bijlage 2 Reactie op toetsingsadvies Commissie mer MER Omgevingsvisie Etten-Leur dd 3 mei 2022.pdf
Tekst van het document
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Reactie op toetsingsadvies Omgevingsvisie Etten-Leur 1
Commissie
m.e.r.
MER
Inleiding en kader
De gemeente Etten-Leur stelt onder het motto “Etten-Leur doet het gewoon” een omgevingsvisie op. Dit voor het hele grondgebied van de gemeente en voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie stelt kaders voor de ruimtelijke en fysieke omgevingskeuzes die in de komende jaren worden gemaakt. De omgevingsvisie richt zich primair op de periode tot 2030 met een doorkijk naar 2040 en is zelfbindend voor de gemeente. De omgevingsvisie is een kaderstellend plan, dat in de jaren na de vaststelling periodiek wordt geactualiseerd en dat verder wordt uitgewerkt in onder meer het omgevingsplan, programma’s en te verlenen omgevingsvergunningen. In het kader van de omgevingsvisie is een m.e.r.-procedure doorlopen (waarbij m.e.r. staat voor milieueffectrapportage) en een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De ontwerp-omgevingsvisie en het MER hebben van 13 januari t/m 23 februari 2022 ter inzage gelegen. Conform de wettelijke eisen is de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.), een onafhankelijke toetsende instantie, gevraagd het MER te toetsen. De Commissie m.e.r. heeft op 17 maart 2022 een toetsingsadvies uitgebracht over het MER. Zij heeft hierbij de ingediende zienswijzen op de ontwerp-omgevingsvisie betrokken. Onderstaand wordt een reactie gegeven op het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r..
Daar waar relevant wordt aanvullende informatie gegeven en is aangegeven hoe hiermee in de door de gemeenteraad vast te stellen omgevingsvisie wordt omgegaan. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 7.14 lid 1 onder d van de Wet Milieubeheer. Na een samenvatting van de hoofdpunten van het toetsingsadvies wordt per punt een reactie gegeven.
2
Hoofdpunten toetsingsadvies Commissie m.e.r.
2.1
Uitgebreid maar lastig leesbaar MER
Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. stelt in het toetsingsadvies dat het MER zeer uitgebreid is en een uitgebreid beeld geeft van huidige situatie en trends. De effecten van de ontwikkellocaties zijn separaat en gedetailleerder beschreven dan de effecten van het strategische deel van de omgevingsvisie. Door de tussentijdse besluitvorming van de gemeenteraad over de ontwikkellocaties gedeeltelijk te verwerken in het MER kan verwarring ontstaan (informatie over afgevallen en nieuwe varianten). Bovendien geeft het MER niet weer in welke mate de milieueffecten meegewogen zijn in de tussentijdse keuzes. Vanuit milieuoogpunt scoren sommige van de afgevallen varianten namelijk juist beter dan de overgebleven en nieuwe varianten. Ook de ontwerpomgevingsvisie licht deze keuzes niet toe. De Commissie m.e.r. vindt dat de omvang, de combinatie van globale beoordeling van de visie en de specifiekere beoordeling van de ontwikkellocaties én het feit dat tussentijds de onderzoeksvarianten zijn gewijzigd het MER lastig leesbaar maken. Reactie: proces totstandkoming visie en MER De opmerking van de Commissie m.e.r. dat het MER lastig leesbaar is, wordt begrepen. Het is echter het resultaat van het totstandkomingstraject van het MER in 2 fasen.
Daarnaast speelt de keuze om in het MER niet alleen de algemene ambities uit de omgevingsvisie te beoordelen, maar óók de aandachtspunten voor ontwikkelingsvragen op het gebied van woningbouw, bedrijventerreinen en infrastructuur te onderzoeken. Belangrijk te beseffen is dat de omgevingsvisie een strategisch document op een bepaald abstractieniveau is. Het MER moet daar bij aansluiten. Het MER en de omgevingsvisie hebben daarom continue een parallel spoor gelopen waarbij telkens de informatie uit de verschillende stappen van het MER zijn gebruikt voor stappen in de omgevingsvisie en andersom. Deze stappen samen hebben geleid tot het definitief MER en de (ontwerp)omgevingsvisie.
1
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Vanaf 2017 heeft de gemeente met partners en de samenleving gewerkt aan de visie op het bestaande gebied. Het MER is in 2019 gestart met het inventariseren van aandachtspunten vanuit de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving, beschreven in de Staat van Leefomgeving/ leefomgevingsfoto.
2020
In 2020 is dit concept ontwerp als ‘60% versie’ van de omgevingsvisie aan de gemeenteraad voorgelegd. Ook inwoners konden reageren op het concept. De 60 % versie bevatte de stand van Etten-Leur, de koers en de ambities voor bestaand woongebied, centrumgebied, werklocaties en het buitengebied. Nieuwe opgaven op het gebied van wonen, werken en infrastructuur ontbraken nog.
2020
Parallel aan de totstandkoming van de 60% versie zijn de koers en ambities beoordeeld in het MER*. Ook zijn de aandachtspunten verkend van de nieuwe opgaven op het gebied van wonen, werken en infrastructuur**. Dit heeft eind 2020 geresulteerd in een concept MER.
2021
Het concept MER heeft input geleverd voor de ‘Deelnotitie Omgevingsvisie Bouwlocaties en wegvarianten’. Deze deelnotitie vormt de voorloper van de uiteindelijke gebiedsvisie voor de ontwikkellocaties, zoals opgenomen in de omgevingsvisie. De deelnotitie met de uitgewerkte nieuwe opgaven op het gebied van wonen, werken en infrastructuur is in februari 2021 besproken door de gemeenteraad. Door de gemeenteraad is vervolgens een denkrichting voor de verdere uitwerking bepaald.
2021
De leefomgevingsfoto is vervolgens als input betrokken bij het bepalen van de ‘stand van Etten-Leur’. Wat is de staat van onze leefomgeving en welke trends en opgaven halen we daaruit. Deze trends en opgaven zijn vervolgens vertaald naar de ambities zoals opgenomen in het concept ontwerp van de omgevingsvisie waarin de eerste koers is bepaald (60% versie).
