CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Wijzigingen nota grondbeleid 2022-2024 e240019262

Gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente ErmeloBij agendapunt: Nota grondbeleid en nota uitgangspunten grondprijsbepaling4.717 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

overzicht wijzigingen nota grondbeleid versie 2024 versie 2022 paragraaf In 2019 is het strategisch beleidskader vastgoed door de raad vastgesteld wat heeft geleid tot een actualisatie en De meest recente versie van het Ermelose grondbeleid is in 2022 door de raad vastgesteld. Sinds die tijd hebben enkele belangrijke 1

optimalisatie van het gemeentelijk vastgoed. Naar verwachting zal op 1 januari 2022 de omgevingswet worden ontwikkelingen plaatsgevonden. Ten eerste is het Didam-arrest, inzake het gronduitgiftebeleid door overheidslichamen, gewezen door de ingevoerd waarmee ook enkele publiekrechtelijke instrumenten wijzigen. Tot slot zijn de marktomstandigheden de Hoge Raad. Daarnaast is per 1 januari 2024 de nieuwe Omgevingswet in werking getreden. Dergelijke veranderingen hebben directe afgelopen jaren ingrijpend veranderd en heeft de gemeente Ermelo momenteel weinig grondposities. gevolgen voor het gronduitgiftebeleid. Om voornoemde reden doet de gemeente Ermelo er goed aan haar Nota grondbeleid te actualiseren en in overeenstemming met deze ontwikkelingen te brengen. Daartoe dient deze nota.

2.3

programmabegroting 2021-2024

programmabegroting 2024-2027

locatie het Trefpunt

locatie Hopcon

Ook zijn/worden grondaankopen en -verkopen gedaan ten behoeve van de ontwikkeling van bedrijventerrein Veldzicht Noord 4e fase. Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van kracht geworden. Afdeling 6.4 van die wet handelt over grondexploitatie en bevat een serie voorschriften die onder de naam Grondexploitatiewet (kortweg ook wel Grexwet genoemd) een apart wetgevingstraject hebben doorlopen. In het Besluit ruimtelijke ordening (verder Bro) zijn de wettelijke voorschriften nader uitgewerkt.

zinsnede verwijderd

2.5.1

In de Wro is de basis voor publiekrechtelijk afdwingbaar kostenverhaal geregeld. Zogenaamde "meelifters" kunnen "de dans van het kostenverhaal" niet ontspringen. Daar staat tegenover, dat kostenverhaal voor de gemeente geen vrijblijvend karakter heeft, maar dat er sprake is van verplicht kostenverhaal, wanneer het gaat om in het Bro gedefinieerde bouwplannen. De wet biedt de mogelijkheden dit kostenverhaal af te dwingen. Hiervoor is in de Wro het instrument van het exploitatieplan opgenomen. Als een bestemmingsplan bouwmogelijkheden bevat waarvoor kostenverhaal verplicht is gesteld dan is de gemeenteraad in beginsel gehouden gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitatieplan (VB) vast te stellen. Een exploitatieplan maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan en daarmee van het publiekrechtelijke instrumentarium. Naast het leggen van de basis voor publiekrechtelijk kostenverhaal, geeft het exploitatieplan de gemeente de bevoegdheid (dus niet de verplichting) via het exploitatieplan zogenaamde locatie-eisen te stellen. Locatie- eisen bieden de gemeente de gelegenheid om via het exploitatieplan ook sturing te geven aan de uitvoering van een bestemmingsplan: - Er kunnen bijvoorbeeld eisen worden gesteld aan de aanbesteding en uitvoering van de fysieke voorzieningen, die in het exploitatiegebied zijn geprojecteerd.

- De fasering van de planrealisatie kan bindend worden voorgeschreven. - De gemeente kan via het exploitatieplan invulling geven aan een deel van haar woningbouwprogramma. Voorwaarde hierbij is, dat het bestemmingsplan waarbij het exploitatieplan hoort, aangeeft welke percentages in de bedoelde woningbouwcategorieën binnen het plan moeten worden gerealiseerd.

