Bijlage 1 Rapport actualisatie archeologie
Tekst van het document
De hoogste landvormen (dekzandruggen en landduinen) worden integraal als gradiënt beschouwd. Ook toen het landschap geleidelijk door het veen overwoekerd werd, bleven de ruggen en duinen
126
O.a. Leenders, 1996; Louwe Kooijmans, 2005; Ball & Van Heeringen, 2016 Groot e.a., 2013 128 Koopmanschap e.a., 2011 129 Ellenkamp, 2009 130 Koopmanschap & Visser-Poldervaart, 2011; Roessingh & Blom, 2012 131 Appendix 3 132 zie o.a. De Boer & Roymans, 2002; Verhoeven & Roymans, 2 004; Ellenkamp, 2009; Berkvens & Bosman, 2010; Ellenkamp, Keijers & Roymans, 2011; Ellenkamp, 2018. 127
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[76]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
nog lang door het veen heen steken. Deze ‘donken’ in het veenmoeras vormden dus bij uitstek gradiënten die interessant waren voor de jager-verzamelaars. •
Voor de overige hogere landvormen (de welvingen) wordt uitgegaan van een gradiënt wanneer deze grenst aan een laagte of dal. Om de onnauwkeurigheden in digitaliseren op te vangen wordt een bredere gradiëntzone gehanteerd van 225 meter, waarvan zich 37.5 meter in het natte deel uitstrekt en 187.5 meter in het droge.
•
Voor de vlakke en geërodeerde landvormen geldt een lage verwachting.
Figuur 46. Schematische weergave van de gradiëntzone.
De ruimtelijke weerslag van de activiteiten van de jager-verzamelaars is beperkt. In de KNA-leidraad voor karterend booronderzoek wordt voor de maximale omvang van een vindplaats bijvoorbeeld uitgegaan van >1000 m 2 . 133 Bij grootschalig onderzoek langs de Maas in Limburg is een vindplaats onderzocht die in de steentijd gedurende meer dan 5000 jaar do or de mens is bezocht en dat resulteerde in een concentratie van 50 vuursteenclusters over een oppervlakte van circa 2000 m 2 . 134 De landschappelijk context is weliswaar compleet anders, maar evengoed heeft 5000 jaar bewoning slechts in een beperkt oppervlak met archeologische resten geresulteerd. Op basis van deze inzichten wordt rondom de vondstlocaties uit de steentijd een vindplaatsbuffer gehanteerd met een straal van 25 m. Dat komt neer op een zone met een oppervlakte van circa 2000 m 2 waar de daadwerkelijke archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Deze buffer is van belang voor vindplaatsen die buiten het model vallen, om te waarborgen dat ze het juiste beschermingsregime kunnen krijgen.
5.1.2
Landbouwers
Voor de mens in de landbouwers periode speelde vooral de geschiktheid voor beakkering een rol. Bij de locatiekeuze. Allereerst blijkt uit vele archeologische onderzoeken en analyses ten behoeve van verwachtingskaarten in Zuid-Nederland, dat vindplaatsen uit de landbouwers periode vooral voorkomen op goed ontwaterde gronden met een voor beakkering geschikte textuur èn morfologie. Vooral die combinatie is een belangrijke voorwaarde, want bijvoorbeeld rivierduinen kennen weliswaar een
133 134
Tol e.a., 2012. Ellenkamp e.a., 2019.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[77]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
geschikte textuur en goede ontwatering, maar zijn vanwege het extreme reliëf toch niet geschikt voor beakkering. Uit verschillende recente onderzoeken in Zuid-Nederland blijkt dat de voor landbouw geschikte landvormen daarvoor dan ook vaak integraal benut zijn. Zo is bij Baarle-rondweg gebleken dat de dichtheid aan sporen zo hoog is, dat vrijwel nergens een leeg stuk zonder sporen is aan te duiden. 135 Daaruit is geconcludeerd dat het hele plateau wellicht vol zit met archeologi e (in de breedste zin van het woord). Vergelijkbare inzichten zijn opgedaan bij grootschalige onderzoeken langs de Limburgse Maas in Well-Aijen 136 en Ooijen-Wanssum. 137 In deze beide gebieden bleek telkens dat de ruimtelijke begrenzing van de landvorm (in dit geval een rug) de grens van de vindplaats bepaalde. 138 De geschikte landvormen krijgen daarom integraal een hoge archeologische verwachting.
Figuur 47. Erven uit de late ijzertijd op de Houtse Akkers te Oosterhout (Roessingh & Blom, 2012: p.132).
135
Mondelinge mededeling drs. M.P.J. Janssens RAAP werkt hier aan de uitwerking van verschillende fasen van gravend onderzoek over een gebied van circa 200 hectare. 137 BAAC werkt hier aan de uitwerking van verschillende fasen van gravend onderzoek over een gebied van circa 280 hectare. 138 Mede naar aanleiding van deze inzichten werken BAAC en RAAP momenteel samen aan een inhoudelijke en methodische synthese (Verhoeven e.a., in voorbereiding). 136
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[78]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Er zijn echter ook vindplaatsen die buiten het model vallen en daarvan is van belang om te bepalen over welk oppervlak archeologische resten te verwachten zijn. Tot voor kort werd op archeologische beleidskaarten rondom vondstlocaties veelal een bufferstraal van 15 0 m gebruikt om de zone te definiëren waar resten te verwachten zijn. Dat resulteert echter in een oppervlakte van ruim 7 hectare! Dat is erg groot. Bij grootschalige onderzoeken in de nabijgelegen zand-gemeenten Alphen-Chaam 139 en Baarle-Nassau 140 is aan de grootste erven een omvang van circa 2000-3000 m 2 toegekend. Dit sluit aan bij de omvang van de erven zoals die in het onderzoeksgebied op de Houtse Akkers zijn aangetroffen, variërend van 1000-3500 m 2 (zie figuur 47). Tegelijkertijd wordt uit deze onderzoeken duidelijk dat vaak meerdere erven bij elkaar liggen of elkaar direct op kunnen volgen. Dit indachtig wordt daarom uitgegaan van een buffer met een straal van 55 m rondom een vondstlocatie uit de landbouwers periode. Dat komt neer op een zone met een oppervlakte van circa één hectare waar concreet de archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Dit dekt zowel de oppervlakte af van een solitair erf als van een eventueel cluster van meerdere of opeenvolgende (zwervende) erven. Voorgaande gaat uit van een voor de landbouwers permanente beschikb aarheid van landvormen.
Uit de hoofdstukken 2, 3 en 4 is echter gebleken dat dit voor het onderzoeksgebied niet het geval was. Het Lage en grote delen van het Hoge zijn in de loop van het Holoceen immers verdronken onder uitgestrekte venen. Die venen vormden weliswaar een nieuw maaiveld, maar de aantrekkingskracht daarvan voor (prehistorische) landbouwers wordt enerzijds lager ingeschat en anderzijds zijn de venen inmiddels grootschalig afgegraven of door zee inbraken weggeslagen, zodat dit maaiveld niet (of nauwelijks) nog bestaat. Als uitgangspunt voor het toekennen van een verwachting voor vindplaatsen uit de landbouwers periode, geldt daarom dat landvormen niet door veen bedekt moeten zijn geweest en bovendien aangesloten moesten zijn op aangrenzende niet door veen bedekte landvormen. Een solitaire zandkop die door het veen heen stak, was in theorie weliswaar beschikbaar, maar of de prehistorische landbouwers een dergelijk eiland in het veen wisten te bereiken (of dat wilden) zal vooral afgehangen hebben van de omvang en bereikbaarheid. Een klein kopje ver in het veen zal minder interessant zijn geweest dan een goed bereikbare kop met voldoende akkerareaal. De vastgestelde veenontwikkeling (zie figuur 34) is hier leidend. De relevantie van dit uitgangspunt zal ook nog blijken uit de ruimtelijke vindplaatsanalyse (§5.2).
5.1.3
Staatssamenlevingen
Vanaf de staatse tijd (middeleeuwen) neemt de mens steeds meer zelf het heft in eigen handen en spelen behalve het natuurlijk substraat ook andere aspecten zoals bezits- en machtsverhoudingen steeds nadrukkelijker een rol bij de locatiekeuze. Toch speelde het landschap nog wel degelijk een rol voor vestigingsmogelijkheden. Los van alle redenen die de mens kon hebben om een landvorm als vestigingslocatie te kiezen, leert een blik op de kaart met veenbedekking (figuur 34) direct welke gebied een grote intrinsieke aantrekkingskracht had: de gordel van Sterksel, die als een schiereiland diep het veengebied in wigde. Het is dus niet voor niets dat Oosterhout al sinds de prehistorie een interessante plek is om te wonen. De gordel vormde samen met een aantal (dek)zandruggen in Drimmelen en Etten-Leur de enige plekken binnen het onderzoeksgebied waar het zandlandschap ook in de middeleeuwen aan het maaiveld lag (dus niet bedekt door veen). Dat betekent dat hier eventuele middeleeuwse voorgangers van de op basis van de kadastrale minuutplan gekarteerde erven te verwachten zijn. Omdat boerderijen niet telkens op dezelfde plaats werden herbouwd, maar elke keer
139 140
Meijlink, 2005. Van der W eerden, Van der Veken & Janssens, 2020.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[79]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
wat verplaatst, kunnen rondom deze ‘zand’-erven voorgangers verwacht worden. Uit verschillende historisch geografische analyses in combinatie met archeologische opgravingen is gebleken dat deze in een straal van minimaal 100 m rondom de boerderijen uit 1832 voor kunnen komen. 141 Dit is daarom gebruikt als buffers rond de erven die zijn gelegen op de nooit door veen bedekte zandgronden. Doordat het veen vanaf de middeleeuwen werd ontgonnen en afgegraven boette de aantrekkings kracht van de hogere gronden echter snel aan waarde in. Op het Hoge konden na de veenwinning vrijwel alle vrijgekomen zandgronden ontgonnen worden, mits ze niet verdroogd en/of verstoven waren. Illustratief hiervoor is het zuiden van de gemeente Etten -Leur, dat omstreeks 1900 te kenschetsen is als een lappendeken van ontgonnen percelen (zie figuur 48). Zoals beschreven in paragraaf 4.3 was de bebouwing op de na veenwinning vrijgekomen zandgronden duidelijk gekoppeld aan overgangen van hoog naar laag, turfvaarten en hogere landvormen. De historische erven en bebouwingslinten zijn daarom gedigitaliseerd als vindplaats.
Figuur 48. De zandgronden in het zuiden van Etten-Leur waren na de veenwinning nagenoeg volledig ontgonnen , zoals te zien op de historische kaart van omstreeks 1900 (bron: https://www.topotijdreis.nl/).
De invloed van de mens blijkt het sterkst in het Lage. Niet alleen ging de Groote Waard hier mede als gevolg van bestuurlijke twisten ten onder (zie §2.3), ook werden de verdronken gronden dankzij grootschalige en gezamenlijke inspanningen weer ingepolderd. Uit hoofdstukken 2 en 3 is gebleken dat het technisch vernuft en historische ontwikkelingen in het polderlandschap bepaalden waar men ging wonen. Het natuurlijk landschap deed er veel minder toe. Men wilde vooral zo hoog mogelijk zitten in verband met overstromingsgevaar. Op die manier is het huidige landschap te bekijken in het kader van de archeologische verwachting: dijken, historische terpen of vlietbergen en natuurlijke verhogingen, waren de favoriete woonlocaties. Zodoende is de gefaseerde inpoldering in het zeekleigebied leidend voor de archeologische verwachting in de Staatse tijd. Anderzijds bestaat voor de polders ook de vraag of er eventueel ook sprake kan zijn van oudere bewoningssporen, van voor de Sint Elisabethsvloeden? Grote stukken land zijn zeker weggeslagen. Dat blijkt alleen al uit het ontstaan van de binnenzee en latere Biesbosch. De verwoesting was echter
141
Schriftelijke toelichting ir. L.J. Keunen (d.d. 30-9-2020)
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[80]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
lang niet overal even groot. Er is immers sprake van verschillende verdronken dorpen, zoals Zonzeel en Niervaart, waarvan wellicht nog resten in de bodem begraven liggen . 142 Zijn deze volledig weggeslagen of slechts overstroomd en verlaten, zodat ze nog in de bodem begraven liggen? Op 5 november 2021 is een speciaal symposium gehouden over de Sint Elisabethsvloed en 143, waarbij in verschillende lezingen op dit thema is ingegaan. Daarin werd op basis van historisch en veldonderzoek de impact van de vloed genuanceerd. In plaats van een catastro fe was in grote delen van het overstromingsgebied sprake van geleidelijke overstroming, waardoor het bestaande land weliswaar onderliep, maar daarbij niet werd weggeslagen, doch eerder werd afgedekt. 144 Uiteindelijk raakte het oude veenlandschap daardoor echter wel sterk gedeformeerd. Zo zou in 50 jaar overstroming circa één meter klei worden afgezet 145 en veroorzaakte de druk van deze klei dat het veen meters inklonk 146. Deze inzichten en de inzichten uit de toelichting op de bestuurlijke context van de inpolder ing (zie met name §2.3.2) indachtig, wordt in het onderzoeksgebied de volgende driedeling onderscheiden: 1.
Intact middeleeuws veenlandschap: Aan de randen van het Lage zijn stroken land bewaard, waar de middeleeuwse ontginningspatronen van het veen nog herkenbaar zijn (of tot voor kort waren). Hier ligt het veen nog aan het maaiveld, of wordt afgedekt door slechts een dun laagje klei. In deze gebieden is de kans op de aanwezigheid van een middeleeuws veen-cultuurlandschap het grootst. Het betreft concreet de oudste polders (voor 1450), zoals afgebeeld op figuur 17.
2.
(Deels) intact en begraven middeleeuws veenlandschap. Dit betreft de polders uit de periode 1450 tot circa 1550. Het betreft de gronden die na de overstroming als eerste weer werden ingepolderd, zodat wordt verwacht dat het zwak overstroomd land betreft. Hier kan onder een dun kleidek een intact veenlandschap schuilgaan.
3.
Verstoord middeleeuws veenlandschap. Het betreft alle polders van na 1550. Deze datering is gebaseerd op de fasering van de polders zoals afgebeeld op figuur 17 en een kaart uit die tijd in combinatie met een bron over de polder Heyningen. 147 Daarin staat dat “In het hoog opgewassen gors De Heyningen reeds een spoor van menselijke activiteit is te vinden: een hoogte, een werf, waarop een gebouw staat (Tsheeren huys op dte heynnighe) dat eigendom is van de markies van Bergen op Zoom”. Het was dus een gorzen landschap dat eerst voldoende hoog moest opslibben voor bewoning. Het is best mogelijk dat hier nog restanten veen onder schuil gaan (dat blijkt ook wel uit de aanwezigheid van drechtvaaggronden 148 en de resultaten van de veldtoets 149). De top van het veen is hier echter geërodeerd en als gevolg van de druk van het kleidek is het veen bovendien sterk ingeklonken en gedeformeerd. Hier is dus geen intact veenlandschap meer te verwachten. Deze categorie omvat ook de gorzen en kreken die pas na 1800 ingepolderd zijn en waar het water dus eeuwenlang gestroomd heeft. Hiervan is aan te nemen dat het oude veenlandschap sterk geërodeerd is. Dit geldt ook voor de Biesbosch.
