CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Visie op grootschalige opwek in Etten-Leur, november 2021.pdf

Raad besluit 15 november 2021, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Raadsvoorstel visie op grootschalige opwek van duurzame energie in Etten-Leur12.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33

Bijlage 3 Vormen van financiële participatie Als onderdeel van de uitvoering van het Klimaatakkoord is door brancheorganisaties een participatiewaaier opgesteld. Ontwikkelaars, overheden en de lokale omgeving kunnen de instrumenten uit de waaier benutten om tot maatwerk-afspraken per project te komen. Er worden twee vormen van financiële participatie onderscheiden: - Actieve participatie: hierbij investeren inwoners en bedrijven zelf risicodragend in een project waarbij de verwachting is dat hier financiële opbrengsten uit zullen voortvloeien; - Passieve participatie: bij passieve participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject afgedragen aan de omgeving, zonder dat lokale inwoners hier een investering voor hoeven te doen. De ontwikkelaar/initiatiefnemer stelt participatie producten of mogelijkheden voor of doet een eenmalige of periodieke afdracht in een fonds. Actieve financiële participatie kan door: 1. Mede-eigenaarschap Individuele inwoners worden gedeeltelijk of volledig (juridische en economisch) mede-eigenaar van een wind- of zonproject. Dit kan o.a. op basis van een windvereniging of coöperatie, of door middel van het bouwen van een windpark, windmolen of zonneproject dat toekomt aan de lokale gemeenschap. Deze vorm vergt ook mee-investeren, voor-investeren in onderzoeken en financieel risico lopen.

Bij mede-eigenaarschap kunnen de opbrengsten zoveel mogelijk worden behouden voor de regio, is er zeggenschap over de besteding en kan ook de duurzame energie lokaal worden gebruikt. 2. Financiële deelneming Financiële deelneming is het (individueel) risicodragend deelnemen in een project, bijvoorbeeld met aandelen of obligaties. Deelnemers krijgen een rendement op hun lening (obligatie) in de vorm van rente of op de eventuele bedrijfswinst (aandeel) in de vorm van een winstuitkering. Er is meestal geen zeggenschap over de stroomlevering, garanties van oorsprong en andere bedrijfsaangelegenheden. Passieve participatie kan via: 3. Een omgevingsfonds (collectief) De initiatiefnemer levert een bijdrage aan een lokaal fonds of omgevingsfonds. Besluitvorming over de bestedingen van het omgevingsfonds gebeurt door een onafhankelijk bestuur met vertegenwoordigers uit de omgeving. Uit het fonds kunnen projecten of initiatieven worden gefinancierd met een maatschappelijk doel of voor verduurzamingsmaatregelen, zoals energiebesparing, duurzaamheid, recreatie of ecologische ontwikkeling. Hierdoor kunnen ook omwonenden die niet in staat zijn zelf te investeren, meeprofiteren. 4. Een omwonendenregeling (individueel) Een omwonendenregeling is een lokale regeling gericht op direct omwonenden in een bepaalde straal rond, meestal, windturbines.

Direct omwonenden ontvangen voordelen, bijvoorbeeld in de vorm van verduurzaming van hun woning, groene stroom met korting, gratis zonnepanelen of andere financiële vergoeding. 34

Het publiekrechtelijk afdwingen van afdrachten die de werkelijke plankosten te boven gaan is wettelijk niet toegestaan (dit is zogeheten betaal-planologie). Partijen mogen wel worden uitgenodigd zelf een bod te doen op een energiekavel, waarbij de ontwikkelaar zelf aangeeft op welke manier de omgeving wordt betrokken. Het “beste bod” kan dan het ontwikkelrecht krijgen. De ontwikkeling van zonnepark A58 is op deze manier tot stand gekomen. In het algemeen worden afspraken over passieve participatie vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomsten.

