CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte 1.01 gemeente Etten-Leur (nav reactie raad luistert 6-9-2021).pdf

Raad besluit 20 september 2021, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Voorstel over Transitievisie Warmte versie 1.025.497 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

56

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Bijlage 3: Isoleren en andere maatregelen in de woning Deze bijlage gaat in op de overstap naar aardgasvrij voor individuele oplossingen: duurzaam gas en all-electric. De volgende onderwerpen komen aan de orde: 1. Isolatie: minimumniveau en Landelijke Streefwaarden

2. Alternatieven voor aardgas: wat betekent dit binnen en buiten de woning 3. Elektrisch koken 4. Kosten van de overstap

We onderscheiden twee niveaus van isolatie: het minimumniveau en de Landelijke streefwaarden.

Minimumisolatieniveau Om de transitie naar aardgasvrij mogelijk te maken, is het wenselijk dat alle woningen zo snel mogelijk het minimumniveau aan isolatie hebben bereikt. Op dit niveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C in plaats van de 80°C tot 90°C die nodig is voor het verwarmen van slecht geïsoleerde woningen. De woningen zijn dan dus aardgasvrij-ready voor hoogtemperatuur oplossingen. Tabel 5 geeft ter indicatie per bouwjaar de isolatiemaatregelen die genomen moeten worden voor het minimumniveau. Bij alle maatregelen geldt dat maximaal mogelijk geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. De daadwerkelijke isolatiewaarde die behaald kan worden is dus sterk situatieafhankelijk, omdat alle woningen anders zijn. Iedere huizenbezitter kan testen of hij op dit niveau zit door de bestaande gasketel op een maximumtemperatuur van 70°C in te (laten) stellen zonder (veel) in te hoeven leveren op gebied van comfort en warmte. In een aantal gevallen zullen er radiatoren vervangen of bijgeplaatst moeten worden. Alle woningen gebouwd na 1990 en een deel van de woningen die zijn gebouwd tussen 1975 en 1990 zitten al vanaf het bouwjaar op dit minimumniveau.

Alle woningen die voor 1975 zijn gebouwd, kunnen door het nemen van deze maatregelen naar een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming lager dan 80 kWh/m2. Minimumisolatieniveau Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 – 1950

Vloer Kruipruimte isoleren indien aanwezig

≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 – 1990 Voldoet ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 – 1950 ≥ 1950 - 1975

Kruipruimte isoleren indien aanwezig

Gevel

Kozijnen en glas

Dak

Geen spouw Minimaal HR glas Spouw Isoleren*

Minimaal dubbel glas

Dak isoleren

Voldoet

Voldoet

Voldoet

Geen spouw Minimaal HR glas Dak isoleren Spouw isoleren*

Minimaal dubbel glas

57

Transitievisie Warmte Etten-Leur

≥ 1975 – 1990 Voldoet

Voldoet

Voldoet

Voldoet

≥ 1990 – 2005 ≥ 2005 Tabel 5 Indicatie minimumniveau maatregelen per bouwjaar en woningtype

*: Voor alle maatregelen, in het bijzonder spouwmuurisolatie, geldt dat vakkundig technisch advies nodig is.

Landelijke Streefwaarden Wanneer woningen de Landelijke Streefwaarden bereikt hebben, zijn ze zowel geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 70°C, als met beperkte aanpassingen ook lager tot zelfs 40°C. Om verwarming met deze lagere temperatuur mogelijk te maken, moeten wel in de meeste gevallen de radiatoren vervangen worden door grotere laagtemperatuurradiatoren of vloerverwarming. Het is wenselijk dat een groot deel van de woningen in Nederland aan het einde van de warmtetransitie op dit niveau zit. Hierdoor zijn ze namelijk geschikt voor bijna alle alternatieve duurzame verwarmingstechnieken. Door isolatie naar de landelijke streefwaarden wordt de warmtevraag nog verder verlaagd en kunnen installaties (warmtepompen en warmtenetten) tevens efficiënter functioneren. Tabel 6 geeft ter indicatie de maatregelen die horen bij de landelijke streefwaarden. Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat het advies is om maximaal te isoleren tot het niveau dat technisch mogelijk is, zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. Basis isolatieniveau Vloer

Gevel

Kozijnen en glas

Dak

Alle woningtypes < 1920 ≥ 1920 – 1950

Kruipruimte isoleren Isolatie binnenzijde Minimaal HR glas Dak (na)isoleren als aanwezig

Spouw (na)isoleren* Minimaal HR glas ≥ 1950 – 1975 ≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 - 2005

Voldoet

Voldoet

Minimaal HR glas

Voldoet

≥ 2005 Tabel 6 Indicatie maatregelen Landelijke streefwaarden per bouwjaar

*: Voor alle maatregelen, in het bijzonder spouwmuurisolatie, geldt dat vakkundig technisch advies nodig is.

Overwegingen bij isolatie Voor alle isolatiemaatregelen geldt dat technisch advies noodzakelijk is. Voorbeeld is het voorkomen van problemen met vocht bij spouwmuurisolatie. Een ander voorbeeld is dat in sommige gevallen een betere isolatie alleen kan in combinatie met ventilatie. Er zijn isolatiemaatregelen die mogelijk een negatieve invloed hebben op flora en fauna in de directe leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is ruimte voor vleermuizen. Daar waar nodig wordt rekening gehouden met natuurbescherming.

58

Transitievisie Warmte Etten-Leur

•

De nationale overheid adviseert om te isoleren tot de ‘standaard’15. Dit betekent isoleren tot er verwarmd kan worden met lagere temperatuurbronnen voor woningen na 1945 (<50 ˚C), en isoleren tot het minimum zodat er verwarmd kan worden met middagtemperatuur bronnen (<70 ˚C), voor de vooroorlogse woningen. Daarbij is een niveau gekozen dat als toekomstvast kan worden beschouwd, in die zin dat de woning later, bij aansluiting op duurzame bronnen met een lagere temperatuurwarmte, niet nogmaals voor 2050 geïsoleerd hoeft te worden en ingrijpende aanpassing van de warmteafgiftesystemen zoveel als mogelijk wordt voorkomen.

•

Behalve een stapsgewijze route kan de Standaard ook in één keer worden gerealiseerd. Met name eigenaren die bij de aankoop van de woning verduurzaming willen meefinancieren en willen voorkomen dat verbouwd moet worden in een bewoonde situatie, is het in één keer isoleren naar de Standaard aantrekkelijk. In één keer isoleren naar de Standaard zal in bepaalde situaties ook goedkoper zijn en zorgen voor een betere isolatiekwaliteit omdat werkzaamheden in samenhang met elkaar kunnen worden uitgevoerd.

In hoofdstuk 3 zijn verschillende aardgasvrije warmteoplossingen benoemd als alternatief voor aardgas, namelijk: elektrisch verwarmen (all-electric), verwarmen met een duurzame warmtebron (warmtenet of bronnet) of verwarmen met duurzaam gas. De individuele oplossingen per gebouw lichten we in deze bijlage toe: (1) Gasnet: aardgas en duurzaam gas (waterstof en/of groen gas) en (2) All-electric (warmtepompen). De collectieve oplossingen (bronnet en warmtenet komen in bijlage 3 aan de orde.