Zoals onder 2.1 beschreven kan de gemeente bij gebiedsontwikkeling kiezen tussen een actieve of faciliterende regie. Actieve regie resulteert in een integrale gebiedsontwikkeling met tijdvak en een eindbeeld van de ontwikkeling. Het vastleggen van het tijdvak heeft gevolgen voor de wijze van kostenverhaal. Dit regelt artikel 13.14 Omgevingswet. Dit noemen we kostenverhaal met tijdvak. Facilitaire regie leidt tot een organische gebiedsontwikkeling, zonder tijdvak. Hierbij bepalen de initiatiefnemers de invulling, fasering en looptijd. Er is geen blauwdruk voor de gebiedsontwikkeling. Bij de uitvoering wordt pas meer duidelijk welke kosten het bevoegd gezag moet maken. De plankosten worden vooral bij de uitvoering van de bouwactiviteiten gemaakt. En minder bij het vaststellen van het omgevingsplan. Kostenverhaal in de Omgevingswet wijkt op onderdelen af van de oude regeling in de Wro. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen. - Kostenverhaal is geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er is geen exploitatieplan meer. Ook de plicht tot jaarlijkse actualisering van de cijfers is vervallen. De term grondexploitatie wordt niet meer gebruikt. De term grondexploitatiekosten is vervangen door: “kosten die gemaakt zijn voor werken, werkzaamheden en maatregelen”.

- Onder de Wro werd publiekrechtelijk kostenverhaal gebaseerd op het gemeentelijk exploitatieplan. Publiekrechtelijk kostenverhaal onder de Omgevingswet is onderdeel van het omgevingsplan. Publiekrechtelijk kostenverhaal met tijdvak kan echter ook via omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit of projectbesluit. - Het innen van kosten gebeurt via de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld. Dit gebeurt dus niet meer via de omgevingsvergunning. - Het moment van eindafrekening wordt niet meer voorgeschreven. Het omgevingsplan bepaalt dit. Initiatiefnemers kunnen daarnaast vanaf vijf jaar na betaling een individuele eindafrekening vragen.

2.5.2

Hoewel de Wro een uitputtende regeling voor het publiekrechtelijk kostenverhaal bevat, staat het Initiatiefnemers die profijt hebben van openbare voorzieningen bij gebiedsontwikkeling moeten hiervoor kosten betalen. privaatrechtelijke spoor voorop. Dat wil zeggen, dat de wetgever als uitgangspunt heeft, dat partijen met elkaar in Hoofdregel is, dat de gemeente hierover een overeenkomst afsluit met deze initiatiefnemer. De gemeente heeft daarbij een grote goed overleg de nodige afspraken maken en die afspraken in een overeenkomst vastleggen. mate van contractsvrijheid. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in artikel 13.13 Omgevingswet. De contractsvrijheid De Wro biedt gemeenten daarom een ruime basis voor het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten waarbij wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaast gelden de regels uit het Burgerlijk Wetboek (BW). afspraken over kostenverhaal worden gemaakt en kwaliteitseisen gesteld kunnen worden. Het exploitatieplan geldt Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste aspecten van het privaatrechtelijk kostenverhaal. als de stok achter de deur, waarmee, bij het ontbreken van overeenstemming, de afspraken afgedwongen kunnen - De initiatiefnemer moet eerst de kosten betalen, voordat hij de werkzaamheden mag starten (artikel 13.12 worden.

De Wro kent twee hoofdtypen overeenkomsten over grondexploitatie: de anterieure en de posterieure Omgevingswet). In een overeenkomst kan hiervan worden afgeweken. De overeenkomst bepaalt dan dat overeenkomst. geheel of gedeeltelijk wordt betaald na start van de activiteiten. - Als de overeenkomst het kostenverhaal regelt, hoeven er in het omgevingsplan geen regels over kostenverhaal te staan. - Ook na vaststelling van een omgevingsplan kan nog een overeenkomst worden gesloten. In de overeenkomst moeten dan wel de regels van het omgevingsplan worden gevolgd. De overeenkomst mag immers niet in strijd zijn met wet- en regelgeving (artikel 3.40, tweede lid BW). De regels van het omgevingsplan bepalen dan hoeveel onderhandelingsruimte er nog is. Deze optie beperkt over het algemeen de onderhandelingsruimte van de gemeente. - Als voor alle aangewezen activiteiten een overeenkomst is gesloten is een eindafrekening niet verplicht.

2.7

Op grond van artikel 10, lid 1, sub c en lid 2, sub b van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) hebben PID en verwervingsnotitie te allen tijde een vertrouwelijk karakter.