35

Bijlage 4 Rol van de overheid bij participatie Lokaal eigendom ontstaat als inwoners of lokale partijen (mede) eigen vermogen inbrengen voor de realisatie van een zonnepark en/of windmolen. Voor de financiering van een zonnepark en/of een windmolen is – naast een lening van een bank – een eigen vermogen nodig van 10-25% van de totale investering. De manier waarop het lokaal eigendom gerealiseerd wordt, is mede afhankelijk van de rol die overheden daarbij nemen. In de RES West-Brabant zijn drie keuzes nader uitgewerkt: Keuze 1: Faciliteren zonder project-risico. De markt en de samenleving organiseren bij deze keuze zelf de lokale participatie. Hierbij kan het gaan om een professionele projectontwikkelaar die een deel van de opbrengsten afdraagt aan de omgeving. Of om inwoners die – eventueel via een coöperatie – zelf eigenaar worden van een windof zonneproject. (Zie de toelichting op de vorige pagina). Per project kan daarbij een beroep worden gedaan op ondersteunende faciliteiten als het Energiefonds Brabant, de Participatie Coalitie en/of lokaal/regionaal actieve partijen zoals energiecoöperaties, zonne-coaches en MKB-vereniging. De rol van de overheid bij deze keuze is het faciliteren van de lokale participatie door het vastleggen van de RES-ambitie in beleidskaders, het aanpassen van bestemmingsplannen, vergunningverlening en het voeren van regie over de procesparticipatie.

Samen met de ontwikkelaars/initiatiefnemers wordt de menukaart lokale participatie (zie vorige pagina) met de omgeving doorlopen en komt men tot maatwerk per project. Het voordeel van de keuze is de directe en grote betrokkenheid van omwonenden, bedrijven of verenigingen bij het project. De grootste nadelen van deze aanpak zijn ten eerste de benodigde kennis, kunde, kapitaal (voor plankosten) en capaciteit bij iedere individuele gemeente voor het begeleiden van de lokale participatie. Bij een gebrek hieraan bestaat het risico op onvoldoende procesparticipatie met veel weerstand als gevolg en juridische valkuilen zoals betaalen eigendomsplanologie. Ten tweede is er een risico van een scheve verdeling van de opbrengsten van de financiële participatie. Wanneer een eigen investering van inwoners nodig is, kunnen mensen met geld meedoen en anderen niet. Dit kan leiden tot minder acceptatie voor het project. Keuze 2: Regie nemen met gedeelde organisatie en gedeeld risico met tussenorganisatie. Het realiseren van lokaal eigendom vraagt om 1) eigen vermogen en 2) een professionele en gelijkwaardige samenwerking tussen inwoners en soms met een professionele ontwikkelaar. Dit is veelal een grote uitdaging voor inwoners of lokale partijen. De overheid kan er daarom voor kiezen om de regie te nemen in de ontwikkelfase tot aan de vergunningverlening.

Inwoners, lokale belangengroepen, wijken- en dorpsraden worden via een zorgvuldig proces betrokken. Bij deze keuze worden de plankosten tijdens de ontwikkelfase door de overheid gedragen. Het lokale eigendom wordt voorgefinancierd door een tussenorganisatie, zoals het Energiefonds Brabant. De tussenorganisatie organiseert de samenwerking tussen partijen, de uitwerking van de financiële participatie met de omgeving en neemt een deel van het ontwikkelrisico. 36

De overheid en de tussenorganisatie maken samen met inwoners en lokale partijen afspraken over een goede verdeling van de collectieve opbrengsten van duurzame opwek, bijvoorbeeld voor maatschappelijke doelen of individuele duurzaamheidsmaatregelen (isolatie, etc.). Gelet op de specifieke kennis en ervaring (en werkbudget) die nodig is om de lokale participatie te organiseren, ligt het veelal voor de hand dat gemeenten met een opgave dit gezamenlijk organiseren. Het is niet nodig dat alle gemeenten hieraan deelnemen. Een belangrijk voordeel van een keuze voor ‘regie met gedeeld risico‘ is de mogelijkheid om de opbrengsten van duurzame opwek ten goede te laten komen aan een bredere groep inwoners - inclusief mensen met een kleine portemonnee – (sociale participatie) en/of aan maatschappelijke doelen, omdat geen eigen investering van individuele inwoners nodig is. Door de inzet van een tussenorganisatie blijven bovendien alle projectparticipatie mogelijkheden open gedurende de looptijd van een project (25 jaar). Hierdoor wordt het mogelijk de lokale participatie ook in tijd te optimaliseren zodat beter invulling gegeven kan worden aan het leidende principe ‘we hechten aan een energietransitie voor iedereen’.

