CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota ambtshalve aanpassingen_eindversie.pdf

Raad besluit 24 januari 2022, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststelling partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied6.724 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota ambtshalve aanpassingen Ontwerpbestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’

1

Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’ heeft overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening van 28 oktober 2021 tot en met 8 december 2021 ter inzage gelegen. De zienswijzen die in deze periode zijn binnengekomen, zijn beantwoord in een zienswijzennota en leiden tot een beperkt aantal aanpassingen van het bestemmingsplan. Naast aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen wordt bij de vaststelling van het bestemmingsplan een aantal ambtshalve aanpassingen gedaan. In deze nota zijn alle ambtshalve aanpassingen opgenomen, met een onderbouwing ervan.

blad 1 van 16

2

Overnemen van vastgestelde wijzigingsplannen In de periode rond de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’ heeft het college van burgemeester en wethouders een aantal wijzigingsplannen vastgesteld. Voorkomen moet worden dat deze plannen door de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’ onbedoeld komen te vervallen. Daarom is per wijzigingsplan bezien of het buiten het plangebied van de herziening moet blijven of dat het (ongewijzigd) kan worden overgenomen in de herziening. Dit is eerder in het ontwerpbestemmingsplan ook al zo gedaan bij wijzigingsplannen en postzegelbestemmingsplannen die zijn vastgesteld in de periode na de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in 2013. Er zijn hierbij twee mogelijkheden: 1. Als het wijzigingsplan buiten het plangebied van de herziening wordt gelaten, blijft het wijzigingsplan ter plaatse gelden. Omdat de gronden dan buiten het plangebied van de herziening vallen, worden hier echter ook de algemene aanpassingen en verbeteringen die in de partiële herziening worden gedaan, niet doorgevoerd. 2. Als het wijzigingsplan (ongewijzigd) wordt overgenomen in de herziening vervalt het wijzigingsplan en wordt het plan via de partiële herziening één op één overgenomen in het bestemmingsplan voor het buitengebied.

Inhoudelijk blijft dan hetzelfde gelden, maar inclusief de aangepaste regelingen voortvloeiend uit de partiële herziening. Geconcludeerd is dat de wijzigingsplannen die in de afgelopen periode zijn vastgesteld geen bijzondere regelingen kennen waardoor ze buiten het plangebied van de herziening zouden moeten blijven. De wijzigingsplannen worden daarom overgenomen in het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’. Het betreft de volgende plannen: − Wijzigingsplan ‘Buitengebied, Liesbosweg 380 & Teerlingstraat 20’ (vastgesteld 15 juni 2021). − Wijzigingsplan ‘Buitengebied, Klappenberg 12’ (vastgesteld 27 oktober 2021). − Wijzigingsplan ‘Buitengebied, Lage Donk 12’ (vastgesteld 2 december 2021). De verbeeldingen van deze wijzigingsplannen worden overgenomen op de verbeelding van de partiële herziening, de regels van de partiële herziening worden waar nodig aangevuld (bijvoorbeeld met de voorwaardelijke verplichtingen die in de wijzigingsplannen zijn opgenomen) en de toelichting van de partiële herziening wordt overeenkomstig aangepast. Voor een aantal andere wijzigingsplannen geldt dat de procedure min of meer samenvalt met de procedure van het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’. Deze wijzigingsplannen zijn of worden in ontwerp ter inzage gelegd, maar worden pas vastgesteld na vaststelling én inwerkingtreding van de partiële herziening.

Voor deze plannen is daarom geen aanpassing van de partiële herziening nodig. Deze wijzigingsplannen zullen dus worden vastgesteld nadat de partiële herziening in werking is getreden. Hierdoor gaat voor deze wijzigingsplannen de actuele regeling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ gelden, inclusief de aanpassingen die worden doorgevoerd via de partiële herziening. Bij de vaststelling van ieder wijzigingsplan wordt bezien of in het plan aanpassingen moeten worden doorgevoerd, enerzijds om ze in overeenstemming te brengen met de wijzigingsbevoegdheden zoals die luiden na inwerkingtreding van de partiële herziening en anderzijds om de juiste regels van toepassing te verklaren. Dit heeft inhoudelijk geen gevolgen voor de wijzigingsplannen.

blad 2 van 16

3

Aanpassingen van de planregels 1.

Aanpassing begrip afhankelijke woonruimte In het begrip afhankelijke woonruimte is nu bepaald dat een afhankelijke woonruimte een ‘vrijstaand’ bijgebouw bij een woning is waarin een gedeelte van de huishouding uit oogpunt van mantelzorg is gevestigd. De toevoeging van het woord ‘vrijstaand’ is bij nader inzien niet correct omdat een afhankelijke woonruimte zich ook in een aangebouwd bijgebouw kan bevinden. Het woord ‘vrijstaand’ wordt daarom verwijderd, zodat het begrip als volgt komt te luiden. afhankelijke woonruimte: een bijgebouw bij een woning dat qua ligging hoort tot het perceel van de woning en waarin uit een oogpunt van mantelzorg een gedeelte van de huishouding gehuisvest is.

2.

Aanpassing begrip grondgebonden teeltbedrijf In het begrip voor grondgebonden teeltbedrijf is een aantal voorbeelden genoemd van agrarische bedrijven die als grondgebonden teeltbedrijf worden aangemerkt. Daarbij is als voorbeeld gegeven ‘boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant’. De toevoeging ‘waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant’ is verwarrend. Een boomteeltbedrijf dat voor zijn teelt gebruik maakt van teeltondersteunende voorzieningen (bijvoorbeeld voor het opkweken van bomen in potten) is namelijk ook een grondgebonden teeltbedrijf. Bepalend daarvoor is namelijk of de teelt al dan niet in gebouwen plaatsvindt. Teelt die buiten plaatsvindt – al dan niet met behulp van teeltondersteunende voorzieningen – wordt aangemerkt als grondgebonden teelt, in tegenstelling tot ‘gebouwgebonden’ teelt zoals die plaatsvindt bij bijvoorbeeld witlofkwekerijen en champignonkwekerijen. De toevoeging ‘waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant’ komt daarom te vervallen, zodat het begrip als volgt komt te luiden: grondgebonden teeltbedrijf: een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Grondgebonden teeltbedrijven zijn in ieder geval akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven.

