Ontwerpbesluit gelakt e250051372
Tekst van het document
gemeente
ermelo Tomassen Duck-To B.V. T.a.v. de directie Fokko Kortlanglaan 1 16 3853 KH Ermelo
Raadhuisplein 2 Postbus 500 3850 AM Ermelo t 0341 56 73 21 f 0851108515 e gemeente@ermelo.nl i www.ermelo.nl NL92 BNGH 0285 0024 49
3 September 2025 onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen onze ref. 0233001 5064980 zaaknr. 02330000068510 behandeld door Projectgroep Tomassen telefoon direct 0341 567 392 datum
Geachte directie, In deze brief kondigen wij aan dat wij het voornemen hebben om de hierna genoemde, door Tomassen Duck-To B.V. aangevraagde vergunningen te weigeren en de voor de inrichting van Tomassen Duck-To B.V. vigerende vergunningen in te trekken. Wij Iichten ons voornemen in deze brief verder toe. Achtergrond Tomassen Duck-To B.V. exploiteert een pluimveeslachterij aan de Fokko Kortlanglaan 112 (kadastraal bekend als EML00 1 6608), 1 1 6 (kadastraal bekend als EML00 15791 ) en 1 22 (kadastraal bekend als EML00 1 6585) in (3853 KH) Ermelo, (hierna: We inrichting). Aangevraagde vergunningen Aangevraagde revisievergunning Tomassen Duck-To B.V. heeft voor de inrichting op 30 januari 201 8, gewijzigd op 29 februari 2024, een omgevingsvergunning milieu (revisie-omgevingsvergunning) aangevraagd als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: 'Wabo'). Hierna zal deze aanvraag worden aangeduid als de 'aangevraagde revisievergunning'. Aangevraagde omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit Onderdeel van de aanvraag is eveneens een omgevingsvergunning voor het bouwen, als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a van Wabo. Aangevraagde omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik Verder heeft Tomassen Duck-To B.V.
ten behoeve van de inrichting diverse omgevingsvergunningen aangevraagd, die strekken tot legalisering van het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder c van de Wabo.' Hierna zal deze aanvraag aangeduid worden als: 'aangevraagde vergunningen inzake planologisch strijdig gebruik'.Z
2
bijlage(n)
2
Uit de toelichting bij de aanvraag revisievergunning blijkt dat het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening betrekking heeft op de volgende in de inrichting aanwezige zaken: de luchtwasser (inclusief schoorsteen), de verenopslagplaats, de bloed- en slibtank, de geluidsmuur, het gasdrukmeet- en regelstation (inclusief gasleiding). Alle bovengenoemde aanvragen zijn in behandeling onder de dossiernummers: 1 9e0003393 en 02330000061258.
(aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 2 van 15
onderwerp
Vigerende vergunningen Vigerende revisievergunningen Voor de inrichting is op 8 oktober 2002, met kenmerk 2002-18702, een (revisie-)omgevingsvergunning verleend en op 31 juli 2006, met kenmerk 2006-16246, een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting. Bovendien zijn in de periode van 2016 tot en met 2020 aan Tomassen Duck-To B.V. de volgende omgevingsvergunningen verleend die betrekking hebben op het (ver)bouwen van bouwwerken behorende tot de inrichting. beschikkin om evin suer unnin voor het verho en van een silo omgevingsvergunning voor het bouwen van een opsla hal omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dako bouw omgevingsvergunning voor het plaatsen elektrisch beveiliging op bestaand hekwerk
datum beschikkin 27 januari 2016 18 maart 2019
dossiernummer 201 5-0981 6 19e0000684
26 maart 2019
1 9e0001 628
10 december 2020
20e0004965
Bedoeld was al deze vigerende vergunningen to vervangen door de hierboven genoemde aangevraagde revisievergunning. Procesverloop Op 30 januari 201 8 is een vergunningaanvraag ingediend voor de activiteiten 'bouwen', 'milieu' en 'planologisch strijdig gebruik' zoals hiervoor benoemd onder het kopje 'Aangevraagde vergunningen'. De vergunningaanvraag is gewijzigd op 29 februari 2024. Er is vergunning aangevraagd voor de volgende activiteiten: het veranderen van de inrichting (milieu); het bouwen van een bloed- en slibtank (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het plaatsen van een geluidsscherm (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een schoorsteen (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van gebouwen voor een verenlaadplaats (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een luchtwasser (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een bedrijfshal ten behoeve van transport en opslag (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een gasdruk
regel-meetstation met gasleiding (voor de zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het gebruiken van het buitenterrein ten behoeve van transport en opslag (handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening). Eerste ontwerpbesluit Op 16 oktober 2019 heeft de raad de verklaring van geen bedenkingen (die nodig was voor het verlenen van de aangevraagde vergunningen inzake planologisch strijdig gebruik) in ontwerp afgegeven. Hierop hebben wij op 30 oktober 2019 een ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd.3 Naar aanleiding van het ontwerp (voornoemd) hebben wij tientallen zienswijzen ontvangen. De zienswijzen hebben wij in de verdere beoordeling van de vergunningaanvraag betrokken. Tweede ontwerpbesluit Op 22 januari 2025 heeft de raad, mede in verband met de in 2024 ingediende gewijzigde aanvraag, de verklaring van geen bedenkingen alsnog in ontwerp geweigerd. Hierop hebben wij op 6 februari 2025
3
Besluit 30 oktober 2019, kenmerk: el90010417.
(aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 3 van 1 5
onderwerp
het ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd.4 Tomassen Duck-To B.V. heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit op 16 maart 2025 een zienswijze ingediend. In deze brief gaan wij niet in op deze zienswijze. Het is aan de raad om die zienswijze bij het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen te betrekken. Eigen Bibob-onderzoek Op 1 oktober 2024 heeft het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie ons op grond van artikel 26 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob') een zogenoemde 'tip' gegeven om een onderzoek te doen naar Tomassen Duck-To B.V. Naar aanleiding van deze tip hebben wij Tomassen Duck-To B.V. op 24 oktober 2024 verzocht een Bibob-vragenformulier in te vullen voor het kunnen verrichten van, in eerste instantie, ons eigen Bibobonderzoek als beschreven in artikel 7a van de Wet Bibob. Na herhaalde verzoeken aan Tomassen Duck-To B.V. tot het aanvullen van ontbrekende gegevens, hebben wij uiteindelijk het ingevulde Bibob-vragenformulier, voorzien van gevraagde bescheiden, ontvangen. Hierop hebben wij ons eigen Bibob-onderzoek afgerond.
Adviesvraag Landelijk Bureau Bibob Omdat we in ons eigen Bibob-onderzoek niet alle relevante informatie duidelijk kregen, was er aanleiding voor ons om het Landelijk Bureau Bibob (hierna: 'het LBB') om advies te vragen, op grond van artikel 2.20, tweede lid, van de Wabo juncto artikel 9 van de Wet Bibob. Wij hebben de adviesvraag op 20 februari 2025 bij het LBB gedaan. Tomassen Duck-To B.V. is hierover door ons geinformeerds. Het Bibob-advies Op 20 juni 2025 (kenmerk: 2025-Bibob-0034) heeft het LBB aan ons advies uitgebracht (hierna: 'het Bibob-advies'). Daarin heeft het LBB geconcludeerd dat sprake is van een ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Op de inhoud van het Bibob-advies en de geconcludeerde mate van gevaar gaan wij hierna onder het kopje "motivering" uitgebreider in. (Aanvullend) ontwerpbesluit Weigering aangevraagde vergunningen Wij hebben gelet op het Bibob-advies en al het navolgende, het voornemen om de door Tomassen DuckTo B.V. aangevraagde vergunningen te weigeren op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo juncto artikel 3, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Zoals wij hiervoor al opmerkten, zal de raad een besluit moeten nemen over de verklaring van geen bedenkingen.
Indien de raad zou besluiten om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren, zal het weigeringsbesluit tevens berusten op redenen van goede ruimtelijke ordening. Intrekking vigerende vergunningen Daarnaast zijn wij voornemens om de aan Tomassen Duck-To B.V. op 8 oktober 2002, onder kenmerk 2002-18702, verleende (revisie-)omgevingsvergunning en de op 31 juli 2006, onder kenmerk 200616246, aan Tomassen Duck-To B.V. verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting, alsook de onderstaande aan Tomassen Duck-To B.V. verleende omgevingsvergunningen (voor zover deze niet zijn geexpireerd), in te trekken, op grond van artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder d, juncto artikel 5.31, eerste lid, van de Omgevingswet juncto artikel 3, van de Wet Bibob. beschiklcin om evin suer unnin voor het verho en van een silo omgevingsvergunning voor het bouwen van een o sla hal omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dako bouw omgevingsvergunning voor het plaatsen elektrisch beveili in op bestaand hekwerk 4 5
datum beschikkin 7 'anuri 01 18 maart 2019
dossiernummer 201 5-0981 6 19e0000684
26 maart 2019
1 9e0001 628
10 december 2020
20e0004965
Besluit 3 februari 2025, publicatie 5 februari 2025, kenmerk: 02330000061258. Brief van 20 februari 2025, kenmerk: 02330000068510.
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 4 van 1 5
Hieronder leest u de motivering van dit ontwerpbesluit. Juridisch kader Voor dit ontwerpbesluit is het volgende juridisch kader relevant Omgevingswet (overgangsrecht) Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 januari 2018 (en uitsluitend gewijzigd op 29 februari 2024). Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing blijft. Op de intrekking van de vigerende omgevingsvergunningen is de Omgevingswet wel van toepassing. De grondslag daarvan is artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder d, juncto artikel 5.31, van de Omgevingswet.
Hoewel op de intrekking de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is (en op de weigering van de aangevraagde vergunningen de uitgebreide), kiezen wij ervoor - op grond van artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: 'de Awb') - een procedure te hanteren, voor zowel de weigering van de aangevraagde als de intrekking van de verleende vergunningen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit - voor zover relevant - het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting.
In artikel 2.6 van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, van de Wabo, en met betrekking tot die inrichting al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, het bevoegd gezag kan bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting na die verandering. Op grond van artikel 2.20 eerste lid van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in - voor zover relevant - artikel 2.1, eerste lid, onder a of e, met betrekking tot een inrichting, het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, met Bien verstande dat voor de toepassing van laatstgenoemd artikel, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.
Artikel 2.20 tweede lid van de Wabo bepaalt dat, voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, het LBB, als bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob, om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob kan worden gevraagd. Op grond van artikel 5.19 vierde lid aanhef en onder b van de Wabo kan het bevoegd gezag vorenbedoelde omgevingsvergunningen, als die reeds zijn verleend, tevens geheel of gedeeltelijk intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet Bibob. Daarbij is artikel 2.20 tweede lid Wabo overeenkomstig van toepassing is.
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 5 van 1 5
Wet Bibob
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen - zoals in de artikelen 2.20 en 5.19 van de Wabo (voornoemd) - weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob, wordt voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard en de relatie, en d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. Artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob, bepaalt dat voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van: a.
feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt gevraagd dan wel is gegeven, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie, en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob, bepaalt dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met: a. de mate van het gevaar en b.
voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b betreft, de ernst van de strafbare feiten. Op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob, bestaat de bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid ook, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar felt is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit. Verder bepaalt artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob dat, voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften kan verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid bij een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.
In artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet Bibob wordt onderscheid gemaakt tussen feiten en omstandigheden "die erop wijzen" of die "redelijkerwijs doen vermoeden" dat de betrokkene in relatie
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 6 van 1 5
staat tot strafbare feiten. Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet Bibob, wordt onder feiten en omstandigheden "die erop wijzen" dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, verstaan: a. een veroordeling wegens een strafbaar feit; b. een onherroepelijke strafbeschikking; c. het vervallen van het recht tot strafvordering op grond van een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht; d. een onherroepelijke beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete; e. een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete waartegen beroep is ingesteld, waarop de bestuursrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Artikel 3a tweede lid van de Wet Bibob bepaalt dat als een strafbaar felt niet vervolgd wordt of de vervolging niet wordt voortgezet, dat niet in de weg staat aan het geheel of ten dele op grond van dat strafbare felt vaststellen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid. Op grond van artikel 7a van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om advies te vragen aan het LBB, tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden als bedoeld in - kort gezegd - de artikelen 3 en 9 van de Wet Bibob. Artikel 8 van de Wet Bibob bepaalt dat er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is; het LBB.
Op grond van artikel 9 van de Wet Bibob heeft het LBB tot taak bestuursorganen die bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het LBB daarom te verzoeken - zoals in artikel 2.20 tweede lid van de Wabo - op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid en zesde lid, van de Wet Bibob. Artikel 28 van de Wet Bibob bepaalt dat eenieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over Bibob-informatie betreffende een derde, verplicht is tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een de Wet Bibob mededelingen toelaat. Dat laatste is verder uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Artikel 29 van de Wet Bibob, bepaalt dat het bestuursorgaan dat een advies ontvangt, dat advies gedurende vijf jaren nadat het is uitgebracht kan gebruiken in verband met een andere beslissing. Motivering Vanwege de geheimhouding die rust op - kort gezegd - Bibob-informatie, waaronder die uit het Bibobadvies, en omdat niet is uitgesloten dat derden kennis kunnen nemen van dit ontwerpbesluit, volstaan wij hierna met een summiere en algemene beschrijving van feiten en omstandigheden die voor wat betreft de Wet Bibob aan ons besluit ten grondslag liggen.
Voor een gedetailleerde onderbouwing van deze feiten en omstandigheden verwijzen wij naar het Bibob-advies met de daarbij behorende bijlagen van het LBB, dat integraal onderdeel uitmaakt van dit ontwerpbesluit (Bijiage). Laatstgenoemd advies met bijlagen zullen evenwel niet bij het ontwerpbesluit ter inzage worden gelegd. "Ernstig gevaar" In het Bibob-advies heeft het LBB geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat de (aangevraagde) vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob (de zogenoemde "b-grond'). Onderbouwing Ernstige mate van gevaar b-grond Het ernstig gevaar dat de (aangevraagde) vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (de b-grond) baseert het LBB op de volgende feiten en omstandigheden die "erop wijzen" - zoals bedoeld in artikel 3a van de Wet Bibob - dat Tomassen Duck-To B.V. in relatie staat tot strafbare feiten: 42 onherroepelijke boetes voor het in totaal 55 keer (structureel en recent) handelen in strijd met (artikel 6.2, eerste lid, van) de Wet dieren gepleegd door Tomassen Duck-To B.V., te weten: • op 3 juli 2024 (tweemaal); • op 8 mei 2024; • op 1 7 januari 2024; • op 11 oktober 2023;
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 7 van 1 5
• • • • • • • • • •
op 12 juli 2023; op 11 juli 2023 (tweemaal); op 30 mei 2023; op 17 april 2023; op 13 februari 2023 (tweemaal); op 2 december 2022; op 26 juli 2022 (tweemaal); op 20 juni 2022; op 1 7 februari 2022 (tweemaal); op 24 november 2021; • op 13 oktober 2021; • op 9 september 2021 (tweemaal); • op 22 juli 2021 ; • op 23 februari 2021; • op 8 april 2020; • op 2 maart 2020; • op 25 oktober 2019; • op 27 augustus 2019; • op 23 juli 2019; • op 26 juli 2018 (tweemaal); • op 12 juli 2018 (tweemaal); • op 28 juni 201 8 (tweemaal); • op 25 juni 2018; • op 18 juni 201 8 (tweemaal); • op l4 juni 2018; • op 29 mei 201 8 (tweemaal); • op 29 maart 201 8; • op 5 april 2017; • op 6 maart 2017; • op 6 februari 2017 (tweemaal); • op 30 januari 2017; • op 19 januari 2017; • op 18 januari 201 7 (tweemaal); • op 16 januari 2017; • op 2 juli 201 5; • op 26 mei 2015 (tweemaal); op • op 8 april 2014.
drie onherroepelijke strafbeschikkingen voor het in totaal drie keer handelen in strijd met de Wet dieren, gepleegd op 2 maart 2023, 6 juli 2022, en 10 juni 2022, gepleegd door Tomassen Duck-To B.V.; twee onherroepelijke boetes voor het in totaal twee keer handelen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden op 25 mei 2021 en 12 maart 2021, gepleegd door Tomassen Duck-To B.V.; een veroordeling wegens het handelen in strijd met de Regeling handel levende dieren en producten op 1 8 mei 2018, gepleegd door Tomassen Duck-To B.V.; een onherroepelijke boete voor het in totaal twee keer handelen in strijd met de Warenwet op 24 maart 2021, gepleegd door Lucky Duck International Food B.V.; een voldane transactie wegens valsheid in geschrifte, gepleegd op 12 april 2016, gepleegd door Lisuda Vastgoed B.V.; een onherroepelijke boete voor het in totaal twee keer handelen in strijd met de Warenwet op 24 maart 2021 gepleegd door Lucky Duck International Food B.V.; een voldane transactie wegens valsheid in geschrifte, gepleegd op 12 april 2016, gepleegd door Duck-To Farm B.V; en een voldane transactie wegens valsheid in geschrifte, gepleegd op 12 april 2018 en 21 september 201 8, gepleegd door Canature B.V. Voorts is het ernstig gevaar gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden die "ernstig doen vermoeden" dat u in relatie staat tot strafbare feiten.
Dit betreffen: vier ernstige vermoedens dat Tomassen Duck-To B.V. zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan
(aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen onze ref. 0233001 5064980 pagina 8 van 1 5
onderwerp
handelen in strijd met de Wet dieren op (in ieder geval) 13 februari 2025, 16 januari 2025, 13 september 2024, 6 september 2024, 30 augustus 2024 en 16 augustus 2024; een ernstig vermoeden dat Tomassen Duck-To B.V. zich vier keer schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Warenwet op 13 september 2024, 6 september 2024, 30 augustus 2024 en 16 augustus 2024; een ernstig vermoeden dat Tomassen Duck-To B.V. zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Omgevingswet (op tijdstippen) in de periode van 2 januari 2024 tot en met 11 maart 2024; een ernstig vermoeden dat Tomassen Duck-To B.V. zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Wabo in de periode van 6 oktober 2016 tot en met 30 januari 2018; en een ernstig vermoeden dat Lisuda Vastgoed B.V. zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Wabo in de periode van 30 oktober 2020 tot en met 31 december 2023, en in strijd met de Omgevingswet in de periode van 1 januari 2024 tot 20 maart 2024. Samenhang Ten aanzien van alle hiervoor genoemde, al dan niet vermoedelijk gepleegde strafbare feiten, is voldaan aan het "samenhang-criterium" als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob.
Uit het Bibob-advies blijkt namelijk dat de betreffende strafbare feiten zijn gepleegd bij de inrichting waarop de aangevraagde en de vigerende vergunningen betrekking hebben. Daarnaast gaat het om feiten waarvan de aangevraagde en de vigerende vergunningen het mogelijk maken (kunnen faciliteren) om deze to plegen. Relatie Tomassen Duck-To B.V. staat in relatie tot alle hiervoor genoemde strafbare feiten, omdat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen en ernstig doen vermoeden dat Tomassen Duck-To B.V. de strafbare feiten zelf heeft gepleegd (artikel, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob). Daarnaast staat Tomassen Duck-To B.V. in relatie tot de hiervoor genoemde (vermoedelijk gepleegde) strafbare feiten door Lisuda Vastgoed B.V., Lucky Duck International Food B.V., Duck-To Farm B.V. en Canature B.V. omdat Tomassen Duck-To B.V. tot voornoemde (rechts)personen in een (concern) zakelijk samenwerkingsverband staat (als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel c, van de Wet Bibob). Tijdsverloop Tot slot is het tijdsverloop sinds de laatste al dan niet vermoedelijk gepleegde strafbare feiten niet dermate lang dat het afbreuk doet aan de gebleken ernstige mate van gevaar. Het laatstgenoemde feit in het Bibob-advies dateert van nog geen jaar geleden.