2.4

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In de Omgevingswet zijn 26 bestaande wetten gebundeld. Met de komst van de Omgevingswet vervallen bijvoorbeeld de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Wet natuurbescherming en de Waterwet. Ook het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit zijn door de Omgevingswet vervangen. Overeenkomstig de Omgevingswet dienen bestemmingsplannen te worden gebundeld in één omgevingsplan per gemeente. Elke gemeente moet ook een omgevingsvisie maken. Gemeenten krijgen tot eind 2029 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.

Op grond van artikel 5 2e lid aanhef en onder b van de Wet Open Overheid (WOO) hebben PID en verwervingsnotitie te allen tijde een vertrouwelijk karakter.

2.8

Niet van toepassing

Toevoeging: Het recentelijk door de Hoge Raad gewezen Didam-arrest is van grote invloed bij het vervreemden van gronden. Nog meer dan voorheen is de gemeente nu gebonden aan de regels van mededinging en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat overheden zich bij elke voorgenomen verkoop van onroerend goed (inclusief reststroken) moet afvragen of er meerdere gegadigden zijn. Overheidsinstanties dienen bij de verkoop van onroerend goed ruimte te bieden aan potentiële kandidaten, waarna de koper gekozen wordt in een selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. Het niet toepassen van de regels uit het arrest leidt tot strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de nietigheid van overeenkomsten. Uitzonderingen zijn mogelijk als redelijkerwijs kan worden verwacht dat slechts één serieuze kandidaat in aanmerking zal komen, maar daar zal zorgvuldig mee moeten worden omgegaan. De overheid moet deze afweging dan tijdig voor de verkoop openbaar maken. Partijen die het daar niet mee eens zijn, krijgen de gelegenheid om te proberen de verkoop tegen te houden. Bij de verkoop van onroerend goed door de gemeente zijn er zodoende twee mogelijkheden: - meer dan 2 serieus geïnteresseerde partijen: selectieprocedure en; - slechts één serieus geïnteresseerde partij: één-op-één verkoop.

De gemeente dient voor beide trajecten een afzonderlijke werkwijze te volgen. Het is daarom van belang dat vanaf het begin duidelijk wordt vastgesteld welk spoortraject van toepassing is. De aanbestedingswet is in deze procedures niet van toepassing, maar wordt als een bron van inspiratie gebruikt. In het belang van een eerlijk proces is het noodzakelijk om een mededeling tot voornemen van verkoop eerst openbaar te publiceren, bijvoorbeeld op het internet of in de krant. Met de publicatie wordt aan andere personen de mogelijkheid geboden om bezwaar te maken tegen de voorgenomen verkoop middels een kort geding procedure. Gemeente Ermelo publiceert een voorgenomen één-op-één transactie in het Gemeenteblad en geeft potentiële bezwaarmakers 20 kalenderdagen de tijd om een kort geding procedure te starten. Een selectieprocedure wordt gepubliceerd in ten minste één lokale huis- aan-huis krant en op de gemeentelijke website. De strekking van het Didam-arrest is dat overheden bij de verkoop van onroerende zaken aan alle potentiële gegadigden de gelegenheid moeten bieden om mee te dingen. Ondanks dat bevestiging door de Hoge Raad ontbreekt, wordt breed aangenomen dat de regels uit het Didam-arrest evenzeer van toepassing zijn op andere privaatrechtelijke overeenkomsten die overheidslichamen aangaan.

2.9

Niet van toepassing

Toevoeging: Het Didam-arrest zal met name van grote invloed zijn bij het voeren van een actief grondbeleid. De gemeente zal bij de vervreemding van gronden, op welke wijze dan ook, telkens een openbare selectieprocedure moeten volgen of grondig beargumenteren waarom een dergelijke selectieprocedure achterwege gelaten kan worden. Deze beoordeling vergt tijd en mankracht van de gemeente. Ingeval van een faciliterend grondbeleid, blijft het eigendom van de gronden in handen van private partijen. De regels uit het Didam-arrest zijn slechts van toepassing op privaatrechtelijk handelen door overheden. De selectieprocedure, of de argumentatie voor het achterwege laten hiervan, behoeft niet te worden gevolgd indien de gronden in eigendom van private partijen blijven.

3.1.4 3.1.5

Niet van toepassing

Toevoeging: Bij deze verkoop moet rekening worden gehouden met het Didam-arrest.