Dit is verwerkt in de deelnotitie, waarbij in juli 2021 inwoners de gelegenheid is gegeven hierover mee te denken. De resultaten van dit alles zijn verwerkt in de uiteindelijke gebiedsvisie voor de ontwikkellocaties, zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Het concept MER is hier op aangevuld.
2022
2019
2017 - 2019
Schematisch is dit als volgt weer te geven:
De ontwerp-omgevingsvisie en het definitieve MER zijn vervolgend ter visie gelegd in 2022. In deze periode zijn er reacties (zienwijzen) binnen gekomen en heeft de commissie voor de milieueffectrapportage haar advies uitgebracht. Dit is meegenomen bij de totstandkoming van de vastgestelde visie.
omgevingsplan – programma’ s - monitoring en evaluatie
* opgenomen in inventariserende tabellen (bijlage bij het MER) en daarna uitgeschreven in Hoofdstuk 6 en 7 van het MER. ** nieuwe opgaven op het gebied van wonen, werken en infrastructuur: - 600 woningen (op de locaties Hoge Haansberg, Lage Vaartkant en Groene Wig); 2 - 10 ha uitbreiding bedrijventerrein (op de locaties Middendonk-Oost, Bankenstraat West en Hoge Haansberg Zuidwest) en - infrastructurele oplossingen (Doortrekking Aletta Jacobslaan, Noordelijke randweg en Oostelijke randweg).
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Deze interactie tussen de omgevingsvisie en het MER is dus continue gebruikt om vanuit de inventarisatie de stand van de fysieke leefomgeving te bepalen en van daaruit de opgaven/ de koers. Vervolgens is de impact hiervan afgewogen en zijn de kansen en knelpunten omgezet in ambities in de visie. Het verder concretiseren en kwantificeren is bij uitstek een aspect dat in de programma -en planfase opgepakt kan worden. In 2019 is gestart met het MER en het uitwerking van de omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft op 22 februari 2021 besloten de denkrichting voor de nieuwe bouwlocaties en wegvarianten (als onderdeel voor de omgevingsvisie) en daarmee de onderzoeksvraag voor het MER aan te passen. Dit is een politiek besluit geweest en een opdracht aan het College van B&W. De gemeenteraad heeft kennisgenomen van de resultaten van het concept-MER, verwoord in de Deelnotitie Omgevingsvisie Bouwlocaties en wegvarianten. Bij het besluit, dat heeft geleid tot de aangepaste denkrichting, heeft de raad de beschikbare informatie en gegevens integraal betrokken. Vanwege mogelijk verlies van informatie en transparantie is er vervolgens voor gekozen de eerste onderzoeksfase te behouden in het MER. Het concept MER was nog niet openbaar geweest en het toevoegen van de aanvullende vraag vanuit de raad aan de concept versie schetst een goed totaalbeeld van het afwegingspalet.
In het MER is een duidelijke scheiding gemaakt tussen de beoordeling van de algemene ambities (hoofdstuk 7) en de aandachtspunten van de locatieverkenningen voor wonen, werken en infrastructuur tot 2040 (hoofdstuk 8). Met het besluit van de raad tot de aangepaste denkrichting is het eerdere onderzoek dus niet verdwenen en is het besluit om de opdracht-/ onderzoeksvraag aan te passen zeker nog niet het finale besluit over woningbouwlocaties, bedrijventerrein en infrastructuur. Dat kan ook nog niet op basis van het onderzoek in het MER alleen. Het MER is dus een eerste agenderende verkenning geweest van aandachtspunten voor de strategische ontwikkellocaties. Deze zijn meegenomen in de omgevingsvisie. Het MER is geen definitief toetsend onderzoek. 2.2
Aandachtspunten MER
De Commissie constateert dat op een aantal punten nog informatie ontbreekt die belangrijk is voor de besluitvorming over de omgevingsvisie. Deze informatie is volgens de Commissie onder andere van belang om de ‘agenda’ van de (nieuwe) gemeenteraad voor het omgevingsbeleid voor de komende jaren vast te stellen. De Commissie adviseert de ontbrekende informatie in een aanvulling op het MER op te nemen voordat besloten wordt over de omgevingsvisie. De aandachtspunten zijn: Ambities zijn niet vertaald naar een concreet beoordelingskader. De gemeentelijke ambities en milieudoelen die in de omgevingsvisie staan zijn in het MER niet vertaald naar concrete toetsbare criteria. Het MER scoort daardoor vooral de ambities zelf en niet de gevolgen die het realiseren van de ambities hebben voor het milieu. Dit wekt de indruk dat de omgevingsvisie vrijwel uitsluitend positieve effecten heeft. Onderlinge strijdigheid ambities niet duidelijk. Het MER geeft weinig informatie over risico’s, knelpunten en kansen. Ook is onduidelijk in hoeverre ambities verenigbaar of conflicterend zijn. Effectbeoordeling is niet goed navolgbaar. Hoewel het MER zeer veel bruikbare data bevat, is de effectbeoordeling niet goed navolgbaar. Dit komt ook doordat de relatie met de strategische keuzes in de omgevingsvisie niet duidelijk is gelegd. Daarnaast bevat de visie en het MER een locatieverkenning.
Stikstofdepositie locatieafwegingen nog onvoldoende onderzocht. De Passende beoordeling geeft geen kwantitatieve informatie over gevolgen van de ontwikkellocaties voor de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden (Natura 2000). 2.2.1
Vertaling ambities naar concreet beoordelingskader
Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. stelt in haar advies dat de ambities en milieudoelen uit de omgevingsvisie niet vertaald zijn naar een concreet (SMART) beoordelingskader en concrete toetsbare criteria. Het MER scoort daardoor vooral de ambities zelf en niet de gevolgen die het realiseren van de ambities hebben voor het milieu. Het MER geeft in de optiek van de Commissie nauwelijks informatie over risico’s, knelpunten en kansen. Ook is onduidelijk in 3
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
hoeverre ambities verenigbaar of conflicterend zijn. De Commissie m.e.r. stelt een belangrijk risico hiervan is dat spanning tussen de verschillende opgaven, ambities en belangen pas op een later moment (bijvoorbeeld bij nadere uitwerking in programma’s of omgevingsplan) duidelijk wordt. Het is waarschijnlijk dat bepaalde ambities niet (volledig) realiseerbaar zijn en/of dat ambities met elkaar botsen en dat ‘niet alles overal kan’. Dit volgt nu niet uit het MER, omdat niet integraal naar de opgaven en ambities is gekeken. Ter illustratie geeft de Commissie m.e.r. een aantal voorbeelden: energie, mobiliteit en gezondheid. Reactie: nadere toelichting werkwijze en detailniveau Zoals eerder in de notitie al gesteld hebben het MER en de omgevingsvisie continue een parallel spoor gelopen waarbij telkens de informatie uit de verschillende stappen van het MER zijn gebruikt voor stappen in de omgevingsvisie en andersom. Deze stappen samen hebben geleid tot het definitief MER en de (ontwerp-) omgevingsvisie. Dit betekent dat al in een heel vroeg stadium van de totstandkoming is gekeken naar de ambities en eventuele tegenstrijdigheden of conflicterende ambities. Hierbij is telkens afgewogen of een tegenstrijdigheid kan worden opgeheven, deze zijn opgenomen in de uiteindelijke visie en daarmee in het MER. Dat de ambities niet zijn vertaald in een beoordelingskader wordt niet gedeeld.