3.

Verduidelijking begrip teeltondersteunende voorzieningen Het begrip voor teeltondersteunende voorzieningen zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan bepaalt dat teeltondersteunende voorzieningen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een open- of vollegronds tuinbouwbedrijf, een boomteeltbedrijf of een vaste plantenteeltbedrijf. Fruitteeltbedrijven – waarbij vaak gebruik wordt gemaakt van teeltondersteunende voorzieningen – zijn niet expliciet genoemd. Het is daarom wenselijk om het begrip aan te passen. Daarbij is het voldoende om te bepalen dat teeltondersteunende voorzieningen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf. Onder het begrip grondgebonden teeltbedrijf vallen onder andere tuinbouwbedrijven, boom- en plantenteeltbedrijven en fruitteeltbedrijven. Met deze aanpassing wordt tevens aangesloten bij het begrip voor teeltondersteunende voorzieningen zoals opgenomen in de provinciale Interim omgevingsverordening. Daarnaast is het gewenst om het begrip aan te vullen om te verduidelijken wat voor voorzieningen onder het begrip teeltondersteunende voorziening vallen.

Het begrip komt als volgt te luiden: teeltondersteunende voorzieningen: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf en die worden gebruikt voor: - verbetering van de productie, bijvoorbeeld door teeltvervroeging en – verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade; - verbetering van de arbeidsomstandigheden, bijvoorbeeld door gewassen hoger te telen; en/of - het bereiken van positieve effecten op milieu en water, bijvoorbeeld door bescherming van de bodem, terugdringing van onkruidbestrijding en effectief omgaan met water.

blad 3 van 16

4.

Aanpassing begrip veehouderij In het begrip voor veehouderij is nu bepaald dat een veehouderij een agrarisch bedrijf is dat is gericht op het fokken, mesten en houden van verschillende diersoorten. Sommige veehouderijen, bijvoorbeeld melkveehouderijen, zijn wél gericht op het houden van dieren, maar niet (primair) op het fokken en mesten daarvan. Daarom wordt het woord ‘en’ vervangen door ‘en/of’, zodat het begrip als volgt komt te luiden (wijziging is onderstreept): veehouderij: een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en/of houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.

5.

Toevoeging begrip nevenfunctie In het bestemmingsplan is geen begrip voor nevenfunctie opgenomen. Het is wenselijk om hiervoor alsnog in een begrip te voorzien. In artikel 1 van de planregels wordt daarom het volgende begrip toegevoegd: nevenfunctie: een functie die naast de primaire agrarische activiteiten wordt uitgeoefend bij een agrarisch bedrijf als ondergeschikt, niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering.

6.

Verduidelijking regels voor verbrede landbouw Er wordt een aantal aanpassingen gedaan om de regels voor verbrede landbouw bij agrarische bedrijven te verduidelijken. Inhoudelijk wordt de regeling niet anders. Wel worden verschillende bepalingen aangepast zodat ze beter op elkaar aansluiten en er een consistente regeling voor verbrede landbouw ontstaat. Hierna worden de aanpassingen toegelicht. In de bestemmingsomschrijving van de agrarische bestemmingen (artikel 3.1 sub b en artikel 4.1 sub b) is opgesomd welke vormen van verbrede landbouw bij recht zijn toegelaten bij ieder agrarisch bedrijf. Het betreft: − het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van eigen agrarische producten die zijn geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf; − kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten; − huisverkoop; en − informatieve en/of educatieve activiteiten. De tekst van artikel 3.1 sub b en artikel 4.1 sub b luidt nu ‘nevenfuncties en vormen van verbrede landbouw in de vorm van:’, waarna de toegelaten functies zijn opgesomd.

Omdat in de hierop volgende opsomming alleen vormen van verbrede landbouw – en geen overige nevenfuncties – voorkomen, wordt de tekst ‘nevenfuncties en vormen van verbrede landbouw in de vorm van:’ ter verduidelijking aangepast in ‘verbrede landbouw in de vorm van:’ In de opsomming van toegelaten vormen van verbrede landbouw is nu alleen bij de kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten benadrukt dat dat uitsluitend is toegestaan in de vorm van een ondergeschikt, niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten. Dit geldt echter evengoed voor de overige vormen van verbrede landbouw en wordt via het begrip voor nevenfunctie (zie hiervóór onder punt 5) en het begrip voor verbrede landbouw (een specifieke vorm van een nevenfunctie) ook expliciet in het plan geregeld. De specifieke tekstuele toevoeging die nu is gedaan voor de kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten kan daarom komen te vervallen. Artikel 3.1 sub b en artikel 4.1 sub b worden hierop aangepast en komen dan in totaliteit als volgt te luiden: b. verbrede landbouw in de vorm van: 1. bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van eigen agrarische producten geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf; 2. kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten;

blad 4 van 16

3. huisverkoop; 4. informatieve en/of educatieve activiteiten; In de specifieke gebruiksregels (artikel 3.4.8 en 4.4.7) zijn gebruiksregels opgenomen voor de bij recht toegelaten vormen van verbrede landbouw. Er zijn nu uitsluitend regels opgenomen voor kleinschalige ambachtelijke verwerking van producten (maximaal 100 m2) en voor huisverkoop (maximaal 50 m2). Door de formulering van de aanhef (‘de volgende functies zijn toegestaan..’) lijkt de regeling overige vormen van verbrede landbouw (het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van eigen agrarische producten en informatieve/educatieve activiteiten) niet mogelijk te maken. Dit is niet de intentie en behoeft aanpassing. Bovendien wordt in de specifieke gebruiksregels nu gesproken van kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten als zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten. Dit correspondeert niet met de bestemmingsomschrijving en het begrip voor nevenactiviteiten, die deze activiteiten uitsluitend als niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten toelaten. De woorden ‘als ondergeschikt zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten’ worden daarom verwijderd.