Gasnet landelijk en in de wijk, productie van duurzaam gas In de meeste wijken wordt nog gebruik gemaakt van het gasnet, met uitzondering van de wijken waar al een warmtenet ligt of waar de woningen all-electric zijn. Voorlopig zijn we afhankelijk van aardgas om onze gebouwen te verwarmen. Het gasnet blijft dus voorlopig en mogelijk wordt het in de toekomst gebruikt voor duurzaam gas. Op basis van de huidige inzichten is de beschikbaarheid van duurzaam gas voor de gebouwde omgeving beperkt, zeker voor de grote hoeveelheid aardgas die nu in Nederland en de rest van de wereld gebruikt wordt. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. Waterstof is geen energiebron maar een energiedrager en wordt gemaakt van aardgas of van elektriciteit. Landelijk wordt onderzocht wat de technische mogelijkheden, kosten en beschikbaarheid van duurzaam waterstof zijn. Als er een rol is voor waterstof, dan zal dat meest waarschijnlijk beperkt zijn tot de winterpiekvraag. De rest van de warmtevraag wordt dan bijvoorbeeld met een warmtepomp ingevuld. In wijken waar voor een alternatief gekozen wordt (all-electric of warmtenet/ bronnet) zal het gasnet op termijn verdwijnen. Het is van belang om dan duidelijkheid te geven aan eigenaren wanneer dat gebeurt. Hierdoor krijgen eigenaren de tijd om de noodzakelijke maatregelen te nemen.

Gas voor in de woning: individuele Cv-ketel en hybride warmtepomp Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er eventueel naast de individuele Cv-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het minimumisolatieniveau bereikt heeft, zodat de warmtepomp optimaal kan functioneren en de woning comfortabel blijft.

All-electric ‘All-electric’ betekent dat een woning alleen op het elektriciteitsnet is aangesloten, dus niet op het gasnet of een warmtenet. Er wordt dus alleen elektriciteit voor verwarming gebruikt. Met de huidige techniek kan dit

15 Kamerbrief: standaard voor woningisolatie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/03/18/kamerbrief-standaard-voor-woningisolatie

59

Transitievisie Warmte Etten-Leur

alleen als de woning minimaal op niveau van de landelijke streefwaarden is. Dit betekent dat bij gebruik van een warmtepomp oude radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren of vloerverwarming.

Elektriciteitsnet landelijk en in de wijk, productie van duurzame elektriciteit Als in veel gebouwen warmtepompen worden gebruikt zal de vraag naar elektriciteit stijgen, met name op koude dagen. Deze elektriciteit moet dan wel duurzaam worden opgewekt. Zon en wind zijn daarvoor de meest logische energiebronnen voor Nederland op dit moment. Daarnaast is de verwachting dat het bestaande elektriciteitsnet nog niet overal voldoende capaciteit heeft voor de groeiende elektriciteitsvraag voor verwarming, maar ook voor elektrische mobiliteit (laadpalen). Het elektriciteitsnet moet dus verzwaard worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal en nationaal niveau. Het is daarom goed om waar mogelijk rekening te houden met de mogelijkheid om energie (elektriciteit of warmte) op te slaan. All-electric leent zich voorlopig minder voor een wijkgerichte aanpak, vanwege de betaalbaarheid en vanwege beperkingen op het elektriciteitsnet. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om gericht te stimuleren bij inwoners die all-electric overwegen. Dit zal naar verwachting verspreid zijn over meerdere buurten en wijken in de gemeente. All-electric is met name kansrijk voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij nieuwbouwprojecten.

In de woning: in principe een warmtepomp Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht/water-warmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron (water/water-warmtepompen). Een lucht/water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water/water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie (WKO of bodemlus) of warmte uit zon (zonthermie). Met de nieuwe generatie zon-thermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook warmte kan winnen uit de buitenlucht. Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaatst worden op het dak van de woning. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmtepompen.

60

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Nieuwe generatie warmtepompen Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt, die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen. De nieuwe generatie warmtepompen zijn ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus een bewezen technologie. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan collectieve installaties in gebouwen of aan warmtenetten in wijken. Voor woningen zullen ook lucht/water-warmtepompen op de markt komen die wel 70°C kunnen produceren. Het voordeel is dat je dan dus niet meer de bestaande radiatoren hoeft te vervangen. De verwachting is dat er ook water/water-warmtepompen voor woningen op de markt komen met dezelfde eigenschappen. Om op grotere schaal individuele warmtepompen in wijken toe te passen is het wel van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt wel de nodige innovatie en extra ruimte in de woning.

Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de warmte van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat een warmtepomp meer energie in de vorm van warmte aan de woning levert dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte leveren (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte 1:1, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden. Ander nadeel van infraroodpanelen is dat ze in de toekomst niet gecombineerd kunnen worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden.

Een inductiekookplaat werkt op stroom en is zuinig: een goed alternatief voor een gasfornuis. Koken op inductie lijkt veel op koken op gas: de temperatuur valt snel regelen. Maar het is ook veiliger dan gas: de kookplaat zelf wordt niet zo heet en er is geen vlam waar je je aan kunt branden. Nieuwe pannen zijn veelal geschikt om ook mee te koken op inductie. Oude pannen moeten misschien vervangen worden. Verder moet de aansluiting op het stroomnet misschien verzwaard worden. Oudere huizen hebben meestal nog een aansluiting van 1x25A, die moet omgezet worden naar 3x25A. Het verzwaren van de elektriciteitsaansluiting is meestal ook nodig voor een (hybride) warmtepomp, zonnepanelen en elektrisch rijden. Het is dus een goed idee wanneer een nieuwe keuken of kookplaat nodig is, de ingrepen te doen om klaar te zijn voor de overstap naar aardgasvrij. Samen met een nieuwe kookplaat is het eenmalige totaalbedrag tussen de €1.000 en €2.200 euro.