Voorts is het tijdsverloop tussen de beschreven (vermoedelijke) strafbare feiten niet zo lang dat deze feiten niet of minder zwaar mee zouden moeten wegen. Het tijdsverloop tussen de feiten is telkens minder dan vijf jaar. Hierbij sluiten wij aan bij (paragraaf 6.3 van) de "Leidraad voor de gevaarsbeoordeling op grond van de Wet Bibob", van het LBB. Verwijzing naar Bibob-advies Als gezegd verwijzen wij voor een uitgebreide(re) onderbouwing van de bevindingen en conclusies van het LBB alsook voor een volledig overzicht van de relevante feiten en omstandigheden waarop deze bevindingen en conclusies berusten, naar het Bibob-advies en de daarbij bijbehorende bijlagen. Wij onderschrijven de bevindingen en conclusies van het LBB. Het Bibob-advies (inclusief bijlagen) is - als gezegd - als Bijlage aan deze brief gehecht en maakt integraal onderdeel uit van (de motivering van) dit ontwerpbesluit. Vergewisplicht Op grond van artikel 3:9 van de Awb rust op ons een zogenoemde vergewisplicht. Dit houdt in dat als wij een besluit baseren op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur - zoals het LBB - is verricht, wij ons ervan moeten vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
In verband met de toepassing van de Wet Bibob wordt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling') over de vergewisplicht in relatie tot een advies van het LBB, het volgende aangetekend (vgl. ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2O1 9:2821): "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3500), mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van diens advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat het zich ervan
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 9 van 1 5
moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage beeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het Bureau, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Wel dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat de gestelde vragen op zodanige wijze zijn beantwoord dat op basis van het advies op zorgvuldige wijze en voldoende gefundeerd kan worden beslist.". Na bestudering van het Bibob-advies, gelet op de feiten en bronnen die daarin vermeld zijn en daarnaast op grond van ons eigen Bibob-onderzoek, zijn wij van oordeel dat het Bibob-advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Ons is niet gebleken van gebreken, leemten in kennis of innerlijke tegenstrijdigheden, waardoor wij het Bibob-advies niet aan ons ontwerpbesluit ten grondslag zouden mogen leggen.
Strijdig gebruik Hoewel het Bibob-advies niet (mede) ten grondslag kan worden gelegd aan de weigering van de aangevraagde vergunningen met betrekking tot het strijdig gebruik, herhalen wij dat de raad een besluit zal nemen omtrent de benodigde verklaring van geen bedenkingen. Als de raad de verklaring van geen bedenkingen weigert, zal de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik (ook) om redenen van ruimtelijke ordening geweigerd worden. Voorlopige belangenafweging De toepassing van de Wet Bibob is een bevoegdheid en geen verplichting. Wij dienen daarom een belangenafweging te verrichten. Deze is tweeledig. In de eerste plaats dienen wij op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob, te beoordelen of de weigering en intrekking van de in dit ontwerpbesluit aan de orde zijnde vergunningen op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, evenredig is met (a) de mate van het gevaar en (b) voorzover het ernstig gevaar de b-grond betreft, de ernst van de strafbare feiten. In de tweede plaats dienen wij een evenredigheidstoets te verrichten in de zin van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De invulling van deze laatste toets dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde "Harderwijk-uitspraak" (ABRvS 2 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2022:285).
Alvorens hierna invulling te geven aan de even redigheidstoets merken wij op dat het navolgende een voorlopige belangenafweging betreft. Het gaat immers nog om een ontwerpbesluit. Eventuele zienswijzen kunnen daarom van invloed zijn op de (uitkomsten van de) uiteindelijke belangenafweging die wij zullen verrichten bij ons definitieve besluit. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob Gelet op de ernstige mate van het gevaar ten aanzien van de b-grond, daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen de hoeveelheid (74!) en actualiteit van de (al dan niet vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten, de samenhang van deze feiten met de aangevraagde en verleende vergunningen, alsook de ernst van de feiten - voor een greet deel van de feiten zijn onherroepelijke sancties opgelegd - zijn wij van oordeel dat zowel de weigering als de intrekking evenredig is in de zin van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. Hierbij betrekken wij dat de in het Bibob-advies genoemde feiten en omstandigheden, een patroon laten zien van het structureel of in ieder geval herhaaldelijk en recent (al dan niet vermoedelijk) plegen van strafbare feiten gedurende een zeer langer periode van circa 11 jaar. Het gaat bovendien om strafbare feiten die rechtstreeks verband houden met de kernactiviteiten van Tomassen Duck-To B.V.
Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Dit ontwerpbesluit dient tevens te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb: de voor belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 10 van 1 5
In de jurisprudentie is deze even redigheidstoets uitgekristalliseerd. Op basis van het toetsingskader uit de Harderwijk-uitspraak (voornoemd) moet een besluit (i) geschikt zijn om het doel te bereiken, (ii) noodzakelijk zijn om het doel te bereiken en (iii) evenwichtig zijn. In het hiernavolgende ga ik nader op deze criteria in. In dit kader merk ik in aanvulling op hetgeen hierover reeds in het voorgaande is opgemerkt, het volgende op. Geschiktheid De Wet Bibob stelt bestuursorganen in staat om de eigen integriteit te beschermen door te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Bij het begrip "integriteit" gaat het niet alleen om het eigen handelen van de overheid, maar ook om het handelen van derden die daartoe door de overheid in de gelegenheid worden gesteld. De wetgever gaat ervan uit dat een integere overheid zich bewust is van het mogelijke misbruik van vergunningen en zich bij die mogelijkheid niet neerlegt. Om dit doel te dienen verschaffen de artikelen 2.20 en 5.19 van de Wabo juncto artikel 3 van de Wet Bibob ons de bevoegdheid om aangevraagde omgevingsvergunningen bouwen en milieu te weigeren, dan wel in te trekken ingeval van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Wij stellen op basis van het Bibob-advies vast dat zich een dergelijk gevaar voordoet en dat dit is gebaseerd op ernstige, structurele, althans herhaaldelijke en bovendien recente (al dan niet vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten. Ook constateren wij dat eerder (herhaaldelijk) ingrijpen door meerdere bestuursorganen, waaronder door onszelf, door middel van zowel strafrechtelijke maatregelen - zoals boetes - als bestuurlijke herstelsancties, niet hebben geleid tot een doorbreking van het gebleken patroon van strafbare feiten. Dat maakt dat de inzet van de Wet Bibob, als ultimum remedium, onder de gegeven omstandigheden precies de door de wetgever bedoelde interventie is. De geschiktheid van de maatregel is hiermee gegeven. Noodzakelijkheid Uit de Harderwijk-uitspraak en de daarop voortbordurende rechtspraak volgt dat aan de hand van de ernst en de omvang van de situatie dient te worden beoordeeld in hoeverre een bestuurlijke maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de daarmee beoogde belangen. Daarbij dient onder andere acht geslagen te worden op de ernst en omvang van de - kort gezegd - "normschending".
Wij zijn van oordeel dat de weigering en de intrekking van de vergunningen noodzakelijk zijn gezien de hoeveelheid, alsmede de aard en ernst van de geconstateerde feiten en omstandigheden, die (al dan niet vermoedelijk) zijn gepleegd bij en in verband met de betreffende inrichting. De hiervoor bedoelde normschending is daarmee naar aard en omvang, ernstig. Hierbij betrekken wij dat de geconstateerde feiten en omstandigheden zich over een lange tijd, bij herhaling en tot recent hebben voorgedaan. Wij signaleren daarbij een patroon van het (al dan niet vermoedelijk) plegen van strafbare feiten. Daarom moeten wij er ernstig rekening mee houden dat dergelijke feiten zich opnieuw zullen voordoen als wij de aangevraagde vergunningen zouden verlenen en de vigerende vergunningen in stand zouden laten. De kans op een voortzetting van voornoemd patroon is realistisch, temeer omdat - zoals gezegd - ook nadat diverse strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen zijn getroffen Tomassen Duck-To B.V. is doorgegaan met het (al dan niet vermoedelijk) plegen van dezelfde, althans sterk met elkaar samenhangende, strafbare feiten. Verder zien wij niet in met welke minder ingrijpende maatregel - zoals het verbinden van voorschriften - wij zou kunnen volstaan om de gebleken ernstige mate van gevaar weg te nemen.
Daarbij komt, zoals gezegd, bij een gebleken ernstig gevaar - zoals in dit geval - gelet op artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob, het verbinden van voorschriften alleen in beeld als "de ernst van de strafbare feiten weigering van de beschikking niet rechtvaardigt'. De feiten zijn in dit geval, zoals toegelicht, ernstig. Dat laatste mogelijk niet voor zover de feiten afzonderlijk worden beschouwd, maar zonder meer als zij in onderling verband en samenhang worden bezien. Eventuele vergunningvoorschriften dienen op grond van laatstgenoemd artikel bovendien te zijn gericht op het wegnemen of beperken van de geconstateerde ernstige mate van gevaar. Met het oog op het slechte naleefgedrag door Tomassen Duck-To B.V. zelf, alsook het concern waarvan zij onderdeel uitmaakt, van regels en voorschriften op zeer uiteenlopende terreinen en hetgeen hierover in deze brief is opgemerkt, achten wij het onwaarschijnlijk dat met het treffen van een dergelijke maatregel in dit geval hetzelfde doel wordt bereikt als met het weigeren en intrekken van de vergunningen. Het ontwerpbesluit is daarmee noodzakelijk. Evenwichtigheid In verband met de evenwichtigheid van de weigering en de intrekking van de vergunningen betrekken
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 11 van 1 5
wij, eveneens overeenkomstig de Harderwijk-uitspraak, de verwijtbaarheid van Tomassen Duck-To B.V. aan de geconstateerde, al dan niet vermoedelijke, strafbare feiten en aan de gevolgen van ons ontwerpbesluit. Hierbij benadrukken wij, onder verwijzing naar rechtsoverweging 7.4 van de laatstgenoemde uitspraak, dat wij ons realiseren dat de weigering en de intrekking zeer zwaar voor Tomassen Duck-To B.V. zullen zijn, maar dat een besluit met "harde" gevolgen niet per definitie een onevenredig besluit is. Ook in dit geval is, ondanks de harde gevolgen, geen sprake van een onevenredig besluit. Ter zake van de verwijtbaarheid merken wij in de eerste plaats op dat uit het Bibob-advies blijkt dat Tomassen Duck-To B.V. (en aan haar gelieerde bedrijven) de geconstateerde strafbare feiten over het algemeen, al dan niet vermoedelijk zelf heeft (hebben) gepleegd. Daarnaast is de verwijtbaarheid groot, omdat Tomassen Duck-To B.V. - althans daar heeft het alle schijn van - calculerend en bewust te werk gaat en in feite het handelen in strijd met (met name) de Wet dieren als een aanvaardbaar risico beschouwt, getuige alleen at de vele onherroepelijke boetes die ter zake aan Tomassen Duck-To B.V.
Over de gevolgen van de weigering en intrekking merken wij op dat wij ons realiseren, dat de intrekking voor Tomassen Duck-To B.V. zeer ingrijpend is. Tegelijk is ons uit het Bibob-advies gebleken dat sprake is van een ernstig gevaar. Wij willen nadrukkelijk voorkomen dat wij over de boeg van de verleende vergunningen, ongewild het plegen van strafbare feiten (blijven) faciliteren en met de aangevraagde vergunningen deze strafbare feiten zouden gaan faciliteren. Hierbij betrekken wij dat de agrarische sector en alle daarmee samenhangende (neven)sectoren in algemene zin kwetsbaar en gevoelig zijn voor criminogene invloeden. Concreet kan het in stand houden van de vergunning of de vergunningverlening binnen onze gemeente leiden tot oneerlijke concurrentie, het aantrekken van criminaliteit en het verliezen van grip - onder meer in verband met controles op het gebied van ruimtelijke- en milieuregelgeving, maar ook op het gebied van dierenwelzijn - op de exploitatie van uw inrichtingen. Niet op de laatste plaats wordt schade aangericht aan de integriteit van de overheid (zie ook Kamerstukken 11 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 2). Wij zijn op grond van het Bibob-advies tot de overtuiging gekomen dat wij onder meer de hiervoor genoemde belangen schaden als wij de verleende vergunningen in stand zouden laten of de gevraagde vergunningen zouden verlenen.
Bovendien wordt een Bibob-onderzoek Tomassen Duck-To B.V. niet voor eeuwig nagedragen. Het is mogelijk dat Tomassen Duck-To B.V. over een bepaalde periode - van in beginsel vijf jaar, gelet op artikel 29 van de Wet Bibob - opnieuw een vergunningaanvraag kan indienen voor de gewenste activiteiten. Vanuit het perspectief van de Wet Bibob zou deze vergunning alsdan in beginsel kunnen worden verleend, mits Tomassen Duck-To B.V. in de tussentijd niet in relatie kan worden gebracht tot nieuwe strafbare feiten. Zo beogen wij de intrekking en weigering van de vergunningen dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten, daarmee aan het hersteldoel van de Wet Bibob. Immers, mocht Tomassen Duck-To B.V. wensen in de toekomst alsnog in aanmerking te komen voor een vergunning voor een agrarisch bedrijf, dan zal eerst - kort gezegd - moeten worden afgezien van het plegen van (nieuwe) strafbare feiten. Het besluit is daarmee eveneens evenwichtig. Alles overziend zijn wij van oordeel dat ons ontwerpbesluit tot intrekking en weigering van de vergunningen in dit geval noodzakelijk en evenwichtig is in verhouding tot de geconcludeerde mate van gevaar, alsook de ernst van de strafbare feiten en ook overigens voldoet aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. E-mail van 23 juli 2025 Op 23 juli 2025 heeft
namens Tomassen Duck-To B.V., vooruitlopend op dit ontwerpbesluit aandacht gevraagd voor de ernstige financiele en personele gevolgen van een (eventuele) weigering en intrekking en weigering van de vergunningen. Wij zien aanleiding om hieraan op deze plaats aandacht te besteden.
