CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

plan (2)

Raad besluit 19 januari 2026, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Voorstel voor het wijzigen van het Omgevingsplan voor het verbieden van middelgrote logistiek en bedrijfsverzamelgebouwen op de bedrijventerreinen Vosdonk, Attelaken en Zwartenberg54.329 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Omgevingsplan gemeente Etten-Leur Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Concept

Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij daarvan in bijlage II of III is afgeweken.

2.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

3.

Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 5 van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 3 Thema's Afdeling 3.1 Algemene regels [Gereserveerd]

Afdeling 3.2 Ruimtelijke kwaliteit Paragraaf 3.2.1 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.2 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.3 Bouwwerken [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.4 Welstand [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.5 Cultureel erfgoed Subparagraaf 3.2.5.1 Algemeen [Gereserveerd]

Subparagraaf 3.2.5.2 Activiteiten in een gebied met archeologische verwachtingen Artikel 3.1 Voorrangsbepaling archeologie Voor zover de regels in deze subparagraaf (3.2.5.2) strijdig zijn met de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, gaan de regels in deze subparagraaf voor. Bijlage IV van dit omgevingsplan bevat de artikelen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, waarop deze subparagraaf voorgaat.

1

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

Artikel 3.2 Toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologische waardevolle gebieden

2

1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de archeologische waarde.

2.

Het betreft in ieder geval de volgende activiteiten voor zover deze activiteiten worden verricht in een gebied met archeologische verwachtingswaarde: a. bouwactiviteiten; en b. het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid.

3.

Met de activiteit als genoemd in het tweede lid, onder b, wordt in ieder geval bedoeld: a. het afgraven van gronden, waaronder afplaggen en het verwijderen van bestaande funderingen en het verwijderen van vloeren; b. graafwerkzaamheden; c. aanleg of onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen, kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. aanbrengen van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; e. aanleggen, verbreden, verdiepen of dempen van vaargeulen, waterlopen en waterpartijen; f. baggeren, waaronder saneren en onderzuigen; g. uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden; h. ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld of de waterbodem; i. wijzigen van de grondwaterstand; j. agrarische grondwerkzaamheden, zoals het aanleggen van drainage, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden; k. het aanbrengen van heipalen; l. grondwerkzaamheden op natuurterreinen; en m. saneren van gronden.

Artikel 3.3 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Artikel 3.4 Aanwijzing gebieden met een archeologische verwachtingswaarde Er zijn gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, onderverdeeld in gebieden met een: a. archeologische verwachtingswaarde 1; b. archeologische verwachtingswaarde 2; c. archeologische verwachtingswaarde 3; d. archeologische verwachtingswaarde 4; e. archeologische verwachtingswaarde 5; en f. archeologische verwachtingswaarde 6.

Artikel 3.5 Aanwijzing vergunningplicht archeologie 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 1, als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 100 m2 .

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2,lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 2, als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 500 m2 .

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 3 , als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 1.000 m2 .

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept 3

4.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2 , lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 4, als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 10.000 m2 .

5.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 5 , als: a. de diepte van de bodemingreep minder is dan 1,00 meter: 1. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en 2. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 10.000 m2 . b. De diepte van de bodemingreep meer is dan 1,00 meter en de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 100 m2 .

6.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten zoals genoemd in artikel 3.2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in het geval op grond van afdeling 16.4 van de wet een mer-plicht geldt, ongeacht of binnen de vrijstellingen van de daar geldende archeologische verwachtingswaarde wordt gebleven.

7.

De verplichting zoals genoemd in het eerste tot en met het vijfde lid is eveneens van toepassing bij een kleinere oppervlakte van het te verstoren gebied indien daarmede kennelijk de bedoeling is om de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te splitsen om onder een in het eerste tot en met het vijfde lid vrijgestelde oppervlakte te blijven.

Artikel 3.6 Uitzonderingen vergunningplicht archeologie 1.

Het verbod als bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) geldt niet voor: a. het normale onderhoud en beheer en waarbij geen nieuwe bodemverstoring(en) worden veroorzaakt; b. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische grondlaag; c. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. activiteiten die in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd mits verricht door een gecertificeerde instantie op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

2.