In hoofdstuk 6 en bijbehorende bijlage worden per milieuaspect de mogelijke effecten van ambities beschreven. Het klopt wel dat de ambities niet zijn vertaald in concreet toetsbare (SMART) doelen en criteria. Dat kon ook nog niet ten tijde van het opstellen van het MER. Er is bewust gekozen om ambities algemeen en globaal, op het niveau van de visie, gezamenlijk en daarmee integraal, te beschouwen op effecten. Het MER is daarbij ingezet als verkennend/ agenderend instrument en niet als onderzoeken/ toetsend instrument. Het MER heeft op deze wijze, weliswaar niet direct zichtbaar, maar wel degelijk bijgedragen aan het verduidelijken en uitwerken van ambities en doelen in de uiteindelijke ontwerp-omgevingsvisie. Het MER sluit dus aan bij het abstractieniveau van de omgevingsvisie, het is niet nodig dit nu al concreter uit te werken. Het concretiseren van de ambities zal plaatsvinden bij het uitwerken van de visie in het omgevingsplan, programma’s en de uitwerking van initiatieven. Het past niet bij het abstractieniveau van de visie om dit nu al te doen en wordt daarmee bewust nog niet gedaan in de omgevingsvisie en een aanvulling op het MER. Het klopt dat op deze wijze met name de intenties en mogelijke effecten van de ambities zijn gescoord en dat de indruk kan ontstaan dat de omgevingsvisie vooral positief scoort (wat ook zo is als de ambities worden ingevuld).
Door de integrale analyse kan wel degelijk een totaalbeeld worden verkregen (met name vanuit de totaaltabellen in de conclusie).
Ten aanzien van de door de Commissie m.e.r. aangehaalde voorbeelden: Energie: Energie kon ten tijde van het opstellen van het MER nog niet verder worden uitgewerkt omdat er in de regio nog druk gewerkt werd aan de RES. Inmiddels zijn de kaders van het RES verder uitgewerkt. De gemeentespecifieke keuzes van Etten-Leur zijn dan ook vertaald in de omgevingsvisie. De gemeente kiest er bijvoorbeeld voor niet méér windturbines te bouwen dan de huidig aanwezige in het noordelijk kleigebied en heeft beleid opgesteld voor zonneenergie (op daken, geen velden in het buitengebied). Mobiliteit: de gemeente heeft wel degelijk haar ambities verwoord ten aanzien van duurzame mobiliteit. Zo heeft ze bijvoorbeeld de ambitie het huidige goede fietsnetwerk minimaal te behouden en verder uit te breiden met onder meer goede verbindingen met Breda en Roosendaal. De concrete uitwerking van duurzame mobiliteit is onderdeel van verdere uitwerking van de omgevingsvisie. De gemeente laat onderzoek verrichten naar de mogelijkheden voor en effecten van steviger inzetten op duurzame mobiliteit. Ervaringen elders laten zien dat in niet-hoogstedelijke omgevingen duurzame mobiliteit (nog) moeilijk af te dwingen is: de vervoerskeuze is en blijft nog relatief traditioneel en vooral op de auto gericht.
Dat in de locatieverkenningen onderzoek is gedaan naar de effecten van traditionele nieuwe infrastructuur is niet ingegeven vanuit het willen faciliteren van de autoverkeer, zoals de Commissie m.e.r. stelt, maar om worst-case de effecten van nieuwe infrastructuur in beeld te krijgen. Etten-Leur kent een compact stedelijk gebied met een treinstation en goed openbaar vervoer. Daardoor zijn er kansen, zeker voor korte afstanden, hier willen we op inzetten. Gezondheid: gezondheid is bewust algemeen en globaal beschouwd. Het is nog te vroeg en van weinig meerwaarde om in deze fase van visievorming al concreet te rekenen aan de gezondheidseffecten van geluid, luchtkwaliteit e.d. Op dit vlak zijn er ook geen directe knelpunten in de huidige situatie en bij het uitwerken van de ambities. Bij het bepalen van de ambities is specifiek de mogelijke samenhang tussen verschillende thema’s bezien en afgewogen. Er is gekeken naar zo veel mogelijk samenhang tussen ambities: groen+ water +langzaamverkeer+ voorzieningen op loop- of fietsafstand = goed voor gezondheid.
4
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
2.2.1
Onderlinge strijdigheid ambities niet duidelijk
Commissie m.e.r. Er volgt niet uit het MER of ambities realiseerbaar zijn en/of dat ambities met elkaar botsen, omdat niet integraal naar de opgaven en ambities is gekeken. De Commissie adviseert de ambities en milieudoelen te vertalen naar toetsbare criteria, zodanig dat knelpunten en kansen van beleidskeuzes in de omgevingsvisie hier uit afgeleid kunnen worden. Hieruit kunnen conflicterende claims worden geanalyseerd die de ‘agenda’ vormen voor implementatie en uitwerking van de omgevingsvisie. Reactie: toelichting en nadere analyse onderlinge interactie ambities en doelstellingen Zoals eerder in de notitie al gesteld hebben het MER en de omgevingsvisie continue een parallel spoor gelopen waarbij telkens de informatie uit de verschillende stappen van het MER zijn gebruikt voor stappen in de omgevingsvisie en andersom. Deze stappen samen hebben geleid tot het definitief MER en de (ontwerp-) omgevingsvisie. Dit betekent dat al in een heel vroeg stadium van de totstandkoming is gekeken naar de ambities en eventuele tegenstrijdigheden of conflicterende ambities. Hierbij is telkens afgewogen of een tegenstrijdigheid kan worden opgeheven, deze zijn opgenomen in de uiteindelijke visie en daarmee in het MER. Uit de inventarisatie en de effectbeoordeling van de ambities zijn geen concrete knelpunten naar voor gekomen, wel zijn er aandachtspunten.