Tot slot is het op deze manier ook mogelijk de kleinere zon- (en eventueel warmte) projecten financierbaar te krijgen en risico’s te spreiden, iets wat inwoners bij individuele projectparticipatie niet kunnen. Een nadeel is de benodigde menskracht en fors werkbudget om de initiatief- en ontwikkelfase en de proces- en projectparticipatie te kunnen organiseren, bijvoorbeeld voor de financiële borging/ zekerstelling door (gezamenlijke) overheden. Naar schatting gaat het om 2-3% van de te verwachten investering. Dit geld komt wel terug als de projecten ook daadwerkelijk tot uitvoering komen (zoals bij de A16 aanpak). Daarnaast kan de voorbereiding worden ervaren als een top-down aanpak, waarbij bestaande lokale initiatieven een mogelijk eigen verdienmodel zien verdwijnen. Dit geeft het risico van weerstand van lokale initiatieven. Keuze 3: Regie nemen, zelf organiseren, met projectrisico. De uitwerking van deze keuze is vergelijkbaar met keuze 2 waarbij de rol van de tussenorganisatie (het Energiefonds Brabant) door de gemeenten zelf wordt ingevuld. Het komt er dan op neer dat deelnemende gemeenten zelf een tussenorganisatie oprichten inclusief bijbehorende bemensing en financiering. Mede op basis van gehouden interviews is gebleken dat er in de RES-regio geen (bestuurlijk) draagvlak is voor deze keuze (“een brug te ver”). En is hier geen verdere uitwerking aan gegeven.

37

Bijlage 5 Landschappelijke onderlegger voor inpassing en vormgeving RES West-Brabant Dit document betreft de landschappelijke verdieping voor de RES West-Brabant. Het geeft een analyse van het landschap, de aanwezige waarden en de dynamiek in West-Brabant. Daarbij is geput uit bestaande (kaart)materialen van de provincie en gemeenten. Deze verdieping is een landschappelijke onderlegger en geeft inpassings- en vormgevingsprincipes voor de energietransitie betreffende zonne-energie en windenergie. De onderlegger heeft als doel te helpen bij het maken van goed afgewogen keuzes over potentiële locaties voor wind- en zonneenergie voor de periode tot 2030 en voor de periode tot 2050. Dat doel bereiken we niet door een eindoordeel te geven of een strak kader neer te leggen, maar door “leidende principes” en “bouwstenen” aan te reiken. Daarbij is ook goed onderbouwd uitsluiten van locaties onderdeel van de opgave. Opbouw rapport Er is gestart met een analyse van het landschap van West-Brabant. Deze vormt een onderlegger voor de inpassingsvraagstukken wind- en zonne-energie. Vanuit de analyse ontstaat inzicht in waarden en kwaliteiten, in kansrijke gebieden en gebieden die bij voorkeur worden uitgesloten. Vervolgens geven hoofdstuk 3 en 4 de landschappelijke aanbevelingen.

In hoofdstuk 3 zijn de aanbevelingen gegeven in de vorm van thematische landschappelijke bouwstenen voor inpassing en vormgeving van zonneparken en windmolens. In hoofdstuk 4 zijn de aanbevelingen gegeven als onderliggende leidende landschappelijke principes. Tot slot geeft hoofdstuk 5 een methodiek om op lokaal (gemeentelijk) niveau zelf tot landschappelijke afwegingen te komen.

38

Bijlage 6 Provinciale regels wind- en zonneparken Artikel 3.37 Windturbines in Landelijk gebied Lid 1 In Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als: a. De windturbines inpasbaar zijn in de omgeving; b. Er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines; c. De ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project; d. De ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie-initiatieven in de omgeving. Lid 2 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. De omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. Na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd; c. Voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 3.38 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant In aanvulling op Artikel 3.37 kan een bestemmingsplan in Natuur Netwerk Brabant bepalen dat nieuwvestiging van windturbines is toegestaan, als: a. Het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligt; b. Uit de alternatievenafweging blijkt dat negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel mogelijk worden beperkt; c. Er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan Artikel 3.22 Compensatie; d. Voor de overdraai van de wieken is Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

39

Artikel 3.39 Windturbines in Stedelijk gebied Binnen Stedelijk gebied is de bouw van een windturbine mogelijk met een bouwhoogte van ten minste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als: a. De windturbine inpasbaar zijn in de omgeving; b. Er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines; c. Is verzekerd dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt. Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. Uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; b. De nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; c. De ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. De ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. De ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie-initiatieven in de omgeving.