Het verbod als bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie) om de activiteiten genoemd in artikel 3.2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten , geldt ook niet in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 6 .

Artikel 3.7 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie voor bouwen 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) voor het uitvoeren van een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder a (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden), worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. funderingstekeningen en informatie over de verdere inrichting van het projectgebied; 1. de omvang van het projectgebied en de bodemingrepen in vierkante meters; 2. de diepte van de bodemingrepen, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; en 3. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; b. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: 1. een bureauonderzoek; 2. zo nodig een booronderzoek; en 3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

2.

In aanvulling van het eerste lid worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 3.5, zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

3.

In afwijking van lid 1, onder b, is een rapport zoals daar genoemd niet vereist voor de aanvraag van een omgevingsvergunning archeologie indien: a. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of b. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt.

Artikel 3.8 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden; 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) voor het uitvoeren van een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder b en het derde lid (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden), worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Een omschrijving van de aard van de uit te voeren activiteit, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; c. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: 1. een bureauonderzoek; 2. zo nodig een booronderzoek; en 3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; d. als er sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek: een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek.

2.

In aanvulling van het eerste lid worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie), zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

3.

In afwijking van lid 1, onder c, is een rapport zoals daar genoemd niet vereist voor de aanvraag van een omgevingsvergunning archeologie indien: a. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of b. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt.

Artikel 3.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) voor het uitvoeren van een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder a en b (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) wordt alleen verleend als : a. uit het bij de aanvraag gevoegde en door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport blijkt dat er op de locatie van de uit te voeren activiteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument niet of niet onevenredig wordt geschaad; of

4

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

c.

d.

Concept

e.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door (technische) maatregelen die vast zijn gelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren behoudsmaatregelenplan; of op basis van andere door het bevoegd gezag goedkeurde informatie in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of op basis van andere door het bevoegd gezag goedgekeurde informatie in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt.

Artikel 3.10 Mogelijkheid verbinden voorschriften aan omgevingsvergunning archeologie Indien uit het artikel 3.7 of artikel 3.8 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie) genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. het doen van nader archeologisch onderzoek; b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden en dit vast te leggen in een door het bevoegd gezag goed te keuren behoudsmaatregelenplan; c. de verplichting tot het doen van opgravingen en deze te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie op het terrein van archeologische monumentenzorg conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); d. de verplichting de activiteiten als genoemd in artikel 3.2, lid 2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden), die leiden tot bodemverstoring , te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie op het terrein van archeologische monumentenzorg conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

Hoofdstuk 4 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Werkgebieden Afdeling 5.1 Algemeen Paragraaf 5.1.1 Algemene regels Artikel 5.1 Toepassingsbereik De regels binnen dit hoofdstuk gelden binnen werkgebieden.

Artikel 5.2 Oogmerken De regels binnen dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de werkgebieden; b. het beschermen van waarden en kwaliteiten binnen de werkgebieden.

Artikel 5.3 Specifieke doelen voor werkgebieden [Gereserveerd]

Afdeling 5.2 Functies en gebruiksactiviteiten Paragraaf 5.2.1 Algemene gebruiksregels [Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.2 Aanwijzing van functies Artikel 5.4 Functie binnen de locatie bedrijvigheid in werkgebieden De gronden binnen de locatie bedrijvigheid in werkgebieden hebben de functie bedrijvigheid.

5

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Paragraaf 5.2.3 Bedrijvigheid in werkgebieden Subparagraaf 5.2.3.1 Gebruiksactiviteiten - toegestaan [Gereserveerd]

Concept

Subparagraaf 5.2.3.2 Gebruiksactiviteiten - meldingsplicht [Gereserveerd]

Subparagraaf 5.2.3.3 Gebruiksactiviteiten - vergunningplicht [Gereserveerd]

Subparagraaf 5.2.3.4 Gebruiksactiviteiten - verbod Artikel 5.5 Voorrangsbepaling gebruiksregels Voor zover de regels in deze subparagraaf (5.2.3.4) strijdig zijn met de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, gaan de regels in deze subparagraaf voor.