142
Zie appendix 2 ARCHIS-zaakidentificatienummers 2886674100 en 2886722100 https://www.kngmg.nl/events/staringlezing -sint-elisabethsvloed/ 144 Lezingen: M. Eekhout, B. Röbke en G. de Boer. Zie ook https://grotekerkdordrecht.com/in-de-media-panelen-sintelisabethsvloed/#! 145 Pons, 1998. 146 Staring lezing P. Vos, 5 november 2021. 147 Van Ham & Leenders, 2018 148 Volgens de bodemkaart 1:50.000 149 Zie appendix 1 143
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[81]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 49. Panelen van rond 1490 met een geromantiseerd beeld van de Sint Elisabethsvloed (anoniem).
5.1.4
Andere activiteiten dan bewoning
De voorgaande uitgangspunten richten zich vooral op resten gerelateerd aan bewoning. De mens heeft echter veel meer activiteiten uitgevoerd. De RCE onderscheidt vier landgebruik -thema’s, te weten ‘bewoning’, ‘begraving’ (dodenritueel), ‘economie en infrastructuur’ en ‘ritueel’. 150 Deze verschillende vormen van landgebruik stelde elk hun eigen eisen aan het landschap. Delen die voor bewoning ongeschikt waren, konden voor economische activiteiten (bijvoorbeeld grondstofwinning) juist wel interessant zijn. In tegenstelling tot voor het thema bewoning, is voor de andere thema’s echter niet meer dan in algemene termen bekend welke landvormen daarvoor in aanmerking kwamen. Bij enkele grotere onderzoeken op de Houtse Akkers 151 is een groot complex gevonden met sporen van begraving uit de late prehistorie (zie figuur 50). Opvallend is dat de begraving sterk gekoppeld is aan de bewoningssporen uit diezelfde periode. Dit wijkt af van het beeld verder zuidwaarts in het pleistocene zandgebied, waar de prehistorische graven of grafmonumenten veelal verder van de bewoning liggen op de woeste gronden, zoals bijvoorbeeld de bekende grafheuvels op de Regte Heide . Zij dienden waarschijnlijk ook als afbakening van het territorium.
In tegenstelling tot die zuidelijker gelegen zandgrond, was een dergelijke ruimtelijke spreiding in het onderzoeksgebied gedurende de landbouwers periode echter niet mogelijk. Zoals eerder beschreven vormde de gordel van Sterksel in die tijd een schiereiland omringd door veen. Op de landtong was de ruimte simpelweg beperkt, waardoor verschillende activiteiten vanzelf veel dichter bij elkaar lagen. Dat verklaart wellicht waarom prehistorische bewoning en begraving in Oosterhout sterker aan elkaar gekoppeld lijken dan elders in het pleistoceen zandgebied. Roessingh & Blom merken ook op dat het prehistorische urnenveld van Oosterhout tot één van de meest noordwestelijke van Zuid-Nederland behoort 152 en constateren dat de
150
Rensink & Van Doesburg, 2015. Zie appendix 3 ARCHIS-zaakidentificatienummers 3999371100 en 2274442100 152 Roessingh & Blom, 2012: p.103 151
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[82]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
noordelijke begrenzing ervan wordt gevormd door de relatief steile flank van de zandrug. 153 Waarschijnlijk speelde ook daar de veenbedekking een sterk bepalende/beperkende rol. In de late middeleeuwen en nieuwe tijd was het veen afgegraven en vormde geen beperking meer. In die periode was het echter gebruik geworden om de doden dichter bij de bewoning te begraven.
Figuur 50. Verspreiding van grafstructuren en graven in zones op de Houtse Akkers te Oosterhout (Roessingh & Blom, 2012: p.100).
Natte contexten Sinds een aantal jaren is duidelijk dat ook voor de natte context een verdiepingsslag aan te bre ngen is in de archeologische verwachting. In de natte delen van het pleistocene zandlandschap kan een goed geconserveerde en bijzondere (organische) archeologische dataset bewaard zijn 154 die extra inzicht kan geven in hoe de mens leefde en van het landschap gebruik maakte. Dit betekent dan echter wel dat het landschap voor de mens beschikbaar moest zijn. Voor het onderzoeksgebied is gebleken dat juist vanuit de nattere delen van het landschap het veenkussen op kwam zetten. Het gevolg daarvan is dat waar op de hogere zandgronden de beekdalen een sterke aantrekkingskracht hadden op de mens, ze hier juist als één van de eerste landvormen niet meer beschikbaar waren. Dit blijkt ook duidelijk uit de veenbedekkingskaart in figuur 34. Alle in het onderzoeksgebied aanwezige dalen (Mark, Donge,
153 154
Roessingh & Blom, 2012: p.101 In algemene termen beschreven in R oymans, 2005 en later bevestigd bij begeleidingen in meerdere beekdalen.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[83]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Turfvaart, Kibbelvaart, Bijloop en de Kleine Lokker) waren omstreeks 2750 v. Chr. al (grotendeels) dichtgegroeid met veen. Dit perkt de kans op de aanwezigheid van aan de natte context gerelateerde archeologische resten uit de landbouwers periode aanzienlijk in. Dit betekent immers dat voor de jagerverzamelaars de dalen nog als dalen herkenbaar waren, ma ar voor de prehistorische boeren waren de dalen juist niet meer herkenbaar. Ze waren gevuld met veenkoepels en hadden dus niet meer de specifieke aantrekkingskracht die dalen in andere delen van het pleistocene zandlandschap wel hadden. Bovendien zijn archeologische resten in de natte contexten veelal sterk gerelateerd aan gebruik van de hogere delen van het landschap. Zoals gebleken uit paragraaf 4.1.2 is het aandeel vindplaatsen uit de landbouwers periode zeer beperkt en zoals hierna zal blijken uit de ruimtelijke analyse (§5.2) lagen ze ook nog eens uitsluitend op de gordel van Sterksel. Dat betekent dus dat de kans op het aantreffen van resten in natte contexten uit deze periode klein is. De laagtes kwamen eigenlijk pas weer tevoorschijn tijdens de veenwinning in de middeleeuwen op het Hoge. Vanaf toen speelden ze daar weer een rol in het gebruik van het landschap. De beekdalen waren bovendien geschikt voor de afvoer van de afgegraven turf.
Daarom worden in het onderzoeksgebied voor de lagere terreindelen op het Hoge de volgende resten in natte context onderscheiden: •
Beekovergangen op plaatsen waar het historisch wegenpatroon een beek kruist en bij vernauwingen in het beekdal.
•
Jachtattributen op plaatsen waar steentijdkampementen grenzen aan natte gebiedsdelen.
•
Turfwinningsresten waar deze voorkomen volgens de turfdatabank (opgenomen in appendix 6 en weergegeven op kaartbijlage 3) en waar ze te verwachten zijn op basis van de landschappelijke basiskaarten (de moeren en oudste polders).
•
In algemene zin is in de natte gebiedsdelen paleo-ecologisch materiaal te verwachten met informatie over de oorspronkelijke begroeiing van landschap (op plekken waar nog veen voorkomt).
In het Lage speelt een verwachting voor natte contexten een heel andere rol. Voor de lagere delen van het afgedekte pleistoceen geldt eigenlijk alleen de verwachting voor jachtattributen. De rest van dat landschap is daarna immers nooit meer beschikbaar gekomen voor de mens. Voor het aan het maaiveld gelegen veen-klei-landschap geldt in zekere zin dat alles tot de natte context behoorde voordat het werd ingepolderd. Daarom zijn hier de volgende resten gerelateerd aan de natte context te onderscheiden: •
Resten van veenontginning, in de polders waar de ontginningspatronen van voor de Sint Elisabethsvloeden op historische kaarten nog traceerbaar zijn.
•
Resten gerelateerd aan de inpoldering, zoals de dijken, sluisjes en vlieten die zijn gekarteerd op basis van de kadastrale minuutplannen (zie §4.3).