Deze aandachtspunten zijn in het MER benoemd, met name aandachtspunten vanuit de locatieverkenningen voor de algemene ambities. Deze zijn vertaald in de totale omgevingsvisie. In paragraaf 7.2 van de omgevingsvisie wordt hier specifiek op in gegaan. In aanvulling op het MER en paragraaf 7.2 van de omgevingsvisie is een nadere toelichting opgenomen van risico’s, knelpunten en kansen van ambities en of ambities onderlinge verenigbaar zijn of juist conflicterend. Deze is opgenomen in een bijlage bij deze notitie. Dit is gedaan op het abstractieniveau van de omgevingsvisie en het MER.
2.2.2
Effectbeoordeling is niet goed navolgbaar
Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. stelt in haar advies dat ze de effectbeoordeling van de ambities niet goed navolgbaar vindt. Hoewel het MER zeer veel bruikbare data bevat, zijn deze in de optiek van de Commissie m.e.r. onvoldoende gebruikt om tot een passend beoordelingskader te komen. De Commissie m.e.r. stelt ook dat in het beoordelingskader in het MER geen goede navolgbare uitwerking van de ambities en milieudoelen vormt en de koppeling met de staat van de leefomgeving ontbreekt. In het MER ontbreekt een analyse van de referentiesituatie op belangrijke knelpunten en kansen voor het omgevingsbeleid. Uit het MER is niet goed af te leiden hoe groot knelpunten zijn, waar deze zich voordoen en welke rol het bestaande beleid en de autonome ontwikkeling daarin spelen. Daarmee wordt de opgave voor de omgevingsvisie niet goed helder. In het MER is ook geen duidelijke relatie gelegd tussen de referentiesituatie en de ambities voor de omgevingsvisie. Dit heeft gevolgen voor de beoordeling van de effecten. De effectscores zijn in de optiek van de Commissie m.e.r. daardoor weinig zeggend, niet goed navolgbaar en nauwelijks onderbouwd. Ook de gehanteerde methodiek voor het beoordelen van de huidige situatie, de autonome ontwikkeling en de omgevingsvisie leidt in de optiek van de Commissie m.e.r. tot onduidelijkheid en informatieverlies.
De huidige situatie is op basis van de staat van de leefomgeving ‘absoluut’ beoordeeld: hoe staan de deelgebieden in EttenLeur er op dit moment voor. De autonome situatie is relatief beoordeeld ten opzichte van de huidige situatie: is er sprake van een positieve of een negatieve trend, op basis van externe ontwikkelingen of bestaand beleid. De omgevingsvisie is vervolgens relatief beoordeeld ten opzichte van de autonome ontwikkeling. De betekenis van dit oordeel niet helder. Tabel 6.8 laat voor verkeer en mobiliteit bijvoorbeeld zien dat de huidige situatie positief scoort, de autonome ontwikkeling negatief en de omgevingsvisie deels positief en deels negatief. Bijlage 1 van het MER (beoordeling van ambities) geeft hierover wel meer informatie doordat een toelichting bij elke beoordeling is gegeven en doordat een extra kolom is toegevoegd met aandachtspunten en afwegingen. Reactie: nadere toelichting effectbepaling en beoordeling ambities Bovenstaande mening van de Commissie m.e.r. over de effectbeoordeling wordt niet gedeeld. Zoals eerder in deze reactie al beschreven klopt het dat de ambities niet zijn uitgewerkt in concrete criteria en dat vooral de intenties van de ambities zijn beoordeeld. Omdat dat aansluit bij het abstractieniveau van de visie.
5
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
In samenspraak tussen de visie en het MER zijn de beoordelingen als volgt tot stand gekomen: In eerste instantie zijn de huidige situatie en de referentiesituatie beoordeeld. Dit op basis van de informatie uit de Staat van Leefomgeving waarin de huidige staat en het beleid en trendmatige ontwikkelingen zijn beschreven (de brede inventarisatie fase). De beoordeling is allereerst in de vorm van de tabellen gedaan zoals in de bijlage bij het MER opgenomen. Hierin is ook de onderbouwing opgenomen. Voor de huidige staat is zoals de Commissie m.e.r. ook aangeeft, een waardeoordeel gegeven over de huidige kwaliteit. Hierna is beoordeeld hoe deze waarde zich ontwikkelt op basis van het huidige beleid van de gemeente en trendmatige ontwikkelingen. Dit kan een positieve of negatieve ontwikkeling zijn. Vervolgens is beoordeeld wat de invloed is/ kan zijn van de ambities in de omgevingsvisie op deze ontwikkeling. Hierna is de inhoud van de tabellen uitgeschreven in Hoofdstuk 6 van het MER. Deze werkwijze is uitgelegd in het m.e.r. Daarom wordt niet gevolgd, waarom de wijze van effectbeoordeling onduidelijk is. Ter illustratie het door de Commissie m.e.r. genoemde voorbeeld over verkeer. Verkeer scoort in de huidige situatie groen, wat een neutrale tot redelijke staat betekent (en niet positief zoals gesteld door de Commissie).
Gemeentebreed zijn er geen wezenlijke verkeersknelpunten en is de huidige situatie daarom neutraal tot redelijk. Autonoom neemt naar verwachting de verkeersdruk toe, door ruimtelijke ontwikkelingen in EttenLeur en het nog steeds groeiende autogebruik. Dit speelt naar verwachting vooral in de woongebieden en de werkgebieden. Vandaar dat hier een negatieve ontwikkeling wordt geconstateerd. In het centrum en het buitengebied neemt de verkeersdruk naar verwachting minder toe, wat leidt tot een neutrale tot enigszins negatieve ontwikkeling. De effecten van de Omgevingsvisie worden wisselend beoordeeld: enerzijds dragen ambities ten aanzien van duurzame mobiliteit naar verwachting bij aan vermindering van verkeersdruk, anderzijds leiden nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld nieuwe woongebieden) tot toename van de verkeersdruk.
