07 watertoets Raadhuisstraat Raamsdonk 221122
Tekst van het document
WATERTOETS RAADHUISSTRAAT TE RAAMSDONK
Rapportage watertoets Raadhuisstraat te Raamsdonk Opdrachtgever
Broos de Bruijn architecten Boomgaardsstraat 84 3012 XE Rotterdam
Rapportnummer Versienummer
18546.002 D2
Status
Eindrapportage
Datum
22 november 2022
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
De heer ing. R. van den Berg
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer R.A.F. Smeets, BASc BEd
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 14001:2015. 18546.002
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
LOCATIEGEGEVENS ................................................................................................................ 2
3
WATERBELEID .......................................................................................................................... 3 3.1 3.2 3.3
4
OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
4.9 5
Planvoornemen............................................................................................................... 14 Verhard oppervlak .......................................................................................................... 14 Waterbergingsopgave .................................................................................................... 15
PLANUITWERKING .................................................................................................................. 16 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Hoogteligging .................................................................................................................... 7 Bodemopbouw .................................................................................................................. 7 Hydrogeologie................................................................................................................... 8 Grondwater ....................................................................................................................... 8 Peilbeheer ......................................................................................................................... 9 Oppervlaktewater............................................................................................................ 10 Waterveiligheid ............................................................................................................... 11 Ontwatering en drooglegging ......................................................................................... 12 4.8.1 Ontwatering ...................................................................................................... 13 4.8.2 Drooglegging ....................................................................................................
13 4.8.3 Conclusie .......................................................................................................... 13 Riolering .......................................................................................................................... 13
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING ........................................................................................... 14 5.1 5.2 5.3
6
Rijksoverheid .................................................................................................................... 3 Waterschap Brabantse Delta ............................................................................................ 4 Gemeente Geertruidenberg .............................................................................................. 6
Randvoorwaarden en uitgangspunten ........................................................................... 16 Hemelwater ..................................................................................................................... 16 Keur ................................................................................................................................ 16 Riolering .......................................................................................................................... 16
CONCLUSIE ............................................................................................................................. 17
BIJLAGEN: 1. 2.
- Topografische ligging - Toekomstige situatie
18546.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Broos de Bruijn architecten opdracht gekregen voor het opstellen van een watertoets voor een ontwikkeling aan de Raadhuisstraat te Raamsdonk. De initiatiefnemer is voornemens 7 woningen te realiseren. Voor de gronden vigeert het bestemmingsplan ‘Kern Raamsdonk’ (vastgesteld 29-07-2009). De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de bestaande bestemmingsstructuur. Om het plan te realiseren is een bestemmingsplanwijziging nodig. Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. Om invulling te kunnen geven aan de waterparagraaf en de waterbelangen te waarborgen dient in deze situatie de watertoets-procedure te worden doorlopen.
De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is géén aparte procedure, maar is een traject dat geïntegreerd is in de procedure van het ruimtelijk plan of besluit. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. In deze rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Brabantse Delta en de gemeente Geertruidenberg). De informatie over de planlocatie is onder andere gebaseerd op informatie verkregen van de opdrachtgever.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 1 van 17
2
LOCATIEGEGEVENS
De planlocatie (± 1.310 m²) ligt aan de Raadhuisstraat te Raamsdonk en is kadastraal bekend gemeente Raamsdonk, sectie G, nummer 3576. De planlocatie betreft braakliggend terrein. De initiatiefnemer is voornemens op deze locatie 7 woningen te realiseren. In figuur 1 is de begrenzing van de planlocatie weergegeven. De topografische ligging is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 1. Ligging en begrenzing planlocatie
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 2 van 17
3
WATERBELEID
3.1
Rijksoverheid
In de Beleidsbrief regenwater en riolering (2004) staat het nationale regenwaterbeleid, dat later is verwerkt in de verschillende lozingsbesluiten (zoals het Besluit lozing afvalwater huishoudens). Duurzaamheid is hier het uitgangspunt. Het beleid steunt op vier pijlers:
aanpak bij de bron; regenwater vasthouden en bergen; regen- en afvalwater gescheiden afvoeren; integrale afweging op lokaal niveau.