•
Scheepsresten. Het gaat daarbij om scheepvaart op: o
De grote waterlopen (Hollandsch Diep, Dintel, Mark en Donge). Een goed voorbeeld hiervan is het door het ADC onderzochte scheepswrak in het Hollandsch Diep. 155
o
De op basis van historisch kaartmateriaal gekarteerde vaarten en “havens”, groot (zoals de Verlamde Vaart en Roode Vaart) en kleiner (zoals de Oosterhoutse Haven).
o
De natuurlijke kreekbeddingen, voor zover deze niet als haven of vaart gekarteerd zijn. De kreken zijn gekarteerd op basis van het AHN en historisch kaartmateriaal (zie kaartbijlage 1b). Ze liggen veelal haaks op de dijken en vormen een wijdvertakte infrastructuur waarlangs men
155
W aldus en Van den Brenk, 2006 en 2007; W aldus & Van Holk, 2008.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[84]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
de slikken, gorzen en polders kon bereiken. Behalve kleine bootjes en aanmeerplekken zijn hier wellicht ook resten van visserij te verwachten.
5.2 Ruimtelijke vindplaatsanalyse 5.2.1
Inleiding
RAAP hanteert bij het opstellen van verwachtingskaarten in het Zuid -Nederlands zandgebied doorgaans een statistische analyse om op basis van de spreiding van vindplaatsen over de verschillende landvormen te bepalen welke landvormen favoriet waren. Daarmee wordt het archeologisch verwachtingsmodel, behalve met de meer algemene wetenschappelijke uitgangspunten, ook geladen met specifieke lokale informatie. Zo worden algemene inzichten bevestigd, of komen ju ist inzichten aan het licht die alleen voor een specifieke gemeente gelden. De hiervoor beschreven (§5.1.4) sterke koppeling van prehistorische begraving aan de bewoning in Oosterhout is daar een voorbeeld van.
Figuur 51. Spreiding van vindplaatsen in het onderzoeksgebied.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[85]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Statistiek komt echter pas goed tot zijn recht bij grote getallen. Daarvan is in het onderzoeksgebied geen sprake, want het aantal statistisch bruikbare vindplaatsen (zie §4.1) is beperkt. Het gaat om 273 vindplaatsen verspreid over een gebied van ruim 43.000 hectare. Dat komt neer op één vindplaats per 158 hectare grondgebied. Ter vergelijking: in de nabijgelegen zandgemeente Alphen -Chaam is sprake van één vindplaats per 25 hectare grondgebied (dat is een factor 6 meer). Alphen -Chaam wordt hier aangehaald, omdat RAAP daarvoor recent een verwachtingskaart heeft vervaardigd 156 en de verdeling van vindplaatsen hier voldoende was om statistisch onderbouwde uitspraken te kunnen doen. Wat voorts meespeelt is dat in Alphen-Chaam de vindplaatsen evenredig over het gehele onderzoeksgebied verspreid liggen. Dit in tegenstelling tot de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen, waar sprake is van een scheve verdeling (zie figuur 51). Ruim 60% van alle vindplaatsen ligt in de gemeente Oosterhout en daarvan ligt ruim 85% op de gordel van Sterksel. Kleinere concentraties doen zich voor in de kern van Etten-Leur (7%), Zevenbergen, Terheijden en Dorst (alle 2%). De overige circa 27% van de vindplaatsen ligt losjes verspreid over het totale onderzoeksgebied.
Deze beide factoren (lage aantal vindplaatsen en de scheve spreiding) leiden er toe dat een statistische analyse weinig zinvol is. In plaats daarvan is er voor gekozen een ruimtelijke vindplaatsanalyse uit te voeren, waarbij aan de hand van enkele kaartbeelden de spreiding van vindplaatsen wordt beschreven en waar mogelijk conclusies worden getrokken ten aanzien van de archeologische verwachting. Daarnaast zijn op niveau van enkele specifieke vindplaatsen vaststellingen gedaan die inzicht geven in de wijze waarop het landschap in de loop der tijd door de mens gebruikt is.
5.2.2
Ruimtelijke spreiding van vindplaatsen uit de jager-verzamelaars periode
Vindplaatsen van jager-verzamelaars zijn met 41 stuks schaars en concentreren zich hoofdzakelijk in het Hoge. Dat is logisch, want in het Lage wordt uit landschap uit de steentijd afgedekt door veen en klei. Er is een concentratie aan te wijzen in Oosterhout op de hooggelegen gordel van Sterksel en in het zuiden van Etten-Leur langs het dal van de Bijloop. De vindplaatsen liggen hoofdzakelijk (88%) op de hogere landvormen (ruggen en plateaus) en/of op uitgesproken overgangen van hoog naar laag (welvingen/glooiingen grenzend aan lagere terreindelen). Enkele vindplaatsen liggen ook op begraven landvormen die op basis van de zanddieptekaarten gekarteerd zijn. 157 Van een duidelijk onderscheid tussen jager-verzamelaars en oude jager-verzamelaars is geen sprake. Ze worden voor het verwachtingsmodel daarom als één groep beschouwd, temeer omdat het landschap uit de oude steentijd hooguit globaal is gekarteerd. 158 In totaal vijf vindplaatsen vallen buiten het model van de hogere landvormen en gradiënten. Uit nadere analyse blijkt dat drie van deze vindplaatsen in een stuifzand context liggen. Daar kan dus sprake zijn van een afgedekt pleistoceen landschap. Eén andere vindplaats (nabij Dorst) ligt op een vlakte, maar wel op korte afstand van een laagte. Mogelijk is hier sprake van een niet gekarteerde opduiking.
De laatste vindplaats die buiten het model valt is het “Mannetje van Willemstad”, gelegen in de zone waarvan op basis van onderhavig onderzoek is bepaald dat het pleistocene zand er door een vroeg holoceen estuarium is geërodeerd (zie §3.3). Het mannetje is door een werkman gevonden bij de
156
Ellenkamp, 2020 Zie appendix 2 ARCHIS3-zaakidentificatienummers 2992646100, 2992654100, 2025464100, 2143587100 en 3152230100 158 Grote delen wordt van de ouder fluviatiele afzettingen worden afgedekt door dekzanden die pas aan het einde van de oude steentijd zijn afgezet. 157
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[86]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
aanleg van de Volkeraksluizen op meters diepte tussen de wortels van een eik. 159 Het betreft echter een losse vondst, waarvan noch de context, noch de vondstomstandigheden verifieerbaar zijn. Behalve de ouderdom van het hout, wordt echter getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de vondst. 160
Figuur 52. Ruimtelijke spreiding van vindplaatsen uit de jager -verzamelaars periode.
5.2.3
Ruimtelijke spreiding van vindplaatsen uit de landbouwers periode
Het beeld over de ruimtelijke spreiding van de vindplaatsen uit de landbouwers periode (neolithicum t/m vroege middeleeuwen) toont in één oogopslag de relevantie van de veenbedekking in het gebied. Circa 88% van alle landbouwers vindplaatsen liggen in een gebied dat omstreeks het begin van de jaartelling niet met veen bedekt was (zie figuur 53). Net als bij de jager-verzamelaars is ook hier de koppeling met de hogere landvormen sterk. Ruim 75% van de vindplaatsen ligt op de ruggen, welvingen en plateaus. Zouden daar de vindplaatsen bij opgeteld worden die liggen in de vergraven gebieden op de gordel van Sterksel (hoofdzakelijk de Houtse Akkers), dan betreft het zelfs ruim 90%. De gordel van Sterksel is sowieso favoriet, want het grootste deel van alle landbouwers vindplaatsen (circa 89%) ligt in de
159
https://www.rmo.nl/museumkennis/archeologie -van-nederland/nederland-in-de-prehistorie/de-voorwerpen/het-mannetje-vanwillemstad/ 160 Louwe Kooijmans, 2017: p.264, 265.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[87]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
gemeente Oosterhout. Dit bevestigt het reeds bestaande beeld op basis van de onderzoeksresultaten (zie paragraaf 4.2), waaruit bleek dat vindplaatsen uit de late prehistorie (neolithicum t/m ijzertijd) uitsluitend in deze gemeente voorkomen. De combinatie van gegevens over de veenbedekking en de spreiding van archeologische vindplaatsen duidt er dus op dat alleen de centrale rug van de gordel van Sterksel in de late prehistorie in trek was voor bewoning. Ook vindplaatsen uit de Romeinse tijd komen vooral (80%) voor in de gemeente Oosterhout. Zeer sporadi sch komen vindplaatsen uit deze periode voor in de andere gemeenten en dan uitsluitend op de hoogste delen in het landschap (de terrasrug van Terheijden, de verdronken dekzandrug bij Zevenbergen en het dekzandeiland Etten -Leur). Het gaat daarbij echter altijd om vondsten waarvan de verdere context onbekend is. Dit staat in schril contrast tot de Romeinse vindplaatsen in de gemeente Oosterhout, die bijna allemaal duiden op bewoning.
Figuur 53. Ruimtelijke spreiding van vindplaatsen uit de landbouwers periode.
Wanneer in meer detail wordt gekeken naar de vindplaatsen uit de landbouwers periode die buiten het model vallen (dus op plekken waar omstreeks 0 v. Chr. wel sprake was van veenbedekking), dan is dat vrijwel altijd te verklaren. In de meeste gevallen betreft het een melding waarvan het complextype onbekend is. Dat geldt bijvoorbeeld voor die ene (in het oog springende) vindplaats in de gemeente Moerdijk (zie figuur 53). Het betreft een melding uit een oud archief die bovendien onnauwkeurig
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[88]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
geplaatst is (op 500 meter nauwkeurig). Ook in twee andere gevallen in het uiterste oosten van de gemeente Oosterhout is sprake van een onnauwkeurige melding (op 100 meter nauwkeurig) en zou de vindplaats in werkelijkheid op de direct naastgelegen (niet met veen bedekte) dekzandwelvingen van Oosteind kunnen liggen. De laatste vindplaatsen die niet direct in het model passen liggen op opduikingen in het dekzand die pas met veen bedekt zijn nà de periode waaruit de vondst dateert. Het betreft in dat geval meestal vindplaatsen uit het neolithicum. Dat pleit ervoor om het neolithicum integraal nog bij de steentijd te betrekken, omdat de veenbedekking toen nog een beperkte rol speelde.
5.2.4
Ruimtelijke spreiding van vindplaatsen uit de Staatse tijd
In tegenstelling tot de voorgaande perioden zijn vindplaatsen uit de staatse tijd deze veel evenrediger over het totale onderzoeksgebied verspreid, al ligt nog altijd een kleine 75% van de vindplaatsen op het Hoge (zie figuur 54). Dat beeld kantelt enigszins wanneer de historische erven mee in ogenschouw worden genomen (die voor de volledigheid ook op figuur 54 zijn afgebeeld), want ongeveer 40% daarvan ligt in het Lage. Daaraan valt weer direct de sterke koppeling aan de dijken en turfvaarten op (zie ook §4.3).
Figuur 54. Ruimtelijke spreiding van vindplaatsen uit de landbouwers periode.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[89]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
In het Lage zijn ook de archeologische vindplaatsen vooral gekoppeld aan de dijken. Wederom blijkt het fysisch landschap hier slechts weinig invloed te hebben op de keuze waar men ging wonen. Dit blijkt ook uit het feit dat de dijken dwars over de landvormen heen lopen. Sommige kreken worden zelfs door verschillende dijken haaks oversneden. Een bewijs dat de inpoldering dus vooral een bestuurlijke kwestie was (uitgebreid toegelicht in §2.3). Daarmee kan het idee dat de kreekruggen bepalend zijn geweest voor de ontginning van het Lage in het onderzoeksgebied definit ief overboord (zie ook §4.2.3). Het is niet zo dat het fysisch landschap helemaal niets bepaalde, want de dijken werden wel degelijk afgestemd op de grootste kreken (de latere Verlamde Vaart en de benedenloop van de Mark). Opmerkelijk is dat sommige vindplaatsen uit de staatse tijd in het Lage een koppeling lijken te hebben met de pleistocene ondergrond. Hierna volgen daarvan enkele voorbeeld en. •
De in ARCHIS geregistreerde locatie van het verdronken dorp Niervaart 161 ligt precies op de plek waar een nieuw gekarteerde flauwe dekzandrug in de ondergrond voorkomt (zie figuur 55). De rug ligt naast een pleistoceen dal dat mogelijk als het oer stroomdal van de Mark aangemerkt kan worden (zie het intermezzo in §3.4). Ook Beekman duidt Niervaart op een hoogte naast de Mark , al had de rivier volgens hem een ander verloop.
Figuur 55. Niervaart ligt op een vermoedelijk pleistocene verhoging.
•
Hoeve Hokkenberg (het toponiem is veelzeggend) is volgens de gegevens in ARCHIS 162 een ontginningshoeve uit 1475 gelegen op een donk. Op basis van de zanddieptekaart is hier inderdaad een dagzomende dekzandrug gekarteerd.
•
In Fijnaart duidt een vindplaats 163 op middeleeuwse bewoning van voor de Sint Elisabethsvloed en, al was al wel sprake van bedijking (oftewel: het water speelde al een rol). Opmerkelijk is het toponiem “Konijnenberg”. Mogelijk duidt die op de dekzandrug die hier op één tot twee meter diepte in de ondergrond gekarteerd is op basis van de DINO-boringen. Tot nu toe wordt de herkomst van de naam van het dorp Fijnaart toegeschreven aan ofwel “fijne aarde” ofwel het Franse “Fin de Terre” (einde van de wereld). 164 De eerste zou dan duiden op de fijnkorrelige klei, de tweede op de
161
ARCHIS3-zaakidentificatienummer 2886722100 ARCHIS3-zaakidentificatienummer 3291049100 163 ARCHIS3-zaakidentificatienummer 2967430100 164 https://nl.wikipedia.org/wiki/Fijnaart 162
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[90]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
plek waar het land ophield en het water begon. Met een zandige opduiking in de ondergrond, lijkt de eerste verklaring (fijne aarde) aannemelijk. Al lag de door de inbraakgeul van de Mark geërodeerde rand van het dekzand (het einde van de wereld) ook niet ver weg. •
De voormalige Lobbekenstoren van Zevenbergen 165 zou nog lang na de Sint Elisabethsvloeden een baken zijn geweest voor Schippers. De locatie van de toren is in ARCHIS echter zeer globaal aangeduid (afgerond op kilometers). Wellicht geeft de kartering van het zandreliëf meer inzicht in de werkelijke ligging. Slechts enkele honderden meters ten oosten van het betreffende kilometercoördinaat liggen namelijk enkele begraven pleistocene opduikingen op circa één tot drie meter beneden maaiveld. De naam Zevenbergen duidt op deze duinen/donken. Het dorp ligt hier dus niet voor niets. Volgens Wikipedia zijn in de jaren 1960 resten uit de bronstijd gevonden op de donken. 166 Dit is echter niet terug gevonden in ARCHIS. Het ‘berg’ toponiem duidt echter niet altijd op een zandkop in de ondergrond, maar kan ook betrekking hebben op vlietbergen/terpen die opgeworpen werden om ontginningsboerderijen op te stichten. 167
•
De ARCHIS-locatie van het verdronken dorp Zonzeel 168 is op 100m afgerond en projecteert op de pleistocene ondergrond precies in een laagte. Slechts 200 meter zuidelijker dagzoomt echter een dekzandrug. Zou het dorp hierop gelegen kunnen hebben?
Op het Hoge blijkt de pleistocene ondergrond ook in de staatse tijd weer grotendeels bepalend voor de ligging van vindplaatsen. Ruim 85% van de vindplaats in dit deel van het onderzoeksgebied ligt op de ruggen, plateaus en welvingen. De vindplaatsen die in vlakke en/ of lagere terreindelen liggen zijn veelal specifiek aan die context te koppelen. Het gaat om versterkingen (die voor de verdediging juist baat hadden bij een natte context), infrastructuur of vondsten waarvan het complextype onbekend is.