De gebruiksregels van artikel 3.4.8 en 4.4.7 worden gelijktijdig aangepast door in de aanhef te bepalen dat uitsluitend ondergeschikte, niet-zelfstandige vormen van verbrede landbouw zijn toegestaan, zodat helder is dat deze regel voor alle vormen van verbrede landbouw geldt. In verband daarmee kan de voorwaarde ‘De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven.’ vervallen. Aan deze voorwaarde wordt immers automatisch voldaan vanwege de eisen ten aanzien van ondergeschiktheid en niet-zelfstandigheid. De artikelen 3.4.8 en 4.4.7 komen in totaliteit als volgt te luiden: De volgende vormen van verbrede landbouw zijn als ondergeschikt, niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering toegestaan binnen het bouwvlak van agrarische bedrijven: a. Bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van eigen agrarische producten geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf. b. Kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten, waarvan de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m². c. Huisverkoop, waarvan de totale verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m². d. Informatieve en/of educatieve activiteiten. In de tabel met vormen van verbrede landbouw die via afwijking kunnen worden toegestaan (bijlage 1 bij de planregels), wordt eenzelfde aanpassing doorgevoerd.

De tekst ‘Kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten als ondergeschikt zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten’ wordt aangepast in: Kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten De voorwaarde die al is toegevoegd aan de afwijkingsbevoegdheden van artikel 3.5.3 en 4.5.3 (namelijk: ‘De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven en de nevenfunctie/vorm van verbrede landbouw moet in relatie tot het agrarisch bedrijf staan als een ondergeschikt, niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten.’) garandeert al dat geen zelfstandige bedrijfsfuncties worden toegelaten. Tenslotte worden de regels van de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ tekstueel aangepast. Op veel plekken wordt nu gesproken van ‘vormen van verbrede landbouw’. Op sommige plekken is dat tekstueel correct, maar op andere plekken kan evengoed worden gesproken van ‘verbrede landbouw’. De tekst wordt hierop aangepast zodat deze wordt vereenvoudigd en beter leesbaar wordt.

blad 5 van 16

7.

Aanpassing afwijkingsbevoegdheid vergroten oppervlakte bedrijfsgebouwen (3.3.2 en 4.3.2) en wijzigingsbevoegdheid vergroten bouwvlak (3.6.2 en 4.6.2) Artikel 3.3.2 bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het bouwen van meer dan 5.000 m2 bedrijfsgebouwen bij agrarische bedrijven, niet zijnde veehouderijen of glastuinbouwbedrijven. De regeling bepaalt nu dat de vergunning kan worden verleend voor ‘een grondgebonden teeltbedrijf of een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf’. Hoewel dit correct is, lijkt het er door het expliciet benoemen van ‘intensieve veehouderij’ en het ontbreken van het woord ‘grondgebonden veehouderij’ op dat de afwijking ook voor grondgebonden veehouderijen kan worden gebruikt. Dat is echter niet het geval, want hiervoor geldt artikel 3.3.3. De regel wordt verduidelijkt door het woord ‘intensieve’ te verwijderen. De aanhef van artikel 3.3.2 komt dan als volgt te luiden.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m² bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, voor een grondgebonden teeltbedrijf of een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij of glastuinbouwbedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: De titel van artikel 3.3.2 wordt overeenkomstig aangepast. De aanpassing wordt ook doorgevoerd in het gelijkluidende artikel 4.3.2. Dezelfde formulering is gebruikt in de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van bouwvlakken in artikel 3.6.2 en 4.6.2. Deze regels worden overeenkomstig aangepast.

8.

Aanpassing afwijkingsbevoegdheid voor tijdelijke woonunits voor mantelzorg (diverse bestemmingen) en begrip woonunit In alle bestemmingen die een woning of bedrijfswoning toestaan, is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om een tijdelijke woonunit ten behoeve van mantelzorg te plaatsen. De woonunit mag maximaal 100 m2 groot zijn en mag niet hoger zijn dan 3,25 meter. Door de bouwhoogtebeperking is het uitsluitend mogelijk om plat afgedekte woonunits te plaatsen. Woonunits met een kap – die in veel gevallen ruimtelijk gezien beter inpasbaar zijn in het buitengebied – zijn uitgesloten. Hiermee is sprake van een onnodige beperking. De regel wordt daarom aangepast, zodat voor woonunits voor mantelzorg dezelfde regels gaan gelden als voor reguliere bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen: een goothoogte van maximaal 3,25 meter, een bouwhoogte van maximaal 5,5 meter en een dakhelling van maximaal 50°. Hiermee wordt het mogelijk om een woonunit te plaatsen met een kap, en ontstaat dus de mogelijkheid voor een (berg)zolder. In lijn met de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen wordt bepaald dat zo’n zolder niet mag worden gebruikt als woonkamer of slaapkamer. Daarom wordt bepaald dat een verblijfsgebied als bedoeld in het Bouwbesluit uitsluitend op de begane grond is toegestaan. De huidige regel ‘e.