Het voorkeursrecht als bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: 'Wvg') biedt gemeenten de mogelijkheid om grondeigenaren bij een voorgenomen vervreemding te verplichten hun gronden eerst aan de gemeente aan te bieden. De gemeente heeft daardoor een eerste recht van koop. Om een voorkeursrecht te vestigen dient de gemeente een zogeheten aanwijzingsbesluit te nemen. In dit aanwijzingsbesluit dient onder meer beargumenteerd te worden dat het huidige gebruik van de betreffende gronden afwijkt van de toegekende bestemming (in een bestemmingsplan) of toegedachte bestemming (in bijvoorbeeld een structuurvisie) en dat deze bestemming een niet-agrarische is. De Wvg kent een aantal doelstellingen: • Versterking van de regisserende rol van de overheid; • Verbetering van de onderhandelingspositie van de overheid op de grondmarkt; • Beheersing van de grondprijzen; Vestigingsgrondslagen en -vereisten Op basis van de voorgaande Wvg kon de gemeenteraad een voorkeursrecht vestigen op drie grondslagen, te weten op basis van een bestemmingsplan ex artikel 3 Wvg, op basis van een structuurvisie ex artikel 4 Wvg of op basis van een planologisch voornemen ex artikel 5 Wvg (lees: een buitenwettelijk plan zoals een masterplan of een stedenbouwkundige visie).

Voorwaarde voor vestiging is dat voor de gronden een bestemming is toegekend/toegedacht die afwijkt van het huidige gebruik en niet-agrarisch is. Onder de Aanvullingswet grondeigendom worden deze vestigingsgrondslagen aangepast aan de terminologie en inhoud van de Omgevingswet. Zo is “bestemmingsplan” vervangen door “omgevingsplan” en is “structuurvisie” vervangen door zowel “omgevingsvisie” als “programma”. Ook is het mogelijk om een voorkeursrecht te vestigen indien er nog geen omgevingsplan, omgevingsvisie of programma voor de gronden is vastgesteld die aan de reeds genoemde vestigingsvereisten voldoet.

Het voorkeursrecht als bedoeld in afdeling 9 Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om grondeigenaren bij een voorgenomen vervreemding te verplichten hun gronden eerst aan de gemeente aan te bieden. De gemeente heeft daardoor een eerste recht van koop. Hiermee kan de gemeente voorkomen dat bij geplande ontwikkelingen de grondprijzen worden opgedreven. De Omgevingswet verplicht ex artikel 16.82a lid 1inschrijving van alle voorkeursrechten in de openbare registers. Het voorkeursrecht dient een aantal doelstellingen: • Versterking van de regisserende rol van de overheid; • Verbetering van de onderhandelingspositie van de overheid op de grondmarkt; • Beheersing van de grondprijzen; Bekendmaking voorkeursrecht Voor de bekendmaking en mededeling van een voorkeursrechtbeschikking sluit de Omgevingswet aan bij de regeling in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beschikking wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking van de beschikking aan de in het besluit vermelde eigenaren en beperkt gerechtigden. Daarnaast wordt de voorkeursbeschikking ter inzage gelegd binnen de gemeente waar de onroerende zaak gelegen is. Bovendien geldt dat de gemeente verplicht is tot kennisgeving en terinzagelegging van voorkeursrechtbeschikkingen in het Gemeenteblad.

Vestigingsgrondslagen en -vereisten Op basis van de omgevingswet kan de gemeenteraad een voorkeursrecht vestigen op drie grondslagen, te weten: - een voorkeursrechtbeschikking, waarin een nieuwe functie is toegedacht; - een vastgestelde gemeentelijke omgevingsvisie, waarin een nieuwe functie is toegedacht; - een vastgesteld gemeentelijk programma, waarin een nieuwe functie is toegedacht; - een vastgesteld (wijziging van het ) omgevingsplan, waarin een nieuwe functie is toegedacht. Het besluit dat de grondslag is, dient voldoende concreet inzicht te geven in de voorziene functiewijziging ex artikel 9.1 lid 1 en 2 Omgevingswet. De gemeenteraad kan enkel een voorkeursrecht vestigen op een onroerende zaak die deel uitmaakt van een locatie: - waaraan een niet-agrarische functie is toegedeeld of toegedacht; - waarvan het huidige gebruik afwijkt van die toegedeelde of toegedachte functie.

3.1.5

3,1,5

Inwerkingtreding voorkeursrecht Ingevolge artikel 7, eerste lid Wvg treedt het voorkeursbesluit in werking op de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin de terinzagelegging bekend is gemaakt. De gemeente dient de beschikking dus zo spoedig mogelijk (bij voorkeur dezelfde dag als de bekendmaking) te laten inschrijven. Doet de gemeente dit niet tijdig, dan zal de gemeenteraad (of het college) het gevestigde voorkeursrecht onverwijld moeten intrekken. De gemeente dient er dus op bedacht te zijn dat zij na de bekendmaking van de voorkeursrechtbeschikking, tijdig overgaat tot inschrijving daarvan. Het voorgaande brengt verder met zich mee dat de gemeente een voorkeursrechtbeschikking niet in een openbare vergadering kan nemen, dan wel niet op haar website bekend kan maken. Door inschrijving van voorkeursrechten in de openbare registers van het Kadaster, komt de inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister overigens te vervallen.

Inwerkingtreding en geldingsduur voorkeursrecht De inwerkingtreding van voorkeursrechten is onder de Omgevingswet gekoppeld aan het tijdstip van inschrijving in de openbare registers. Een voorkeursrechtbeschikking treedt in werking op het tijdstip van inschrijving in de openbare registers van het Kadaster (ex artikel 16.82a lid 2 Omgevingswet). De voorkeursrechtbeschikking dient binnen een inschrijftermijn van 4 dagen in de openbare registers te zijn ingeschreven. Indien dit niet tijdig gebeurt, dient de gemeenteraad het voorkeursrecht direct in te trekken.

Vervallen voorkeursrecht Onder de huidige Wvg kan de gemeente afzien van verkrijging van een aangeboden onroerende zaak. De vervreemder krijgt dan weliswaar gedurende drie jaar de mogelijkheid om de aangeboden onroerende zaak te vervreemden aan een derde, maar het voorkeursrecht blijft op de onroerende zaak rusten. In de Aanvullingswet grondeigendom is tevens een nieuwe bepaling toegevoegd aan de regeling op grond waarvan een voorkeursrecht vervalt. Indien de eigenaar van een onroerende zaak zijn bereidheid tot vervreemding aan het bevoegde orgaan heeft kenbaar gemaakt en dit bestuursorgaan besluit om af te zien van de verwerving of dit beslist niet tijdig, dan vervalt het voorkeursrecht van rechtswege, mits het voorkeursrecht al vijf jaar is gebaseerd op een omgevingsplan waarin de betrokken functie aan de locatie is toegedeeld. Indien de gemeente besluit tot aankoop van de gronden of zodra de beoogde bestemming is gerealiseerd, dient de aantekening van de vestiging van het voorkeursrecht in de kadastrale registers op initiatief van de gemeente te worden doorgehaald. Zelfrealisatie-uitzondering Dit betreft de situatie waarin een vervreemder aantoont dat de beoogde verkrijger bereid en in staat is om de nieuwe functie te verwezenlijken in overeenstemming met de wijze zoals die bij of op grond van het omgevingsplan is voorzien.

De criteria waaraan moet worden voldaan, hebben een vergelijkbare strekking als de criteria die worden gesteld aan zelfrealisatieverweer bij onteigening.

Vervallen voorkeursrecht Een onroerende zaak mag niet langer dan in het algemeen belang nodig is, belast blijven met een voorkeursrecht. Een voorkeursrecht vervalt van rechtswege als de geldingsduur is verstreken. Daarnaast vervalt een voorkeursrecht indien het reeds 5 jaar is gevestigd op grond van een omgevingsplan en de gemeente: -afziet van aankoop of niet tijdig beslist tot aankoop; of -niet binnen de daarvoor gestelde termijn een verzoek aan de rechtbank heeft gedaan om de prijs vast te stellen; of -het verzoek aan de rechtbank om de prijs vast te stellen tussentijds heeft ingetrokken. Een voorkeursrechtbeschikking verliest bovendien zijn werking als het wordt vernietigd door de rechtbank of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien het voorkeursrecht niet meer voldoet aan de voor vestiging gestelde eisen, dient het bestuursorgaan dat het voorkeursrecht vestigde, het direct in te trekken ex artikel 9.5 lid 1 Omgevingswet. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de grondslag voor het voorkeursrecht wordt ingetrokken of gewijzigd. De gemeenteraad dient zorg te dragen voor directe doorhaling in de openbare registers van een ingetrokken, vervallen of vernietigd voorkeursrecht. Tevens dient de gemeente hiervan mededeling te doen aan de eigenaren en beperkt gerechtigden op de onroerende zaak.