Artikel 5.6 Toepassingsbereik De regels binnen deze subparagraaf gaan over verboden gebruiksactiviteiten op gronden met de functie bedrijvigheid.

Artikel 5.7 Gebruiken van gronden en bouwwerken voor middelgrote logistiek - verbod 1.

Binnen de locatie beperking middelgrote logistiek is een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor middelgrote logistiek verboden.

2.

Als bestaande gebruiksoppervlakte voor middelgrote logistiek geldt de oppervlakte van: a. de bebouwing die: 1. op 14 oktober 2024 legaal in gebruik was voor middelgrote logistiek; 2. krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning mag worden gebouwd of in gebruik mag worden genomen voor middelgrote logistiek; b. de onbebouwde grond die op 14 oktober 2024 legaal voor middelgrote logistiek in gebruik was of die krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor middelgrote logistiek in gebruik mag worden genomen.

Artikel 5.9 Gebruiken van gronden en bouwwerken grootschalige logistiek - verbod 1.

Binnen de locatie beperking grootschalige logistiek is een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor grootschalige logistiek verboden.

2.

Als bestaande gebruiksoppervlakte voor grootschalige logistiek geldt de oppervlakte van: a. de bebouwing die: 1. op 4 maart 2023 legaal in gebruik was voor grootschalige logistiek; 2. krachtens een voor 4 maart 2023 verleende omgevingsvergunning mag worden gebouwd of in gebruik mag worden genomen voor grootschalige logistiek; b. De onbebouwde grond die op 4 maart 2023 legaal voor grootschalige logistiek in gebruik was of die krachtens een voor 4 maart 2023 verleende omgevingsvergunning voor grootschalige logistiek in gebruik mag worden genomen.

Artikel 5.8 Gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsverzamelgebouwen - verbod

6

1.

Binnen de locatie beperking bedrijfsverzamelgebouwen is een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte van bedrijfsverzamelgebouwen verboden.

2.

Als bestaande gebruiksoppervlakte voor bedrijfsverzamelgebouwen geldt de oppervlakte van: a. de bebouwing die: 1. op 14 oktober 2024 legaal in gebruik was voor bedrijfsverzamelgebouwen; 2. krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning mag worden gebouwd of in gebruik mag worden genomen voor bedrijfsverzamelgebouwen;

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

b.

de onbebouwde grond die op 14 oktober 2024 legaal voor bedrijfsverzamelgebouwen in gebruik was of die krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor bedrijfsverzamelgebouwen in gebruik mag worden genomen.

Paragraaf 5.2.4 maatschappelijk in werkgebieden

Concept

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.5 wonen in werkgebieden [Gereserveerd]

Afdeling 5.3 Bouwregels werkgebieden [Gereserveerd]

Hoofdstuk 6 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 7 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 8 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 9 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 10 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 11 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 12 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 14 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 16 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 18

7

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 [Gereserveerd]

Concept

Hoofdstuk 20 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

8

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Concept

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6 [Vervallen]

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand 1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.

9

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

b.

de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening

10

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Concept

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte 1.

11

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

b. 2.

wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Concept

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

12

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1

Omschrijving

Verpakkingsgroep

Toegestane maximum hoeveelheid

2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

n.v.t.

50 kg

3

Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

II

25 liter

3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

III

50 liter

4.1, 4.2, 4.3

4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

II en III

50 kg

5.1

Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

II en III

50 liter

5.2

Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide

n.v.t.

1 liter

1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek [Vervallen]

13

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Concept

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

14

Concept

Artikel 22.24 Meetbepalingen 1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

d.

e. f.

g.

h. i.

2. voorzien van een plat dak; 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed 1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, op grond van artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie) een verbod geldt om de activiteit te verrichten.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

15

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

c.

2.

lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.

De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

16

In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

b.

Concept

2.

een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [Vervallen]

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g.

gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1.

de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

17

Concept

(van 10-12-2025 16:19)

Concept

a.

b. c.

het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw; 2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii.

bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=701567c6-dbcc-4058-953e-0ff68b180d7a