Isolatie Onderstaande kosten voor isolatie zijn te verwachten voor een standaard rijwoning van 130 m2 tussen 1950 – 1990 om tot minimumniveau of Landelijke Streefwaarden te komen. Woningen die tussen 1975 en 1990 zijn gebouwd

61

Transitievisie Warmte Etten-Leur

voldoen in de meeste gevallen aan het minimumniveau: er is enige isolatie van de begane grondvloer en spouwmuurisolatie. Als de spouwmuur is geïsoleerd, dan is het niet mogelijk om verder te isoleren. De tabel van verwachte kosten is onder de aanname van een ‘natuurlijk moment’, oftewel een verbouwing. Kosten om de woning netjes te maken na een verbouwing zijn niet of beperkt meegenomen. Bouwdeel

Minimumniveau Van

Landelijke Streefwaarden

Tot

Van

Tot

Bouwkundig € 3.500

Begane grondvloer isoleren

€ 3.500

Isolatieglas aanbrengen € 2.700

Spouwisolatie

€ 2.700

€ 3.500

€ 3.500

€ 5.875

€ 5.875

€ 2.700

€ 2.700

€ 3.500

Isoleren zoldervloer Isoleren schuin dak

€ 10.400

€ 10.400

€ 3.800

€ 3.800

Installatietechnisch Mechanische ventilatie Radiatoren vervangen (jaren 50-60)

€ 2.000

E-koken + aanpassen meterkast

€ 1.000

€ 2.200

€ 1.000

€ 2.200

TOTAAL

€ 9.200

€ 22.600

€ 16.575

€ 28.475

Tabel 7 Indicatie kostenkentallen bouwkundige aanpassingen

Alternatief voor aardgas Onderstaande tabel geeft een indicatie van de kosten voor het alternatief voor aardgas. De aansluitbijdrage voor een warmtenet is zonder subsidies. De investeringskosten voor een warmtepomp zijn na aftrek van ISDE (op dit moment 1.500 – 3.000 euro). Warmtenet/ bronnet

Tot

Warmtepomp

€ 12.500

€ 17.500

LT-radiatoren

€ 4.000

€ 4.000

€ 16.500

€ 21.500

Totaal

Tot

€ 12.500

€ 17.500

Hybride warmtepomp

Van

Aansluitbijdrage warmtenet

Van

All-electric

€ 12.500

€ 17.500

Tabel 8 Indicatie kostenkentallen duurzame warmteoplossingen

62

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Van

Tot

€ 6.000

€ 9.000

€ 6.000

€ 9.000

Bijlage 4: Warmtebronnen en warmtenetten In deze bijlage gaan we in op collectieve oplossingen: warmtenetten en warmtebronnen. Ook beantwoorden we de vraag wat zijn de mogelijke rol voor warmtenetten kan zijn in Etten-Leur.

Warmtenet op midden of hoge temperatuur Een warmtenet is een collectieve warmtevoorziening waarbij een infrastructuur van ondergrondse leidingen warm water vervoert naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Om in een wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van woningen en gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt, omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. In samenwerking met woningcorporaties en verenigingen van eigenaren is het daarnaast ook makkelijker om de benodigde schaal te bereiken dan met particulieren alleen. De bestaande warmtenetten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hoogtemperatuur). Woningen in nieuwere wijken zijn beter geïsoleerd. De aanvoertemperatuur is daar dus lager, ongeveer 70°C (middentemperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aanvoertemperatuur verder te verlagen naar 40°C. In dat laatste geval moet dan wel een aanvullende installatie geplaatst worden voor warm tapwater (55°C). In de praktijk zien we dat daarom bij nieuwbouwwoningen vaak wordt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet.

Bronnet (laagtemperatuur warmtenet) Een bronnet is een warmtenet op lage temperatuur. Een bronnet brengt water (ongeveer 15C) direct van de bron naar woningen en gebouwen. De bron kan een WKO zijn, een rioolwaterzuiveringsinstallatie of oppervlaktewater zijn. Omdat de bron op lage temperatuur is, is in het gebouw een warmtepomp nodig voor verwarming en warm water. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden verhoogd. Veel woningen of utiliteitsgebouwen kunnen gebruik maken van een warmtepomp op buitenlucht. In dat geval zal een bronnet geen logische optie zijn. Bij de meeste bronnetten kan ook gekoeld worden met dezelfde infrastructuur. Bronnetten zijn daarom met name interessant voor utiliteitsgebouwen, zoals kantoren en winkels, omdat deze vaak een hoge koudevraag hebben. Bronnetten liggen daarom vooral voor de hand in gebieden met hoogbouw en/of een hoge dichtheid en/of een hoge koudevraag én waar de gebouwen goed geïsoleerd zijn.

De basis van een warmtenet is dat ze de warmte van een centrale warmtebron transporteren naar eindgebruikers. In deze paragraaf gaan we nader in op de mogelijke warmtebronnen: restwarmte, biomassa, aardwarmte/ geothermie, thermische energie uit oppervlaktewater en zonthermie.16 Restwarmte Restwarmte komt vrij bij een productieproces, vaak industrie. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. In Etten-Leur is er mogelijk restwarmte bij twee bedrijven op Vosdonk. Dit is condensatiewarmte van aardgasgestookte industrieprocessen. Deze warmte past niet in een volledig duurzaam energiesysteem in 2050.

De RES noemt ook aerothermie. Dit is buitenlucht warmte die direct in warmtepompen kan worden gebruikt. Dit is dus een warmtebron voor individuele gebouwen, niet voor warmtenetten. 16

63

Transitievisie Warmte Etten-Leur

In Moerdijk is veel industriële restwarmte beschikbaar. In regionaal verband zal met een bronnenstrategie bekeken worden wat de beste inzet is van deze restwarmte. De kans is klein dat deze warmte voor Etten-Leur beschikbaar is. Biomassa Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De energie kan geproduceerd worden voor alle energiedragers en dus in alle sectoren. Deze energie kan ook voor industrie en transport worden ingezet. Biomassa is echter schaars en is daarom niet op grote schaal in beeld voor Etten-Leur als warmtebron. De optimale inzet van biomassa is onderdeel van de Regionale Energie Strategie. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen (kachels) is niet efficiënt en moet daarom voorkomen worden. Ook vanwege de luchtkwaliteit heeft het inzetten op grote schaal niet de voorkeur. Ook het inzetten van biomassa bij de ontwikkeling van een lokaal warmtenet moet om dezelfde redenen niet gestimuleerd worden. Bodemenergie Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan aardwarmte (vaak ook geothermie genoemd) onttrokken worden. Een vuistregel is dat elke kilometer de temperatuur met ongeveer 30° C toeneemt. Dus hoe dieper je gaat, hoe hoger de temperatuur.

Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. Tot 250 meter diep kan gewerkt worden met WKO of bodemlussen. Dit zijn bewezen technieken die ook in EttenLeur worden toegepast, bijvoorbeeld bij nieuwbouw of bij utiliteit. Bodemlussen zijn geschikt voor een individuele woning, voor kleine kantoren of voor een klein aantal appartementen. WKO is voor appartementencomplexen, grotere kantoren of bronnetten en kan in combinatie met andere duurzame warmtebronnen worden gebruikt. Volgens de RES is ondiepe aardwarmte tot 500 meter diepte een mogelijke warmtebron. De mogelijkheden van diepe aardwarmte (1000 – 4000 meter) zijn zeer onzeker (eigenlijk onbekend). Hier wordt in nationaal verband nader onderzoek naar gedaan. Voor ultradiepe aardwarmte zijn de kansen nog onbekender. Warmtebron Bodemlussen of WKO Ondiepe aardwarmte Diepe aardwarmte Ultradiepe aardwarmte