Lid 2 De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. De mate van meervoudig ruimtegebruik; b. De maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. De bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke Lid 3 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. De omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. Na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; c. Voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

40

Toelichting Artikel 3.37 Windturbines in Landelijk gebied Algemeen De provincie wil ruimte bieden voor het opwekken van duurzame energie. Omdat windturbines grote invloed hebben op de omgevingskwaliteit, bevat deze verordening daarvoor randvoorwaarden. Voor windturbines hanteert de provincie de volgende indeling: • • •

Kleine windturbines: mast tot 15 meter hoog; Middelgrote windturbines: mast van 25 tot 60 meter hoog, wiekdiameter van 10 tot 50 meter en een maximaal opwekkingsvermogen van 50 kW tot 1.000 kW; Grote windturbines: mast vanaf 60 meter, wiekdiameter vanaf 50 meter en een maximaal opwekkingsvermogen vanaf 1.000 kW.

De bouw van windturbines met een hoogte van minder dan 25 meter is een verantwoordelijkheid van gemeenten. In de verordening zijn alleen regels opgenomen voor (middel)grote windturbines. De gemeente onderzoekt binnen de gemeente op welke plekken de plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving. In het algemeen geldt dat hierbij zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige polderlandschap de voorkeur. Bijkomend voordeel is dat in een dergelijke omgeving vaak ook minder hindergevoelige functies aanwezig zijn. Een plan dat de nieuwvestiging van windturbines mogelijk maakt bevat de onderbouwing dat de ontwikkeling past bij de maat en schaal van het gebied. Clustering Om verrommeling tegen te gaan zijn er geen mogelijkheden voor de ontwikkeling van solitaire windturbines. Er moet minimaal sprake zijn van drie windturbines in een lijn- of clusteropstelling. De realisatie van de windturbines kan gefaseerd en door meerdere exploitanten geschieden.

Tijdelijk karakter Omdat de ontwikkeling van windturbines in beginsel een tijdelijk karakter heeft, is het belangrijk dat er door de ontwikkeling geen planologische rechten ontstaan die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. Daarom is aan de ontwikkeling van windturbines in landelijk gebied de voorwaarde verbonden dat deze uitsluitend gerealiseerd kunnen worden met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan waaraan een maximale gebruikstermijn van 25 jaar is verbonden. Hierbij moet zijn verzekerd dat de windturbines na afloop van deze periode worden verwijderd en dat de situatie van voor de realisatie van windturbines wordt hersteld. De ruimtelijke onderbouwing van het besluit biedt ook inzicht in de overige gestelde randvoorwaarden. Het is uiteraard ook mogelijk dat een visie waarin het gemeentelijk beleid is afgewogen als onderbouwing van het besluit dient. Het vereiste van een 41

omgevingsvergunning is overigens ook efficiënt vanuit het terugdringen van bestuurslasten omdat er geen bestemmingsplanprocedures doorlopen hoeven te worden bij aanvang en bij afloop van het gebruik. Wij verwachten van de gemeente dat zij een overzicht bijhouden van verstrekte tijdelijke omgevingsvergunningen dat ook openbaar is, zodat het voor eenieder duidelijk is wanneer de gunningstermijn is afgelopen. Uiteraard geldt vanuit het vereiste van tijdelijkheid ook dat de gemeente na afloop van de periode toeziet op de sanering van de windturbine. Binnen stedelijk gebied is het toepassen van de omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan niet als eis gesteld. Wel moet geborgd zijn dat de windturbines na afloop van de termijn worden gesaneerd. Het ruimtelijk besluit dat de ontwikkeling mogelijk maakt, biedt inzicht in hoe dat geborgd is. Maatschappelijke meerwaarde Om de betrokkenheid van de inwoners en draagvlak voor duurzame energie te vergroten, geldt dat de ontwikkeling maatschappelijke meerwaarde geeft. Een maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd door de maatregelen die zijn getroffen om de impact van de windturbines op de omgeving te beperken en de bijdrage aan andere maatschappelijke doelen.