Aanpak bij de bron Om verontreiniging van regenwater zo veel mogelijk te voorkomen, is aanpak bij de bron noodzakelijk. In principe mag regenwater zonder verdere technische maatregelen in bodem of oppervlaktewater worden geloosd, tenzij uit de lokale afweging blijkt dit ongewenst is. De lozingsbesluiten bieden de mogelijkheid om waar nodig op lokaal niveau preventieve maatregelen te formuleren en vast te leggen. Vasthouden en bergen Waar mogelijk moet regenwater ter plekke in de bodem geïnfiltreerd worden of in het oppervlaktewater worden gebracht. Van belang is om zo veel mogelijk binnen het gebied water vast te houden, te bergen en dan pas af te voeren. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij degene bij wie het regenwater door verharden en overkappen vrijkomt (gebouw- en grondeigenaren). De overheid grijpt pas in als dat nodig is. Tot de komst van de Beleidsbrief regenwater en riolering was er weinig aandacht voor het vastleggen van maatregelen om regenwater vast te houden en te bergen. Het stelsel van individuele vergunningen en ontheffingen ontmoedigde juist lozing in oppervlaktewater of bodem. Daarom zijn er nu integrale algemene regels. Hierbij is het uitgangspunt dat van degene bij wie afstromend regenwater vrijkomt, binnen de grenzen van redelijkheid kan worden gevraagd om het regenwater ter plaatse in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen.
Gescheiden afvoeren De Beleidsbrief regenwater en riolering stimuleert om regenwater en ander afvalwater gescheiden af te voeren. De transportafstand naar de rwzi is vaak lang. Door het regenwater van de vuilwaterriolering af te koppelen, kan de gemeente transportkosten besparen en regenwater op kleinere schaal inzamelen en afvoeren. Zij kan de gescheiden afvoer zelf regelen, zowel qua techniek als tijdpad. Om gescheiden afvoer te stimuleren, is de gemeentelijke afvalwaterzorgplicht opgesplitst in de zorgplicht voor stedelijk afvalwater en de zorgplichten voor regen- en grondwater. Integrale afweging op lokaal niveau De eerste drie pijlers geven een voorkeursvolgorde aan. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering op lokaal niveau ligt bij de gemeente en het waterschap. Daarbij is doelmatigheid het uitgangspunt. Samen bepalen zij hoe zij op de middellange en lange termijn het meest doelmatig en tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten met regenwater kunnen omgaan. Op basis van deze integrale afweging kunnen zij van de voorkeursvolgorde afwijken. De gemeente heeft in deze samenwerking een regierol.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 3 van 17
3.2
Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap Brabantse Delta met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.
Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5.
Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 4 van 17
Keur De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is weten regelgeving uit de keur van toepassing. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:
Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. Voor plannen groter dan 10.000 m2 geldt Beleidsregel 13 ‘Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’. Op basis van deze beleidsregel zijn plannen met een omvang van meer dan 10.000 m2 vergunningsplichtig en dient een waterhuishoudkundigplan te worden opgesteld conform de onderwerpen zoals genoemd in paragraaf 4.6 van de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 5 van 17
3.3
Gemeente Geertruidenberg
In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan+ 2017-2022 (VGRP+) heeft de gemeente beschreven welke verantwoordelijkheid zij hebben op het gebied van afval-, hemel- en grondwater. In het VGRP+ geeft de gemeente Geertruidenberg onder andere weer hoe zij invulling geeft op haar zorgplicht voor de betreffende waterstromen. Met betrekking tot de verwerking van hemelwater geldt dat voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied dat het huishoudelijk afvalwater, het hemelwater en het grondwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. De verantwoordelijkheid van de gemeente op het gebied van afval-, hemel- en grondwater staat beschreven in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan+ 2017-2022 (VGRP+). Dit is een beleidsdocument voor zowel het afvalwater als het hemelwater en het grondwater. Het VGRP+ Geertruidenberg geldt voor de planperiode 2017 tot en met 2022. Het VGRP+ geeft de gemeente Geertruidenberg onder meer weer hoe zij invulling geeft aan haar zorgplichten voor de betreffende waterstromen. Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente Geertruidenberg wordt aangesloten op de (druk)riolering of een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens. Bij nieuwbouw zal, waar mogelijk, het hemelwater gescheiden worden verwerkt van het afvalwater.
Bij de verwerking van hemelwater wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ als voorkeursvolgorde aangehouden. Concreet betekent dat overtollig hemelwater bij voorkeur lokaal wordt hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem. Indien dat niet mogelijk is, wordt het hemelwater rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater of aangesloten op een regenwaterriolering. Met betrekking tot de compensatieregeling als gevolg van een toename in verhard oppervlak sluit de gemeente Geertruidenberg aan bij het beleid van waterschap Brabantse Delta.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 6 van 17
4
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van de planlocatie beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer, waterveiligheid en riolering. 4.1
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland 1 wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop in zuidwestelijke richting van ca. 0,95 m +NAP aan de noordzijde van de planlocatie tot ca. 0,60 m +NAP aan zuidwest zijde van de planlocatie. De Raadhuisstraat bevindt zich ter hoogte van de planlocatie op een hoogte van ca. 1,0 m +NAP. 4.2
Bodemopbouw
De planlocatie ligt volgens de bodemkaart van Nederland, in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een veldpodzolgrond (Hn21), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Op basis van boorprofielen uit het archief van TNO 2 blijkt dat de bodem nabij de planlocatie voornamelijk te zijn opgebouwd uit zand. Op een diepte ca. 0,5 - 0,9 m -mv wordt klei verwacht. Daaronder bevindt zich van ca. 0,9-1,2 m -mv een veenlaag. In figuur 2 is boorprofiel B44G0118 weergegeven.
