Antwoord op Technische vragen CDA Mobiliteitsplan
Tekst van het document
Technische vragen
Mobiliteitsplan 03-09-2025
Inleiding:
Vragen: 1.
Is er een tijdlijn voor de aanleg van alternatieve routes zwaar en
2.
Wordt de economische impact van routebeperkingen op Grauwe Polder
3.
Hoe wordt de input van agrarische en logistieke sectoren geborgd in
4.
Zijn er tijdelijke maatregelen mogelijk om de verkeersveiligheid te verbeteren
5.
Wordt de intensiteit van loop- en fietsroutes voldoende meegewogen in
6.
Is er voldoende afstemming tussen autoluwe zones en de beleving van
7.
Hoe wordt de input uit de enquête structureel vertaald naar
8.
Is er monitoring voorzien na uitvoering van maatregelen om effectiviteit te
9.
Wordt er voldoende rekening gehouden met kwetsbare groepen (kinderen,
landbouwverkeer zoals de noordelijke randweg? voldoende meegewogen? besluitvorming?
zonder de doorgang te beperken? prioritering van maatregelen? voetgangers?
uitvoeringsbesluiten? toetsen?
ouderen) in ontwerp van routes?
Koen van Steen Burgerlid CDA Etten-Leur
Technische vragen
Antwoorden 8 september 2025
Antwoorden:
Enkele vragen zijn aangepast in overleg met meneer Van Steen.
1. Is er een tijdlijn voor de aanleg van alternatieve routes zwaar en landbouwverkeer zoals de noordelijke randweg?
1. Op dit moment is er geen tijdlijn voor een alternatieve route zoals de noordelijke randweg. Het verkeersonderzoek van Haansberg is onlangs afgerond. Met dat
onderzoek is het verkeerseffect van de noordelijke randweg inzichtelijk gemaakt. In de laatste raadscyclus van dit jaar leggen we het Masterplan Haansberg voor. Met het voorstel voor het Masterplan komt de keuze voor noordelijke randweg terug.
Wel zijn we bezig met de aanleg van de tijdelijke ontsluitingsweg voor het
bouwverkeer in Haansberg. Deze weg kan ook gebruikt worden door gemotoriseerd verkeer, waaronder ook zwaar- en landbouwverkeer. Deze weg vormen we om naar een definitieve woonstraat. Voor het zwaar- en landbouwverkeer leggen we op dat moment een ontsluitingsweg richting de Goorstraat aan.
2. Hoe wordt de economische impact van routebeperkingen op Grauwe Polder meegewogen?
2. De Grauwe Polder is op twee verschillende plaatsen opgenomen in het mobiliteitsplan:
1) verkeersveiligheidsknelpunt wat we oppakken met de bewoners samen; 2) onderzoeken of we de maximumsnelheid omlaag kunnen brengen van 50 naar 30 kilometer per uur.
We zijn niet van plan om routebeperkingen voor bijvoorbeeld landbouwverkeer aan te brengen op de Grauwe Polder.
3. Hoe wordt de input van agrarische en logistieke sectoren geborgd in besluitvorming?
3. Zowel ZLTO als Cumela zijn betrokken bij het opstellen van mobiliteitsplan. Als
wij plannen maken voor het aanpassen van infrastructuur dan betrekken wij hen ook als belanghebbenden. Zeker op het kwaliteitsnetwerk landbouwverkeer.
4. Zijn er tijdelijke maatregelen mogelijk om de verkeersveiligheid te verbeteren zonder de doorgang te beperken?
4. Het verlagen van de maximumsnelheid beperkt de doorgang niet. Het is niet de
bedoeling de doorgang voor bijvoorbeeld landbouw- en vrachtverkeer te beperken als er geen alternatieve routes zijn.
5. Wordt de intensiteit van loop- en fietsroutes meegewogen in prioritering van maatregelen?
5. Looproutes bij woon- zorginstellingen en bij winkelcentra hebben een hogere
prioriteit. We willen wel dat op termijn alle loop- en fietsroutes van goede kwaliteit zijn.
6. Is er afstemming tussen autoluwe zones en de beleving van voetgangers en hoe is dit onderzocht?
6. Wanneer we een ruimte autoluwer maken, dan zorgt dat voor een fijnere
verblijfsruimte voor voetgangers. Beleving is natuurlijk subjectief. Het doel is wel om het voor voetgangers en ook fietsers fijner te maken. We voegen ook
verblijfskwaliteit toe aan die ruimte bijvoorbeeld in de vorm van terrassen, bankjes en groen.
7. Hoe wordt de input uit de enquête structureel vertaald naar uitvoeringsbesluiten? 7. We hielden twee verschillende enquêtes. Een over goede voorbeelden en
knelpunten. En een over netwerken voor lopen en fietsen. We vertaalden de
knelpunten naar een top 5. Deze top 5 onderzoeken we in de komende jaren en
pakken we aan als dit nodig blijkt. Het is niet zo dat we alles kunnen aanpakken en
oplossen. Sommige ‘knelpunten’ die genoemd zijn staan bijvoorbeeld ook op de lijst van goede voorbeelden. Zoals de rotonde Rode Poort – Parklaan – Anna van
Berchemlaan – Valpoort. De knelpunten uit de enquête zijn daarmee subjectief. We moeten daarnaast ook keuzes maken in wat we wel en niet kunnen doen met de capaciteit die we hebben.
8. Is er monitoring voorzien na uitvoering van maatregelen om effectiviteit te toetsen?
8. Wanneer we een andere inrichting aanbrengen in een straat voeren we altijd eerst een nulmeting en achteraf een nameting uit. Hiermee brengen we de hoeveelheid
verkeer en gereden snelheid in beeld. We gaan ervan uit dat als we wegen inrichten volgens de landelijke richtlijnen dat hiermee de verkeersveiligheid ook verbeterd. Deze maatregelen zijn bedacht door experts waarbij praktijkvoorbeelden zijn
gebruikt. Bij bijvoorbeeld gedragscampagnes is de effectiviteit lastig te meten. Het steeds moeten evalueren van maatregelen, waarbij naar meer punten dan alleen snelheid wordt gekeken, vraagt ook extra capaciteit.
9. Hoe wordt er rekening gehouden met kwetsbare groepen (kinderen, ouderen) in ontwerp van routes?
9. In het mobiliteitsplan is een van de speerpunten dat we de openbare ruimte
toegankelijk en veilig willen houden en maken voor iedereen. Dit houdt zeker ook in voor kinderen en voor ouderen. Wij volgen de landelijke richtlijnen voor
‘seniorproof’ en toegankelijk inrichten, zodat ook mensen met een beperking goed gebruik kunnen maken van de openbare ruimte.
Kitty van Baaren