De bouwhoogte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 3,25 m’ komt te vervallen. In plaats daarvan worden de volgende regels opgenomen: e. De goothoogte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 3,25 m. f. De bouwhoogte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 5,5 m. g. De dakhelling van de woonunit mag niet meer bedragen dan 50°. h. Een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is uitsluitend toegestaan op de begane grond. Deze aanpassing wordt doorgevoerd in alle bestemmingen waar een (afwijkings)regel voor tijdelijke woonunits voor mantelzorg is opgenomen. In verband met de aanpassing van deze regeling wordt ook het begrip voor woonunit aangepast. Dat begrip bepaalt nu nog dat een woonunit uit één bouwlaag bestaat, maar voor woonunits

blad 6 van 16

voor mantelzorg wordt nu een extra bouwlaag mogelijk. De zinsnede ‘bestaande uit één bouwlaag’ wordt daarom verwijderd, zodat het begrip als volgt komt te luiden: woonunit: een (tijdelijke) woonunit voor huisvesting ten behoeve van mantelzorg of seizoenarbeiders bestaande uit een demontabel en/of relatief eenvoudig verwijderbaar gebouw, onder welke benaming ook aangeduid, doch die in het spraakgebruik als woonunit wordt aangemerkt, geschikt en ingericht ten dienste van woon-, dag- en/of nachtverblijf. NB: de regeling voor woonunits voor seizoenarbeiders wordt niet aangepast. Voor woonunits voor seizoenarbeiders blijft een maximale bouwhoogte van 3,25 meter gelden, zodat toevoeging van een tweede bouwlaag in woonunits voor seizoenarbeiders niet mogelijk is.

9.

Aanpassing regels voor huisvesting van seizoenarbeiders (toevoegen AKF-norm) In het ontwerpbestemmingsplan is in de afwijkingsmogelijkheden voor de huisvesting van seizoenarbeiders geregeld dat moet worden voldaan aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen (SNF), dan wel dat de huisvesting een daarmee vergelijkbare kwaliteit heeft. Gebleken is dat bij de huisvesting van arbeidsmigranten op agrarische bedrijven vaak een andere normenset wordt gehanteerd, namelijk de normenset van het Agrarisch Keurmerk Flexwonen (AKF). De keurmerkeisen van de SNF en het AKF komen inhoudelijk grotendeels met elkaar overeen en garanderen een vergelijkbare kwaliteit. De normen van de SNF gelden echter voor alle bedrijfstakken, inclusief de uitzendsector, terwijl de normen van het AKF specifiek zijn gericht op agrarische bedrijven die hun werknemers zelf in dienst hebben. Voor agrarische bedrijven sluit de normenset van het AKF daarom vaak beter aan op hun specifieke situatie. Daarom wordt de normenset van het AKF ook genoemd in de afwijkingsregels voor de huisvesting van arbeidsmigranten.

De voorwaarde komt als volgt te luiden (toevoeging/wijziging is onderstreept): De huisvesting voldoet aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen of aan de normenset van het Agrarisch Keurmerk Flexwonen, zoals die normensets luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag, of heeft ten minste een daarmee vergelijkbare kwaliteit. Deze aanpassing wordt doorgevoerd in alle afwijkingsregelingen die de huisvesting van seizoenarbeiders mogelijk maken.

10. Aanpassing regels voor huisvesting van seizoenarbeiders (verwijderen woonunits of stacaravans als er geen behoefte meer aan is) Het bestemmingsplan maakt het in de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ mogelijk om na verlening van een omgevingsvergunning woonunits of stacaravans te plaatsen voor de huisvesting van seizoenarbeiders. De woonunits of stacaravans zijn uitsluitend toegestaan indien ze noodzakelijk zijn voor de opvang van een tijdelijke grote arbeidsbehoefte binnen het (eigen) bedrijf. De woonunits of stacaravans mogen op het agrarisch bedrijf blijven staan zolang sprake is van een grote arbeidsbehoefte. Het is de intentie dat de woonunits of stacaravans worden verwijderd als de behoefte niet langer aanwezig is. Er is nu echter geen voorwaarde opgenomen die dit bewerkstelligt. Daarom wordt aan artikel 3.3.10 en het gelijkluidende artikel 4.3.10 de volgende bepaling toegevoegd: De woonunits/stacaravans zijn toegestaan zolang er binnen het agrarisch bedrijf sprake is van een tijdelijke grote arbeidsbehoefte en hoeven niet te worden verwijderd tussen twee periodes van grote arbeidsbehoefte. Zodra de tijdelijke grote arbeidsbehoefte op het agrarisch bedrijf definitief niet meer aanwezig is, dienen de woonunits/stacaravans te worden verwijderd.

blad 7 van 16

11. Aanpassing wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van voeder- en watervoorzieningen Artikel 3.6.11 en het gelijkluidende artikel 4.6.10 maken het mogelijk om het plan te wijzigen door een aanduiding toe te voegen om voeder- en watervoorzieningen buiten het bouwvlak toe te staan tot een oppervlakte van maximaal 5.000 m 2. Daarbij is nu bepaald dat de aanduiding moet aansluiten op het bouwvlak of op een bestaande aanduiding. Het is echter mogelijk dat twee maal gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, mits de totale oppervlakte niet boven de 5.000 m2 uitkomt. Het aanduidingsvlak dat in het tweede wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt, mag dan aansluiten op het aanduidingsvlak in het eerste wijzigingsplan. Het is daarom beter om niet te spreken van de ‘bestaande’ aanduiding, omdat het begrip ‘bestaand’ voor de peildatum verwijst naar het moment van inwerkingtreding van de partiële herziening. Het woord ‘bestaande’ wordt daarom verwijderd zodat de regels als volgt komen te luiden: 3.6.11 onder d: De situering dient plaats te vinden aansluitend aan het bouwvlak en/of de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voeder- en watervoorzieningen'. 4.6.10 onder d: De situering dient plaats te vinden aansluitend aan het bouwvlak en/of de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voeder- en watervoorzieningen'.

