CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Wijz.motivatie e260018369

Gemeenteraad 8 juli 2026, gemeente ErmeloBij agendapunt: Herstelbesluit omgevingsplan De Beek 772.412 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nr. 02330015108897 Zaaknr. 02330000079009

BIJLAGE 2 Wijzigingen motivering De motivering bij het omgevingsplan ‘De Beek 77’ zoals vastgesteld bij besluit van 14 mei 2025, wordt met dit herstelbesluit als volgt gewijzigd: 1.

In paragraaf 1.1 wordt onderaan de tekst het kopje ‘1.1.1. Herstelbesluit’ toegevoegd, waaronder de volgende tekst wordt toegevoegd: “Bij besluit van 14 mei 2025 heeft de raad het omgevingsplan ‘De Beek 77’ vastgesteld. Tegen het omgevingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’). Eén van de beroepsgronden ziet op het aspect stikstof. Het omgevingsplan is uitgegaan van intern salderen in de voortoets. Op 14 januari 2026 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over toepassing van intern salderen in de plantoets (AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld)). Op basis hiervan dient intern salderen in de Natura 2000plantoets te worden aangemerkt als een mitigerende maatregel die niet meer mag worden betrokken in de voortoets. Intern salderen moet nu plaatsvinden in de passende beoordeling gelijk met de inzet van andere salderingsmaatregelen (zoals salderen met natuurvergund gebruik). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zal aantasten. Het omgevingsplan moet daarom voorzien worden van een passende beoordeling en er moet een mer-beoordelingsbesluit worden genomen. Op 26 februari 2026 heeft de provincie Gelderland een vergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend voor het realiseren van de drie woningen.

De vergunning is tot stand gekomen met extern salderen. Op 2 maart 2026 heeft de provincie Gelderland in navolging op de vergunningverlening een maatwerkvoorschrift opgelegd welke bepaalt dat: “Het gehele perceel Ermelo C 1203 (bijlage 2) mag niet worden bemest en/of beweid en/of worden gebruikt voor een (andere) activiteit die tot emissie van NH3 of NOx kan leiden.” Net als voor intern salderen geldt dat extern salderen moet worden aangemerkt als een mitigerende maatregel. Hierdoor moet het omgevingsplan voorzien worden van een passende beoordeling en er moet een mer-beoordelingsbesluit worden genomen. De verplichting om een passende beoordeling op te stellen, geldt niet als het plan of het project (a) een herhaling of voortzetting is van een ander plan of project, of (b) het plan deel uitmaakt van een ander plan, mits voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. Dat staat in artikel 16.53c lid 2 van de Omgevingswet. In artikel 16.53c lid 2 van de Ow staat dus een uitzondering op het maken van een passende beoordeling bij het inpassen van een natuurvergunning in een plan. Een gelijkluidende bepaling stond in artikel 2.8, lid 2 van de Wet natuurbescherming.

Uit de Afdelingsuitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1362, r.o. 4.8-4.9), volgt dat alleen dan kan worden afgezien van een (nieuwe) passende beoordeling als het plan niet meer of anders mogelijk maakt dan wat met de natuurvergunning (in dat geval een Nbw 1998-vergunning), ten behoeve waarvan de eerdere passende beoordeling is verricht, is vergund. Alleen dan is sprake van een situatie waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een project waarvoor eerder een passende beoordeling is gemaakt. In dat geval dient in de planregels te worden geborgd dat de toegestane activiteit en

onze ref. pagina

02330015108897 2 van 5

bijbehorende effecten gelijk zijn aan de situatie waarop de passende beoordeling betrekking had (ABRvS 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1745, r.o. 14.5). Omdat in het kader van de vergunning voor de Natura 2000-activiteit al een passende beoordeling is gemaakt voor exact dezelfde activiteit die het omgevingsplan mogelijk maakt, kan gebruik worden gemaakt van artikel 16.53c, lid 2 van de Omgevingswet. Er is daardoor ook geen plan-mer (beoordeling) nodig. In de planregels is de voorwaarde uit de vergunning voor de Natura 2000activiteit, dat het achterliggende perceel niet langer bemest mag worden, overgenomen. Conclusie Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026, heeft de raad aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 6:19 van de Awb, een herstelbesluit te nemen. Met dit herstelbesluit is het omgevingsplan in overeenstemming gebracht met de verleende natuurvergunning en de (overige) wet- en regelgeving. 2.

In paragraaf 3.2.2 van de motivering wordt voor het kopje ‘Artikel 5.5 (beschermen kwaliteit Gelders natuurnetwerk), de volgende tekst toegevoegd: “Artikel 4a (voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland) In artikel 4a van de Omgevingsverordening zijn sinds 23 april 2025 voorbeschermingsregels opgenomen die zien op activiteiten in het zogenoemde ‘beperkingengebied stikstofemissie’ en die stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken. Kort gezegd houden de voorbeschermingsregels in dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning binnen het beperkingengebied een activiteit (nieuwe activiteit of uitbreiding van bestaande activiteit) met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur binnen de aangegeven Natura 2000-gebieden te verrichten. Deze omgevingsvergunningplicht is opgenomen in artikel 4a.3 van de Omgevingsverordening. In artikel 4a.4 tot en met 4.a.5 is deze regeling nader uitgewerkt (voorwaarden waaronder omgevingsvergunning kan worden verleend en uitzonderingssituaties). Het plangebied ligt buiten het beperkingengebied stikstofemissie. Nu onderhavig herstelbesluit een herstelbesluit betreft die ziet op een omgevingsplan dat buiten het beperkingengebied valt, zijn de voorbeschermingsregels niet van toepassing op de activiteiten in het plangebied.”

3.

De tekst in paragraaf 4.1.6 van de motivering wordt als volgt geherformuleerd: “De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een planmilieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.procedure verplicht is.

onze ref. pagina

02330015108897 3 van 5

Daarnaast geldt dat op grond van artikel 16.36, tweede lid, van de Omgevingswet een planmilieueffectrapport moet worden opgesteld, indien bij de voorbereiding van een plan of programma op grond van artikel 16.53c van de Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling is vereist wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie. In dat geval kan de plan-mer-plicht dus voortvloeien uit de verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.

De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Bij een aanvraag dient ook altijd te worden getoetst aan de regels over een milieueffectrapportage. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die mer-plichtig zijn of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een project mer-plichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Indien voor een activiteit reeds een natuurvergunning is verleend en daarvoor een passende beoordeling is opgesteld, kan onder omstandigheden toepassing worden gegeven aan artikel 16.53c, tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval kan bij de voorbereiding van een plan of programma worden aangesloten bij de reeds uitgevoerde passende beoordeling, mits het plan niet meer mogelijk maakt dan de activiteit en de effecten die reeds in die passende beoordeling zijn beoordeeld. Indien geen nieuwe passende beoordeling nodig is, vervalt daarmee ook de plan-mer-(beoordelings)plicht die uitsluitend voortvloeit uit de verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling.

Conclusie Dit TAM-omgevingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een m.e.r.-beoordeling over te gaan. Daarnaast is beoordeeld of voor dit plan een passende beoordeling noodzakelijk is in verband met mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie. Een plan-mer-(beoordelings)plicht kan immers ook voortvloeien uit de noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling. Voor de activiteiten die met dit plan mogelijk worden gemaakt is reeds een natuurvergunning verleend, waarbij een passende beoordeling is opgesteld. Deze passende beoordeling heeft betrekking op de nieuwe activiteiten en de daarbij behorende effecten. Gelet hierop kan bij de beoordeling van dit plan worden aangesloten bij de reeds uitgevoerde passende beoordeling. Daarmee kan voor de plantoets gebruik worden gemaakt van de uitzondering van artikel 16.53c, tweede lid, van de Omgevingswet.

onze ref. pagina

02330015108897 4 van 5

Als gebruik wordt gemaakt van artikel 16.53c, lid 2 van de Ow, moet in de planregels worden geborgd dat de toegestane activiteit en bijbehorende effecten gelijk zijn aan de situatie waarop de passende beoordeling betrekking had, daarom is artikel 6.2 aan de planregels toegevoegd, welke aansluit bij de voorwaarde uit de vergunning voor een Natura 2000-activiteit om het bemesten van het achterliggende perceel volledig te beëindigen.” 4.

