Bijlage 5 - Ruimtelijke onderbouwing Windturbine Hoge Zijpolder.pdf
Tekst van het document
33 Sectorale t
33
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
De realisatie van Windturbine Hoge Zijpolder heeft geen effecten op habitattypen of soorten van Bijlage II waarvoor Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn aangewezen. Ook zijn effecten op broedvogels en niet-broedvogels op voorhand uitgesloten, omdat het plangebied geen of nauwelijks functie voor ze heeft en de windturbine (of als onderdeel van het bestaande windpark) geen barrière vormt voor passerende vogels uit de beschermde gebieden. Significant verstorende effecten (inclusief sterfte) kunnen, met inbegrip van cumulatieve effecten, met zekerheid worden uitgesloten. Een negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen is met zekerheid uitgesloten. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr). Het aanvragen van een vergunning in kader van gebiedsbescherming Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk. Natuur Netwerk Nederland (NNN) De geplande windturbine staat buiten het Natuurnetwerk Brabant en er is eveneens geen sprake van overdraai. De aanleg en het gebruik van de windturbine Hoge Zijpolder leidt met zekerheid ook niet tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. In de omgeving van het projectgebied zijn ook geen overige beschermde gebieden binnen de invloedssfeer van het projectgebied aanwezig.
Op circa 150 m ten zuiden van de planlocatie liggen wel onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant. Deze delen hebben als beheertype ‘Beek en bron’, ‘Kruidenen faunarijk grasland’, ‘Zoete plas’ en ‘Hoog- en laagveenbos’. Met uitzondering van het laatste beheertype betreffen de doelsoorten uitsluitend, planten, vissen en libellen. De geplande windturbine zal op deze soorten geen effect hebben en dus de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk niet aantasten. Het beheertype ‘Hoog- en laagveenbos’ heeft weliswaar enkele broedvogels als doelsoort, maar gelet op de afstand tussen betreffende bospercelen en de geplande turbine (>400m) zijn ook voor dit beheertype geen effecten te verwachten. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant zijn uitgesloten. Voor zowel de onder- als de bovengrens van de geplande windturbine is de jaargemiddelde geluidsproductie vergeleken met de huidige geluidsbelasting en resterende geluidsruimte van het nabijgelegen NNB. Als het geluid van de geplande windturbine hoger is dan de geluidsruimte is er sprake van verstoring. Voor de gehele bandbreedte van de geplande windturbine is hier in meer of mindere mate sprake van, waarmee een compensatieverplichting optreedt overeenkomstig artikel 3.22 ‘Compensatie’ van de provinciale Interim Omgevingsverordening.
Gekozen wordt voor financiële compensatie overeenkomstig artikel 3.24 ‘Financiële compensatie’ gelet op het beperkte oppervlakte dat verstoord wordt. Financiële compensatie komt ten goede aan een provinciaal fonds, waaruit grotere (meer substantiële) natuurprojecten kunnen worden gefinancierd. De financiële compensatie heeft geen invloed op de (ruimtelijke) uitvoerbaarheid van het project. Soortenbescherming In de aanlegfase kunnen de werkzaamheden leiden tot overtreding van verbodsbepalingen als gevolg van vernietigen of aantasten van nesten en eieren van broedvogels. Overtreding van deze verbodsbepalingen moet voorkomen worden (zie Sectorale t
34 34
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
maatregelen in Natuurrapport §16.2). Voor vleermuizen kan, om verstoring tot een minimum te beperken, gewerkt worden middels vleermuisvriendelijke verlichting (zie maatregelen in Natuurrapport §16.2). In de exploitatiefase van de windturbine zal er sprake zijn van jaarlijkse sterfte van vleermuizen en vogels. Dit als gevolg van aanvaringen met de draaiende rotorbladen. Voor Windturbine Hoge Zijpolder worden jaarlijkse aanvaringsslachtoffers voorzien onder wilde eend, kokmeeuw, stormmeeuw, kievit, scholekster, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen art. 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hiervoor dient een ontheffing Wnb te worden aangevraagd. Een ontheffing kan verleend worden indien effecten op de gunstige staat van instandhouding zijn uitgesloten. Voor voornoemde soorten geldt dat de verwachte sterfte (ruimschoots) onder de 1%-mortaliteitsnorm ligt. Effecten op de gunstige staat van instandhouding voor betrokken soorten zijn met zekerheid uitgesloten. Het plangebied heeft geen betekenis voor strikt beschermde soorten flora, vissen, amfibieën, reptielen en grondgebonden zoogdieren / zeezoogdieren, ongewervelden en overige fauna.
Het plangebied biedt voor dergelijke beschermde soorten ook geen geschikt leefgebied, dan wel komen er algemene beschermde soorten voor waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene provinciale vrijstelling geldt. Een ontheffing soortbescherming voor overige beschermde soorten is hierdoor niet aan de orde. Zorgplicht ter voorkoming van verstoring in bijvoorbeeld de aanlegfase blijft wel van toepassing.
4.4.3
Conclusie De werkzaamheden kunnen in overeenstemming met de bepalingen uit de wet worden uitgevoerd door zorgvuldig te handelen en het nemen van een enkele preventieve maatregelen t.a.v. vogels en eventueel vleermuizen (zie Bijlage C Natuurrapport). Het aanvragen van een ontheffing soortenbescherming Wnb is noodzakelijk voor het verstoren en/of onopzettelijk doden van vogels en vleermuizen als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde ecologisch onderzoek is het de verwachting dat de ontheffing Wnb wordt verleend door de provincie Noord-Brabant. Vanwege de compensatieverplichting overeenkomstig artikel 3.22 ‘Compensatie’ wordt gekozen voor financiële compensatie overeenkomstig artikel 3.24 ‘Financiële compensatie’ van de provinciale Interim Omgevingsverordening. Het aanvragen van een vergunning op grond van de gebiedsbescherming uit de Wnb is niet noodzakelijk. Significant verstorende effecten (inclusief sterfte) kunnen, met inbegrip van cumulatieve effecten, met zekerheid worden uitgesloten. Een negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen is met zekerheid uitgesloten. Omdat voor soortenbescherming een ontheffing Wnb wordt aangevraagd, staat het onderdeel Ecologie uitvoering van het project niet in de weg.
35 Sectorale t
35
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Toetsingskader Vanwege de kans op falen kunnen windturbines een risico opleveren voor de omgeving. Bij de toetsing op veiligheidsaspecten wordt gebruik gemaakt van verschillende (wettelijke) kaders. (Beperkt) kwetsbare objecten De normstelling omtrent windturbines en objecten waar personen verblijven volgt uit het Activiteitenbesluit: 1.
2.
Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.