Dit zijn niet alleen doelen vanuit duurzaamheid maar ook gericht op vergroten van draagvlak bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het enkele gegeven dat het project duurzame energie oplevert, is niet voldoende. Een goede invulling van deze voorwaarde garandeert ook betrokkenheid van de inwoners door meespraak bij het project. Afstemming Vanuit een zorgvuldig gebruik van de open ruimte, afstemming van duurzame energieprojecten in een gebied en de in sommige gebieden beperkte capaciteit van het netwerk, geldt als randvoorwaarde dat projecten zijn afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder. Bij de afweging spelen diverse aspecten een rol, zoals een efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energieinfrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Deze aanpak past ook bij de regionale energiestrategieën die vanuit het Rijk worden gevraagd. Artikel 3.38 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant Dit artikel bevat een regeling voor het tijdelijk toelaten van windturbines langs hoofdinfrastructuur binnen het NNB.

De opgave om te voorzien in voldoende duurzame energie beschouwen wij als een zwaarwegend maatschappelijk belang. Om aan energiedoelen te kunnen voldoen, blijkt dat er vaak mogelijkheden bestaan voor het tijdelijk oprichten van windturbines langs hoofdinfrastructuur. Langs deze hoofdinfrastructuur ligt echter ook vaak NNB. Als het vanuit het belang van een lijnopstelling of geclusterde opstelling nodig is dat de plaatsing plaatsvindt in het NNB, is dat nu alleen mogelijk na grenswijziging van het NNB. Hierbij wordt niet alleen de plaatsing van de voet maar ook de overdraai van de bladen buiten het NNB geplaatst, terwijl de natuurfunctie na plaatsing van de turbines blijft voortbestaan én de plaatsing van de turbines tijdelijk is.

42

Om de plaatsing van turbines te vereenvoudigen, is daarom een regeling opgenomen waarbij plaatsing in het NNB tijdelijk mogelijk is. De aantasting van waarden door de plaatsing van de voet en de aanleg van de weg en aansluiting moeten hierbij volledig gecompenseerd worden overeenkomstig Artikel 3.22 Compensatie. Voor de compensatie van de verstoring (overdraai van de wieken over het NNB door geluid etc.) gelden andere uitgangspunten. De omvang daarvan wordt per geval via maatwerk bepaald. De bepalingen over de verstoring vanwege externe werking van ontwikkelingen buiten het NNB uit Artikel 3.16, is van overeenkomstige toepassing. De mogelijkheden bestaan nadrukkelijk alleen voor hoofdinfrastructuur. Dit betreft onder andere rijkswegen, provinciale wegen en hoofdvaarwegen ten behoeve van doorgaand (vaar)verkeer. Artikel 3.39 Windturbines in Stedelijk gebied Voor windturbines in Stedelijk gebied gelden minder voorwaarden voor de ontwikkeling omdat de ontwikkeling niet gepaard gaat met nieuw ruimtebeslag. Artikel 3.40 Afwijkende regels windturbines in Verstedelijking afweegbaar De regels voor plaatsing van windturbines in stedelijk gebied zijn van overeenkomstige toepassing op Verstedelijking afweegbaar als de plaatsing deel uitmaakt van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. Hiervoor bestaan mogelijkheden op daken. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor grondgebonden zonneparken in stedelijk gebied, in zoekgebieden verstedelijking en op bestaande bebouwde locaties in het landelijk gebied zoals rioolzuiveringsinstallaties, stortplaatsen maar ook op vrijkomende agrarische locaties tot een omvang van 5.000 m2. Vanuit het beleid bestaat er een voorkeur voor plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie. De verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien. Daarom is er ook een mogelijkheid om onder voorwaarden zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen in landelijk gebied.