De tekst in paragraaf 4.3 van de motivering wordt onder het kopje ‘Stikstofdepositie-onderzoek’ als volgt geherformuleerd: “Op 26 februari 2026 heeft de provincie Gelderland een vergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend voor het realiseren van drie woningen. Hierin zijn berekeningen opgenomen en een passende beoordeling. Uit de berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase volgen geen toenames hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gezien het resultaat van de met Aerius uitgevoerde berekeningen, zijn geen negatieve effecten aan de orde door stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. De natuurvergunning met bijlagen is opgenomen als bijlage 7 bij deze motivering. Op 2 maart 2026 heeft de provincie Gelderland in navolging op de vergunningverlening een maatwerkvoorschrift opgelegd welke bepaalt dat: “Het gehele perceel Ermelo C 1203 (bijlage 2) mag niet worden bemest en/of beweid en/of worden gebruikt voor een (andere) activiteit die tot emissie van NH3 of NOx kan leiden. Het maatwerkvoorschrift is opgenomen als bijlage 8 bij deze motivering. Aan de planregels is artikel 6.2 toegevoegd, welke aansluit bij de voorwaarde uit de vergunning voor een Natura 2000-activiteit en het maatwerkvoorschrift om het bemesten van het achterliggende perceel volledig te beëindigen.”

5.

De tekst in paragraaf 5.2 van de motivering wordt onder het kopje ‘Artikel 4 Wonen’ vervangen door de volgende tekst: “Met artikel 4 is de functie Wonen toegekend aan het werkingsgebied. Hiermee wordt voorzien in de bestaande en nieuwe woningen op het perceel. De inhoud van een vrijstaande woning mag niet meer bedragen dan 750 m3. Voor een twee-onder-één-kapwoning bedraagt de maximale inhoud 550 m3 per woning. Voor een woning geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. Voor de bijbehorende bouwwerken geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een twee-onder-een-kapwoning mag niet meer bedragen dan 60 m2. Voor een vrijstaande woning is dat 150 m2.”

6.

In hoofdstuk 6 ‘Inspraak en overleg’ van de motivering wordt de volgende paragraaf 6.4 ‘Herstelbesluit’ toegevoegd, waaronder de volgende tekst wordt toegevoegd: “Tegen het op 14 mei 2025 vastgestelde omgevingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eén van de beroepsgronden ziet op het aspect stikstof. Het omgevingsplan is uitgegaan van intern salderen. Op 14 januari 2026 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over toepassing van intern salderen in de plantoets (AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld)). Op basis hiervan dient intern salderen in de Natura 2000plantoets te worden aangemerkt als een mitigerende maatregel die niet meer mag worden betrokken in de voortoets. Intern salderen moet nu plaatsvinden in de passende beoordeling gelijk met de inzet van andere salderingsmaatregelen (zoals salderen met natuurvergund gebruik). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-

onze ref. pagina

02330015108897 5 van 5

gebied niet zal aantasten. Het omgevingsplan moet daarom voorzien worden van een passende beoordeling en er moet een mer-beoordelingsbesluit worden genomen. Op 26 februari 2026 heeft de provincie Gelderland een vergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend voor het realiseren van drie woningen. De vergunning is tot stand gekomen met extern salderen. Net als voor intern salderen geldt dat extern salderen moet worden aangemerkt als een mitigerende maatregel. Hierdoor moet het omgevingsplan voorzien worden van een passende beoordeling en er moet een mer-beoordelingsbesluit worden genomen. De verplichting om een passende beoordeling op te stellen, geldt niet als het plan of het project (a) een herhaling of voortzetting is van een ander plan of project, of (b) het plan deel uitmaakt van een ander plan, mits voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. Dat staat in artikel 16.53c, lid 2 van de Omgevingswet. Gelet op de beroepsgrond met betrekking tot stikstof en de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 heeft de raad aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 6:19 van de Awb, een herstelbesluit te nemen.

17 juni 2026 heeft de gemeenteraad het herstelbesluit aangenomen en is het omgevingsplan opnieuw, in gewijzigde vorm, vastgesteld.”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16997184/1