12. Aanpassing wijzigingsbevoegdheid naar ‘Wonen’ en ‘Tuin’ In diverse bestemmingen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de bestemming te wijzigen in de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ na beëindiging van een (agrarisch) bedrijf. Als het bestemmingsvlak ‘Wonen’ na wijziging groter is dan 5.000 m2 en/of als meer dan 400 m2 aan bijgebouwen en overkappingen wordt toegestaan, is - naast landschappelijke inpassing - kwaliteitsverbetering van het landschap verplicht. Die kwaliteitsverbetering vindt bij voorkeur fysiek plaats, maar kan in uitzonderingsgevallen ook vorm krijgen door storting in het gemeentelijk landschapsfonds. De wijzigingsbevoegdheid naar ‘Wonen en ‘Tuin’ biedt – in tegenstelling tot veel andere wijzigingsbevoegdheden – die mogelijkheid nu niet. De voorwaarden worden daarom aangepast, zodat die overeenstemmen met de voorwaarden in andere wijzigingsbevoegdheden.

De voorwaarden komen als volgt te luiden (toevoeging is onderstreept): [met dien verstande dat] … indien het bestemmingsvlak 'Wonen' groter is dan 5.000 m 2, er tevens dient te worden voorzien in een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied van dit bestemmingsplan; indien een fysieke verbetering ter plaatse niet mogelijk of niet wenselijk is, kan kwaliteitsverbetering plaatsvinden door een passende financiële bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds. Indien meer dan 400 m2 aan bijgebouwen en overkappingen wordt toegestaan, dient tevens te worden voorzien in een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied van dit bestemmingsplan. Indien een fysieke verbetering ter plaatse niet mogelijk of niet wenselijk is, kan kwaliteitsverbetering plaatsvinden door een passende financiële bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds;

13. Aanpassing afwijkingsmogelijkheid sloop-bonusregeling in ‘Wonen’ Artikel 23.3.3 omvat de aangepaste sloop-bonusregeling. Net als in de wijzigingsbevoegdheden naar ‘Wonen’ en ‘Tuin’ (zie aanpassing 12) is kwaliteitsverbetering van het landschap verplicht als meer dan 400 m2 (maximaal 500 m2) aan bijgebouwen en overkappingen wordt toegestaan. Ook hier is abusievelijk niet de mogelijkheid geboden dat kwaliteitsverbetering in uitzonderingsgevallen kan plaatsvinden door storting in het gemeentelijk landschapsfonds. Die optie wordt alsnog toegevoegd. De bepaling komt als volgt te luiden (toevoeging is onderstreept).

blad 8 van 16

Indien op grond van het bepaalde onder b.3 meer dan 400 m 2 aan bijgebouwen en overkappingen wordt toegestaan, dient tevens te worden voorzien in een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied van dit bestemmingsplan. Indien een fysieke verbetering ter plaatse niet mogelijk of niet wenselijk is, kan kwaliteitsverbetering plaatsvinden door een passende financiële bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds.

14. Aanpassing wijzigingsbevoegdheid voor het verwijderen van aanduidingen Artikel 3.6.13 en het gelijkluidende artikel 4.6.12 bevatten een wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt om aanduidingen voor agrarische bedrijven te verwijderen als de bedrijfsvoering van het bedrijf is verwijderd. De wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk om de aanduiding ‘grondgebonden veehouderij’, ‘glastuinbouw’, ‘intensieve veehouderij’ of ‘paardenhouderij’ te verwijderen. Abusievelijk is het niet mogelijk gemaakt om de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geiten- en of schapenhouderij’ respectievelijk ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – geiten- en of schapenhouderij’ te verwijderen. De aanhef van de wijzigingsbevoegdheden wordt aangevuld, zodat het bij bedrijfsbeëindiging mogelijk wordt om ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geiten- en of schapenhouderij’ dan wel ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – geiten- en of schapenhouderij’ in een wijzigingsplan te verwijderen.

15. Mogelijk maken van bruggetjes in de bestemming ‘Bos’ In de partiële herziening zijn in de bestemming ‘Natuur’ naast onverharde paden ook bruggetjes ten behoeve van extensief recreatief medegebruik mogelijk gemaakt tot een bouwhoogte van maximaal 2 meter. Uit oogpunt van uniformiteit is het logisch om deze mogelijkheid ook aan de bestemming ‘Bos’ toe te voegen. De betreffende bepaling in de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Bos’ komt als volgt te luiden (toevoeging is onderstreept): onverharde paden en bruggetjes ten behoeve van extensief recreatief medegebruik; De bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde in de bestemming ‘Bos’ worden als volgt aangepast (toevoeging is onderstreept): Op en in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van bruggetjes, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m.

blad 9 van 16

16. Correctie van omgevingsvergunningenstelsel in bestemmingen ‘Bos’ en ‘Natuur’ Zowel in de bestemming ‘Bos’ als in de bestemming ‘Natuur’ is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Onder andere het verwijderen van houtgewas, het verwijderen van kleine natuurelementen en het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden is uitsluitend toegestaan nadat een omgevingsvergunning is verleend. In het omgevingsvergunningenstelsel is nu ook bepaald dat het aanbrengen, verbreden of verharden van paden ten behoeve van extensief recreatief medegebruik uitsluitend is toegestaan nadat een vergunning is verleend. Het is wenselijk om deze bepaling te laten vervallen. De reden daarvoor is tweeledig: 1. Het verharden van paden is in deze bestemmingen uitgesloten en dus überhaupt niet mogelijk. Op grond van de bestemmingsomschrijving zijn namelijk uitsluitend onverharde paden toegestaan. Het is daarom niet correct – en niet wenselijk – om via het omgevingsvergunningenstelsel verharding van paden mogelijk te maken. 2. Een vergunningplicht voor het aanleggen of verbreden van onverharde paden is niet noodzakelijk en leidt slechts tot onnodige procedures. De relevante natuurgebieden in de gemeente Etten-Leur zijn in eigendom en beheer van natuurbeherende organisaties die een verantwoord beheer van hun bos- of natuurgebied voeren.