Figuur 2. Boorprofiel B44G0118 (bron: TNO)
1 www.ahn.nl 2 www.dinoloket.nl
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 7 van 17
4.3
Hydrogeologie
Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.4 model van TNO. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. In tabel 1 is de hydrogeologische opbouw van de ondergrond op schematische wijze weergegeven. Tabel 1. Hydrogeologie Diepte m -mv
Formatie
Typering
Bodem
0-0,5
Antropogeen
DKL
Zand
0,5-2,5
Boxtel
DKL
Zand
2,5-13
Kreftenheye
WVL
Zand
13-31
Sterksel
WVL
Zand
31-34
Stramproy
WVL
Zand
34-37
Stramproy
SDL
Klei
37-46
Stramproy
WVL
Zand
>46
Waalre
SDL
Klei
DKL = deklaag
4.4
WVL = watervoerende laag
SDL = slecht doorlatende laag
Grondwater
Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. In het archief van TNO zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatiespecifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. In tabel 2 zijn de gegevens van de grondwaterpeilputten opgenomen. In figuur 3 is de situering van de grondwaterpeilputten weergegeven.
Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordelijk tot westelijke richting.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 8 van 17
Tabel 2. Overzicht grondwaterpeilputten
grondwaterpeilput
windrichting t.o.v. locatie
afstand t.o.v. locatie (m)
meetperiode
GLG (m +NAP)
GHG (m +NAP)
B44G0310
N
240
31-10-2011 / 31-10-2019
-1,0
-0,6
B44E0210
N
1.175
15-04-1996 / 22-04-2004
-0,8
-0,3
Figuur 3. Situering grondwaterpeilputten
Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 0,6 m -NAP. Hiermee zou de GHG zich bevinden op ± 1,3 m -mv aan de noordzijde tot 1,0 m -mv aan de zuidzijde. Op basis van gegevens uit de Klimaateffectatlas 3 is de GHG gelegen op een diepte van 1,0 - 1,5 m -mv. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. 4.5
Peilbeheer
Binnen het plangebied is het oppervlaktewater peilbeheerst. De hoogte van het freatisch grondwater wordt in een dergelijke situatie bepaald door de opbolling tussen het aanwezige oppervlaktewater. Het plangebied is gelegen in peilgebied Werfkampen (code ON14). In dit peilgebied geldt een zomerpeil van 0,6 m -NAP en een winterpeil van 0,8 m -NAP. 3 www.klimaateffectatlas.nl
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 9 van 17
4.6
Oppervlaktewater
Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van waterschap Brabant zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Op een afstand van ca. 25 meter ten noorden van de planlocatie is een A-watergang (OVK00189) gelegen. In figuur 4 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.
Figuur 4. Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Brabantse Delta
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 10 van 17
4.7
Waterveiligheid
Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt 4. Met behulp van dergelijke stresstesten kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten uit de klimaateffect atlas tonen de resultaten van computersimulaties en geven een indicatie van de maximale waterdiepte die op een bepaalde plek kan optreden als gevolg van hevige neerslag. De kaarten tonen de maximale waterdiepte voor het stedelijk gebied en het buitengebied, voor twee extreme buien: 70 mm neerslag in 2 uur en 140 mm neerslag in 2 uur. Deze buien komen in het huidige klimaat op een bepaalde locatie gemiddeld eens per 100 jaar respectievelijk eens per 1.000 jaar voor. De simulaties zijn uitgevoerd met de ‘Rainfall overlay’ van Tygron. Voor panden is in het hoogtemodel een vloerpeil van 15 cm boven maaiveld aangenomen. In de modellering is alleen de stroming over maaiveld meegenomen. Afvoer via riolering en open water is niet meegenomen. Het onderlopen van panden via drempels is eveneens niet meegenomen. Hierdoor is het mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt.
Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De kaarten in figuren 5 en 6 laten voor de planlocatie het resultaat van de stresstesten zien voor respectievelijk een extreme bui van 70 millimeter in 2 uur en 140 mm in 2 uur. Beide testen laten zien dat de planlocatie gevoelig is voor wateroverlast als gevolg van extreme neerslag.
Figuur 5. Stresstest, bui 70 mm in 2 uur (bron: Klimaateffectatlas) 4 www.klimaateffectatlas.nl
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 11 van 17
Figuur 6. Stresstest, bui 140 mm in 2 uur (bron: Klimaateffectatlas)
4.8
Ontwatering en drooglegging
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.
Figuur 7. Ontwatering en drooglegging
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 12 van 17
4.8.1 Ontwatering De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn:
Woningen met kruipruimte: Woningen zonder kruipruimte: (Vloerpeil van woningen 0,30 m + maaiveld) Tuinen en openbare groenvoorzieningen: Primaire wegen: Secundaire wegen en woonstraten:
0,7 m -mv 0,3 m -mv 0,5 m -mv 1,0 m 0,7 m
4.8.2 Drooglegging De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) wordt mede bepaald door de drooglegging van een gebied. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m. 4.8.3 Conclusie Het huidige maaiveld is gelegen op ca. 0,95 m +NAP aan de noordzijde tot ca. 0,60 m +NAP aan zuidwest zijde van de planlocatie. De GHG is ingeschat op 0,6 m -NAP (1,35 - 1,0 m -mv). De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. De drooglegging bedraagt, uitgaande van zomerpeil van 0,6 m -NAP, 1,35 - 1,0 m. Geadviseerd wordt om de toekomstige bouwpeilen ca. 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. 4.9
Riolering
In de Raadhuisstraat is een gemengd rioolstelsel gelegen.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 13 van 17
5 5.1
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING Planvoornemen
De initiatiefnemer is voornemens 7 woningen te realiseren. In figuur 8 is een impressie van het planvoornemen weergegeven.
Figuur 8. Impressie toekomstige situatie (bron: Broosdebruijnarchitecten)
5.2
Verhard oppervlak
Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van informatie aangeleverd door de Broos de Bruijn Architecten. De daken worden ingericht als sedum/groen dak. Conform de uitgangspunten van het waterschap 5 worden groene daken beschouwd als onverhard oppervlak. In het kader van de watertoets wordt 75 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. In tabel 3 staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.
5 Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, paragraaf 2.1
Toename verhard oppervlak.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 14 van 17
Tabel 3.
Gegevens huidig en toekomstig verhard oppervlak Type verharding
Huidig (m²)
Toekomstig (m²)
Bebouwing (kap/pannen)
-
± 130
Bebouwing (plat dak/sedum/onverhard)
-
± 342*
Erfverharding
-
± 465**
Infrastructuur
-
± 90
± 340
± 685
Totaal * wordt als onverhard beschouwd i.v.m groen dak. ** 75% verhard van het netto perceeloppervlak
Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 345 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ca. 685 m2. 5.3
Waterbergingsopgave
De toename van het verhard oppervlak bedraagt minder dan 500 m 2. Conform het beleid van waterschap Brabantse Delta en de gemeente Geertruidenberg is ten aanzien van de ontwikkeling geen compenserende berging benodigd.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 15 van 17
6 6.1
PLANUITWERKING Randvoorwaarden en uitgangspunten
Doordat de toename van het toekomstig verhard oppervlak minder dan 500 m 2 bedraagt, geldt geen compensatieplicht vanuit waterschap Brabantse Delta. De gemeente Geertruidenberg sluit aan bij de regelgeving van het waterschap. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. Toekomstig verhard oppervlak 685 m2. Toename verhard oppervlak 345 m2. Geen compensatieplicht voor hemelwater. Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe
6.2
Hemelwater
In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden ingezameld en worden verwerkt. Daarbij vormt bij de planuitwerking het klimaatbestendig of water robuust inrichten van de buitenruimte (bergen, vasthouden en afvoeren van regenwater) het uitgangspunt. De daken worden ingericht als sedum/groendak. Groendaken slaan regenwater op in de planten en het substraat en laten het terugkeren in de atmosfeer door verdamping. De hoeveelheid water die in een groendak opgeslagen kan worden is afhankelijk van de dikte en type van het substraat, type drainage en de gebruikte vegetatie. Wanneer wordt uitgegaan van een extensief groendak (sedumdak) kan ca. 15 l/m 2 water worden geborgen. 6.3
Keur
Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. 6.4
Riolering
Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 7 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van ca. 2,1 m³/dag.