Onder de Omgevingswet heeft een voorkeursrecht op grond van een omgevingsplan een geldingsduur van 5 jaar. Onder de Wvg (Wet voorkeursrecht gemeenten) gold een voorkeursrecht op grond van een bestemmingsplan 10 jaar. Het overgangsrecht stelt een voorkeursrecht op grond van een bestemmingsplan gelijk aan een voorkeursrecht op grond van een omgevingsplan ex artikel 4.2 lid 1 onder a Aanvullingswet grondeigendom. Dit betekent dat de geldingsduur is ingekort naar 5 jaar. Indien verlenging gewenst is, dient de gemeente tijdig een verlengingsbesluit te nemen. Er bestaat eenmalig een verlengingsmogelijkheid van 5 jaar. Het voorkeursrecht kan echter ook op de volgende wijze gevestigd worden: -een zelfstandige voorkeursrechtbeschikking van de gemeenteraad, deze geldt maximaal 3 jaar, -een omgevingsvisie of programma, deze geldt maximaal 3 jaar. Als dat gevolgd wordt door een omgevingsplan met mogelijkheid tot verlenging is de maximale geldingsduur van een voorkeursrecht dus 3 maanden + 3 jaar + 3 jaar + 5 jaar + 5 jaar verlenging. Dat is 16 jaar en 3 maanden. Indien een voorkeursrecht op grond van een bestemmingsplan al langer dan 5 jaar geldt, dan mag dit voorkeursrecht beschouwd worden als een verlengd voorkeursrecht.

3.1.6

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal ook de regelgeving voor onteigening worden gewijzigd. De belangrijkste voorstellen uit het concept-wetsvoorstel behelzen: 1. Het onderscheid in de onteigeningstitels verdwijnt. Er komt een uniforme procedure ongeacht het doel van de onteigening en ongeacht het bevoegd gezag; 2. Het onteigeningsbesluit wordt niet meer door de Kroon, maar door de gemeente zelf genomen; 3. De onteigeningsbeschikking zal ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de bestuursrechter; 4. De eigendomsontneming wordt niet meer door de civiele rechter uitgesproken. De rol van de civiele rechter wordt beperkt tot vaststelling van de schadeloosstelling als hierover een geschil bestaat. Onteigening: veranderingen Ad 1. De Onteigeningswet vervalt voor het grootste deel en de in regels gaan over in de Omgevingswet.. De onteigeningscriteria worden daarmee wettelijk vastgelegd. Het onteigeningsplan moet worden onderbouwd aan de hand van aan de locatie toebedeelde functies. Het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en het projectbesluit kunnen de grondslag zijn van het onteigeningsbelang. Alle onteigeningen in de Omgevingswet volgen dus dezelfde procedure. Ad 2. De gemeenteraad neemt onder de Omgevingswet de onteigeningsbeschikking. De raad hoeft niet meer aan de Kroon te verzoeken een koninklijk besluit te nemen.

Belanghebbenden kunnen hun zienswijze bij de gemeenteraad indienen. Ad 3. Nieuw is dat de onteigeningsbeschikking moet worden bekrachtigd door de bestuursrechter. De rechtsbescherming door de bestuursrechter is daardoor altijd verzekerd. En bde rechter is bij alle onteigeningen betrokken. Er is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State. De onteigenings- en schadeloosstellingsprocedure worden afzonderlijk doorlopen. De onteigeningsprocedure is bestuursrechtelijk van aard. De schadeloosstelling wordt vastgesteld in een verzoekprocedure bij de burgerlijke rechter. Ad 4. De rechtbank spreekt niet langer de onteigening uit waarna het vonnis wordt ingeschreven maar de notaris maakt een onteigeningsakte en schrijft deze in in de openbare registers. Door deze inschrijving gat het eigendom over naar de onteigenaar.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ook de regelgeving voor onteigening gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen behelzen: 1. Er geldt niet langer onderscheid in de onteigeningstitels. Er geldt een uniforme procedure ongeacht het doel van de onteigening en ongeacht het bevoegd gezag; 2. Het onteigeningsbesluit wordt niet meer door de Kroon, maar door de gemeente zelf genomen; 3. De onteigeningsbeschikking wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de bestuursrechter; 4. De eigendomsontneming wordt niet meer door de civiele rechter uitgesproken. De rol van de civiele rechter wordt beperkt tot vaststelling van de schadeloosstelling als hierover een geschil bestaat.