43

Afwegingskader Belangrijke voorwaarde is dat de noodzaak van de ontwikkeling volgt uit een onderzoek waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie binnen Stedelijk gebied en op daken onvoldoende is. Hierbij ligt uiteraard ook een relatie met de mogelijkheden van duurzame energie door wind. Vervolgens is onderzocht waar de ontwikkeling van een zonnepark dan het beste kan plaatsvinden. Het onderzoek biedt dus een gedegen ruimtelijke onderbouwing van de behoefte aan duurzame energie en een afweging van locaties en gaat in op aspecten als: - Wat is de energiebehoefte op langere termijn? - Hoe kan daarin worden voorzien (wind, zon, geothermie)? - Waar kan dat het beste gerealiseerd worden? - Welke randvoorwaarden zijn er vanuit omgevingskwaliteit/ zorgvuldig ruimtegebruik? Bij de afweging van locaties vragen wij specifiek aandacht voor transformatie en meervoudig gebruik van locaties zoals op vliegvelden, langs snelwegen, stortplaatsen, zuiveringsinstallaties, grond- en slibdepots, gunstig gelegen vrijkomende locaties in het buitengebied etc. Een vervolgstap is dat de uitkomsten van dit onderzoek ook regionaal worden afgestemd en worden afgestemd met de netwerkbeheerder.

Afstemming Vanuit een zorgvuldig gebruik van de open ruimte, afstemming van duurzame energieprojecten in een gebied en de in sommige gebieden beperkte capaciteit van het netwerk, geldt als randvoorwaarde dat projecten zijn afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder. Bij de afweging spelen diverse aspecten een rol, zoals een efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energieinfrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Deze aanpak past ook bij de regionale energiestrategieën die vanuit het Rijk worden gevraagd. Maatschappelijke meerwaarde Vanuit het nu voorgestelde kader worden er op voorhand geen beperkingen gesteld aan de locatie waar zonneparken ontwikkeld kunnen worden of aan de omvang daarvan. Dat betekent dat er ook mogelijkheden voor nieuwvestiging zijn of een ruimere omvang dan 5000 m² op een vrijkomende locatie. Daarom is in de voorwaarden een bepaling opgenomen rondom maatschappelijke meerwaarde. Naarmate de inbreuk op de basisregels groter is, verwachten wij een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen.

Bijvoorbeeld als er in afwijking van de reguliere omvang van 5000 m² voor niet-agrarische functies een zonnepark gerealiseerd wordt van 10 hectare dat dit bijdraagt aan sloop van vrijkomende opstallen elders. Maatschappelijke meerwaarde is ook gericht op de betrokkenheid van inwoners bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het enkele gegeven dat het project duurzame energie oplevert is niet voldoende. Een goede invulling van deze voorwaarde garandeert ook betrokkenheid van de inwoners door meespraak bij het project.

44

Tijdelijkheid In beginsel gaan wij ervan uit dat de realisatie van zonneparken voorziet in een tijdelijke behoefte. De technologische ontwikkeling voor het opwekken van zonne-energie gaat steeds verder waardoor er steeds meer mogelijkheden ontstaan voor meervoudig ruimtegebruik zoals op daken (op het noorden), op muren, geïntegreerd in ruiten, op wegen enzovoorts. Het is daarom goed al bij het toelaten na te denken over hoe de sanering wordt veiliggesteld.

Vanwege dit tijdelijke karakter van zelfstandige opstellingen voor zonne-energie is de ontwikkeling daarom uitsluitend mogelijk met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan. Aan een dergelijke vergunning kan een termijn worden verbonden en de voorwaarde dat na afloop van de termijn de situatie van voor de vergunningverlening wordt hersteld. Het vereiste van een omgevingsvergunning is efficiënt vanuit het terugdringen van bestuurslasten omdat er geen bestemmingsplanprocedures doorlopen hoeven te worden bij aanvang en bij afloop van het gebruik. Bovendien ontstaan er met een dergelijke procedure geen planologische rechten die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. De vestiging van zelfstandige opstellingen groter dan 5000 m² of de nieuwvestiging van zelfstandige opstellingen buiten zoekgebieden voor verstedelijking is dus niet mogelijk met een herziening van een bestemmingsplan. Wij verwachten van de gemeente dat zij een overzicht bijhouden van verstrekte tijdelijke omgevingsvergunningen dat ook openbaar is, zodat het voor eenieder duidelijk is wanneer de gunningstermijn is afgelopen. Uiteraard geldt vanuit het vereiste van tijdelijkheid ook dat de gemeente na afloop van de periode toeziet op de sanering van het zonne-park.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=329dedf1-3a4f-4776-be4b-2d8d20a40b2f