Het beoordelingskader is integraal en compleet. Het MER en de omgevingsvisie hebben continue een parallel spoor gelopen waarbij telkens de informatie uit de verschillende stappen van het MER zijn gebruikt voor stappen in de omgevingsvisie en andersom. Deze stappen samen hebben geleid tot het definitief MER en de (ontwerp)omgevingsvisie. Dit betekent dat al in een heel vroeg stadium van de totstandkoming is gekeken naar de ambities en eventuele tegenstrijdigheden of conflicterende ambities. Hierbij is telkens afgewogen of een tegenstrijdigheid kan worden opgeheven, deze zijn opgenomen in de uiteindelijke visie en daarmee in het MER. De uitwerking van de ambities in doelstellingen en criteria vindt plaats in verdere uitwerking van de omgevingsvisie in omgevingsplannen en programma’s. De beoordelingen zijn voldoende onderbouwd op het abstractieniveau van de omgevingsvisie. Aandachtspunten zijn in principe in de visie benoemd, er is bewust niet voor gekozen een prioritering hierin aan te brengen. In de nadere uitwerking van de visie worden de agendapunten verder bepaald. In de visie wordt hier bij de paragraaf over programma’s al op voorgesorteerd.
2.2.3
Stikstofdepositie locatieafwegingen nog onvoldoende onderzocht
Commissie m.e.r. De Commissie vindt de conclusie in de Passende beoordeling dat de omgevingsvisie een positief effect heeft op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden erg voorbarig. De Commissie stelt dat de effecten van de omgevingsvisie sterk afhankelijk van de uitwerking daarvan en dat veel ontwikkelingen die in de ontwerp omgevingsvisie zijn beschreven kunnen leiden tot een toename van stikstofemissies. De Commissie m.e.r. mist in de Passende beoordeling een berekening van de stikstofeffecten van de woonlocaties en infrastructuur. Dit acht zij nodig om te kunnen vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de woningbouwplannen en de aanpassingen aan de infrastructuur te realiseren zonder aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Ook maakt de Passende beoordeling in de optiek van de Commissie m.e.r. nog onvoldoende aannemelijk dat effecten op stikstofgevoelige natuur voorkomen kan worden met behulp van mitigerende maatregelen. Daardoor kan op basis van de Passende beoordeling nog niet worden vastgesteld of de gemaakte keuzes voor woningbouw en infrastructuur uitvoerbaar zijn binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.
6
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
De Commissie adviseert om voordat besloten wordt over de locaties voor woningbouw en aanpassingen aan infrastructuur, in een aanvulling op het MER: een kwantitatieve analyse uit te voeren van mogelijke toenames van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden en andere stikstofgevoelige natuur; aan te geven welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden te voorkomen en de effectiviteit en haalbaarheid van deze maatregelen aan te tonen. Reactie: toelichting werkwijze passende beoordeling en stikstofberekeningen Het klopt dat ontwikkelingen in de omgevingsvisie een (stikstof)effect (kunnen) hebben op Natura2000gebieden. Dat neemt niet weg dat verwacht mag worden dat in de toekomst het stikstofprobleem kleiner wordt. De gemeente verwacht ook dat met uitvoering van ambities uit de omgevingsvisie de stikstofuitstoot kleiner wordt en daarmee de stikstofdruk op Natura2000-gebieden kleiner. Vanuit dat perspectief heeft de omgevingsvisie naar verwachting een positief effect op Natura2000-gebieden. Dat neemt niet weg dat nu nog en in de nabije toekomst gerekend moet worden aan stikstofeffecten en bij een berekend effect gezocht moet worden naar mitigerende maatregelen.
In het concept MER was gerekend aan de effecten van 600 woningen en 10 ha bedrijventerrein, met de toen actuele versie van Aerius, waarin het verkeerseffect nog afgekapt werd op 5 km. Dat leidde ertoe dat ontwikkelingen niet of nauwelijks een stikstofeffect hadden: de dichtstbijzijnde Natura2000-gebieden liggen op meer dan 7 km afstand. Er kon in het kader van het definitieve MER (november 2021) nog niet gerekend worden met de nieuwe versie van Aerius (januari 2022). Nu alsnog rekenen wordt niet zinvol geacht. Het is, ook zonder berekeningen, duidelijk dat stikstof een aandachtspunt is voor ontwikkelingen van woningbouw en infrastructuur. Ook is duidelijk dat bij woningbouw in het buitengebied er salderingsmogelijkheden bestaan doordat bestaand agrarisch gebruik/ agrarische bedrijven zullen verdwijnen. Dit is zo ook benoemd in de Passende beoordeling. De mogelijkheden voor saldering staan momenteel (voorjaar 2022) ter discussie. Het is nu nog onduidelijk hoe dit zich verder ontwikkeld. Ook ontwikkeld de jurisprudentie rond stikstof zich verder. Het is daarom zinvoller stikstofberekeningen uit te voeren in de latere fasen van planen besluitvorming als concreter duidelijk wordt wat waar beoogd wordt en op basis van de dan actuele versie van Aerius en dan actuele stand van zaken in wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie.
7
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Bijlage: Nadere toelichting onderlinge interactie ambities en doelstellingen In de omgevingsvisie zijn vanuit de algemene ambitie/doelstelling om Etten-Leur prettig, veilig en gezond om te wonen werken en leven te houden, diverse ambities en doelstellingen benoemd. Dit in het algemeen, voor de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving (inclusief het sociale domein), de vier deelgebieden (woongebieden, buitengebied, centrumgebied en werkgebieden) en de strategische ontwikkellocaties (wonen, werken, infrastructuur). Waar mogelijk zijn de ambities/ doelstellingen concreet benoemd, op het niveau van de visie. Deze worden in latere uitwerkingen van de omgevingsvisie, zoals in programma’s en het omgevingsplan, nader geconcretiseerd. Ook in de planfase van concrete ontwikkelingen worden deze uitgewerkt in (m.e.r.)onderzoeken en kunnen de milieueffecten concreter worden bepaald. In het MER is in hoofdstuk 6 op globale verkennende/agenderende wijze beschreven wat de ambities kunnen bijdragen aan fysieke leefomgeving van Etten-Leur. In Hoofdstuk 7 en 8 is verkennend/agenderend beschreven wat de aandachtspunten vanuit de locatieverkenningen wonen, werken en infrastructuur. In de conclusies in hoofdstuk 9 zijn de bijdrage van de ambities aan de fysieke leefomgeving en de aandachtspunten vanuit de locatieverkenningen samenvattend beschreven.