3.2.1

Niet van toepassing

Toevoeging: Als de gemeente met succes actief grondbeleid heeft gevoerd, de beoogde ruimtelijke ontwikkeling publiekrechtelijk mogelijk is geworden en de gemeente de uitgifteprijs heeft vastgesteld, biedt zij de bouwgrond in de door haar ontwikkelde bouwlocatie te koop aan overeenkomstig het Didam-arrest.

3.3.2

De Wro biedt in artikel 6.24, lid 1 de mogelijkheid om anterieur te contracteren over een bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen.. Dit houdt in dat de gemeente voorafgaand aan het vaststellen door de gemeenteraad van een nieuw ruimtelijk plan, de kosten die door de gemeente zijn gemaakt om tot deze wijziging te komen zal verhalen door middel van deze overeenkomst. In een anterieure overeenkomst worden onder andere afspraken gemaakt over het verhaal van kosten van grondexploitatie, de apparaatskosten alsmede afspraken over planschade, bijdragen aan het fonds verevening sociale woningbouw.. Daarnaast worden locatie-eisen gesteld en worden afspraken gemaakt over het bouwproces en de planning. In het Afwegingskader Woningbouw voor de gemeente Ermelo zijn afspraken vastgelegd omtrent de planning voor het opstellen van de anterieure overeenkomst (binnen zes maanden na het principebesluit door het college) alsmede over het bouwproces. In de verordening Sociale Woningbouw van de gemeente is vastgelegd dat (minimaal) 50% van de te ontwikkelen woningen op de locatie moeten vallen binnen het sociale segment.

Deze woningen moeten voor een termijn van minimaal 10 jaar beschikbaar worden gesteld aan huishoudens die voldoen aan de critaria van de toewijzing en de woningen moeten voor een maximaal bedrag worden verhuurd en eventueel worden verkocht voor een bedrag dat correspondeert met de prijs voor een sociale woning. Dit alles op straffe van een boete welke in de anterieure overeenkomst wordt vastgelegd. Indien de exploitant meer of minder dan 50% sociaal realiseert kan hij een beroep doen op uitname uit het fonds verevening sociale woningbouw of dient hij een bijdrage per ontbrekende woning in het fonds te storten. In 2022 wordt de Verordening geëvalueerd en daar waar gewenst aangepast. Aandachtspunt daarbij is onder meer de termijn dat de woningen in het sociale segment zullen moeten blijven. Vooralsnog zal de termijn van 10 jaar gelden en gehandhaafd worden.

Voorheen bood de Wro in artikel 6.24, lid 1 de mogelijkheid om anterieur te contracteren over een bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen. Met de komst van de Omgevingswet is dit geregeld in artikel 13.13 Ow. Hierin wordt vastgelegd dat de gemeente, voorafgaand aan het vaststellen door de gemeenteraad van een nieuw ruimtelijk plan, de kosten die door de gemeente zijn gemaakt om tot deze wijziging te komen zal verhalen door middel van deze overeenkomst. In een anterieure overeenkomst worden onder andere afspraken gemaakt over het verhaal van kosten, de apparaatskosten alsmede afspraken over nadeelcompensatie (planschade onder de Wro) en bijdragen aan het fonds verevening sociale woningbouw. Daarnaast worden locatie-eisen gesteld en worden afspraken gemaakt over het bouwproces en de planning. In het Afwegingskader Woningbouw voor de gemeente Ermelo zijn afspraken vastgelegd omtrent de planning voor het opstellen van de anterieure overeenkomst (binnen zes maanden na het principebesluit door het college) alsmede over het bouwproces. In de verordening Sociale Woningbouw 2022 van de gemeente is vastgelegd dat (minimaal) 50% van de te ontwikkelen woningen op de locatie moeten vallen binnen het sociale segment.

