Houten). Gemeente Geertruidenberg. (2017). Nota Archeologie gemeente Geertruidenberg (p. 66). Leenders, K. A. H. W. (2013). Verdwenen venen: Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad (1250—1750). Een actualisering (Reeks landschapsstudies; No. 13, p. 351). Pudoc. https://edepot.wur.nl/475394 SIKB. (2018). BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie (Versie 4.1, 24 mei 2018 ed.). SIKB. Stichting Raamsdonks Historie. (2015). Erfgoedbeleid 2015 Kern Raamsdonk. 15. Van Berkel, G., & Samplonius, K. (2006). Nederlandse Plaatsnamen: Herkomst En Historie. Spectrum.
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 16 van 17
BRONNEN AHN; internetsite, juni 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juni 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, juni 2022. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureel Erfgoed; internetsite, juni 2022 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, juni 2022. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juni 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juni 2022. http://www.topotijdreis.nl/ Omgevingsrapportage Noord-Brabant; internetsite, juni 2022. https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/ Raamsdonk; internetsite, juni 2022. plaatsengids.nl. Ruimingskaart; internetsite, juni 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juni 2022. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, juni 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/ Wageningen University & Research—Geoportal; internetsite, juni 2022. https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf#1
RAPPORT 18546.001 versie 1
Pagina 17 van 17
Figuur 1. Ligging van het plangebied
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 4. Toekomstige situatie in het plangebied
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 5. Het plangebied op de paleogeografische kaart
RAPPORT 18546.001 versie 1
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 6. Het plangebied op de geomorfologische kaart
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 7. Maaiveldhoogte in het plangebied
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 8. Het plangebied op de bodemkaart
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 9. Het plangebied op historisch kaartmateriaal
RAPPORT 18546.001 versie 1
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 10.
Foto's van de woningen Raadhuisstraat 65 en 67
Bron: Stichting Raamsdonks Historie, 2015
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 11.
Archeologische waarden en onderzoeken
RAPPORT 18546.001 versie 1
RAPPORT 18546.001 versie 1
Figuur 12.
Boorpuntenkaart
RAPPORT 18546.001 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 18546.001 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 18546.001 versie 1
Bijlage 2
Rapport 18546.001 versie 1
Onderzoeksmeldingen
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Bijlage 3
Rapport 18546.001 versie 1
Vondstmeldingen
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Rapport 18546.001 versie 1
Bijlage 4
Rapport 18546.001 versie 1
Boorprofielen
Rapport 18546.001 versie 1
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster