CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Zundertseweg 6 - Toelichting

Raad debatteert 13 maart 2023, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Zundertseweg 611.685 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

28

de streek minimaal 2 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd om te voldoen aan de gestelde parkeernorm. Onderhavig plangebied voorziet in voldoende ruimte om de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. De toename aan verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van de nieuwbouwwoning aan de streek komt neer op minimaal 7,8 mtv/etmaal en maximaal 8,6 mvt/etmaal. Deze toename aan verkeersbewegingen is aan te duiden als niet significant en zal niet leiden tot problemen met de verkeersafwikkeling van omliggende wegen. De nieuwe woning zal gebruik maken van de reeds bestaande oprit, die het perceel direct aansluit op de Streek. De oprit wordt niet doorkruist door een trottoir of een fietspad extra maatregelen ten behoeve van de verkeersveiligheid zijn derhalve ook niet nodig.

Conclusie De beoogde ontwikkeling kan de parkeerbehoefte opvangen op eigen terrein en zal daarnaast niet leiden tot een significatie toename van verkeersbewegingen. Het aspect verkeer en parkeren staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de inventarisatie van de risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen kan de Nederlandse risicokaart gebruikt worden. Hiervan is hieronder een uitsnede weergegeven.

29

Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart (plangebied is blauw omcirkeld)

Beoordeling Risicovolle inrichtingen Nabij het plangebied (< 200 meter) zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen Ten oosten van de kern Etten-Leur loopt een gasleiding van de Gasunie. De afstand tot de buisleiding (circa 3 kilometer) is dusdanig groot dat het plangebied niet binnen de invloedssfeer van deze leiding ligt.

Spoor Het plangebied bevindt zich op circa 1,6 kilometer afstand van de spoorlijn Roosendaal Oost - Breda (Route 12). Deze spoorlijn is opgenomen in de Regeling basisnet. Gezien de afstand tot het spoor meer dan 200 meter bedraagt is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Over Route 12 wordt onder meer de stofcategorie D4 vervoerd met een invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van het spoor, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

Wegen Op circa 590 meter ten zuiden van het plangebied loopt de Rijksweg A58 waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien het plangebied buiten de 200 meter zone van de weg is gelegen, is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Over de A58 wordt onder andere de stofcategorie LT2 vervoerd met een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de A58, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

Beperkte verantwoording groepsrisico Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de

30

gevaarlijke stoffen die getransporteerd worden over het spoor en over de Rijksweg A58. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens omschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. zelfredzaamheid; bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied bevindt van toxische stoffen, is het van belang dat de aanwezigen naar binnen kunnen vluchten en de ramen en deuren kunnen sluiten zodat de toxische stoffen niet naar binnen kunnen komen. Ook is het van belang dat de toxische stoffen niet via de ventilatie naar binnen kan komen. Centraal afsluitbare mechanische ventilatie is hierbij een relatief goedkope veiligheidsmaatregel. De brandweer heeft protocollen om een dergelijk scenario bij de bron te bestrijden.

Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Relevant is dat, door de ontwikkeling van het plan, een goede bereikbaarheid gewaarborgd is voor hulpdiensten.

Conclusie Ter plaatse van het plangebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.9

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Daarnaast is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden (Stb. 2007,141). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin wordt gereguleerd hoe moet worden omgegaan met overschrijdingen op het gebied van de luchtkwaliteit. Het NSL houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen binnen de voorwaarden van het NSL behoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden die gelden voor luchtkwaliteit. Ook projecten

31

die 'Niet in betekende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan deze grenswaarden. Hieronder vallen onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 en NO2.

Beoordeling Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van een extra woning op een onbebouwd perceel te midden van een bestaande woonwijk en de uitbreiding van een bestaand bouwvlak. Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) dient echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties van de nabijgelegen rekenpunten voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen op het dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Bisschopsmolenstraat en de Withofstraat. De concentraties zijn hieronder in de tabel weergegeven. Hieruit blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden.

Tabel 4.3 Concentraties luchtkwaliteit (afgelezen op 18 juli 2022)

Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van de het initiatief 'niet in betekende mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.10

M.e.r.-beoordeling

Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Wanneer een activiteit genoemd is bij onderdeel D van de bijlage, maar onder de drempelwaarde blijft is een informele m.e.r.-beoordeling van toepassing.

Beoordeling en conclusie De activiteit zoals met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt beperkt zich tot de bouw van één vrijstaande woning gelegen te midden van een woonwijk en de uitbreiding van een bestaand bouwvlak.