Voor sociale koop en voor midden huurwoningen geldt dat deze woningen voor een termijn van minimaal 10 jaar beschikbaar moeten worden gesteld aan huishoudens die voldoen aan de criteria van de toewijzing en de woningen moeten voor een maximaal bedrag worden verhuurd en eventueel worden verkocht voor een bedrag dat correspondeert met de prijs voor een sociale woning. Voor sociale huur is deze termijn 20 jaar. Dit alles op straffe van een boete welke in de anterieure overeenkomst wordt vastgelegd.

Zoals onder 2.8.1 beschreven vervalt het huidige instrument exploitatieplan met de invoering van de Omgevingswet. Ten tijde van het schrijven van deze nota zijn er geen exploitatieplannen meer in voorbereiding binnen de gemeente Ermelo dus daar wordt hier verder geen aandacht aan besteed. Het vigerende exploitatieplan Veldzicht Noord 4e fase is door de minnelijke verwerving van alle benodigde gronden van geen betekenis meer.

verwijderd

3.3.3

term grondexploitatie 5 en 6 overzicht wijzigingen notitie grondprijzen

Onteigening: veranderingen Ad 1. De Onteigeningswet is voor het grootste deel vervallen en de regels zijn overgegaan in de Omgevingswet. De onteigeningscriteria worden daarmee wettelijk vastgelegd. Het onteigeningsplan moet worden onderbouwd aan de hand van aan de locatie toebedeelde functies. Het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en het projectbesluit kunnen de grondslag zijn van het onteigeningsbelang. Alle onteigeningen in de Omgevingswet volgen dus dezelfde procedure. Ad 2. De gemeenteraad neemt onder de Omgevingswet de onteigeningsbeschikking. De raad hoeft niet meer aan de Kroon te verzoeken een koninklijk besluit te nemen. Belanghebbenden kunnen hun zienswijze bij de gemeenteraad indienen. Ad 3. Nieuw is dat de onteigeningsbeschikking moet worden bekrachtigd door de bestuursrechter. De rechtsbescherming door de bestuursrechter is daardoor altijd verzekerd. En de rechter is bij alle onteigeningen betrokken. Er is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State. De onteigenings- en schadeloosstellingsprocedure worden afzonderlijk doorlopen. De onteigeningsprocedure is bestuursrechtelijk van aard. De schadeloosstelling wordt vastgesteld in een verzoekprocedure bij de burgerlijke rechter. Ad 4.

De rechtbank spreekt niet langer de onteigening uit waarna het vonnis wordt ingeschreven maar de notaris maakt een onteigeningsakte en schrijft deze in de openbare registers. Door deze inschrijving gaat het eigendom over naar de onteigenaar.

Indien de exploitant meer of minder dan 50% sociaal realiseert kan hij een beroep doen op uitname uit het fonds verevening sociale woningbouw of dient hij een bijdrage per ontbrekende woning in het fonds te storten.

vervangen door term kostenverhaal

pagina 1 pagina 2 pagina 3

Als voorwaarde in de koopovereenkomst wordt opgenomen dat sociale huurwoningen minimaal 10 jaar tot de Als voorwaarde in de koopovereenkomst wordt opgenomen dat sociale huurwoningen minimaal 20 jaar tot de sociale woningvoorraad sociale woningvoorraad blijven behoren. blijven behoren overeenkomstig de Verordening sociale woningbouw 2024. Voor maatschappelijk doeleinden geldt dat voor bebouwde grond wordt gerekend met € 125,00/m2, overige Voor maatschappelijk doeleinden geldt dat voor bebouwde grond wordt gerekend met € 137,50/m2, overige onbebouwde grond € onbebouwde grond € 7,00/m2 en bos € 1,50/m2. 8,00/m2 en bos € 1,75/m2. Voor reststroken wordt een vaste m2-prijs van € 125,00 gerekend voor kavels tot 200 m2 met een minimum van € Voor reststroken wordt een vaste m2-prijs van € 137,50 gerekend voor kavels tot 200 m2 met een minimum van 750,00. € 750,00. Voor verkoop aan nutsbedrijven wordt gerekend met een vaste prijs van € 5.000,00 per kavel voor een kavel tot 25 Voor verkoop aan nutsbedrijven wordt gerekend met een vaste prijs van € 5.500,00 per kavel voor een kavel tot 25 m2. Voor grotere m2. Voor grotere kavels geldt een opslag van € 200,00/m2 voor elke m2 boven de 25 m2. kavels geldt een opslag van € 220,00/m2 voor elke m2 boven de 25 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14152527/1