Zie bijlage D (Externe veiligheidsonderzoek) voor de definities van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Op de 10-6 contour heeft een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, een kans op overlijden van één keer in de miljoen jaar als rechtstreeks gevolg van een falende windturbine. Op de 10-5 contour is deze kans één keer in de honderdduizend jaar. Infrastructuur Voor Rijkswegen zijn generieke afstanden berekend waarbuiten er geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden. Het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” staan de minimale afstanden tot Rijkswegen gegeven: “Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter”. Voor de overige openbare wegen bestaan geen genormeerde afstanden, waardoor kleinere afstanden mogelijk zijn. In de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s” staan de richtlijnen gegeven. Vaarwegen Ook voor vaarwegen in beheer van Rijkswaterstaat zijn generieke afstanden berekend waarbuiten er geen ontoelaatbare risico’s plaatsvinden.
De “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” beschrijft op dit vlak dat windturbines zijn toegestaan bij een afstand van ten minste 50 meter uit de rand van de vaarweg of, indien groter, ten minste de helft van de rotordia-
36 Sectorale t
36
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
meter. Echter is een nieuwe beleidsregel in voorbereiding waarin staat dat de afstand van windturbines tot de vaarweg minimaal gelijk moet zijn aan de wieklengte + 30 meter. Voor vaarwegen die niet in beheer zijn van Rijkswaterstaat zijn geen generieke afstanden berekend. Omdat verondersteld mag worden dat de minimale veiligheidsafstanden tot rijkwaterstaatswerken ook voor vaarwegen buiten het beheer van Rijkswaterstaat toereikend zijn wordt de beleidsregel van wieklengte + 30 meter ook voor deze vaarwegen overgenomen. Regionale waterkering Voor de windturbine dient een watervergunning te worden aangevraagd indien deze binnen de beschermingszone (zowel beschermingszone A als B) van de regionale waterkering worden geplaatst. Hierbuiten geldt geen vergunningsplicht en hoeven de externe veiligheidseffecten derhalve niet getoetst te worden.
4.5.2
Onderzoek In het kader van de ruimtelijke onderbouwing voor de omgevingsvergunningaanvraag is een risicoanalyse uitgevoerd (zie Bijlage D). Omdat de externe veiligheidseffecten het grootst zullen zijn voor een windturbine waarvan de afmetingen met de bovengrens van de bandbreedte overeenkomen zijn deze alleen voor de bovengrens berekend. Indien de windturbine met afmetingen overeenkomstig met de bovengrens vanuit het oogpunt van externe veiligheid toelaatbaar zal zijn dan is dit ook het geval voor kleinere windturbines die binnen de bandbreedte mogelijk zijn. Tabel 7 geeft de eigenschappen van de windturbine weer die ten behoeve van het externe veiligheidsonderzoek is doorgerekend:
Tabel 7
Eigenschappen van de gekozen windturbinetypes Risicocontouren (m) Ashoogte Rotordia(m) meter (m) 10-5 10-6 85 197 115 170
Maximale werpafstand (m) Nominaal toerental overtoeren 167 441
Onderstaande afbeelding geeft weer welke objecten voorkomen binnen de invloedssfeer van de windturbine.
37 Sectorale t
37
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 10
Maximale werpafstand bij overtoeren en omliggende objecten.
38 Sectorale t
38
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
(Beperkt) kwetsbare objecten Binnen de 10-5 en 10-6 contour van de windturbine is nagegaan of hier (geprojecteerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn. Figuur 11 toont dat dit niet het geval is. Derhalve wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten. Figuur 11
Risicocontouren en (geprojecteerd) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rondom de windturbine
39 Sectorale t
39
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Wegen Voor de windturbine is nagegaan of deze over een (openbare) weg draait. Figuur 12 laat zien dat de windturbine boven een (wandel)pad zal overdraaien. Dientengevolge is voor de windturbine de kans berekend dat een persoon wordt geraakt door een afgebroken wiek, mast en/of gondel. Hieruit volgt een trefkans van 8,04 * 10-13 per passage. Figuur 12
Overdraai door de windturbine boven openbare wegen
Uit de trefkans per passage volgt dat aan het Individuele Passanten Risico (IPR; 106 ) wordt voldaan zolang één passant de windturbines niet vaker passeert dan 1.244.552 keer per jaar; oftewel 3.409 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon. Er wordt aan het Maatschappelijk Risico (MR; 2*10-3) voldaan zolang het aantal passanten dat de windturbines passeert niet meer is dan 2.489.105.186 per jaar. Dit komt overeen met 6.819.466 passages per dag, gedurende een heel jaar. Gelet op de aard van het pad is het niet realistisch dat het IPR of MR wordt overschreden. Bovendien is het pad, in eigendom van waterschap Brabantse Delta, niet openbaar toegankelijk.
40 Sectorale t
40
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Vaarwegen Figuur 13 laat zien dat de windturbine buiten de door Rijkswaterstaat gehanteerde afstandseis van wieklengte + 30 meter zal worden geplaatst. Derhalve mag gesteld worden dat eventueel aanwezige veiligheidseffecten van de windturbine op de vaarweg toelaatbaar zullen zijn. Figuur 13
Ligging van de vaarweg ten opzichte van de windturbine
41 Sectorale t
41
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Waterkeringen Binnen de invloedssfeer van de windturbine bevindt zich een regionale waterkering. De ligging van deze waterkering is in onderstaande afbeelding weergegeven: Figuur 14
Ligging van de waterkering ten opzichte van de windturbine
Omdat de windturbine buiten de beschermingszones van de regionale waterkering geplaatst zal worden hoeft hiervoor geen watervergunning te worden aangevraagd. Derhalve hoeven de externe veiligheidseffecten van de windturbine op de regionale waterkering ook niet getoetst te worden.
4.5.3
Conclusie Binnen de invloedssfeer van de windturbine zijn (beperkt) kwetsbare objecten, wegen, een vaarweg en een regionale waterkering aanwezig. Met het plan wordt voldaan aan de veiligheidseisen omtrent (beperkt) kwetsbare objecten omdat deze allen buiten de 10-6 contour van de windturbine liggen. Van de omliggende wegen is slechts bij het wandelpad sprake van overdraai. Gezien de trefkans per passage is het echter niet realistisch dat ten aanzien van dit wandelpad het IPR of MR zal worden overschreden. De vaarweg is op grotere afstand dan één wieklengte + 30 meter van de windturbine gelegen, waardoor deze voldoet aan de door Rijkswaterstaat gehanteerde veiligheidsafstand tot vaarwegen. Derhalve mag gesteld worden dat de veiligheidseffecten op de vaarweg toelaatbaar klein zullen zijn. Verder zal de windturbine niet binnen de beschermingszone van de regionale waterkering komen te staan, waardoor geen watervergunning hoeft te worden aangevraagd en de veiligheidseffecten van de windturbine op de regionale waterkering niet hoeven te
Sectorale t
42 42
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
worden berekend. In het kader van vooroverleg zijn de (relevante) stukken met het waterschap Brabantse Delta gedeeld, besproken en akkoord bevonden. De overdraai van de windturbine over de gronden van het waterschap wordt notarieel geregeld.
4.6
Landschap
4.6.1
Toetsingskader Door hun grote afmetingen hebben windturbines een grote impact op het landschap. Er is geen relevante wet- of regelgeving over landschap. In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) heeft de minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) aangegeven dat de verantwoordelijkheid van beleid over landschappen niet langer een Rijksverantwoordelijkheid is, maar van de provincies. Eén van de doelstellingen van SVIR is ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuur-historische en natuurlijke kwaliteiten. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant zijn de kernkwaliteiten beschreven. Die zijn uitgewerkt in de gebiedspaspoorten. Hierin gaat het zowel om kenmerken als om ambities: voor ieder gebied zijn die weergegeven op verschillende kaarten en in verschillende teksten. Artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant meldt het volgende: ”Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.“ Hiertoe wordt conform lid 4 van dit artikel een eenmalige financiële bijdrage geleverd in een gemeentelijke fonds van € 10.000,- per MW.
In zowel het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Etten-Leur als de door dezelfde gemeente opgezette StructuurvisiePlus 2020 is beschreven dat met name de openheid van het landschap in het noordelijk deel van Etten-Leur uitermate waardevolle karakteristiek is. Het overwegend open landschap is gestructureerd door de waterlopen met dijken en bomenrijen daarlangs. In de open ruimte liggen erfbeplantingen als zelfstandige, compacte puntelementen. De realisatie van windturbine Hoge Zijpolder zal gebeuren binnen een bestaande situatie waarin de opwekking van duurzame energie (windenergie) al sterk aanwezig is in het landschap. De windturbine Hoge Zijpolder zal een landschappelijke eenheid (cluster) vormen met de bestaande drie windturbines van Groene Dijk II. Rondom het projectgebied is sprake van meerdere landschapstypen. In het projectgebied zelf én ten noorden hiervan is voornamelijk sprake van open zeekleigebied. Richting het zuiden bevindt zich het overgangsgebied naar het zandlandschap.
43 Sectorale t
43
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 15
De landschapstypen in en rondom het projectgebied. Projectgebied schematisch weergegeven met rood. Bron: Milieuvisie 2010 – 2020 Gemeente Etten-Leur
4.6.2
Onderzoek Het initiatief wordt beoordeeld op de mate waarin het landschap beïnvloed wordt. Voor de beoordeling worden de volgende criteria gehanteerd: -
Koppeling met landschapsstructuur Herkenbaarheid van de opstelling in het landschap Visuele rust & Horizon Visuele interferentie met andere windparken
Bij de criteria wordt er op verschillende wijzen gekeken naar de landschappelijke uitbreiding van het bestaande windpark Groene Dijk II met één extra windturbine: Windturbine Hoge Zijpolder. Deze windturbine wordt landschappelijk gezien gesitueerd in dezelfde lijn als die van de al bestaande windturbines van Windpark Groene Dijk II. Bij de criteria ‘Koppeling met landschapsstructuur’ en ‘Herkenbaarheid van de opstelling in het landschap’ wordt daarom gekeken naar de lijnopstelling in zijn geheel (dus naar alle vier de windturbines). Bij het criterium ‘Visuele rust & Horizon’ wordt er gekeken naar de huidige situatie en de eventuele extra impact die de plaatsing van windturbine Hoge Zijpolder heeft. Dit wordt mede gedaan omdat de nieuwe windturbine andere dimensies kan hebben waardoor er zowel een impact op visuele rust kan zijn van de gehele lijnopstelling als van de extra windturbine t.o.v. het bestaande windpark Groene Dijk II. Sectorale t
44 44
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Voor het laatste criterium ‘Visuele interferentie met andere windparken’ wordt gekeken naar de vier windturbines als een eenheid. Visuele interferentie t.o.v. Windpark Groene Dijk II en andere windparken is al aanwezig in de bestaande situatie. Daarom wordt er vanuit gegaan dat de plaatsing van één extra windturbine hier minimale extra impact op heeft. Figuur 16
Het beoogde initiatief de realisatie van windturbine Hoge Zijpolder. Te zien is hoe de extra windturbine Hoge Zijpolder landschappelijk gezien in de lijnopstelling van windpark Groene Dijk II wordt gesitueerd.
Visualisaties Als onderdeel van de landschapsbeschrijving zijn visualisaties opgesteld vanuit 5 kijkpunten. Figuur 17 geeft een overzicht van de kijkpunten vanuit waar Windturbine Hoge Zijpolder is gevisualiseerd. Vanuit elke locatie zijn er telkens twee visualisaties gemaakt. Eén van de ondergrens (o) en één van de bovengrens9 (b). Er worden onderstaand vanuit twee waarnemingspunten een foto en twee visualisaties getoond. De eerste foto is van de huidige situatie. De twee andere zijn visualisaties van de onder- en bovengrens. De overige visualisaties zijn te vinden in de interactieve visualisatiekaart, Bijlage E. De kijkpunten zijn zodanig gekozen dat vanuit iedere windrichting minstens één visualisatie is opgesteld. Het kan echter wel zijn dat de afstanden tussen een kijkpunt en Windturbine Hoge Zijpolder per windrichting verschillen. Dit kan het geval zijn doordat visuele belemmeringen (bomen, huizen, etc.) het onmogelijk maken om Windturbine Hoge Zijpolder vanaf een bepaalde locatie te visualiseren.
9
Sectorale t
Voor de bovengrens van de bandbreedte wordt een windturbine gevisualiseerd met een maximale tiphoogte en een maximale rotordiameter, omdat dit visueel de meeste impact heeft.
45 45
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 17
Overzichtskaart met de 5 kijkpunten vanuit waar visualisaties zijn gegenereerd.
Figuur 18
Foto van Windpark Groene Dijk II. Foto genomen vanaf Langeweg ten noordoosten van het windpark (kijkpunt 4). Op de voorgrond is Windpark Zwartenbergseweg goed zichtbaar.
46 Sectorale t
46
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 19
Visualisatie vanuit kijkpunt 4 (ondergrens) van de Windturbine Hoge Zijpolder. Foto genomen vanaf Langeweg ten noordoosten van het windpark. Op de voorgrond is Windpark Zwartenbergseweg goed zichtbaar.
Figuur 20
Visualisatie vanuit kijkpunt 4 (bovengrens) van de Windturbine Hoge Zijpolder. Foto genomen vanaf Langeweg ten noordoosten van het windpark. Op de voorgrond is Windpark Zwartenbergseweg goed zichtbaar.
47 Sectorale t
47
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 21
Foto van Windpark Groene Dijk II (kijkpunt 5). Foto genomen vanaf het fietspad langs de Zevenbergseweg N389 ten zuiden van het windpark.
Figuur 22
Visualisatie vanuit kijkpunt 5 (ondergrens) van Windturbine Hoge Zijpolder. Foto genomen vanaf het fietspad langs de Zevenbergseweg N389 ten zuiden van het windpark.
48 Sectorale t
48
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 23
Visualisatie vanuit kijkpunt 5 (bovengrens) van Windturbine Hoge Zijpolder. Foto genomen vanaf het fietspad langs de Zevenbergseweg N389 ten zuiden van het windpark.
Koppeling met landschapsstructuur Elk landschapstype kent zijn eigen ruimtelijke kenmerken en structuren. Deze structuren bepalen veelal de kwaliteiten en identiteit van het landschap. Enkele voorbeelden zijn de rust en openheid die het landschap draagt, (zicht-)lijnen en ruimtevormende elementen die het landschap leesbaarder maken, ruimtelijke elementen die door hun omvang identiteit geven en de maat (kleinschalig of grootschalig). Moderne windturbines zullen met hun ashoogte en wieklengte grote invloed hebben op de bestaande landschappelijke kenmerken en structuren. Door hun omvang overstijgen ze de schaal van het grootste gedeelte van het bestaande landschap en gaan ze alleen een koppeling aan met andere grootschalige landschappelijke kenmerken en structuren. Daarom wordt alleen gekeken naar de kenmerken op het macroniveau. Een lijn van windturbines kan ook een nieuwe structuur/kenmerk in het landschap vormen. Hoe deze structuur/kenmerk vervolgens aansluit op het landschap en de manier hoe dit wordt ervaren, heeft vervolgens invloed op hoe deze wordt beoordeeld door waarnemers. Het open polderlandschap kent een open en grootschalige karakter. De windturbines kunnen de openheid in zekere mate aantasten doordat ze onderdeel uitmaken van de horizon en door hun grootte goed opvallen (zie visualisatienummer 2 en 4).
De grootschaligheid van het gebied past wel bij de grootschaligheid van windturbines. Bij grote windturbines kan het schaal verkleinende effect optreden waardoor het grootschalige landschap verkleind lijkt. In perspectief lijkt door de grote turbines het omliggend gebied kleiner. Dit heeft een negatief effect op deze kenmerken. Hoe groter de windturbine hoe meer dit effect zal optreden. Maar ook plaatsingsafstand en aantallen zullen hier invloed op uitoefenen. In het geval van de realisatie van windturbine Hoge Zijpolder (in samenhang met Windpark Groene Dijk II) is dit effect in kleine mate aanwezig. In vergelijking met de huidige situatie zal dit negatieve effect zeer klein zijn (zie ook de visualisaties vanuit kijkpunt 5).
49 Sectorale t
49
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
De locatie en lijnopstelling van windpark Groene Dijk II met toevoeging van Windturbine Hoge Zijpolder heeft een zekere koppeling met de waterloop Leursche Haven, de bomenrij en dijk (Groene Dijk). Dit geldt voornamelijk wanneer een waarnemer dichtbij staat. Omdat de waterloop en waterkering als een krom lopende lijn in het landschap liggen en deze voornamelijk van dichtbij te beleven zijn. Herkenbaarheid van de opstelling in het landschap Onder de herkenbaarheid van de opstelling kan verstaan worden dat individueel geplaatste windturbines, en het cluster (windpark) dat ze vormen, herkenbaar zijn. Strakke duidelijke geometrische lijnen zijn vaak eerder herkenbaar dan willekeurig geplaatste windturbines met verschillende afstanden ten opzichte van elkaar. Belangrijk is om hierin het perspectief van de waarnemer mee te nemen. Door de afstand van de windturbines (binnen een windpark) ten opzichte van elkaar en het perspectief qua grootte daardoor, kan ook een lichte knik of vervorming in een lijn al een negatieve invloed hebben op de leesbaarheid en de herkenbaarheid van de opstelling. De opstelling van Windpark Groene dijk II met toevoeging van Windturbine Hoge Zijpolder is redelijk gelijk qua afstanden tussen de individuele windturbines. De gemiddelde afstand is 449m, waarbij er tot 38m van dit gemiddelde wordt afgeweken.
De turbine Hoge Zijpolder zit met 464m afstand tot de eerste turbine dicht bij dit gemiddelde. Wel staan de windturbines in een krom lopende lijn. De windturbines volgen namelijk de dijk (Groene Dijk). Doordat er een lichte knik is in de opstelling kan vanuit bepaalde waarnemingspunten, door perspectief verkleining, een onduidelijk beeld ontstaan in de opstelling. Hierdoor is de opstelling niet altijd herkenbaar (zie visualisaties vanuit kijkpunt 5). Visuele rust & Horizon De eenheid van de opstelling (welke bepaald wordt door een gelijke onderlinge plaatsingsafstand), het type windturbine (hoogte en kleur), de verhouding rotordiameter - ashoogte, de draaisnelheid- en richting van de wieken en de (eventuele) verlichting `s nachts beïnvloeden de visuele rust en daarmee ook het horizonbeslag. Eenheid van de opstelling Het bestaande Windpark Groene Dijk II wordt uitgebreid met één extra windturbine: Windturbine Hoge Zijpolder. Deze windturbine wordt landschappelijk gezien gesitueerd in dezelfde lijn als die van de al bestaande windturbines van Windpark Groene Dijk II. De opstelling van Windpark Groene Dijk II met toevoeging van Windturbine Hoge Zijpolder is redelijk gelijk qua afstanden tussen de individuele windturbines. De gemiddelde afstand is 449m, waarbij er tot 38m van dit gemiddelde wordt afgeweken.
De turbine Hoge Zijpolder zit met 464m afstand tot de eerste turbine dicht bij dit gemiddelde De opstelling zal daarom voornamelijk als een eenheid worden ervaren. Type windturbine De windturbine wordt in de kleur lichtgrijs uitgevoerd. Dit is standaard in Nederland (wettelijk bepaald). Over het exacte type windturbine kan nog niks gezegd worden omdat deze nog niet bekend is.
50 Sectorale t
50
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Verhouding rotordiameter – ashoogte Voor de verhouding rotordiameter - ashoogte geldt voor de esthetische beleving meest wenselijke verhouding 1:1 als richtlijn. Afhankelijk van het daadwerkelijk te kiezen windturbinetype kan beperkt van deze verhouding worden afgeweken (tot ca. 1:1,5, waarbij voor de gemeente Etten-Leur een 1,2 verhouding de voorkeur heeft). De verhouding rotordiameter – ashoogte is voor de windturbine Hoge Zijpolder bij de onder- en bovengrens afwijkend t.o.v 1:1. De afwijking is echter wel beperkt (ondergrens 1:1,2 en bovengrens 1:1,5)10. Draaisnelheid Vanwege de grote rotordiameter bij de beoogde windturbine is de draaisnelheid windturbines lager dan die van de meeste bestaande windturbines en van alle windturbines in de nabije omgeving. Hierdoor ontstaat er in de belevingswaarde meer visuele rust. De draairichting zal gelijk zijn aan de bestaande windturbines. Verlichting De verplichting tot het aanbrengen van verlichting ten behoeve van de luchtvaartveiligheid geldt slechts vanaf een tiphoogte van 150m11. Verlichting kan als hinderlijk ervaren worden door de omgeving. De beoogde windturbine heeft een tiphoogte van meer dan 150m en moet dus op grond van het Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland voorzien worden van verlichting.
Er zijn wel mogelijkheden om de visuele overlast te beperken, bijvoorbeeld door vastbrandende verlichting in plaats van knipperende verlichting toe te passen en door toepassing van regelbare lichtintensiteit die wordt afgestemd op de zichtbaarheid waardoor de lichtintensiteit onder goede meteorologische omstandigheden tot 10% kan worden verlaagd. Visuele interferentie met andere windparken Windparken kunnen grote invloed uitoefenen op elkaars inpassing. Zij kunnen elkaar qua inpassing versterken of juist verstoren. Voornamelijk windparken die ten opzichte van elkaar verschillen in opstelling, kunnen (negatieve) invloed op elkaar uitoefenen. Daarnaast kunnen ook bouwvorm en hoogte van de windturbines elkaars inpassing beïnvloeden. Wanneer windturbines (of andere hoge bouwwerken) achter elkaar zichtbaar zijn, zullen deze visueel samenklonteren, waarbij de rotoren voor elkaar langs draaien. Zodoende wordt de opstellingsvorm onherkenbaar en ontstaat een onrustig beeld. Door de perspectivische verkleining van windturbines die op de achtergrond staan, treedt interferentie op tot een onderlinge afstand van ca. 3 tot 6 kilometer, afhankelijk van de grootte van de opstelling, de hoogte van de windturbines en andere opgaande landschapselementen in de nabijheid zoals bomenrijen. Er wordt vanuit gegaan dat er negatieve interferentie plaatsvindt tot 6 kilometer*.
10
11
Sectorale t
In de omgevingsvergunning wordt een bepaling opgenomen dat de uiteindelijke windturbinekeuze aan het bevoegd gezag wordt voorgelegd om te toetsen of de vormgeving en de verhouding tussen de ashoogte en rotordiameter niet te veel afwijkt van de bestaande windturbines van Windpark Groene Dijk II. Informatieblad Aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland | Versie 1.0 | 30 september 2016
51 51
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Er zijn vier nabij gelegen windparken in de omgeving. Windparken ten westen bevinden zich op respectievelijk ca. 1,2, ca. 1,9 en ca. 2,6 km van de locatie. Het windpark ten oosten bevindt zich op ca. 2,1 km afstand. Daarnaast is er nog één windturbine (De Kroeten) op ca. 5.5 km afstand. Omdat het slechts om één windturbine gaat en er andere windparken tussenin staan wordt deze niet meegerekend. Interferentie met deze omliggende windparken zal vanuit veel kijkpunten in de directe omgeving plaatsvinden. De omliggende windparken hebben een tiphoogte tussen de 139 en 150 meter. De turbines van windpark Groene Dijk II hebben een tiphoogte van 180 meter. De uitbreiding met winturbine Hoge Zijpolder zal een tiphoogte van minimaal 180 en maximaal 200 meter hebben. Dit resulteert in een maximaal verschil in tiphoogte van 61 meter ten opzichte van een direct naastgelegen lijn windturbines (Zwartenbergseweg). Er is in de huidige situatie al veel visuele interferentie (zie foto van kijkpunt 4). Dit resulteert in een wat ongeordend en soms chaotisch beeld qua windturbines in het landschap. Met de toevoeging van één windturbine aan het windpark Groene Dijk II zal dit in beperkte mate toenemen. De afmetingen van de te kiezen windturbine bepalen in zeer kleine mate hoe groot deze toename is.
4.6.3
Conclusie De realisatie van windturbine Hoge Zijpolder, welke landschappelijk gezien een eenheid vormt met Windpark Groene Dijk II, zal als ‘lijn’ zichtbaar zijn in het landschap. De windturbines hebben een impact op de (lokale) visuele rust en horizon en met de extra windturbine (Hoge Zijpolder) zal deze impact in zeer kleine mate toenemen. Er is in grote mate sprake van visuele interferentie met omliggende windparken. Ten opzichte van de huidige situatie zal dit met de uitbreiding slechts in beperkte mate toenemen. De windturbine dient voorzien te worden van verlichting. De verhouding rotordiameter – ashoogte scoort voor de ondergrens goed (1:1,2) en voor de bovengrens acceptabel (1:1,5). Afhankelijk van het daadwerkelijk te kiezen windturbinetype kan beperkt van deze verhouding worden afgeweken. Het onderwerp landschap staat de realisatie van het project niet in de weg.
52 Sectorale t
52
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1
Toetsingskader
Erfgoedwet In de Erfgoedwet zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Na de invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving hebben provincies de bevoegdheid gekregen om zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dit zijn gebieden die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting waardevol zijn. Gemeenten zullen in dat geval verplicht worden hun bestemmingsplan(nen) in het desbetreffende gebied te herzien. Voorts geldt de gemeentelijke zorgplicht op het gebied van archeologie. Gemeentelijk archeologisch beleid Het gemeentelijke toetsingskader van Etten-Leur is vastgelegd in de Erfgoedverordening 2018 Gemeente Etten-Leur.
Daarin wordt gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om op gemeentelijk niveau vorm te geven aan de gemeentelijke zorgplicht. Hierin wordt behoud van archeologie en cultuurhistorie geborgd. Tevens is in 2010 door RAAP Archeologisch Adviesbureau in opdracht van de gemeente een cultuurhistorische waarden- en archeologische verwachtingskaart gepubliceerd. Hieruit is een archeologische beleidskaart voortgevloeid. Deze beleidskaart is leidend, waardoor de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) of Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) niet verder behoeft te worden geraadpleegd bij lokale projecten. De provincie toetst overigens nog wel aan deze kaarten. Bij gebieden die volgens de beleidskaart een archeologische verwachtingswaarde hebben, is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen.
53 Sectorale t
53
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 24
Dubbelbestemmingen archeologie ter plekke van de onderhavige locatie.
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ wordt een deel van het plangebied aangeduid met ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 4’. Onder ‘Waarde Archeologie 2’ vallen de terreinen met een hoge archeologische verwachting. In de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is voor ‘Waarde – Archeologie 2’ het volgende verbod opgenomen: 27.2 Bouwregels Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen waarbij het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 1.000 m² en de bodemingreep dieper is dan 0,40 meter dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Onder ‘Waarde - Archeologie 4’ vallen de terreinen met een lage archeologische verwachting. In de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is voor ‘Waarde – Archeologie 4’ het volgende verbod opgenomen: 29.2 Bouwregels Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen waarbij het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 50.000 m² en de bodemingreep die-
54 Sectorale t
54
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
per is dan 0,40 meter dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1
Toetsingskader
Voor cultuurhistorische elementen wordt getoetst aan de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Toetsing op gedetailleerd niveau vindt plaats aan de hand van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) van de provincie. Figuur 25
Windturbine Hoge Zijpolder geprojecteerd op de Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant.
4.7.3
Onderzoek De fundering van de windturbine gaat naar alle waarschijnlijkheid volledig op gronden met ‘Waarde archeologie 2’ gesitueerd zijn. De kritische waarde bedraagt een bodemverstoring van 1.000m2 dieper dan 0,40m, waarbij bij het overschrijden van deze waarden een archeologisch onderzoek wordt verplicht. De fundering van de
Sectorale t
55 55
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
windturbine heeft een maximum straal van 15 m. Daarmee is het totale oppervlakte aan bodemverstoring ruim beneden de kritische waarde en is er geen archeologische onderzoeksplicht. Op cultuurhistorisch vlak is de windturbine niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied of landschap. Van fysieke aantasting van landschappen of vlakken met cultuurhistorische waarden is dus geen sprake, dit omdat het projectgebied niet gesitueerd is binnen een dergelijk aangewezen landschap/vlak. Echter, het projectgebied grenst vrijwel direct aan een cultuurhistorisch landschap. Dit gebied, met de naam ‘Landgoederen en veenrelicten bij Zundert en Etten-Leur’ is van provinciaal cultuurhistorisch belang. Aantasting van de karakteristiek van de cultuurhistorie wordt beoordeeld op de visuele relatie die de windturbines hiermee aangaan. Vanuit veel oogpunten zal Windturbine Hoge Zijpolder een visuele relatie aangaan met het eerdergenoemde aangrenzende cultuurhistorisch landschap en het op iets grotere afstand gelegen cultuurhistorische vlak (Oostpolder en Westpolder). De windturbine heeft echter weinig invloed op omliggende cultuurhistorische gebieden omdat in het gebied de opwekking van duurzame energie (windenergie) reeds sterk aanwezig is. Er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden.
4.7.4
Conclusie Bij de realisatie van een windturbine in dit gebied wordt de archeologische drempelwaarde zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ niet overschreden. Bovendien is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd wordt dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie de uitvoering van het project niet in de weg staan.
56 Sectorale t
56
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Bodem en water
4.8.1
Bodem Voor het milieuaspect bodem wordt getoetst of op de locatie verontreinigde gronden te verwachten zijn. Hiermee kan een inschatting worden gemaakt of verontreiniging te verwachten en aan te treffen is tijdens de bouw van de windturbine.
4.8.1.1
Toetsingskader
Op grond van de Wet bodembescherming dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak (ernstige verontreinigingen). In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.8.1.2
Onderzoek
Bij de aanleg van de windturbine zullen bodemwerkzaamheden plaatsvinden. De verankering van de windturbine vindt plaats met een betonnen voet. Daardoor zal een hoeveelheid grond ontgraven moeten worden. Voor de uitvoeringsfase zal in het kader van de Arbowet een bodemonderzoek ter plaatse van de positie moeten worden uitgevoerd. Dit ter bescherming van werknemers ter plaatse van de grondafgravingen. Vanuit de functie van windturbine worden verder geen eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Er is immers geen sprake van de langdurige aanwezigheid van personen. Voor moderne windturbines geldt dat er geen sprake is van potentieel bodembedreigende activiteiten. Bij aan- of afvoer van grond zal uiteraard aan het Besluit bodemkwaliteit moeten worden voldaan. Voor het afgraven van grond ten behoeve van de aanleg van de windturbinefundamenten, eventuele bouw- en onderhoudswegen en kraanopstelplaatsen is in sommige gevallen een vergunning nodig op grond van de Ontgrondingenwet. De ontgrondingsverordening van de provincie Noord-Brabant stelt het uitvoeren van ontgrondingen waarbij niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven vrij van vergunningplicht. De beoogde windturbine overschrijdt deze grens naar alle waarschijnlijkheid niet.
Voor de inschatting van de bodemkwaliteit op de locatie van de windturbine is bekeken of er op dit moment bedrijfsactiviteiten op de locatie plaatsvinden waarbij potentieel bodemverontreiniging kan ontstaan, en of in het verleden potentieel bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Om dit inzichtelijk te
57 Sectorale t
57
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
maken is aansluiting gezocht bij de website www.noord-brabant.omgevingsrapportage.nl. Hierin staan recente bodemonderzoeken en potentieel bodembedreigende historische activiteiten opgenomen. Uit de omgevingsrapportage blijkt dat nabij de beoogde locatie geen potentieel bodemverontreinigende activiteiten bekend zijn. Tevens is aansluiting gezocht bij de kaart regionale bodemkwaliteitskaart. Uit deze kaart komt naar voren dat er geen voormalige stortplaatsen aanwezig zijn op en nabij de onderhavige locatie. Verder is, zoals te zien in Figuur 26, het projectgebied volledig gelegen in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde. Dit vormt geen belemmering voor de windturbine. Figuur 26
Uitsnede bodemfunctieklassenkaart ter plekke van windturbine Hoge Zijpolder.
4.8.2
Water Voor het milieuaspect water wordt getoetst of windturbines voorzien zijn op of nabij gronden die relevant zijn voor de waterhuishouding. Ten behoeve hiervan wordt gekeken naar grondwater, grondwaterbeschermings- en waterwingebieden, naar primaire, regionale en compartimenteringswaterkeringen en naar waterbergingsgebieden.
4.8.2.1
Toetsingskader
Op grond van de Wro moet bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding. Sectorale t
58 58
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
In de Waterwet is de waterhuishouding, veiligheidsnorming voor primaire waterkeringen, het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld. De Keur van waterschap Brabantse Delta is van kracht op de waterhuishouding in het plangebied. Bijbehorende leggers bepalen het toepassingsgebied van de keur. 4.8.2.2
Onderzoek
Hemelwater Op de onderhavige locatie zal de plaatsing van de windturbine leiden tot een toename van het verhard oppervlak. In de Keur van waterschap Brabantse Delta staat opgenomen dat indien een nieuw verhard oppervlak minder dan 2.000 m 2 bedraagt, geen vergunning voor het afvoeren van hemelwater hoeft te worden aangevraagd bij het waterschap Brabantse Delta. De werkzaamheden rondom de ontwikkeling van windturbine Hoge Zijpolder zijn beoogd hier ruimschoots onder te blijven. Attentiegebied Ecologische Hoofdstructuur De locatie ligt deels in het ‘attentiegebied ecologische hoofdstructuur’. De hiervoor aangewezen gronden zijn mede bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden. Om verdroging tegen te gaan in deze attentiegebieden is een substantiële toename van verhard oppervlak vergunningplichtig. Hiervan is sprake bij een oppervlakte van meer dan 2.000m2. Daar de beoogde werkzaamheden hier ruimschoots onder blijven, zal hieruit geen vergunningsplicht naar voren komen. Tevens is er hoogstwaarschijnlijk geen retentie-eis, inhoudend dat compenserende maatregelen voor de door de werkzaamheden toegenomen hoeveelheid aan verhard oppervlak niet noodzakelijk zijn. Waterkering De voorgenomen windturbine wordt geplaatst buiten de nabijgelegen waterkering en de daar bijbehorende Beschermingszone A, Beschermingszone B en Profiel van vrije Ruimte.
Volgens artikel 3.1, artikel 3.3 en artikel 3.5 van de Keur van waterschap Brabantse Delta zijn het plaatsen van werken binnen bovengenoemde zones vergunningplichtig. De fundering van de windturbine ligt echter buiten de bovengenoemde zones. Derhalve wordt de plaatsing van de windturbine in het kader van de regelgeving uit de Keur niet vergunningplichtig geacht. Daarbij wordt de nabijgelegen waterkering afgeschaald naar een overige waterkering. Er is niet bekend wanneer deze afschaling plaatsvindt. Bij een overige waterkering geldt eveneens geen vergunningsplicht voor de beoogde werkzaamheden.
59 Sectorale t
59
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 27
Windturbine Hoge Zijpolder i.r.t. primaire waterkering en beschermingszones
4.8.3
Conclusie Uit het overleg met het waterschap Brabantse Delta bleek dat er geen vergunningen/of meldingsplicht optreedt bij de realisatie van de beoogde windturbine. Op 10 februari 2021 heeft het waterschap Brabantse Delta een positief wateradvies afgegeven voor het initiatief. De overdraai van de windturbine over de gronden van het waterschap wordt notarieel geregeld. Het onderdeel water staat de uitvoering van het project dan ook niet in de weg.
4.9
Overige aspecten
4.9.1
Energieopbrengst De windturbine Hoge Zijpolder zal een aanzienlijke hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit produceren. Het is deze bijdrage aan de energietransitie die op moet wegen tegen eventuele hinder die door de windturbine veroorzaakt wordt.
60 Sectorale t
60
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Om de omvang van dit positieve effect te berekenen is gebruik gemaakt van dezelfde langjarige gemiddelde windsnelheidsverdeling als is toegepast bij het akoestisch onderzoek. Het betreft een dataset die in november 2018 door het KNMI is gepubliceerd. Ten behoeve van het bepalen onder- en bovengrens van de te verwachten elektriciteitsproductie mag worden aangenomen dat een windturbine met de grootst mogelijke rotordiameter en tiphoogte de hoogste elektriciteitsproductie zal hebben. Als bovengrens is daarom een windturbine met een rotordiameter van 170 meter en een ashoogte van 115 meter aangehouden. Tegelijkertijd mag worden aangenomen dat een windturbine met de kleinst mogelijke rotordiameter en tiphoogte de kleinste elektriciteitsproductie zal hebben. Als ondergrens is daarom een windturbine met een rotordiameter van 136 meter en een ashoogte van 112 meter aangenomen. Beiden vallen binnen de toegestane afmetingen voor rotordiameter, ashoogte en tiphoogte volgens de bandbreedte. Figuur 28
Windsnelheidsverdeling op ashoogte voor een windturbine volgens de onder- (112 meter ashoogte) en bovengrens (115 meter ashoogte) van de onderzochte bandbreedte 16 14
Frequentie (%)
12
112 meter ashoogte
10
115 meter ashoogte
8 6 4 2 0 1
2
3
4
5
6
7
8
9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Windsnelheid op ashoogte (m/s)
De hoeveelheid elektriciteit die een windturbine bij een bepaalde windsnelheid (bruto) op zal wekken is weergegeven met de zogeheten vermogenscurve. In onderstaande figuur is de vermogenscurve van twee windturbines weergegeven, die de onder- (Vestas V136-3.45) en bovengrens (Siemens Gamesa SG 6.0-170 6200) van de onderzochte bandbreedte vertegenwoordigen.
61 Sectorale t
61
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Figuur 29
Vermogenscurve voor een Vestas V136-3.45 windturbine en een Siemens Gamesa SG 6.0-170 6200 windturbine (gangbaar voor respectievelijk de onder- en bovengrens van de onderzochte bandbreedte) 7.000
Vermogen (kW)
6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 Siemens Gamesa SG 6.0-170 6200 1.000
Vestas V136-3.45
0 0
3
5
8
10
13
15
18
20
23
25
Windsnelheid op ashoogte (m/s)
Vermenigvuldiging van het windaanbod met de vermogenscurve geeft de bruto jaarproductie van de windturbine. Vervolgens wordt een afslag toegepast voor diverse verliezen, bijvoorbeeld doordat de windturbine soms stil moet staan voor onderhoud en omdat de nabijgelegen windturbines van windpark Groene Dijk II enige verstoring van het windaanbod tot gevolg zullen hebben. Tot slot zal de elektriciteitsopbrengst ook afnemen doordat mitigatie moet worden toegepast om te voldoen aan normen op het gebied van geluid en slagschaduw. Vermindering van bovengenoemde afslagen van de bruto elektriciteitsproductie van de windturbine geeft de netto elektriciteitsproductie. Deze berekening is in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 8
Kop
Indicatieve bruto en netto elektriciteitsproductie van de windturbine voor de onder- als bovengrens van de onderzochte bandbreedte. Ondergrens Bovengrens Bruto elektriciteitsproductie (MWh / jaar) 13.978 23.567 Afslag energieverliezen (excl. mitigatie) 13% 13% Afslag mitigatie geluid 0,0% 5,3% Afslag mitigatie slagschaduw 0,74% 1,14% Netto elektriciteitsproductie (MWh / jaar) 12.071 19.186
62 Sectorale t
62
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Indicatieve netto jaarproductie (MWh / jaar)
Figuur 30
Indicatieve opbrengst van de windturbine Hoge Zijpolder in geval van respectievelijk de onder- en bovengrens van de onderzochte bandbreedte 25.000 19.186
20.000
15.000 12.071 10.000
5.000
0 Ondergrens
Bovengrens
Afmetingen volgens de onderzochte bandbreedte
4.9.2
Verstoring defensieradar Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende regeling (Rarro) bevatten het toetsingskader voor radarverstoring van defensieradar. Op grond van artikel 2.6.9 Barro, waarin is voorgeschreven dat onder meer een omgevingsvergunning voor bouwwerken (zoals windturbines) met een grotere bouwhoogte dan is opgenomen in de Rarro, moet worden getoetst aan de rekenregels voor radarverstoring. Deze toets wordt uitgevoerd met behulp van het rekenmodel Perseus dat wordt beheerd door TNO. Voor nieuwe windturbines geldt dat toetsing verplicht is binnen een gebied van 75 km rondom een radarpost die in de Rarro is aangewezen. Op grond van de wettelijke regeling in het Barro wordt de mogelijke verstoring van het defensieradar als gevolg van radarreflectie en schaduwwerking berekend en uitgedrukt in een percentage verlies aan detectiekans van objecten. Het verlies aan detectiekans mag niet meer bedragen dan de minimale detectiekans die door het Ministerie van Defensie op de betreffende locatie wordt gehanteerd. Uit onderzoek van TNO blijkt dat na plaatsing van de beoogde windturbines geen verlies aan detectiekans optreedt. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het Ministerie van Defensie geen bezwaar tegen de realisatie van de windturbine in de beoogde configuratie.