Diepte Tot 250 meter 250-1000 meter 1-4 kilometer 4-6 kilometer

Temperatuur 10 - 15 °C 20 - 40 °C 40 - 100 °C 100 - 180 °C

Thermische energie uit oppervlaktewater en afvalwater Met alle thermische energie uit oppervlaktewater en afvalwater (TEO en TEA) kan in potentie een groot deel van de gebouwde omgeving verwarmd worden. Oppervlaktewater (bijvoorbeeld uit een kanaal) wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO-bronnen. In de winter kan deze warmte (ongeveer 15°C) gebruikt worden voor een laagtemperatuur warmtenet. Oppervlaktewater is in Etten-Leur beperkt beschikbaar. Zonthermie Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de transitie naar aardgasvrij. Alleen voor de opwek van warm tapwater (zonneboilers in een woning) is deze techniek toegepast. In de toekomst kan met zon thermische panelen in combinatie met een warmtepomp een woning individueel verwarmd worden (een vorm van all-electric) Ook is zonthermie in het veld mogelijk. Hiermee kunnen meerdere gebouwen of zelfs een wijk verwarmd worden, als er ruimte in de nabijheid is voor zon thermische panelen. Dit is nog wel een kostbare techniek. Als zonthermie in het veld de enige warmtebron is, dan is warmteopslag nodig (meestal warmte koude opslag, zie geothermie). Alleen dan kan het hele jaar door warmte geleverd worden.

64

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Stadsbreed warmtenet Een stadsbreed warmtenet kan interessant zijn voor rijwoningen, appartementen en in mindere mate grote utiliteitsgebouwen (vanwege de koudevraag, zie bijlage 5). Rijwoningen is de meest voorkomende woningtype in Etten-Leur. Voor het aardgasvrij maken van een rijwoning van voor 1990 is de aansluitbijdrage voor een warmtenet meestal wat lager dan de investering in allelectric (zie bijlage 3). Daar staat tegenover dat de eindgebruiker bij een warmtenet hogere gebruikskosten heeft dan bij all-electric. Voor woningen met een grote isolatie opgave kan daarom een warmtenet voordeliger zijn als daardoor dure investeringen in isolatie vermeden worden. Als duurzaam gas en hybride warmtepompen echter beschikbaar zijn, dan is de verwachting dat dit in vrijwel alle gevallen een goedkopere optie is. Dit betekent dat een warmtenet in Etten-Leur voor wijken van voor 1975 nog niet uitgesloten moet worden. Dit zijn de groene wijken in de warmtetransitiekaart. Het betreft hier ongeveer 6.000 rijwoningen. Daarnaast zijn er ongeveer 2.000 appartementen in deze wijken. Om deze gebouwen volledig te verduurzamen is 15 à 20 MW duurzame warmtebron nodig die gedurende het gehele jaar kan leveren. Een dergelijke grote bron kan eigenlijk alleen restwarmte uit Moerdijk of eventueel Roosendaal zijn gezien de grote onzekerheid van geothermie.

Aanvullend is ook warmte voor de winterpiek nodig. In de meeste gevallen is daarvoor duurzaam gas in beeld. In Etten-Leur zijn weinig clusters van (hoogbouw) appartementen. Dit beperkt de kansen om rendabel een warmtenet op te bouwen. Appartementen, zeker hoogbouw, zijn relatief makkelijk aan te sluiten. Een

Figuur 20 Warmtetransitiekaart Etten-Leur

typische ontwikkeling van een nieuw warmtenet is dat eerst in diverse wijken de hoogbouw wordt aangesloten. Het warmtenet is dan breed beschikbaar, zodat daarna stap voor stap grondgebonden woningen aangesloten kunnen worden. Deze strategie voor het opbouwen van een warmtenet is voor Etten-Leur niet mogelijk. Kleine collectieve oplossingen We hebben gekeken waar kleine collectieve oplossingen op basis van WKO denkbaar zijn, door gebieden te inventariseren waar appartementen en utiliteitsgebouwen redelijk dicht bij elkaar staan. Voor de Transitievisie Warmte is niet gekeken naar economische of technische haalbaarheid. De bedoeling van deze kaart is om de dialoog tussen gemeente en inwoners en inwoners onderling te bevorderen. WKO is de meest voor de hand liggende warmtebron. Aanname is dat 200 woning equivalent (WEQ) het minimum is voor een rendabel WKO-systeem. Het grootste cluster (Centrumplan) en Trivium zijn opgenomen als mogelijke startkans. Bij de verduurzaming van Vosdonk kunnen kleine collectieve oplossingen ook een mogelijke rol spelen. WKO kan ook een rol spelen bij het aardgasvrij realiseren van nieuwbouw (roze gebieden). De kansrijkheid van WKO kan beperkt worden door vergunningsregels voor maximale boring diepte. Provincie Noord-Brabant wil die vergaand beperken, zodat WKO op veel plaatsen niet meer mogelijk is.

Op dit moment zijn er twee open WKO-systemen in het Centrum, een WKO-systeem bij de Liesbosweg en een aantal systemen in De Keen en Schoenmakershoek. Daarnaast zijn er veel individuele bodemlussen in combinatie met een warmtepomp voor een woning.

65

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Figuur 21 Overzichtskaart kansrijke panden warmtenet en potentie-eilanden collectieve oplossingen

Vergelijking met de Startanalyse Deze visie wijkt voor een aantal wijken in Etten-Leur af van de uitkomst de Startanalyse van het PBL17. In de Startanalyse wordt uitgegaan van restwarmtebronnen op bedrijventerrein Vosdonk. Deze restwarmte komt van bedrijfsprocessen die op aardgas werken. Deze warmtebronnen zijn dus niet duurzaam. Ook hebben we gekeken naar restwarmte van industrieterrein Moerdijk. Deze warmte is op grote afstand van Etten-Leur. In de Regionale Energie Strategie van West-Brabant wordt voorlopig niet voorzien dat deze warmtebronnen via een regionaal warmtenet voor Etten-Leur beschikbaar komen. Voor bedrijventerreinen, kantoorgebieden, winkelcentra en gebieden met veel appartementen kan het interessant zijn om naar lokale duurzame warmtebronnen te kijken, met name warmte koude opslag.

17

De Startanalyse geeft informatie over vijf strategieën om gebouwen zonder aardgas te verwarmen en is een hulpmiddel voor gemeenten bij het

ontwikkelen van een Transitievisie Warmte. Meer te vinden op: www.themasites.pbl.nl/leidraad-warmte/2020/

66

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Bijlage 5: Koeling Hitte in en rond gebouwen is een belangrijk onderwerp. Goed geïsoleerde woningen hebben een lagere warmtevraag, maar raken ook moeilijker warmte kwijt in de zomer. Daarnaast veroorzaakt klimaatverandering steeds intensere hittegolven. Ook werken we steeds meer thuis. Deze effecten zorgen ervoor dat de komende decennia steeds meer behoefte is om warmteoverlast of “hittestress” in woningen te voorkomen. Voorkomen van warmteoverlast Niet iedereen ervaart dezelfde temperatuur als warmteoverlast. Dit kan per leeftijdsgroep en persoon sterk verschillen18. Ook is het afhankelijk van de specifieke functie van het gebouw of een ruimte. Om de gebouwde omgeving voor iedereen in de toekomst comfortabel en leefbaar te houden, is het belangrijk om hittestress te voorkomen of in ieder geval de mogelijkheden te bieden om deze te verminderen. Er zijn twee manieren om dit te doen: 1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen; 2. Actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken.