5.3 Samengesteld verwachtingsmodel 5.3.1
Inleiding
In de voorgaande paragrafen zijn de algemene uitgangspunten ( 5.1) en ruimtelijke vindplaatsanalyse beschreven (5.2). Zoals toegelicht in paragraaf 5.2 bleek een statistische vindplaatsanalyse om verschillende redenen niet zinvol. Daarom wordt voor de modellen mede geleund op inzichten en uitgangspunten uit omringende gemeenten. In combinatie met het inzicht in de archeo-landschappelijke knikpunten zoals gepresenteerd in tabel 1 (paragraaf 2.4) vormen deze gegevens het archeologisch verwachtingsmodel. Daarbij is onderscheid gemaakt in een model vo or vindplaatsen van: •
Jager-verzamelaars. Dit beslaat de periode van het midden paleolithicum tot en met het neolithicum. Het paleolithisch landschap was weliswaar anders dan dat uit het meso - en neolithicum, maar dit oerlandschap is onvoldoende bekend om e en apart model voor te formuleren. Bovendien is gebleken dat de (weliswaar beperkte hoeveelheid) vindplaatsen op dezelfde hoog gelegen landvormen voorkomen als de mesolithische. In het neolithicum ging de mens weliswaar over op de landbouw, maar voor het onderzoeksgebied lijkt dit pas laat te hebben plaatsgevonden. De in het onderzoeksgebied bekende neolithische vindplaatsen passen bovendien goed in het model van jager-verzamelaars, waarmee wordt bedoeld dat ze dezelfde hooggelegen landvormen
165
ARCHIS3-zaakidentificatienummer 3123451100 https://nl.wikipedia.org/wiki/Zevenbergen_(Moerdijk) 167 Delahaye, 1979: p.113 168 ARCHIS3-zaakidentificatienummer 2886674100 166
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[91]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
prefereerden. Tot slot bleef tot aan het einde van het neolithicum de veengroei beperkt en waren de hooggelegen landvormen nog altijd beschikbaar, zoals in paragraaf 5.2 is gebleken. •
Landbouwers. Betreft de periode van de bronstijd tot en met de vroege middeleeuwen. In de bronstijd was de landbouw gemeengoed geworden en was men dus afhankelijk van de beschikbaarheid van goed ontwaterde vruchtbare landvormen van voldoende omvang. Het woord ‘beschikbaarheid’ speelt in het onderzoeksgebied een cruciale rol, want als gevolg van de sterke veengroei staken op den duur alleen nog de hoogste koppen door het veen heen. Een kop als eiland in het veen was minder interessant voor de landbouw. Voor het onderzoeksgebied geldt mede op basis van de resultaten van archeologische onderzoeken (§4.2) en ruimtelijke vindplaatsspreiding (§5.2.3) - dat door de landbouwers alleen de landvormen gebruikt werden die niet of pas laat met veen bedekt waren en van voldoende omvang waren of aansluiting hadden met het onbedekte pleistocene achterland. De landbouwers periode loopt tot en met de vroege middeleeuwen, want daarna veranderden zowel landschap als landgebruik drastisch.
•
Staatssamenlevingen. In de late middeleeuwen en nieuwe tijd namen bevolking en techn ische mogelijkheden een vlucht. De mens greep bestuurlijk aangestuurd grootschalig in het landschap in (zie o.a. §2.2.2 en 2.3). Venen werden ontgonnen en afgegraven. Vrijkomende marginale zandgronden werden bemest en door de overdruk op het zandlandschap ontstonden stuifzanden. Tegelijkertijd zorgden bodemdaling en bestuurlijke twisten ervoor dat de oprukkende zee niet langer beteugeld kon worden. Na de Sint Elisabethsvloeden werden de overst roomde gronden weer ingepolderd, beginnend met de zwak overstroomde gronden in het oosten en pas in 1953 de laatst gorzen en slikken in het noordwesten. In de polders bepaalde niet het fysieke landschap, maar de poldergrens en daarop gelegen dijk waar men ging wonen.
Ten behoeve van het inzicht wordt hier de schematische weergave van de archeo -landschappelijke ontwikkeling (figuur 22) hierna nogmaals gepresenteerd.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[92]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 56. Schematische weergave van de archeo-landschappelijke ontwikkeling van het gebied.
5.3.2
Jager-verzamelaars en prille landbouwers (midden paleolithicum t/m neolithicum)
De mens had gedurende het midden paleolithicum tot en met neolithicum het pleistocene zandlandschap vrijwel volledig tot beschikking. Pas in de loop van het neolithicum begon veengroei een rol te spelen in de laagste delen van het onderzoeksgebied (zie ook figuur 34). Het model voor de periode jager-verzamelaars heeft dan ook volledig betrekking op het gekarteerde pleistocene landschap (zie kaartbijlage 1a). In navolgende tabel is per onderscheiden landvorm aangegeven wat de archeologische verwachting is. Daarbij is zoals beschreven in paragraaf 5.1.1 onderscheid gemaakt tussen landvormen aan of vlak onder het maaiveld die nauwkeurig zijn gekarteerd op basis van het AHN en afgedekte landvormen die globaal zijn gekarteerd met behulp van de op basis van DINO boringen vervaardigde zanddieptekaart. Voor een toelichting op de aard van de verschillende landvormen wordt verwezen naar tabel 2.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[93]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars Pleistocene landvorm
Detailkartering (AHN)
Globale kartering (DINO)
dekzandrug
hoge kans op vindplaatsen bij gradiënt (gradiëntzone rondom rand landvorm, 150 m breed uitstrekkend in de droge zijde)
hoge kans op vindplaatsen op gehele landvorm
landduin plateau terrasrug dalglooiing
hoge kans op vindplaatsen (vormt gradiënt)
dekzandwelving
hoge kans op vindplaatsen waar grenzend aan lagere landvorm met aantrekkingskracht (gradiëntzone 150 m breed uitstrekkend in de droge zijde)
terraswelvingen
beekdal moer/natte laagte
hoge kans op vindplaatsen waar grenzend aan lagere landvorm met aantrekkingskracht (gradiëntzone 225 m breed, waarvan 37.5 m in het natte en 187.5 m in het droge)
kans op vindplaatsen gerelateerd aan natte context, mogelijk gradiëntzone rondom: waar grenzend aan hoger gelegen landvorm
uitblazingsbekken/ven dalvlakte dalvormige laagte
lage kans op vindplaatsen, mogelijk gradiëntzone rondom: waar grenzend aan hoger gelegen landvorm
laagte stuifduin(complex)
kans op afgedekt landschap met intacte vindplaatsen
uitblazingsvlakte
lage kans op in situ vindplaatsen (pleistoceen landschap verwaaid)
geërodeerd
lage kans op vindplaatsen
verstoord dekzandvlakte terrasvlakte Tabel 9. Samengesteld verwachtingsmodel voor archeologische vindplaatsen uit de jager -verzamelaars periode (JV).
Zoals te zien in de tabel is de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen van jager verzamelaars het grootst op de hoge terreinvormen en in de gradiëntzones. De vindplaatsen kenmerken zich meestal door vuurstenen artefacten die in concentraties bij elkaar liggen op de plek waar men vuursteen heeft bewerkt tot werktuigen zoals pijlpunten (zie figuur 57). Daarnaast zijn grondsporen te verwachten in de vorm van concentraties houtskool die wijzen op vuurplaatsen . Ook moet ook rekening gehouden worden met paalkuilen die wijzen op huizenbouw uit het einde van het neolithicum toen de mens naar de landbouw overging en plaatsvas ter werd.
Figuur 57. Voorbeeld van een vuurstenen pijlpunt van de Houtse Akkers (bron: Roessingh & Blom, 2012: p.55).