Juist in het kader van de bescherming van natuurwaarden kan het nodig zijn om paden aan te brengen en/of routes te verleggen, bijvoorbeeld om een nieuwe zonering (en rustgebieden) te creëren. Het is niet nodig om voor dit soort ingrepen een vergunningplicht te hebben. Daarom wordt de bepaling ‘Het aanbrengen, verbreden of verharden van paden ten behoeve van extensief recreatief medegebruik’ verwijderd uit artikel 8.4.1 en artikel 14.4.1.

17. Verwijderen regel afstand hoofdgebouwen tot de weg Bollenstraat 6 In het ontwerpbestemmingsplan is een regel opgenomen die bepaalt dat de afstand van het hoofdgebouw tot de as van de openbare weg ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting Bollenstraat 6’ niet minder dan 18 meter mag bedragen. Deze regel was overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Bollenstraat 6’. Inmiddels zijn de nieuwe woningen op deze locatie vergund en gebouwd. De planregel is daarom niet meer nodig en wordt verwijderd uit de planregels.

18. Correctie van ‘hoogte’ in ‘bouwhoogte’ In een aantal leden wordt gesproken van ‘hoogte’, waar wordt gedoeld op ‘bouwhoogte’. Het woord ‘hoogte’ wordt in de volgende artikelen vervangen door het woord ‘bouwhoogte’: − 15.3.3 onder a − 19.2.1 − 20.2.1 − 21.2.1

19. Verduidelijking afwijkingsmogelijkheid in dubbelbestemming ‘Leiding’ Artikel 24.3.2 maakt het mogelijk om via afwijking in de dubbelbestemming ‘Leiding’ gebouwen of overkappingen ten dienste van een leiding te bouwen. De aanhef van dit artikel wordt als volgt verduidelijkt (toevoeging is onderstreept): Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 24.2.1 voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de betreffende leiding, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

blad 10 van 16

20. Aanpassing omgevingsvergunningenstelsel in dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’ Het omgevingsvergunningenstelsel van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’ bepaalt dat voor verschillende werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig is. Hieronder valt ook het verzetten van grond. Grondwerkzaamheden waarvoor een vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet zijn uitgezonderd van de vergunningplicht, aangezien de gevolgen van dergelijke ontgrondingen exclusief in het kader van de ontgrondingsvergunning worden getoetst. Het is wenselijk om hierbij te bepalen dat, als de Ontgrondingenwet wordt vervangen door andere wet- of regelgeving, de uitzondering ook geldt. De bepaling komt als volgt te luiden (toevoeging is onderstreept): [Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:] a. Het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet, dan wel de wet- en/of regelgeving die daarvoor in de plaats treedt.

21. Aanpassing omgevingsvergunningenstelsel artikel 36.7 Artikel 36.7 bevat een omgevingsvergunningenstelsel ter bescherming van verschillende aangeduide waarden. Artikel 36.7.2 bevat een aantal werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunningplicht niet geldt, waaronder werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van vrijwillig landschapsbeheer. Hiervoor wordt verwezen naar de regeling ‘Particulier landschapsbeheer Etten-Leur’ en het provinciale ‘Groen Blauw stimuleringskader’. Het is wenselijk om hierbij te bepalen dat, als deze regelingen worden vervangen door actuelere regelgeving, de uitzondering ook geldt. De bepalingen komen als volgt te luiden (toevoeging is onderstreept): [Het in 36.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:] […] e. Betreffen het verwijderen van landschapselementen die gerealiseerd zijn op grond van de gemeentelijke regeling ‘Particulier landschapsbeheer Etten - Leur’ en/of het provinciale ‘Groen Blauw stimuleringskader’, dan wel een regeling die daarvoor in de plaats treedt, en waarvoor op grond van genoemde regelingen geen vergoeding voor waardedaling van de onderliggende grond is ontvangen. f. […] g.

Betreffen het aanbrengen van landschapselementen op grond van de gemeentelijke regeling ‘Particulier landschapsbeheer Etten - Leur’ en/of het provinciale ‘Groen Blauw stimuleringskader’, dan wel een regeling die daarvoor in de plaats treedt.

22. Verwijderen landschappelijk inpassingsplan 6.4 (Heigatstraat 15) In het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is in bijlage 6.4 een landschappelijk inpassingsplan voor het perceel Heigatstraat 15 opgenomen, dat is gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting in artikel 3.4.12, onder d. Op 24 november 2020 is het wijzigingsplan ‘Buitengebied, Heigatstraat 15’ vastgesteld, waarin uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf mogelijk is gemaakt. Er is ten behoeve van deze uitbreiding een nieuw landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin de eerdere landschappelijke inpassing is overgenomen en aangevuld. Het wijzigingsplan is ongewijzigd overgenomen in de partiële herziening en het actuele landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als bijlage 6.15. Omdat dit nieuwe inpassingsplan het eerdere landschappelijk inpassingsplan heeft vervangen, wordt bijlage 6.4 verwijderd en wordt de voorwaardelijke verplichting die hiernaar verwijst, verwijderd uit de planregels.

blad 11 van 16

23. Aanpassing titelblad landschappelijk inpassingplan 6.10 (Vlaanderbos 6) Op het titelblad van landschappelijk inpassingsplan 6.10 is aangegeven dat het de locatie Bankenstraat 17 betreft. Dat is niet correct: het landschappelijk inpassingsplan heeft betrekking op de locatie Vlaanderbos 6. Het titelblad wordt aangepast door de correcte locatie te benoemen.

24. Aanpassing titelblad landschappelijk inpassingplan 6.14 (Teerlingstraat 25 e.o.) Op het titelblad van landschappelijk inpassingsplan 6.14 is aangegeven dat het de locatie Teerlingstraat 13 betreft. Dat is niet correct: het landschappelijk inpassingsplan heeft betrekking op de locatie Teerlingstraat 25 e.o.. Het titelblad wordt aangepast door de correcte locatie te benoemen.