1: Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen ‘Voorkomen is beter dan genezen’. Dit geldt ook in veel gevallen voor warmteoverlast: het voorkomen van veel warmte is vaak beter dan het massaal actief gaan koelen van gebouwen. Voorkomen kan door beschaduwing, reflectie van zonnestralen, verdamping en ventilatie. Dit soort maatregelen worden ook wel ‘klimaatadaptieve maatregelen’ genoemd. Werking Principe Beschaduwing Voorkomen directe zoninstraling Reflectie Reflecteren van zoninstraling Verdamping

Verkoeling door waterverdamping

Ventilatie

Ventileren met koelere lucht

Voorbeelden Bomen, hoge gebouwen, zonwering, Lichte kleuren of groen op daken, gevels en in straten Meer groen en water rond gebouwen, groene daken Nachtventilatie, ventilatoren

Het eigenaarschap van deze maatregelen kan erg wisselen. Zonwering en vegetatiedaken (groene daken) zal op (grotendeels) initiatief en rekening zijn van de gebouweigenaar, terwijl openbaar groen of water in de wijk bij de gemeente ligt. Het voorkomen van warmteoverlast is een onderdeel van een ‘aanpak klimaatadaptatie’, waar veel partijen bij betrokken kunnen en moeten zijn. 2: Het actief koelen van gebouwen om warmte kwijt te raken Wanneer het een gegeven is dat gebouwen en woningen te veel opwarmen, kan het noodzakelijk zijn om door actieve koeling warmte te onttrekken. We noemen deze ‘vraag’ naar het onttrekken van warmte ook wel de ‘koudevraag’. Het energiegebruik dat hiervoor nodig is, verschilt sterk per maatregel en of het hele gebouw, of alleen een slaapkamer en/of werkkamer gekoeld wordt. Energiegebruik Werking Zeer hoog energiegebruik

Voorbeelden Mobiele airco met slang door geopend raam

18 https://www.koelebuurt.nl/publicaties/gedrag-van-bewoners-heeft-grote-invloed-op-de-binnentemperatuur-dit-blijkt-uit-eerste-verkennende-

metingen-in-bestaande-woningen

67

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Hoog energiegebruik

Laag energiegebruik

(Omgevings)energie gebruiken voor een koelproces Koude verplaatsen

Lucht-lucht warmtepomp (airco) of luchtwater warmtepomp Ventilator, bodemkoeling, opslag van koude

Vanzelfsprekend ligt de voorkeur voor de opties met een laag energiegebruik, alleen zijn deze niet altijd toepasbaar of voldoende om tot de benodigde koelbehoefte te komen. Kosten, ruimtegebruik en inpasbaarheid in de bestaande gebouwde omgeving zijn ook belangrijke factoren voor de haalbaarheid. Warmtevraag is doorslaggevende factor voor de Transitievisie Warmte De keuze voor een duurzame warmte-infrastructuur (gasnet, warmtenet, all-electric) wordt voor de bestaande bouw bepaald aan de hand van de warmtevraag, niet de koudevraag. Met een Cv-ketel (gasnet) of een warmtenet kan geen koude geleverd worden. Bij all-electric kan een warmtepomp vaak wel koude leveren, maar all-electric vereist goede isolatie (landelijke streefwaarden, zie bijlage 3). De mogelijkheden voor isolatie en duurzame alternatieven voor de warmtevraag zijn dus leidend. Invulling koudevraag voor de bestaande bouw De Transitievisie Warmte geeft per wijk een voorkeursoptie voor bestaande gebouwen. Bij toenemende isolatie wordt het interessant om ook naar koude te kijken. Per voorkeursoptie geven we een aantal zaken waar op gelet moet worden in relatie tot koudevraag. All-electric: Bij all-electric worden woningen verwarmd met een lage temperatuur. Woningen moeten daarvoor wel voldoende zijn geïsoleerd. Hierdoor kan de koudevraag dus hoger zijn.

Met klimaatadaptieve maatregelen kan de koudevraag verder verlaagd worden. Een individuele all-electric oplossing met bodem gekoppelde warmtepomp biedt ook de mogelijkheid om te koelen. Warmtenet: Een warmtenet kan alleen warmte leveren. Actieve koeling is mogelijk met individuele koude oplossingen (airco’s). Aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen is dus wenselijk. Omdat bij de aanleg van een warmtenet de straat opengaat, is dit een logisch moment om klimaatadaptieve maatregelen te nemen, waarmee de koudevraag kan worden beperkt en de leefomgeving kan worden verbeterd. Gasnet: Woningen waar een duurzaam gasnet wordt voorzien, zijn voornamelijk oudere woningen. In deze woningen blijft de warmte minder hangen in de zomer. Individuele koude-oplossingen en klimaatadaptieve maatregelen zijn logische stappen voor deze wijken. Bronnet: Bij een bronnet zit automatisch koeling ook in de warmte-infrastructuur. Deze optie komt daarom met name voor bij grotere gebouwen, bijvoorbeeld kantoren en winkels, omdat deze al vaak een hoge koudevraag hebben. Een bronnet is een efficiënte manier van koelen, omdat vaak gekoeld kan worden zonder tussenkomst van een warmtepomp, bijvoorbeeld als wordt gekoeld met energie uit de bodem (WKO of bodemlus). Koudevraag bij nieuwbouw Koudevraag heeft wél invloed op de keuze van de warmtevoorziening bij nieuwbouw.

In nieuwbouw is het voorkomen van warmteoverlast al standaard bij utiliteitsbouw, zoals kantoren. Hier wordt actieve koeling vrijwel altijd toegepast. Vanaf 2021 is het ook standaard voor woningbouw in de vernieuwde BENG eisen. Er is een wettelijke eis die een limiet stelt aan hoge temperaturen in de zomer in woningen (de zogenaamde TO-juli indicator). Deze indicator houdt echter geen rekening met het al dan niet aanwezig zijn van klimaatadaptieve maatregelen in de omgeving. Ook houdt het geen rekening met toenemende hittestress door klimaatverandering. Het is bij nieuwbouw daarom nuttig om hier extra aandacht aan te besteden, met name bij hoogbouw. Hier kunnen slimme keuzes gemaakt worden, zoals aandacht voor windcorridors tussen gebouwen en de oriëntatie van straten.

68

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Bijlage 6: NL Klimaatakkoord en financieringsinstrumenten In 2019 is in Nederland een nationaal klimaatakkoord opgesteld, zie voor meer informatie: www.klimaatakkoord.nl. De afspraken voor de gebouwde omgeving staan in onderstaande Infographic. De enige wijziging ten opzichte van de afspraken in 2019 is dat de woning gebonden financiering niet mogelijk blijkt. In plaats daarvan wordt gewerkt aan financiering van isolatie en alternatieven voor aardgas via het Warmtefonds.