Onder de stuifduinen bestaat een kans op een afgedekt landschap. De duinen zelf zijn pas ontstaan na de steentijd, maar ze kunnen wel een ouder landschap met gradiënten afdekken, waar nu geen inzicht
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[94]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
in bestaat. Tegelijkertijd is in de uitblazingsvlaktes het pleistocene landschap verwaaid, zodat eventuele vondsten niet meer in situ zijn. In de vlakke delen van het landschap worden vindplaatsen niet verwacht, omdat zich hier geen gradiëntzones voordoen. In de laagstgelegen landvormen worden in de meeste gevallen geen vindplaatsen verwacht, maar waar ze grenzen aan hogere landvormen kan wel sprake zijn van een gradiëntzone. In de natste delen van het landschap kunnen tot slot vindplaatsen gerelateerd aan die specifieke context voorkomen (zoals resten van jacht en/of visserij).
5.3.3
Landbouwers (bronstijd t/m vroege middeleeuwen)
Ook voor de landbouwers stond het pleistocene landschap ter beschikking, met dat verschil dat dit geleidelijk verdronk onder een steeds verder uitdijend veenpakket. Het pleistocene landschap (kaartbijlage 1a) in combinatie met de veenbedekking (figuur 34) vormen dan ook de basis voor het archeologisch verwachtingsmodel voor vindplaatsen uit deze periode : zie hierna tabel 10.
Figuur 58. Links: reconstructie van een Haps huis (bron: Schinkel, 1998; fig. 68). Rechts: voorbeelden van een urn en een grafstructuur zoals aangetroffen op de Houtse Akkers (bron: Roessingh & Blom, 2012: p.78 resp. 71).
Zoals te zien in de tabel geldt voor landbouwers de hoogste kans op het aantreffen v an vindplaatsen op de hoger gelegen vruchtbare plateaus en ruggen. Alle resultaten wijzen erop dat deze landvormen voor de landbouwers favoriet waren voor bewoning, mits niet door het veen geïsoleerd of bedekt geraakt. Ruggen die niet (of pas laat) bedekt, maar wel geïsoleerd waren geraakt, waren minder in trek . Het kan op basis van de verzamelde gegevens echter ook niet worden uitgesloten dat ze gebruikt zijn. Vindplaatsen van bewoning kenmerken zich meestal door vondstmateriaal in combinatie met grondsporen van (palen)funderingen die gezamenlijk een gebouwplattegrond vormen, zoals het typevoorbeelden Oss en Haps (zie figuur 58) die zijn aangetroffen bij de onderzoeken op de Houtse Akkers. Zoals beschreven in paragraaf 5.1.4 lijkt in het onderzoeksgebied begraving ook sterk gekoppeld aan de bewoning of in ieder geval aan de hogere landvormen, zodat ook met grafstructuren en urnen(velden) rekening moet worden gehouden (figuur 58). Ook op de dekzandwelvingen zijn vindplaatsen gerelateerd aan bewoning en begraving te verwachten, al is de kans daarop minder groot dan op de hogere landvormen, simpelweg omdat ze eerder door het veen verzwolgen werden. Zelfs op de hooggelegen prehistorische bewoningslocatie van de Houtse Akkers wordt vernatting aangehaald als optie voor het einde van de bewoning.
169 Op de 169
Roessingh & Blom 2012: p.189.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[95]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
terraswelvingen daarentegen wordt ondanks de relatief hoge ligging (op de gordel van Sterksel) de kans op bewoningssporen laag ingeschat. Dit wordt toegeschreven aan de aard van het sediment. De terraswelvingen bestaan uit grof zand en grind, die minder voor landbouw gesc hikt waren dan de fijnkorrelige dekzanden, wat ook wordt beschreven in de synthese van westelijk Noord -Brabant 170. Bovendien waren ze droogtegevoelig, wat blijkt uit het op grote schaal voorkomen van de stuifzanden in op de gordel van Sterksel. In het onderzoek van het ADC op de Houtse Akkers wordt ook beargumenteerd dat het dekzand wellicht beter geschikt was voor de landbouw, met de nuance dat hierover op basis van het betreffende onderzoek geen gefundeerde uitspraken zijn te doen. 171 Sporen van begraving zijn hier wel te verwachten. Dat geldt ook voor de landduinen die als droge zandgronden, met steile hellingen, ongeschikt waren beakkering. Vindplaatsen die wijzen op begraving op de landduinen zijn in het onderzoeksgebied niet bekend, maar wel uit andere zan dgemeenten. De verwachting geldt weer onder voorwaarde dat de betreffende landduin niet door het veen geïsoleerd of bedekt was geraakt. Landvorm
Verwachting voor vindplaatsen van landbouwers
dekzandrug
hoge kans op vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, beakkering en begraving, mits omstreeks 0 v.C. niet door veengroei bedekt geraakt en aangesloten op het onbedekte pleistocene achterland
plateau terrasrug geïsoleerde terras/dekzandrug
kans op vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, beakkering en begraving, mits omstreeks 0 v.C. niet door veengroei bedekt geraakt
dalglooiing dekzandwelving landduin terraswelvingen
kans op vindplaatsen gerelateerd aan begraving, mits beschikbaar (omstreeks 0 v.C. niet door veengroei geïsoleerd of bedekt geraakt)
dekzandvlakte
kans op vindplaatsen gerelateerd aan economische activiteiten, mits beschikbaar (omstreeks 0 v.C. niet door veengroei bedekt geraakt)
stuifduin (complex)
kans op afgedekt landschap met intacte vindplaatsen
uitblazingsvlakte
lage kans op in situ vindplaatsen (pleistoceen landschap verwaaid)
beekdal
kans op vindplaatsen gerelateerd aan natte context, mits beschikbaar (omstreeks 0 v.C. niet door veengroei bedekt geraakt)
moer natte laagte uitblazingsbekken/ven dalvlakte
lage kans op vindplaatsen
dalvormige laagte geërodeerd/verstoord laagte terrasvlakte Tabel 10. Samengesteld archeologisch verwachtingsmodel voor vindplaatsen uit de landbouwers periode (LB).
Net als voor de vindplaatsen uit de jager-verzamelaars periode geldt dat onder de stuifduinen een kans bestaat op een afgedekt landschap, terwijl dit in de uitblazingsvlaktes is verwaaid. Een lage verwachting geldt voor de laagtes en geërodeerde, verstoo rde landvormen en vlaktes, met uitzondering
170 171
Tebbens, 2016: p.68. Roessingh & Blom, 2012: p.47
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[96]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
van de dekzandvlaktes waar mogelijk economische activiteiten ontplooid zijn (zoals beakkering). Tot slot zijn er specifieke laaggelegen landvormen, zoals beekdalen en moeren, waar aan de natte context gerelateerde resten voor kunnen komen. Te denken valt aan afvaldumps, rituele deposities en beekovergangen. Heel groot is de kans hierop echter niet, omdat juist van hieruit de veengroei begon en deze landvormen dus als eerste voor de mens aan het oog werden onttrokk en. Dit sluit aan bij de conclusie van het synthetiserend onderzoek voor westelijke Noord -Brabant, dat de laagste delen in het noordwesten van Noord-Brabant al vroegtijdig vernatten en dat uiteindelijk ook de voormalige relatief hooggelegen landvormen in dit gebied steeds meer met wateroverlast te maken kregen. 172
5.3.4
Staatssamenlevingen (late middeleeuwen t/m nieuwe tijd)
In de Staatse tijd creëerde de mens steeds meer zelf geschikte woonlocaties. In tegenstelling tot bij de voorgaande perioden is het verwachtingsmodel voor deze periode daarom niet volledig geënt op de landschappelijke basis, maar is het de resultaten van een genuanceerd samenspel tussen mens en landschap, waarbij onderscheid is te maken tussen het Hoge en het Lage. De overgangen van hoog naar laag vormden de ontginningsbases van waaruit de venen werden ontgonnen of afgegraven. Op het Hoge waren nog altijd de plateaus, ruggen en welvingen favoriet, waardoor het model lijkt op dat van de landbouwers periode. Door de toegenomen technische mogelijkheden (o.a. het opbrengen van zanddekken) werden ook de dekzandwelvingen en sommige delen van de terraswelvingen gebruikt voor bewoning en werden de vlakkere terreindelen ontgonnen voor de landbouw. In de terrasafzettingen zijn bovendien ook sporen te verwachten gerelateerd aan de steen - en pottenbakkerij. In de natte terreindelen geldt een verwachting voor resten die specifieke gekoppeld zijn aan de natte context, zoals beekovergangen en afvaldumps, maar met name resten gerelate erd aan de turfwinning. In de lagere terreindelen zonder specifiek natte omstandigheden en op de landvormen die tot de woeste gronden behoorden (duincomplexen) worden geen vindplaatsen uit de staatse tijd verwacht.