25. Voorwaardelijke verplichting landschappelijk inpassingsplan Grauwe Polder 192 Het wijzigingsplan ‘Wijziging Buitengebied, Grauwe Polder 192’ is overgenomen in de partiële herziening. In het kader van het wijzigingsplan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dat als bijlage bij de toelichting van het wijzigingsplan is opgenomen. Het is wenselijk om uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan nu ook – net als op andere ontwikkelingslocaties die zijn overgenomen uit wijzigingsplannen of postzegelbestemmingsplannen – via een voorwaardelijke verplichting te koppelen aan de regels. In de bestemming ‘Wonen’ wordt de volgende regeling toegevoegd in artikel 23.4.6: De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - voorwaarde landschappelijke inpassing 11.8' mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van wonen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 11.8 bij deze regels. Het landschappelijk inpassingsplan voor Grauwe Polder 192 wordt als bijlage 11.8 bij de regels opgenomen.

26. Aanpassing oppervlakte kinderopvang als nevenactiviteit In de tabel met nevenfuncties en verbrede landbouw (bijlage 1 bij de regels) is voor de nevenactiviteit kinderopvangvoorzieningen een maximale oppervlakte van 100 m2 opgenomen. Bij de behandeling van een concreet verzoek voor kinderopvang is in de afgelopen periode een oppervlakte van 150 m2 toelaatbaar geacht, ook in zijn algemeenheid, en vergund. Om in vergelijkbare gevallen dezelfde mogelijkheid te bieden, wordt de oppervlakte van kinderopvangvoorzieningen die via afwijking kan worden toegestaan verhoogd van 100 m2 naar 150 m2.

27. Aanvullen regels met specifieke regels uit wijzigingsplannen De regels van de partiële herziening worden aangevuld met specifieke regels (onder andere de voorwaardelijke verplichtingen) uit de wijzigingsplannen ‘Buitengebied, Liesbosweg 380 & Teerlingstraat 20’, ‘Buitengebied, Klappenberg 12’ en ‘Buitengebied, Lage Donk 12’ (zie ook paragraaf 2 van deze nota).

28. Tekstuele en technische aanpassingen Naast inhoudelijke aanpassingen – zoals hiervóór genoemd – worden in de regels enkele tekstuele en technische aanpassingen gedaan. Spel- en zinsbouwfouten worden gecorrigeerd en foutieve verwijzingen worden aangepast. Waar nodig worden bepalingen tekstueel aangepast zodat ze overeenstemmen met vergelijkbare bepalingen elders in de planregels. Waar ten gevolge van ambtshalve aanpassingen (sub)leden worden verwijderd of ingevoegd, worden de daaropvolgende (sub)leden hernummerd. Deze aanpassingen hebben geen inhoudelijke gevolgen.

blad 12 van 16

4

Aanpassingen van de verbeelding 29. Aanduidingen voor landschappelijke inpassing Grauwe Polder 192 In verband met de koppeling van het landschappelijk inpassingsplan voor Grauwe Polder 192 aan de planregels (zie ook onder aanpassing van de planregels) wordt op de woonbestemming voor de woning Grauwe Polder 192 de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - voorwaarde landschappelijke inpassing 11.8' opgenomen.

30. Correctie dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van TenneT is de dubbelbestemming van de hoogspanningsleiding Laakschevaart – Etten in het ontwerpbestemmingsplan gecorrigeerd. Op bepaalde gronden is de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ toegevoegd en op andere gronden is de dubbelbestemming vervallen door toevoeging van de aanduiding ‘overige zone – leiding hoogspanningsverbinding vervallen’. De aanpassingen zijn in het ontwerpbestemmingsplan ingetekend op basis van informatie uit een GIS-viewer van TenneT. Inmiddels heeft TenneT een digitaal tekenbestand aangeleverd met de correcte ligging van de dubbelbestemming. De verbeelding wordt gecontroleerd aan de hand van dit tekenbestand en wordt – indien nodig – aangepast zodat de dubbelbestemming exact overeenstemt met de kaart van TenneT.

31. Aanpassen plangebied Deurnestraat 2-2a De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak over het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (201311248/1/R3, 20 mei 2015) de woonbestemmingen voor Deurnestraat 2 en 2a vernietigd. Voor deze gronden geldt dus niet het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 2013, maar het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 1998. Omdat het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 2013 hier niet het geldende plan is, kan de partiële herziening geen betrekking hebben op deze gronden. Het plangebied van de partiële herziening wordt aangepast, zodat de vernietigde woonbestemmingen van Deurnestraat 2 en 2a buiten het plangebied worden gelaten.

32. Aanpassen plangebied Hoge Bremberg 33c Het college van burgemeester en wethouders heeft op 23 februari 2021 het wijzigingsplan ‘Buitengebied, Hoge Bremberg 33c’ vastgesteld. Het wijzigingsplan is niet onherroepelijk omdat er beroep is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vanwege de lopende beroepszaak is het niet wenselijk om de gronden van het wijzigingsplan nu op te nemen in de partiële herziening. Het plangebied van de partiële herziening wordt daarom aangepast door het plangebied van het wijzigingsplan ‘Buitengebied, Hoge Bremberg 33c’ buiten het plangebied te laten.