Dit is vertaald in paragraaf 7.2 van de omgevingsvisie. Voor de locatieverkenningen is integraal aangegeven wat de positieve en negatieve effecten en daarmee aandachtspunten en afwegingen zijn. De Commissie m.e.r. stelt in haar toetsingsadvies dat een integrale beschouwing van de algemene ambities ontbreekt en dat het MER daarmee weinig informatie geeft over risico’s, knelpunten en kansen en in hoeverre ambities verenigbaar of conflicterend zijn. Onderstaand wordt dit toegelicht. Eerst voor de algemeen voor Etten-Leur gestelde ambities en daarna voor specifiekere ambities voor de diverse deelgebieden. De toelichting vindt plaats op basis van de ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie. Ambities en doelstellingen zijn (nog) niet uitgewerkt. Dat gebeurt in latere fasen van visie-, plan- en besluitvorming in omgevingsvisie, programma’s en het omgevingsplan. Dat betekent dat de ambities globaal verkennend/ agenderend zijn, aansluitend op het abstractie/detailniveau van de omgevingsvisie. Algemeen De algemene ambitie/doelstelling van de omgevingsvisie is om Etten-Leur prettig, veilig en gezond om te wonen werken en leven te houden.
Etten-Leur streeft naar een duurzame balans tussen: het lichamelijke en geestelijke welzijn van inwoners (de mensen); de veerkracht en kwaliteit van de natuur en het landschap (leefomgeving); een gezonde en vitale economische ontwikkeling (economie). Dit is in de omgevingsvisie vertaald in diverse ambities en doelstellingen, zoals: Een zo passend mogelijk woning- en voorzieningenaanbod op de wensen voor wonen, (samen)leven, activiteiten en voorzieningen van elke leeftijdsgroep. o Aanpassing en uitbreiding van het huidige woningaanbod. o Het aanbod aan woonvormen uit te breiden. o De leefomgeving aantrekkelijk en leefbaar houden. o Voortbestaan van voorzieningen garanderen, maar wel rekening houdend met de veranderende bevolkingssamenstelling. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met meer aandacht voor gezondheid, o.a.: o verbeteren luchtkwaliteit; o rekening te houden met de risico’s voor de gezondheid als gevolg van onder andere emissies van fijnstof, ammoniak en de verspreiding van zoönose; o in bestaande situaties een toename van geluidhinder te voorkomen (standstill beginsel) en nieuwe ontwikkelingen te laten voldoen aan de standaardwaarde voor geluid; o (Verder) beperken geuroverlast; o vroegtijdig rekening houden met veiligheidsrisico’s.
8
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Behoud verblijfskwaliteit, verkeersveiligheid en verkeersbereikbaarheid te voet, met de fiets en met de auto. Maatregelen bij verdere groei van het autoverkeer of het vervoer per spoor. Inzetten op duurzame mobiliteit Behoud en versterken landschap Behoud en versterken natuur en biodiversiteit Een schone, veilige en stabiele bodem en tegengaan verontreiniging, verdroging, vermesting, verarming, verdichting en verzilting Bescherming van lokale aardkundige en archeologische waarden Bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte en grondwater, bescherming tegen water (overstromingsgevaar), voorkomen wateroverlast, bestrijding van droogte, voorkomen hittestress In het buitengebied een goede balans tussen de mens, de economie en de leefomgeving Om toeristen te binden is vernieuwing nodig Energietransitie: de bestaande woningvoorraad verduurzamen, toekomstbestendig maken werklocaties; Omschakeling naar een circulaire economie.
Zoals in het MER en omgevingsvisie al gesteld zet de gemeente Etten-Leur met de omgevingsvisie een eerste belangrijke stap naar een integraal strategisch beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit betekent niet dat er een compleet nieuwe “wind gaat waaien” door de gemeente. Etten-Leur heeft met haar Structuurvisie Plus 2020 en actuele bestemmingsplannen al een prima integrale basis voor haar omgevingsbeleid. Ook voor een groot aantal sectorale beleidsvelden is het bestaande beleidskader geschikt of grotendeels geschikt om 1 op 1 in de omgevingsvisie overgenomen te worden. Wat goed is blijft behouden, niet veranderen als dat niet hoeft. In de omgevingsvisie krijgen “recente” actuele leefomgevingsthema’s als klimaatadaptatie, energietransitie, transitie van de landbouw en het buitengebied, gezondheid en duurzaamheid een plaats naast de “traditionele” ruimtelijke ordeningsthema’s als landschap, erfgoed, natuur, water, verkeer en hinder. Het MER laat zien voor een aantal thema’s het huidige beleid in Etten-Leur al op orde is om de ambities en doelstellingen voor de toekomst te halen. Voor thema’s waar dat nog niet zo is, zoals bijvoorbeeld biodiversiteit en klimaatadaptatie, geeft de omgevingsvisie handvatten om de gewenste beleidsontwikkeling te realiseren. Ook koppelt de omgevingsvisie de diverse thema’s aan elkaar zodat er meerwaarde voor Etten-Leur ontstaat.
Dit gebeurt bijvoorbeeld met natuur-en biodiversiteit, landschap, water en klimaatadaptatie. Een aantal van de ambities gaan prima samen en versterken elkaar. Meer ruimte voor groen en water draagt bij aan ambities op het gebied van natuur, klimaatadaptatie en leefbaarheid/gezondheid. Herstructurering van werklocaties geeft ook de mogelijkheid voor en draagt daarmee bij aan doelstellingen op het gebied van leefbaarheid (voorkomen hinder), energietransitie en klimaatadaptatie. Transformatie van het buitengebied geeft de mogelijkheden voor invulling van ambities op het gebied van landschap, natuur, water en leefbaarheid/gezondheid. Een aantal ambities kan met elkaar “bijten”. Dit speelt met name in het buitengebied en bij nieuwe locaties voor wonen en infrastructuur. In het buitengebied liggen er nog diverse uitdagingen om de verschillende ontwikkelingen en ambities op elkaar af te stemmen. Dit betreft onder meer de landbouwtransitie, energietransitie, klimaatadaptatie, ruimte voor wonen, verminderen milieuhinder en het verbeteren van de biodiversiteit. Daarnaast geven nieuwe locaties voor wonen en infrastructuur aandachtspunten op het vlak van inpassing in bestaande waarden (landschap, natuur, water e.d.) en op het gebied van verkeer en geluid richting de omgeving. Daarnaast ligt de lat voor een aantal ambities hoog en is de weg er naar toe nog niet duidelijk.