Figuur 22 Overzicht klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving

Uit de enquête van november 2020 en input van de meedenkgroep is gebleken dat inwoners betaalbaarheid cruciaal vinden. Het landelijke uitgangspunt uit het klimaatakkoord is dat de overstap naar aardgasvrij woonlastenneutraal moet zijn voor bewoners en ondernemers. Woonlastenneutraal betekent dat voor het overgrote deel van de bewoners de kosten van aardgasvrij wonen niet hoger zijn dan in de huidige situatie met aardgas. Dit betreft zowel de kosten voor de installatie (gasketel, warmtepomp) als de energiekosten. Woonlastenneutraal betekent ook dat er financiële ondersteuning is waar de kosten van aardgasvrij hoger uitvallen dan in de huidige situatie. Op dit moment kan de stap naar aardgasvrij in de meeste gevallen niet woonlastenneutraal worden gemaakt. Dit bereiken we alleen met een combinatie van landelijke en lokale oplossingen. Dit zijn onder andere: 1. Kostendaling door aanbod- en vraagbundeling, digitalisering en innovatie 2. Slimme financiering, o.a.: eigenaren zonder of met beperkte leenruimte: Nationaal Warmtefonds, betaling naar draagkracht; geen restschuld na 20 jaar looptijd

69

Transitievisie Warmte Etten-Leur

3. Afspraken voor huurders: sociaal huurakkoord 4. Subsidies voor isolatie maatregelen 5. Subsidies (voor eigenaren) voor aansluiting op een warmtenet, voor isolatie en voor warmtepompen (ISDE) 6. Aardgas wordt naar verwachting duurder (inkoop, energiebelasting), elektriciteit wordt goedkoper 7. Inzicht in eindgebruikerskosten: onderzoek PBL en TNO (mei 2021)19 8. Financiële ondersteuning vanuit het Rijk voor gemeenten en het vergroten van gemeentelijke bevoegdheden, zodat gemeenten de warmtetransitie wijk voor wijk kunnen stimuleren) Lokaal gaan we bewoners, ondernemers en relevante organisaties informeren over maatregelen die zij kunnen nemen als logische tussenstap naar uiteindelijk aardgasvrij. We zullen gezamenlijke acties organiseren om de kosten zoveel mogelijk te beperken. Concreet voor focuswijken: op dit moment is de investering in een hybride warmtepomp voor de meeste eigenaren nog te hoog. De investeringskosten zijn het laagst op een natuurlijk moment, zoals een verhuizing, verbouwing of vervanging van de gasketel. De verwachting is dat hybride warmtepompen door landelijk beleid (subsidies, verlagen energiebelasting elektriciteit) en verbeterd aanbod van installateurs steeds betaalbaarder worden. Ook zonnepanelen kunnen de betaalbaarheid van (hybride) warmtepompen verbeteren.

Daarom is de visie van de gemeente: eerst isoleren en dan pas (hybride) warmtepompen waar financieel haalbaar. Dit is per inwoner én woning anders. Hieronder staat een overzicht van de beschikbare financiële instrumenten. Nieuwe financiële instrumenten zijn nodig om ervoor te zorgen dat iedereen zoveel mogelijk betaalbaar de stap naar een aardgasvrij gebouw kan maken. Op het moment van schrijven (zomer 2021) zijn de volgende instrumenten beschikbaar of verwacht:

-

-

-

-

BZK-proeftuinen aardgasvrij: het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) heeft een subsidieregeling voor aardgasvrije proeftuinen om in de eerste aardgasvrije wijken de onrendabele top (verschil maatschappelijke kosten ten opzichte van aardgas) te verkleinen en lessen voor de uitvoering op te doen. Er zijn begin 2021 twee rondes geweest, waarin 48 wijken subsidie hebben gekregen. Er is in 2021 een derde ronde opengesteld, met focus op participatieve aanpakken en isolatie naar de streefwaarde als vereiste. Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH): VvE’s kunnen een subsidie aanvragen bij RVO (Rijksdienst voor Ondernemen) wanneer zij willen verduurzamen. Deze subsidie is bestemd voor (gemengde) VvE’s, woonverenigingen en wooncoöperaties. Commercieel vastgoed binnen de VvE (zoals winkels of kantoren) is uitgesloten van subsidie. Er kan subsidie aangevraagd worden voor energieadvies voor het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) en energiebesparende maatregelen. Daarnaast verstrekt het Nationaal Warmtefonds voor de verduurzaming van VvE’s laagrentende leningen (zie onder). Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW): Gemeenten kunnen bij het ministerie van BZKsubsidie aanvragen voor kleine energiebesparende maatregelen in woningen. Met de RREW zetten gemeenten projecten op om huiseigenaren en huurders te stimuleren tot kleine energiebesparende maatregelen in huis.

Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het inregelen van de cv-installatie, het aanbrengen van radiatorfolie en tochtstrips of het plaatsen van ledlampen. Daarnaast gebruikt de gemeente de regeling om advies te geven aan huiseigenaren over energiebesparende maatregelen, zoals dak-, raam- of gevelisolatie. Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder Verenigingen van Eigenaars (VvE’s)) die zelf duurzame energie willen opwekken kunnen subsidie aanvragen voor zonneboilers en warmtepompen. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel.

19 Meer informatie hierover: https://www.expertisecentrumwarmte.nl/eindgebruikerskosten/default.aspx

70

Transitievisie Warmte Etten-Leur

-

-

-

-

-

Subsidie is ook beschikbaar voor het aansluiten op een warmtenet als woningeigenaar, op moment van schrijven €3.325. De Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is bedoeld voor het aansluiten van huurwoningen van woningbouwcorporaties op een warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet. Op arbeidsloon voor het aanbrengen van isolatie geldt ook het lage Btw-tarief van 9 procent. Op zonnepanelen kan als particulier de BTW worden teruggevraagd.

Het Nationaal Warmtefonds biedt langjarige financiering tegen een lage rente voor woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) voor de verduurzaming van woningen. Hypothecaire leningen: deze zijn te overwegen vanaf € 15.000, - vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten. Bij het kopen van een nieuwe woning kan tot € 9.000, - extra gefinancierd worden voor verduurzamingsmaatregelen. Overige duurzaamheidsleningen: verschillende Nederlandse banken bieden duurzaamheidsleningen aan. Gebouwgebonden financiering (nog niet beschikbaar). Een lening voor energiebesparende maatregelen die gekoppeld is aan het huis. De lening gaat bij verkoop van het huis over op de koper. Deze optie is echter door het kabinet onderzocht en wordt voorlopig niet ingezet.

Collectieve inkoopacties zorgen voor lagere kosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen.

71

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Bijlage 7: Wettelijke kaders en regels De Transitievisie Warmte wordt uitgevoerd binnen de geldende wettelijke kaders en regels. Twee ontwikkelingen zijn wel van belang: de omgevingswet en de wet collectieve warmte. Deze twee wetten zijn op moment van schrijven nog in aanbouw en nog niet geldend, maar gaan naar verwachting een rol spelen in de uitvoering richting 2030. De Omgevingswet In de Omgevingswet zijn er drie instrumenten te onderscheiden voor gemeenten die bijdragen aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. De omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en omgevingsplannen. De impact van de Omgevingswet op de werkwijze van de gemeente zal in de toekomst steeds duidelijker worden. •

De omgevingsvisie is een overkoepelende ontwikkelingsvisie voor de fysieke leefomgeving in de gemeente, waarin de opgaven en ambities beschreven staan. De ambities, uitgangspunten, doelstelling en transitiestrategie in de Transitievisie Warmte zijn een integraal onderdeel van de omgevingsvisie. De omgevingsvisie wordt door College en Raad vastgesteld. • Omgevingsprogramma's zijn een concrete opgave- of gebiedsgerichte uitwerking van de ambities en doelen uit de omgevingsvisie voor de korte- en middellange termijn. De programma’s hebben dus een kortere tijdshorizon dan de omgevingsvisie. Hierin staat hoe en met wie de gemeente de ambities uit de visie wil bereiken. Omgevingsprogramma’s zijn alleen bindend voor de gemeente zelf, dit betekent dat inwoners, ondernemers en organisaties gestimuleerd worden om bij te dragen, maar daartoe niet verplicht zijn. o De samenwerkings- en verkenningsgebiedenisolatie- en andere verduurzamingsprogramma’s Hoofdstuk 4.3 en hoofdstuk 5 zijn te kenschetsen als een omgevingsprogramma. o Een wijkuitvoeringsplan is ook te kenschetsen als een uitvoeringsprogramma, maar dan gebiedsgericht, met als doel om een omgevingsplan te wijzigen. • Het omgevingsplan is de opvolger van bestemmingsplannen en is juridisch bindend.

In de toekomst is het denkbaar om de volgende onderwerpen via een wijziging van het omgevingsplan te regelen: o Een minimaal isolatieniveau, eventueel als streefwaarde, voor bepaalde buurten, met het oog op een toekomstig aardgasvrij alternatief. o Het vastleggen van een warmtekavel voor een warmtenet (met opt-out mogelijkheden volgens, in overeenstemming met Wet Collectieve Warmte). o Als op termijn een buurt aardgasvrij wordt en er een aanpassing komt van de huidige infrastructuur, zoals het verwijderen of aanpassen van het gasnet, is een aanpassing op het omgevingsplan noodzakelijk. o Het opnemen van een omgevingswaarde voor bijvoorbeeld de CO 2-uitstoot ten behoeve van warmte of geluidsnormen van warmtepompen in het omgevingsplan. Een omgevingswaarde kan vervolgens worden gekoppeld aan een (duurzaamheids)programma om zo de samenhang met andere opgaven in de leefomgeving te borgen. Wanneer overschrijding van een norm en dus van de omgevingswaarde wordt verwacht, is het opstellen van een omgevingsprogramma om te voldoen aan de omgevingswaarde verplicht onder de Omgevingswet. De Wet Collectieve Warmtevoorziening Gezien de ontwikkelingen in de energietransitie is er een opvolger voor de Warmtewet in ontwikkeling, de Wet Collectieve Warmte (WcW).

Dit is nodig om te anticiperen op de doelen uit het klimaatakkoord met collectieve warmtevoorzieningen en de bescherming van eindgebruikers. De WcW schrijft voor dat de gemeente gebieden (wijken, plaatsen) waar collectieve warmtevoorzieningen voorzien zijn als warmtekavel aanwijst. De warmtekavel zal naar verwachting worden opgenomen in het gemeentelijke omgevingsplan. Na toewijzing van de warmtekavel zullen warmtebedrijf en gemeente inventariseren welke eigenaren hun woning of gebouw willen aansluiten. Eigenaren kunnen daarbij kiezen voor een eigen duurzaam alternatief, de zogenoemde ‘opt-out’ mogelijkheid. Het aanwijzen van een warmtekavel is een omvangrijk besluitvormingstraject is. Waarin het omgevingsrechtelijke traject (transitievisie, uitvoeringsprogramma, en omgevingsplan) nauw samenhangen met het selectieproces voor een warmtebedrijf (opstellen kavelplan, vaststelling kavel, selectie warmtebedrijf en inventarisatie opt-out). De wet is met name relevant als er collectieve warmtenetten worden uitgerold binnen de gemeente Etten-Leur op basis van de kansenkaart.

72

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Bijlage 8: Kaarten

2022 – 2024+

vanaf 2022

vanaf 2024 vanaf 2026 2024 – 2026+

Het algemene advies voor woningen in het buitengebied is dezelfde op basis van bouwjaar.

Figuur 23 Warmtetransitiekaart Etten-Leur

73

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Figuur 24 Bouwperioden van woningen en utiliteit

74

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Gasverbruik woningen en bedrijven. Het gasverbruik wordt bepaald door (1) vierkante meters van een woning/gebouw, (2) leefstijl en energiezuinigheid, (3) type woning (bijv. vrijstaand, rijwoning, appartement) en (4) isolatie

Figuur 25 Gasverbruik woningen en bedrijven

Warmtevraag bij woningen per m² (gemiddeld per postcode 6 gebied) Deze kaart geeft een indicatie van hoe goed de isolatie is in een wijk. Het gaat om de overheersende kleur. Gasverbruik (openbare data via de netbeheerder) is per postcode 6 gebied gedeeld door het aantal vierkante meters van de woningen in een postcode 6 (volgens kadaster). Groene gebieden voldoen aan het minimumniveau. De woningen zijn gemiddeld genomen geschikt voor hybride warmtepompen. Dit geldt ook voor de lichtgroene gebieden. Woningen in de ‘midden’groene postcodegebieden hebben een isolatieniveau dat richting de landelijke streefwaarden gaat. Donkergroene gebieden voldoen gemiddeld aan de streefwaarden. Woningen die aan de streefwaarden voldoen zijn geschikt voor all-electric Woningen in de oranje en rode postcodegebieden voldoen over het algemeen niet aan het minimumniveau voor isolatie. In deze wijken ligt de focus op isolatiemaatregelen. Postcodegebieden zonder aardgasverbruik en met utiliteitsgebouwen zijn grijsgekleurd. Figuur 26 Warmtevraag bij woningen per m²

Individuele woningen kunnen (sterk) afwijken van het gemiddelde in een buurt. De data zijn minder betrouwbaar in postcode-6 gebieden waar afwijkende leefstijlen zijn, in gebieden met grote diversiteit van de woningen en in postcode-6 gebieden waar woningen en utiliteit door elkaar staan. Het gaat daarom om de overheersende kleur in een wijk, niet om de kleur van een individueel postcode-6 gebied.

75

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Enexis Buurtinzicht Netbeheerder Enexis heeft berekeningen ten behoeve van de warmtetransitie uitgevoerd. Dit hebben ze gedaan om te zien waar knelpunten in het netwerk zitten als er een autonome groei in de energietransitie gaat plaatsvinden, én als er extra inzet op het gebied van warmte, zonnepanelen en/of de warmtetransitie gaat plaatsvinden.

Figuur 27 Kaart Enexis Buurtinzicht - autonoom

Druk op het laagspanningsnet bij een autonome groei van (hybride) warmtepompen, van opwekking met zonnepanelen en het laden van elektrische auto’s tot 2030. Etten-Leur kleurt over het algemeen groen. Dit betekent weinig werk in de wijk en dat het elektriciteitsnet de komende tien jaar beperkt problemen zal ondervinden volgens deze uitgangspunten. De Keen is hier een aandachtsgebied: bij forse uitbreiding van warmtepompen, zonnepanelen en opladen van elektrische auto’s komt het gebied in de knel. Uitbreiding of vervanging van kabels is nodig als hier uitvoerig aan de slag wordt gegaan. Verdere afstemming bij uitbreiding van het net en werkzaamheden in de wijk zoals trottoirverbetering zijn koppelkansen.

76

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Figuur 28 Kaart Enexis Buurtinzicht - autonoom + 50% hybride WP

Kaart Enexis Buurtinzicht: Druk op het laagspanningsnet bij een adoptiegraad van 50% hybride warmtepompen en autonome ontwikkelingen van opwekking met zonnepanelen en het laden van elektrische auto’s tot 2030. EttenLeur kleurt over het algemeen groen. Dit betekent weinig werk in de wijk en dat het elektriciteitsnet de komende tien jaar beperkt problemen zal ondervinden volgens deze uitgangspunten. De Keen is hier een aandachtsgebied: bij forse uitbreiding van warmtepompen, zonnepanelen en opladen van elektrische auto’s komt het gebied in de knel. Uitbreiding van kabels én transformatorstations is nodig als hier uitvoerig aan de slag wordt gegaan. Verdere afstemming bij uitbreiding van het net en werkzaamheden in de wijk zoals trottoirverbetering zijn koppelkansen.

77

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Begrippenlijst Begrip

Uitleg

Aardgasvrij

Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. Dit betekent niet altijd gasloos, er kan duurzaam gas worden toegepast. Aardgasvrij-ready Een woning of gebouw dat klaar is om van het aardgas af te gaan. Duurzaam gas Een gasvormige brandstof voor gebruik in Cv-ketels, in de praktijk zijn dit duurzaam geproduceerde waterstof of groen gas (aardgas gemaakt uit biomassa). Zie ook hoofdstuk 3. Energieneutraal Op jaarbasis evenveel energie gebruiken als dat een woning, gebouw of gemeente zelf opwekt. Gebouwde omgeving Woningen en utiliteitsgebouwen in een wijk of gemeente Hybride warmteoplossing Warmtelevering met elektrische oplossing, in principe een warmtepomp, in combinatie met een cv-ketel op aardgas of duurzaam gas. Zie ook hoofdstuk 3. Laagst maatschappelijke kosten De laagst totale kosten voor de gehele keten en al haar gebruikers, dus zowel kosten voor aanpassingen aan gebouwen, kosten voor de infrastructuur en kosten voor de bron en levering van energie, die nodig zijn voor een aardgasvrije gebouwde omgeving. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, dus inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. De kosten per vermeden ton CO2 zijn naast deze maatschappelijke kosten ook afhankelijk van de kosten voor verduurzaming van bronnen.

Regionale Energie Strategie Regionaal samenwerkingsverband van gemeenten om de mogelijkheden voor (RES); Regionale Strategie duurzame warmte en elektriciteit te inventariseren en te bevorderen. Etten-Leur is Warmte (RSW) onderdeel van de RES-regio West-Brabant. Zie ook hoofdstuk 1. Transitiegereed Zelfde betekenis als aardgasvrij-ready: Een woning of gebouw dat klaar is om van het aardgas af te gaan. Transitievisie Warmte (TVW) Document op gemeenteniveau waarin het tijdspad wordt bepaald waarin buurten aardgasvrij worden en met welke warmteoptie. Utiliteitsgebouwen Gebouwen met een zakelijk of maatschappelijk doel met een verblijffunctie. Voorbeelden zijn: kantoren, winkels, zorg, scholen, horeca, werkplaatsen. Landbouw (stallen, kassen), fabrieken (procesindustrie) horen hier niet bij. Warmte Energie die een woning of ander gebouw nodig heeft voor ruimteverwarming en warm tapwater voor douche, bad en keuken. Warmteoptie of voorkeursoptie De beoogde infrastructuur voor warmtelevering zonder aardgas voor een gebouw of wijk. Dit kan collectief (warmtenet) of individueel per gebouw. Een warmteoptie is de combinatie van een duurzame warmtebron (duurzaam gas, elektriciteit en/of warmte), een netwerk (gasnet, elektriciteitsnet, warmtenet) en systeem in de woning of utiliteitsgebouw voor het gebruiken van warmte. De isolatie van het gebouw is passend bij de warmteoptie.

Warmtenet/ bronnet Verwarmingssysteem waarop meerdere gebouwen zijn aangesloten met een gezamenlijke warmtebron. Dit kan een kleinschalig collectief zijn (minder dan ongeveer 500 woningen) of een grootschalig warmtenet. Een warmtenet kan op verschillende temperatuurniveaus zijn: - Hoog: 70 graden Celsius of hoger - Midden: 40-70 graden Celsius - Laag: onder 40C graden Celsius Een laagtemperatuur warmtenet (<40C) heeft meestal de temperatuur van de warmtebron. Daarom wordt dit ook wel een bronnet genoemd. Bij lage temperatuur warmtenetten is in de woning een warmtepomp noodzakelijk. Warmtepomp Een warmtepomp kan een woning of gebouw verwarmen en is een van de alternatieve technieken om de cv-ketel te vervangen. Een warmtepomp werkt als volgt: de warmtepomp onttrekt warmte aan een bron (meestal buitenlucht of grondwater), verhoogt met elektriciteit de temperatuur en staat die hogere temperatuur weer af aan een gebouw of warmtenet. Warmtetransitie De overgang van fossiele, niet-duurzame manieren van verwarmen naar een duurzame manier van verwarmen.

78

Transitievisie Warmte Etten-Leur

Wijkuitvoeringsplan aardgasvrij Woningequivalent (WEQ)

Woonlastenneutraal

Plan waarin het aardgasvrij maken van een buurt wordt geconcretiseerd in samenwerking met belanghebbenden en bewoners. Zie ook hoofdstuk 5. Een eenheid van warmtevraag die gebruikt wordt in het ontwerpen van warmtenetten, gelijk aan de warmtevraag van een gemiddelde Nederlandse woning. Op deze manier zijn utiliteitsgebouwen en woningen vergelijkbaar gemaakt. Landelijke definitie om invulling te geven aan het begrip betaalbaarheid van de overstap naar aardgasvrij. Dit wordt ingevuld als dat voor het overgrote deel bewoners de kosten van de lening voor de verbouwing (isolatie en alternatief voor aardgas) gelijk of lager zijn dan de energiebesparing.

79

Transitievisie Warmte Etten-Leur

80

Transitievisie Warmte Etten-Leur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=0a65497e-5528-4d6e-ae08-4c69b53facf9