In het Lage zijn duidelijke aanwijzingen dat de pleistocene hoogtes die door het veen heen staken als ontginningsbasis gebruikt werden. 173 De Kelsdonk in Etten-Leur vormt daarvan een uitgesproken voorbeeld, waarbij ook het omringende veenontginningslandschap zelf nog intact is (zie figuur 6). In het landschap van na de vloed werd alles anders. Poldergrenzen werden be stuurlijk bepaald en hadden weinig tot niets met het ontstane estuarium landschap te maken. Gewoond werd op de dijken dieop basis van bestuurlijke grenzen werden aangelegd en op opgeworpen terpen/vlietbergen. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de oude kaarten in het Lage 174 is dat de kreekruggen niet interessant waren voor bewoning. Wel konden vanuit de kreken de ver van de dijken gelegen delen van de gorzen en polders worden bereiken, zodat hier sporen van bijvoorbeeld lokale scheepvaart te verwachten zijn. Sommige kreken lijken daartoe bewust watervoerend te zijn gehouden. Wanneer de kreken waren dichtgeslibd bepaalde de relatieve hoogteligging of ze geschikt waren voor de landbouw. Sporen van ontginning en/of andere economische (ontginnings)activiteiten komen ten opzichte van voorgaande perioden in de staatse tijd veel meer voor en geven voor een belangrijk deel vorm aan het (ontginnings)verhaal van het gebied.
Of in het Lage nog middeleeuwse ontginningssporen van voor de vloed te verwachten zijn, wordt bepaald door de mate van overstroming, af te lezen uit de snelheid waarmee het verdronken land weer werd ingepolderd (zie §5.1.3). In de oudste polders wordt er van uit gegaan dat overstroming geen rol speelde en sprake is van een intact middeleeuws
172
Tebbens, 2016: p.48. Verschillende dorpen van voor de Sint Elisabethsvloeden zijn te correleren aan zandopduikingen. 174 Koopmanschap e.a. 2011; Groot e.a. 2013 173
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[97]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
veenontginningslandschap. De polders uit de periode 1450 tot circa 1550 zijn weliswaar zwak overstroomd, maar de invloed is gering zodat onder een kleidek een (deels) intact middeleeuws veenlandschap bewaard kan zijn. In de polders van na 1550 heeft het water zo lang gestroomd dat het veen in ieder geval is aangetast of door het afgezette kleidek sterk is gedeformeerd. Hier is het landschap van voor de vloed verstoord en zijn (met uitzondering van de diepere pleistocene ondergrond) alleen vindplaatsen uit de inpolderingsperiode te verwachten .
Figuur 59. Voorbeeld van een oude weg in de vorm van karrensporen gevonden in Terheijden (bron: Mol & PelsOuweneel, 2021: p.19).
De te verwachten typen vindplaatsen uit deze periode zijn sterk variabel. Uit de analyse van de bekende vindplaatsen (§4.1.2) bleek al dat het aantal complextypen in deze periode sterk is toegenomen. Behalve bouwsporen bestaande uit paalkuilen is ook steenbouw te verwachten. Dat heeft niet alleen betrekking op bewoning, maar kan ook duiden op activiteiten van industrie, verdediging, religie, etc. Daarnaast komen in deze periode op grote schaal ontginningssporen voor. Dat kan gaan om sporen van beakkering, greppels en dijken, maar ook om wegen, met of zonder wegverharding, zoals karrensporen (zie figuur 59).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[98]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Landvorm op het Hoge
Verwachting voor vindplaatsen van staatssamenlevingen
dekzandrug
hoge kans op vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving en economische en infrastructurele activiteiten
dekzandwelving evt. met enkeerd plateau terrasrug terraswelvingen met enkeerd dalglooiing
kans op vindplaatsen gerelateerd aan economische en infrastructurele activiteiten
dalvlakte dalvormige laagte dekzandvlakte evt. met enkeerd terraswelvingen terrasvlakte beekdal
kans op vindplaatsen gerelateerd aan natte context, in het bijzonder turfwinning
moer natte laagte ven laagte
lage kans op vindplaatsen
landduin stuifduin (complex) uitblazingsvlakte verstoord
Landvorm in het Lage
Verwachting voor vindplaatsen van staatssamenlevingen
donk (zandkoppen)
hoge kans op vindplaatsen gerelateerd aan bewoning uit de middeleeuwse ontginningsperiode
polder ouder dan 1550
kans op sporen van zowel middeleeuwse veenontginning als de uit de inpolderingsperiode
dijk
hoge kans op vindplaatsen gerelateerd aan bewoning uit de inpolderingsperiode
polder jonger dan 1550
kans op ontginningssporen uit de inpolderingsperiode
Crevasse
zandplaat in het polderlandschap met kans op vindplaatsen gerelateerd aan bewoning uit de inpolderingsperiode
kreekbedding
hoge kans op vindplaatsen gerelateerd aan natte context, met name (lokale) scheepvaart
Tabel 11. Samengesteld archeologisch verwachtingsmodel voor vindplaatsen uit de staatse tijd (SSL).
5.4 Beperkingen van het model Bij het gebruik van de verwachtingskaart moet altijd bedacht worden dat de achterliggende modellen een vereenvoudiging zijn van de werkelijkheid. Dit houdt in dat de verwachtingsmodellen ook beperkingen kennen: •
De verwachtingsmodellen maken gebruik van actuele archeologische inzichten. Circa 10 jaar geleden werd alleen nog een verwachting uitgesproken voor bewoning en inmiddels is dat door voortschrijdend inzicht (tot op zekere hoogte) ook voor andere activiteiten gebeurd. Nieuwe
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[99]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
onderzoeksresultaten in de toekomst kunnen dus tot nieuwe inzichten leiden, waardoor de verwachtingskaart (of delen daarvan) gedateerd raakt. •
De basis voor de archeologische verwachtingskaart wordt gevormd door de landschappelijke basiskaart. De schaal speelt een belangrijke rol bij de weergave van een gebied. Hoe kleiner het schaal model van de kaart, hoe meer de grenzen worden geschematiseerd. Hierdoor treden onzuiverheden in de kaart op en worden landschappelijke eigenschappen van relatief kleine gebieden niet meer weergegeven. Dit speelt met name een rol bij het op basis van DINO-boringen gekarteerde afgedekte zandlandschap in het Lage.
•
Het verwachtingsmodel is slechts in geringe mate van toepassing op archeologische vindplaatsen uit het midden paleolithicum. Door geologische processen is het landschap in latere perioden aan sterke veranderingen onderhevig geweest. Uit het huidige landschap kan hierdoor slechts ten d ele worden herleid wat gunstige bewoningslocaties waren in het midden paleolithicum.
•
Vindplaatsen die zijn afgedekt (onder bos, opgebracht zanddek, veen of zeeklei) blijven vaak onontdekt. Hierdoor kan de aanwezigheid van schijnbaar archeologisch lege gebi eden een vertekend beeld opleveren van de daadwerkelijke archeologische waarde.