Herstructuering en verwezenlijking van ambities in de werkgebieden moet passen binnen de businesscase en bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven. Hetzelfde geldt voor verwezenlijking van ambities bij herontwikkelingen in de woongebieden en het centrum. Dit vraagt afstemming met en eisen aan ontwikkelende partijen. Voor het buitengebied hangt de transformatie en verwezenlijking van ambities af van passendheid in nieuwe verdienmodellen van de landbouw, nog steeds de belangrijkste gebruiker en beheerder in het buitengebied. Deze ontwikkeling gaat nog langzaam, waarbij ook het behalen van ambities een kwestie “van een lange adem” is. 9
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Woongebieden Bestaande wijken Etten-Leur zet in de omgevingsvisie voor de bestaande woongebieden vooral in op een passende duurzame woning voor iedereen en zorgvriendelijke gezonde wijken waar gezonde leefomstandigheden heersen. Wijken moeten schoon, toegankelijk, veilig zijn met aantrekkelijke plekken voor ontmoeting, ontspanning en beweging. Het bestaande groen stedelijk karakter moet behouden blijven en er wordt ingezet op (nog) meer ruimte voor groen, natuur en water. Daarnaast wordt ingezet op het energieneutraal maken van wijken. Deze ambities zijn niet nieuw en zetten bestaande beleid en al ingezette ontwikkelingen voort. De ambities “bijten” elkaar niet en kunnen elkaar versterken: meer groen en water is goed voor klimaatadaptatie en natuur, maar ook voor de leefbaarheid en daarmee gezondheid in de wijken. (Her)ontwikkeling van locaties binnen de bestaande woongebieden biedt de gemeente de mogelijkheid om invulling te geven aan de ambities. De ambities leiden naar verwachting op het niveau van de bestaande woongebieden als geheel niet tot belangrijke negatieve effecten op andere aspecten van de leefomgeving. Lokaal kan (her)ontwikkeling leiden tot meer verkeer en hinder en effecten op bestaande waarden (natuur, erfgoed e.d.), iets wat afgewogen moet worden in de planen besluitvorming voor deze individuele projecten.
De ambities voor de woongebieden zijn groot (passend, duurzaam, gezond, energieneutraal e.d.) en in de omgevingsvisie nog niet uitgewerkt in een plan van aanpak hoe tot de ambities te komen. Uitdaging/ aandachtspunt lijkt met name de bekostiging te zijn van invulling van de ambities, niet zozeer tegenstrijdigheid van belangen van aspecten van de fysieke leefomgeving. Nieuwe locaties In het MER (Hoofdstuk 7 en 8 en de conclusie in H9) is uitgebreid ingegaan op verwachte effecten en aandachtspunten van de nieuwe woonlocaties en bijbehorende infrastructuur. Nieuwe woonlocaties dragen bij aan de ambitie van Etten-Leur om voor een iedereen een passend woningaanbod te realiseren en dragen bij aan algemene doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie, duurzame energie, gezondheid. Maar, zoals in het MER is beschreven, geven nieuwe woonlocaties en infrastructuur diverse effecten op en aandachtspunten vanuit de omgeving. Het gaat hierbij zowel om mogelijk verlies van waarden (landschap, natuur, water, erfgoed) als hinder op de omgeving (verkeer, geluid, luchtkwaliteit). Daarmee kunnen nieuwe woonlocaties en infrastructuur ook negatieve effecten hebben op ambities in de omgevingsvisie. Dit is onvermijdelijk: nieuwe ontwikkelingen leiden altijd tot effecten.
Het is van belang voor de vervolg plan- en besluitvorming om mogelijke effecten zo veel als mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken en goede afwegingen te maken tussen de positieve bijdrage aan en negatieve effecten op ambities. In het MER zijn de belangrijkste aandachtspunten voor de diverse locaties benoemd. Deze zijn verwerkt in de gebiedsvisies en in paragraaf 7.2 van de omgevingsvisie. Buitengebied Buitengebied is het deelgebied met de grootste mogelijke tegenstrijdigheden in ambities en daarmee de belangrijkste aandachtspunten voor het vervolg van de visie- en plan/besluitvorming. Etten-Leur zet in de omgevingsvisie voor het buitengebied in op een duurzame ontwikkeling van verwevenheid aan functies en opgaven, waarbij er geen afwenteling van milieuproblemen naar de toekomst mag optreden en er een goede balans tussen natuur en milieu, economie en de mens moet zijn. Etten-Leur wil op zoek naar een nieuw evenwicht tussen het beschermen van een veilige, gezonde, natuurrijke en rustige leefomgeving en het optimaal benutten en ontwikkelen van het buitengebied voor verschillende functies: Behoud van de vitale en diverse agrarische sector en ruimte bieden aan innovaties die leiden tot een duurzame en rendabele landbouw, bij voorkeur circulaire en/of natuurvriendelijke landbouw. Ruimte voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten.
Ruimte voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. Rekening houdend met het herstel van ecosystemen, verbetering van de kwaliteit van de bodem en het watersysteem, klimaatadaptie, milieu, dierenwelzijn, gezondheid en behoud en versterking van natuur en landschap. Dit in balans met economisch perspectief en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Behoud en versterking van de landschappelijke identiteit en verscheidenheid. Versterking van de relaties met het stedelijk gebied, het buitengebied zou toegankelijker moeten zijn. Behoud en versterken van ecologische- en waterstructuur en de biodiversiteit Enerzijds wateroverlast tegengaan, anderzijds water vasthouden voor tijden van droogte. 10
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Behoud bestaande locaties voor opwekking duurzame energie: o Geen nieuwe windlocaties, wel opschaling van de capaciteit op de bestaande windlocaties. o Geen zonneparken op agrarische gronden, inzetten op het zo veel mogelijk benutten van daken van gebouwen (in stedelijk gebied, bedrijventerreinen en buitengebied). o De geluidwal langs de Rijksweg. o De voormalige stortplaats aan de Bollendonkseweg. o Bio-vergisting alleen met mest afkomstig van het eigen bedrijf.