33. Overnemen wijzigingsplannen op de verbeelding De wijzigingsplannen ‘Buitengebied, Liesbosweg 380 & Teerlingstraat 20’, ‘Buitengebied, Klappenberg 12’ en ‘Buitengebied, Lage Donk 12’ worden overgenomen op de verbeelding van de partiële herziening (zie ook paragraaf 2 van deze nota). De verbeeldingen worden inhoudelijk één op één overgenomen, maar er worden wel aanpassingen gedaan zodat deze delen van de verbeelding zich voegen in de overkoepelende systematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, bijvoorbeeld door de aanduidingen voor de voorwaardelijke verplichtingen door te nummeren. Inmiddels is geconstateerd dat op de verbeelding van het wijzigingsplan ‘Buitengebied, Liesbosweg 380 & Teerlingstraat 20’ de aanduiding voor de voorwaardelijke verplichting abusievelijk niet is opgenomen voor de locatie Teerlingstraat 20. Dit wordt hersteld door in de partiële herziening alsnog een aanduiding toe te voegen.

blad 13 van 16

34. Technische aanpassingen Naast inhoudelijke aanpassingen – zoals hiervóór genoemd – worden op de verbeelding enkele technische aanpassingen gedaan. Zo is in het ontwerpbestemmingsplan bij een aantal maatvoeringsaanduidingen op de digitale verbeelding uitsluitend de maatvoering aangegeven (850) in plaats van de maatvoering plus de eenheid (850 m3). Deze aanpassingen hebben geen inhoudelijke gevolgen, maar dienen slechts ter verduidelijking van de verbeelding.

blad 14 van 16

5

Aanpassingen van de toelichting 35. Completeren overzicht van overgenomen plannen In paragraaf 2.4 van de toelichting is een overzicht opgenomen van postzegelbestemmingsplannen en wijzigingsplannen die zijn overgenomen in de partiële herziening. Gebleken is dat enkele plannen die wél zijn opgenomen op de verbeelding niet zijn opgenomen in deze tabel. De tabel wordt daarom aangevuld met de volgende plannen: − Wijzigingsplan ‘Buitengebied, Waterbassin Bankenstraat 19’; − Wijzigingsplan ‘Buitengebied, Sprundelsebaan 91’. Daarnaast worden de wijzigingsplannen ‘Buitengebied, Liesbosweg 380 & Teerlingstraat 20’, ‘Buitengebied, Klappenberg 12’ en ‘Buitengebied, Lage Donk 12’ toegevoegd aan deze tabel omdat ze bij de vaststelling worden overgenomen in het bestemmingsplan (zie ook paragraaf 2 van deze nota).

36. Aanvullen van de juridische toelichting (SVBP 2008 versus SVBP 2012) Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is vastgesteld in 2013 en voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP 2008). Voor de partiële herziening is gebruik gemaakt van de actuele Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hoewel de SVBP 2008 en de SVBP 2012 inhoudelijk grotendeels overeenkomen, zijn er kleine verschillen tussen beide standaarden. De SVBP 2012 verplicht bijvoorbeeld om, als een gebiedsaanduiding wordt gebruikt die niet voorkomt in de ‘standaardlijst’ met gebiedsaanduidingen, daaraan de woorden ‘overige zone’ toe te voegen. Dit leidt tot kleine, tekstuele verschillen tussen de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en de verbeelding van de partiële herziening. De gebiedsaanduiding ‘beekdal’ uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ komt op de verbeelding van de partiële herziening bijvoorbeeld terug als ‘overige zone – beekdal’. Hetzelfde geldt voor maatvoeringsaanduidingen: de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ staat nu als ‘maximum bouwhoogte (m)’ op de verbeelding. Er kan voor worden gekozen om de planregels hierop aan te passen, bijvoorbeeld door overal waar dat voorkomt beide aanduidingsnamen te benoemen.

Bijvoorbeeld voor artikel 4.2.4 onder a: ‘Teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'beekdal'/’overige zone – beekdal’, 'groenblauwe mantel’/’overige zone – groenblauwe mantel’, ‘landschappelijk afwisselend gebied’/’overige zone - landschappelijk afwisselend gebied’, ‘landschappelijk open gebied’/’overige zone – landschappelijk open gebied’, 'leefgebied kwetsbare soorten’/'overige zone - leefgebied kwetsbare soorten’, 'leefgebied struweelvogels’/’overige zone – leefgebied struweelvogels’. Dit komt de leesbaarheid van de planregels echter niet ten goede, terwijl evident is dat met de aanduiding ‘beekdal’ en ‘overige zone – beekdal’ op dezelfde aanduiding wordt gedoeld. De regels worden daarom niet aangepast. Wel wordt aan hoofdstuk 4 van de toelichting (het hoofdstuk ‘Juridische opzet’) een passage toegevoegd waarin de (tekstuele) verschillen tussen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en de partiële herziening worden toegelicht. In geval van twijfel kan hierop worden teruggevallen.

blad 15 van 16

37. Aanvullen van de juridische toelichting (uitleg rode tekst) De toevoegingen en doorhalingen ten opzichte van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn in de planregels van de partiële herziening in rode tekst weergegeven. Bij publicatie van het ontwerpbestemmingsplan is gebleken dat in de digitale versie van het plan de letters en nummers die vóór de tekst staan niet altijd rood worden weergegeven, terwijl dit in de analoge (papieren) versie wel het geval is. Een vergelijkbaar iets geldt voor de kopjes boven de artikelen: wijzigingen daarin worden zowel in de digitale als in de analoge versie niet rood weergegeven. Dit alles heeft een technische oorzaak en kan niet eenvoudig worden gecorrigeerd. Voor de inhoud van het plan is het ook niet essentieel dat de nummers in rode tekst worden weergegeven. Aan hoofdstuk 4 van de toelichting (‘Juridische toelichting’ wordt een passage toegevoegd waarin dit wordt toegelicht. In geval van twijfel kan hierop worden teruggevallen.

38. Toelichting in overeenstemming brengen met aanpassingen verbeelding en regels De toelichting wordt in overeenstemming gebracht met de aanpassingen op de verbeelding en in de planregels zoals die hiervóór zijn genoemd.

39. Tekstuele aanpassingen In de toelichting worden enkele tekstuele aanpassingen gedaan door spel- en zinsbouwfouten te corrigeren. Waar nodig worden passages herschreven of aangevuld om de tekst te verduidelijken.

blad 16 van 16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=14d7017e-a112-497f-9119-22ecdc537e45