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 0233001 5064980 pagina 1 2 van 15
6
Zie bijvoorbeeld: Voorlopig geen verbod op uitzendkrachten ondanks misstanden in slachthuizen.
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980
pagina 1 3 van 1 5
De in de e-mail van 23 juli 2025 genoemde belangen en omstandigheden leiden ons gelet op het voorgaande (vooralsnog) niet tot het oordeel dat wij zouden moeten afzien van ons voornemen om de door Tomassen Duck-To B.V. aangevraagde vergunningen te weigeren en de voor haar vigerende vergunningen in te trekken. Gevolgen ontwerpbesluit Als ons voornemen om de door Tomassen Duck-To B.V. aangevraagde vergunningen te weigeren en de voor haar vigerende vergunningen in te trekken, eenmaal een definitief besluit is geworden, dan heeft dat de volgende consequenties. Tomassen Duck-To B.V. mag de activiteiten waarop de geweigerde en ingetrokken vergunningen betrekking hebben, onmiddellijk nadat het definitieve besluit is bekend
onderwerp
(aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking vigerende revisievergunningen
onze ref. 0233001 5064980 pagina 14 van 1 5
gemaakt niet meer uitoefenen. Doet zij dat toch en stellen wij dat vast, dan zijn wij bevoegd daartegen handhavend op te treden. Concreet zullen wij daarom eerst nadat wij het definitieve besluit genomen hebben een controle uitvoeren naar (de bedrijfsvoering van) Tomassen Duck-To B.V. Wordt tijdens die controle vastgesteld dat de bedrijfsvoering onverminderd wordt voortgezet, ondanks dat de daarvoor vereiste vergunningen respectievelijk zijn geweigerd en ingetrokken, zullen wij in beginsel een last onder dwangsom opleggen die strekt tot het staken en gestaakt houden van de bedrijfsvoering, binnen een daarvoor door ons geboden begunstigingstermijn. Houdt Tomassen Duck-To B.V. zich niet (tijdig) aan de last, dan zullen de dwangsommen verbeuren en zullen wij die in beginsel bij haar invorderen. Geheimhouding Onder verwijzing naar artikel 28, eerste en derde lid, van de Wet Bibob, wijzen wij erop dat eenieder en Tomassen Duck-To B.V. in het bijzonder - verplicht is tot geheimhouding van alle informatie die haar is en wordt verstrekt, uit en op basis van het Bibob-advies en de daarbij behorende bijlagen van het LBB. Op het Bibob-advies en de daarbij behorende bijlagen zelf, die eveneens als Bijlage aan dit ontwerpbesluit zijn gehecht, rust vanzelfsprekend ook geheimhouding.
Concreet betekent dit dat informatie uit het Bibob-advies, met name voor zover het informatie over derden betreft, niet met externen mag worden gedeeld. Voor zover Tomassen Duck-To B.V. zich laat vertegenwoordigen door een rechtshulpverlener mag zij (alleen) met deze rechtshulpverlener wel het Bibob-advies delen, maar ook voor deze rechtshulpverlener geldt de geheimhoudingsplicht onverkort. Volledigheidshalve wijzen wij erop dat deze geheimhoudingsplicht eveneens voor onszelf geldt. Het schenden van de geheimhouding is strafbaar, ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Zienswijzen Voordat een definitief besluit wordt genomen, is er voor eenieder op grond van artikel 3.10 van de Wabo, artikel 3:1 5 van de Awb en artikel 33 van de Wet Bibob de gelegenheid om gedurende de periode van terinzagelegging van het openbare ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen op dit ontwerpbesluit. Dit ontwerpbesluit ligt, met uitzondering van het (geheime) Bibob-advies met bijlage, gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan iedereen, waaronder uitdrukkelijk u, schriftelijk of mondeling zienswijzen inbrengen op het ontwerpbesluit (zie artikel 3.12, vijfde lid, Wabo). Termijn
De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt zes weken, gerekend vanaf de ingang van de dag waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven (artikel 3:16 van de Awb). Meer informatie? Nog vragen? Neem dan contact op met de gemeente. Stuur een e-mail naar secretariaat@ermelo.nl onder vermelding van ons kenmerk van deze brief of bet naar ons via telefoonnummer 0341 - 567 392. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geinformeerd. Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo, P.J.T. van Daalen, M. Jacobs, burgemeester, secretaris,
onderwerp (aanvullend) ontwerpbesluit weigering aangevraagde vergunningen en intrekking
vigerende revisievergunningen onze ref. 02330015064980 pagina 1 5 van 15
Bijlagen: 1. Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob van 20 juni 2025, kenmerk 2025 -Bibob-0034. Op deze bijlage rust geheimhouding als bedoeld in artikel 28 Wet Bibob. 2. Bijlagen horend bij Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob van 20 juni 2025, kenmerk 2025 -Bibob -0034. Op deze bijlage rust geheimhouding als bedoeld in artikel 28 Wet Bibob.