De lat ligt daarmee in het buitengebied hoog. De weg ernaartoe nog niet vast en is daarmee aandachtspunt voor uitwerking van de visie. De ambities voor het buitengebied gaan deels samen: een ontwikkeling naar een meer circulaire en natuurvriendelijke landbouw geeft ruimte voor water, groen/natuur en leidt tot vermindering van hinder op de omgeving. Behoud en versterking van landschap gaat goed samen met meer ruimte voor water en groen/natuur en draagt bij aan de recreatieve kwaliteit van het buitengebied. Maar er zijn ook spanningsvelden tussen ambities. Vitale landbouw vraagt momenteel nog steeds om schaalvergroting, wat ten koste kan gaan van ambities op het gebied van landschap en leefbaarheid. Zo is er vanuit de tuinbouw- en kwekerijsector behoefte aan meer ruimte voor teeltondersteunende voorzieningen (groter en voor langere perioden). Dit kan ten koste gaan van landschappelijke waarden, natuur en water. Vergroting van de recreatieve kwaliteit van het buitengebied en het toestaan van andere overige functies kan leiden tot toename van verkeer en daarmee hinder in het buitengebied. Elders in Nederland staat opwekking van duurzame energie in het buitengebied op gespannen voet met ambities op het gebied van landschap en natuur.
Etten-Leur maakt in de omgevingsvisie echter duidelijke keuzes: geen nieuwe windlocaties (wel opwaardering van de bestaande) en geen zonneparken op agrarische gronden. Grootste uitdaging in het buitengebied is hoe de ambities ingepast kunnen worden in de veranderende verdienmodellen binnen de landbouw, nog steeds de belangrijkste gebruiker en beheerder van het buitengebied. Dit vraagt afstemming met en eisen aan de sector. Centrum Etten-Leur zet in de omgevingsvisie voor het centrum vooral in op behoud van de kwaliteiten en het inspelen op toekomstige ontwikkelingen zoals minder winkels, meer wonen, meer horeca/recreatie. Voor het centrum wordt daarnaast ingezet op meer ruimte voor water, groen en natuur om bij te dragen aan de opgaven vanuit klimaatadaptatie (wateroverlast, hittestress), biodiversiteit en gezondheid. Herontwikkeling van locaties in het centrum biedt de gemeente de gelegenheid hier invulling aan te geven. Meer wonen en meer voorzieningen kan meer verkeer betekenen. Bereikbaarheid van het centrum is daarmee een aandachtspunt. Het centrum is goed bereikbaar en dat moet zo blijven. Een oplossing kan gevonden worden in inzetten op duurzame mobiliteit. Het beleid hiervoor is nog in ontwikkeling en daarmee aandachtspunt voor verdere uitwerking. Lokaal moet bij nieuwe woningen en voorzieningen als horeca afwegingen gemaakt worden over acceptabele hinder.
Dat is niet iets voor nu in de omgevingsvisie, maar wel voor de plan- en besluitvorming voor projecten later. Algemeen aandachtspunt is het behoud en waar mogelijk versterken van de erfgoedwaarden in het centrum. Ontwikkelingen in het centrum dragen daarmee bij aan de ambities in de omgevingsvisie, naar verwachting zonder belangrijke negatieve effecten / tegenstrijdige belangen vanuit aspecten van de fysieke leefomgeving (zoals wel het geval kan zijn bij de hierboven beschreven nieuwe woongebieden en in het buitengebied). Grootste uitdaging en daarmee aandachtspunt ligt in het bereikbaar houden van het centrum (o.a. door in te zetten op duurzame mobiliteit. Daarnaast is de uitdaging het integreren van de ambities in de businesscase van de herontwikkelingen. Dat vraagt om afstemming met en eisen aan de ontwikkelaars. Werkgebieden Etten-Leur zet in de omgevingsvisie vooral in op het toekomstbestendig maken van de werkgebieden. Er wordt ingezet op herstructurering van de bestaande gebieden, niet op uitbreiding met nieuwe gebieden. Toekomstbestendig maken houdt vanuit het perspectief van de fysieke leefomgeving vooral in: Ruimte geven aan bedrijven om hun bedrijfsvoering aan te passen aan ruimtelijke, technische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Meer ruimte voor groen, natuur en water om bij te dragen aan de opgaven vanuit klimaatadaptatie (wateroverlast, hittestress), biodiversiteit en gezondheid. Inzetten op besparing energieverbruik en opwekking duurzame energie. Inzetten op circulariteit. Vermindering van hinder op de omgeving door onder meer het terug leggen van de geluidszone.
11
Reactie toetsingsadvies Commissie m.e.r., 3 mei 2022
Deels gaan deze ambities samen en kunnen ze elkaar versterken. Vanuit wet- en regelgeving en beleid moeten en gaan bedrijven al aan de slag met modernisering, duurzame energie, duurzaam materiaalgebruik en beperking van hinder op de omgeving. Hiermee dragen ze ook bij aan ambities in de omgevingsvisie. Vertrek en heropvulling van bedrijvenlocaties geeft de gemeente de mogelijkheid om ruimte te creëren voor water en groen en vanuit de ambities eisen te stellen aan de nieuwkomende bedrijven. Herstructurering en toekomstbestendig maken van de werkgebieden draagt daarmee bij aan de ambities in de omgevingsvisie, naar verwachting zonder belangrijke negatieve effecten/ tegenstrijdige belangen vanuit aspecten van de fysieke leefomgeving (zoals wel het geval kan zijn bij de hierboven beschreven nieuwe woongebieden en in het buitengebied). Grootste uitdaging ligt dan ook niet zozeer in tegenstrijdige belangen vanuit de fysieke leefomgeving (zoals), maar meer in het integreren van de ambities in de businesscase en bedrijfsvoering van bedrijven. Dat vraagt om afstemming met en eisen aan de sector en parkmanagement op de bedrijvenlocaties.
12