32

Wanneer de drempelwaarden uit de D-lijst (oppervlakte van 100 hectare of meer, op aaneengesloten gebied worden 2000 of meer woningen gebouwd, een bedrijfsvloeroppervlakte van minimaal 200.000 m2) worden vergeleken met de voorgestane ontwikkeling wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Gelet op het karakter van het project in vergelijking met de drempelwaarden, de locatie en de conclusie van voorgaande paragrafen uit dit hoofdstuk zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Een m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde.

33

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Plansystematiek

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een adequaat juridisch-planologische regeling te scheppen voor onderhavige ontwikkeling. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan biedt een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de aanduidingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Bestemmingen

In onderhavig bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Artikel 3 Tuin Deze bestemming geldt voor de voortuinen en de zijtuinen voor zover deze gelegen zijn voor de voorgevelrooilijn van de achterliggende woningen. Binnen deze bestemming mag bebouwing worden gerealiseerd in de vorm van een erker, tochtportaal of entreepartij. Bij de aanwezigheid van een oprit bij een woning (gelegen op een woonbestemming, veelal voor een aan- of uitbouw of bijgebouw) dan is deze meestal ook (gedeeltelijk) op de tuinbestemming gelegen. Deze opritten kunnen gebruikt worden voor parkeren.

Artikel 4 Wonen - Vrijstaand 1 Deze bestemming heeft betrekking op de bestaande woning aan de Zundertseweg 6. Binnen de bestemming is een bouwvlak aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw gerealiseerd mag worden eventueel met aan- en uitbouwen en een aangebouwd bijgebouw. Op resterende gronden mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gerealiseerd tot een maximale oppervlakte van 50 m2 mits 50% van deze gronden buiten het bouwvlak onbebouwd blijven. Dit geldt tevens ten aanzien van de realisering van een praktijkruimte en/of een tijdelijke unit voor mantelzorg (afwijkingsmogelijkheden).

Artikel 5 Wonen - Vrijstaand 2 Deze bestemming heeft betrekking tot de nieuwbouwwoning, gelegen tussen de Zundertseweg 6 en de Streek 3. Op de plankaart is een bouwvlak aangegeven waarbinnen

34

de hoofdbebouwing gerealiseerd kan worden. De afstand van de bebouwing binnen het bouwvlak tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 3 meter te zijn. Het betreft ook de aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen gelegen binnen het bouwvlak. Er is dus voor deze rand aan het plangebied gekozen voor meer openheid in de bebouwing. Tevens bevat de plankaart aanduidingen over de maximale toegestane goot- en bouwhoogten. De achterliggende gronden mogen worden aangewend voor de realisering van aan- en uitbouwen en bijgebouwen. De maximale oppervlakte bedraagt 50 m2 mits 50% van deze gronden buiten het bouwvlak onbebouwd blijven. Dit geldt tevens ten aanzien van de realisering van een praktijkruimte en/of een tijdelijke unit voor mantelzorg (afwijkingsmogelijkheden).

35

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

6.2

Toepassing grondexploitatie

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Aangezien onderhavig planvoornemen een particulier initiatief betreft wordt een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer om de procedurekosten te kunnen verrekenen. Mogelijke planschade is eveneens voor rekening van de initiatiefnemers. Er zijn geen openbare werken gepland. Er zijn ook geen andere omstandigheden bekend die bijzondere kosten met zich meebrengen voor de gemeente. Het plan wordt derhalve financieel-economisch haalbaar geacht.

36

Hoofdstuk 7 7.1

Communicatie

Informatie en participatie

In het kader van de omgevingsdialoog zijn in december 2021 de direct betrokkenen, wonende aan de Streek en Zundertseweg, aangeschreven. Zij hebben gedurende twee weken de tijd gehad om te reageren. Van 6 omwonenden is een anonieme reactie ontvangen. De reacties, dan wel vragen, zijn samengevat en beantwoord in een verslag. Dit verslag is als Bijlage 6 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Er hebben zich geen wijzigingen voorgedaan naar aanleiding van het de omgevingsdialoog.

7.2

Vooroverleg

In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschap en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven. In het kader van het vooroverleg is het concept-ontwerpbestemmingsplan naar de volgende instanties gestuurd: Provincie Noord-Brabant; en Waterschap Brabantse Delta. De ingekomen reacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. De volledige vooroverlegreacties zijn aan dit bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 7 en Bijlage 8.

7.3

Zienswijzen

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid om zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van van 8 december 2022 tot 18 januari 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend.

7.4

Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=13437674-de67-4338-ba63-fbc0ffe7205c