63 Sectorale t
63
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
4.10
Conclusie toetsen In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is de ontwikkeling van Windturbine Hoge Zijpolder getoetst aan het ruimtelijk beleid en het beleid en de normstelling voor de relevante sectorale aspecten. Uit de toetsing blijkt het volgende: -
-
De beoogde ontwikkeling is in lijn met Europees, rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De plannen passen binnen de bestaande ruimtelijke en functionele structuur. Een windturbine binnen de onderzochte bandbreedte kan voldoen aan de wettelijke normen voor geluid- en slagschaduw. De effecten op de woon- en leefomgeving rondom de windturbine worden niet onaanvaardbaar geacht. Ook de overige sectorale aspecten leiden niet tot een belemmering voor de realisatie van de beoogde windturbine.
64 Sectorale t
64
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Uitvoerbaarheid
65 Uitvoerbaar
65
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
5.1
Economische uitvoerbaarheid Gelet op het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening dient in een ruimtelijke onderbouwing inzicht te worden verschaft in de uitvoerbaarheid van het plan. In dat opzicht is van belang dat het hier een particuliere ontwikkeling betreft. De investeringen voor de aanleg van de windturbine, inclusief toegangswegen, kabels en leidingen en de technische infrastructuur worden gedragen door de initiatiefnemer. Deze verdient de investeringen terug door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Het bevoegd gezag ziet geen aanleiding om aan de uitgangspunten en uitkomst van de businesscase te twijfelen. WP Hoge Zijpolder BV treedt als eigenaar van Windturbine Hoge Zijpolder op als initiatiefnemer en vergunninghouder voor de omgevingsvergunningaanvraag voor Windturbine Hoge Zijpolder. De familie Klep, grondeigenaar van het perceel waar de windturbine gepland is, en de familie Rommens zijn de bestuurders van deze besloten vennootschap. Hiermee is het grondgebruik zeker gesteld. Met de gemeente is voorafgaand aan de definitieve vergunningverlening een anterieure overeenkomst gesloten waarin onder meer afspraken worden gemaakt over de leges, het verrekenen van eventuele planschade en de gelijktijdige afbraak van de windturbines van WP Groene Dijk II en Windturbine Hoge Zijpolder. Met deze overeenkomst wordt het kostenverhaal verzekerd.
De economische uitvoerbaarheid van het project is hiermee zeker gesteld. Daarnaast wordt ook de bijdrage voor kwaliteitsverbetering van het landschap in deze overeenkomst opgenomen. De initiatiefnemer verdient de investeringen terug door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Voor de totstandkoming van de windturbine zal een subsidie op grond van de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE++) aangevraagd worden, waarmee de zogeheten onrendabele top van de elektriciteitsproductie van de windturbine via een bedrag per aan het elektriciteitsnet geleverde kilowattuur wordt gecompenseerd. Met de SDE++ vult het Rijk de elektriciteitsopbrengsten voor de initiatiefnemer aan tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te kunnen verdienen binnen een redelijke termijn. De hoogte van de SDE++ is zo gesteld dat het te verwachten rendement op eigen vermogen voldoende is om exploitatie mogelijk te maken.
5.2
Maatschappelijke meerwaarde Voor de omgevingsparticipatie van Windturbine Hoge Zijpolder wordt gekozen voor dezelfde succesvolle aanpak als het bestaande windpark Groene Dijk II. Als extra wordt er financiële participatie aangeboden binnen de financiële mogelijkheden van het project. De omwonenden van Windturbine Hoge Zijpolder, zijn dezelfde omwonenden die waren betrokken bij de repowering van Windpark Groene Dijk II. Bij Windpark Groene Dijk II zijn de mensen in een vroeg stadium bij de plannen betrokken en is er in overleg hindermitigatie en een financiële vergoeding in het kader van derving woongenot toegepast. De initiatiefnemers van Windturbine
Uitvoerbaar
66 66
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Hoge Zijpolder hebben ondertussen dezelfde groep mensen weer opnieuw benaderd met de plannen voor de beoogde windturbine. Aansluitend is er ook hetzelfde pakket, de combinatie van hindermitigatie en een financiële vergoeding in het kader van derving woongenot toegepast. De volgende stap in de omgevingsdialoog zijn de bestaande afspraken met IVN Dintel- en Marklanden (voorheen IVN Etten-Leur e.o.) en West-Brabantse Vogelwerkgroep voor het bestaande windpark uitbreiden met afspraken over Windturbine Hoge Zijpolder. De eerste gesprekken hebben inmiddels plaatsgevonden en de verwachting is dat de aanvullende afspraken omtrent Windturbine Hoge Zijpolder middels een addendum aan de bestaande afspraken kunnen worden toegevoegd. Deze omgevingsdialoog met de omwonenden en de andere stakeholders is goed gerapporteerd en reeds met de gemeenteraad gedeeld. Windturbine Hoge Zijpolder wordt eigendom van beide families. Voor de maatschappelijke participatie is gekozen om de omliggende woningen rondom het buurtschap Zwartenberg, een obligatie participatie aan te bieden. Deze participatie houdt in dat er een bedrag van circa 500.000 euro aan obligaties uitgegeven zal worden tegen een rentepercentage van 4 a 5% rente. Op deze manier kunnen de omwonenden die in de invloedsfeer van de windmolen wonen, financieel mee profiteren.
Concluderend betreft het een initiatief die vanuit de lokale gemeenschap is opgezet, namelijk twee grondeigenaren die zelf in het gebied wonen. Zij zijn voornemens om de windturbines zelf te ontwikkelen en te exploiteren. Er is dus geen sprake van (grote) projectontwikkelaars die alleen de lusten, maar niet de lasten van het project dragen. Belangrijk aandachtspunt is hierbij dat het niet een nieuw windpark betreft, maar een uitbreiding van een bestaand windpark. Naast het feit dat het een lokaal initiatief is, zijn de direct omwonenden reeds ingelicht over de plannen en zijn er financiële afspraken gemaakt en afspraken die het algemeen woongenot verbeteren (zoals verbetering isolatie en plaatsing rolluiken e.d.). Ook kunnen directe omwonenden financieel mee profiteren met de komst van de nieuwe windturbine. Zoals blijkt uit de omgevingsvergunning die destijds is afgegeven voor Windpark Groene Dijk II is de aanpak van de familie Rommens in goede aarde gevallen bij de gemeenschap. Die aanpak wordt herhaald, met zelfs extra mogelijkheden in de vorm van obligaties, met hopelijk hetzelfde positieve resultaat.
67 Uitvoerbaar
67
Windturbine Hoge Zijpolder Ruimtelijke onderbouwing
Bijlagen
68 Bijlagen
68
Bijlage A Akoestisch onderzoek
69
Bijlage B Slagschaduwonderzoek
70
Bijlage C Natuurrapport
71
Bijlage D Externe Veiligheidsonderzoek
72
Bijlage E Visualisaties
73
Bijlage F Raadsbesluit
74