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 16 van 17
De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
7
CONCLUSIE
In onderhavige rapportage, de watertoets, zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan gegeven. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect in het ruimtelijke plan. De aanzet tot de waterparagraaf in deze rapportage kan aan het bestemmingsplan worden toegevoegd. Hiermee is invulling gegeven aan de verplichte watertoets en is gegarandeerd dat specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudkundig(inrichtings)plan worden opgesteld. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
Econsultancy Boxmeer, 22 november 2022
Rapport 18546.002 versie D2
Pagina 17 van 17
Bijlage 1
Topografische ligging
Schaal 1:25.000 Deze kaart is noordgericht
Bijlage 2
Toekomstige situatie
Z
O
GITQ GGPV IG O
RR O
Z
RR
GP
RR O
RR
RR O
O
Z
Z
RR
O
O
Z
O
Z
RR
Z
RR
O
O
KU FJW
RR
4 CC
O
RR
Z
RR
O
C UVTC
Z
RR
O
V
Z
RR
O
O
GITQ GGPV IG O
Z
RR
GP
TG PU GTHI
UKVWCVKG PKGWY UEJCCN
DTQQUFGDTWKLPCTEJKVGEVGP
DNQM TG PU GTHI
RR O
TG PU GTHI
Z
R
RR
6 .0 0
at stra nten ege
Z
Z
Z
Z
Z
RR O Z
V VTCC WKUU FJ 4 CC RR O
DNQM
0
RCTMGGTRNCCVUGP RCTMGGTRNCCVUGP TQPF JGV RGTEGGN RCTMGGTRNCCVUGP QR FG TQVQPFG
4CCFJWKUUVTCCV
RR
RR
RR
RR
RR
RR
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
FG\G GTHCHUEJGKFKPI QR DCUKU XCP CMQGUVKUEJG TCRRQTVCIG
OCZKOCNG JQQIVG GTHCHUEJGKFKPI XQQT FG XQQTIGXGNNKLP DGFTCCIV OGVGT
RR
Z O
RR
GTHITGPU
RCTMGGTRNCCVUGP RCTMGGTRNCCVUGP QR FG TQVQPFG
4CCFJWKUUVTCCV
OCZKOCNG JQQIVG GTHCHUEJGKFKPI CEJVGT FG XQQTIGXGNNKLP DGFTCCIV OGVGT
YGIRTQHKGN DGUVCCPFG UVQGR RCTMGGTRNCCVUGP XCP FG 4CCFJWKUUVTCCV FQQTVTGMMGP VQV FG JQGM
GTHITGPU
IGOGGPVGITQGP
FG\G GTHCHUEJGKFKPI QR DCUKU XCP CMQGUVKUEJG TCRRQTVCIG
IGOGGPVGITQGP
GTHCHUEJGKFKPIGP GTHCHUEJGKFKPIGP VG TGCNKUGTGP FOX DGRNCPVKPI QH VTCPURCTCPV JGMYGTM DGITQGKF OGV MNKO RNCPVGP
Z O
YGIRTQHKGN 4GIGPVGPUVTCCV4CCFJWKUUVTCCV XNIU IGOGGPVG )GGTVTWKFGPDGTI
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
GTHITGPU
0
DTQQUFGDTWKLPCTEJKVGEVGP
KPTKEJVKPI QRGPDCCT IGDKGF UEJCCN
4CCFJWKUUVTCCV
RR
RR
RR
RR
RR
RR
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
GTHITGPU
IGOGGPVGITQGP
4CCFJWKUUVTCCV
IGOGGPVGITQGP
RR
Z O
GTHITGPU
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
GTHITGPU
0
DTQQUFGDTWKLPCTEJKVGEVGP
RNCVVGITQPF DGICPG ITQPF UEJCCN
4CCFJWKUUVTCCV
RR
RR
RR
RR
RR
RR
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
FT
YO
FT
YO
GTHITGPU
YO
FT
XNR
XNR
FT
YO
XNR
4CCFJWKUUVTCCV
GTHITGPU
FT
YO
XNR
XNR
XNR
RR
IGOGGPVGITQGP
Z O
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
IGOGGPVGITQGP
FT
YO
FT
YO
GTHITGPU
0
DTQQUFGDTWKLPCTEJKVGEVGP
RNCVVGITQPF G XGTFKGRKPI UEJCCN
4CCFJWKUUVTCCV
RR
RR
RR
RR
RR
RR
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
Z O
GTHITGPU
IGOGGPVGITQGP
4CCFJWKUUVTCCV
IGOGGPVGITQGP
RR
Z O
GTHITGPU
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
RR
Z O
GTHITGPU
0
DTQQUFGDTWKLPCTEJKVGEVGP
RNCVVGITQPF FCM UEJCCN