Motivering e260009073
Tekst van het document
Bestemming ‘Groen’ (artikel 4) Artikel 4.1: De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende paden en andere verhardingen.
Artikel 4.2: Op de als 'Groen' bestemde gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van de bestemming. Daarbij geldt een maximale bouwhoogte van 3 meter, behoudens lantaarnpalen waarvoor een maximale hoogte van 9 meter geldt. Bestemming ‘Tuin’ (artikel 5) Artikel 5.1: De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: de aanleg en instandhouding als tuin, behorende bij de op de aangrenzende bestemming gelegen hoofdgebouwen; met de daarbij behorende: in- en uitritten; parkeervoorzieningen; water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 5.2: Op de gronden zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan ten behoeve van de bestemming met een maximale bouwhoogte van 1 meter.
32
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanning’ (artikel 7) Artikel 7.1: De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een hoogspanningsverbinding met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en voorzieningen. Artikel 7.2: op of in de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bedoelde leiding(en) worden gebouwd; overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid van de noodzakelijke gebouwen ten behoeve van de bestemming. in geval van strijdigheid van bepalingen, gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn; Initiatiefnemer heeft overlegd met het netbeheerder van de hoogspanningsverbinding. De afspraken en bijbehorende aspecten worden verder in paragraaf 5.7 van dit document onderbouwd. Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie L’ (artikel 8) Artikel 8.1: De voor 'Waarde - Archeologie L' aangewezen gronden zijn naast de andere voor die gronden aangewezen basisbestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.
Artikel 8.2: : Op de voor ''Waarde - Archeologie L' aangewezen gronden mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd of bestaande gebouwen worden vergroot indien en voor zover:
het nieuwe gebouw of de uitbreiding groter is dan 2.500 m2, en daarvoor de grond dieper dan 0,3 m zal worden geroerd.
Het aspect archeologie wordt verder in paragraaf 5.12 van dit document onderbouwd. Gebiedsaanduiding ‘Overige zone – hoogspanningsverbinding’ (artikel 11) Artikel 11.1: Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - hoogspanningsverbinding' gelden de volgende regels:
kwetsbare objecten zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid; bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a indien: 3.
de veiligheid van de betrokken leiding(en) niet wordt geschaad en vooraf advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder;
4.
middels onderzoek is aangetoond dat afwijking van het bepaalde onder a uit oogpunt van externe veiligheid inpasbaar is.
Initiatiefnemer heeft overlegd met het netbeheerder van de hoogspanningsverbinding. De afspraken en bijbehorende aspecten worden verder in paragraaf 5.7 van dit document onderbouwd. Toetsing Het gebruik van de gronden ten behoeve van bedrijfs- en kantoorunits is niet opgenomen in de gebruiksregels van de bestemmingen Verkeer (artikel 6.1), Bedrijf (artikel 3.1), Groen (artikel 4.1) noch Tuin (artikel 5.1). Bovendien staan de bouwregels van deze bestemmingen het oprichten van bedrijfs- en kantoorunits niet toe.
33
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Bestemmingsplan ‘Parkeernormen’ De gemeente Ermelo heeft nieuw parkeerbeleid vastgesteld. Op basis daarvan is een Nota Parkeernormen opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridische borging van de gemeentelijke parkeernormen. Toetsing In paragraaf 5.14, verkeer en parkeren, wordt er dieper ingegaan op de parkeernormen. Voor onderhavig plan geldt dat het aspect parkeren geen belemmering zal vormen. Conclusie Er is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Veldzicht 2012’, ‘Meeboerserf 6’ en ‘Meeboerserf, perceel K1830’. Het bestemmingsplan ‘Parkeernormen’ vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
34
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
4
Voorbereiding en participatie
4.1
Inleiding
4.2
Participatie
De gemeente Ermelo heeft het ‘Participatiebeleid gemeente Ermelo’ opgesteld, daarin staat dat de verantwoordelijkheid voor de participatie ligt bij de initiatiefnemer. Volgens de Omgevingswet is de vorm van participatie vrij aangezien participatie altijd maatwerk vereist. De gemeente kijken naar hoe de participatie heeft plaatsgevonden en wat de uitkomsten hiervoor zijn.
Initiatiefnemer heeft door middel van een participatieblad voldaan aan de participatie-eis. Omwonenden zijn actief geïnformeerd over de voorgenomen plannen en hebben de mogelijkheid gekregen om hun mening en eventuele bezwaren kenbaar te maken. Op deze manier is invulling gegeven aan de betrokkenheid van belanghebbenden bij het planinitiatief. Door deze werkwijze wordt voldaan aan de gestelde vereisten rondom participatie en is gezorgd voor een transparant proces.
4.3
Vooroverleg ketenpartners
4.4
Voorontwerp
4.5
Ontwerp
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan zal toegezonden worden aan de provincie Gelderland en het waterschap in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Dit concept is niet toegezonden aan de Rijksoverheid, aangezien er geen nationale belangen in het geding zijn.
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen. Omwonenden zijn geïnformeerd over het initiatief.
De gemeenteraad van Ermelo is het bevoegd gezag voor het vaststellen van wijzigingen in het omgevingsplan. Voor de wijziging van het omgevingsplan wordt de voorbereidingsprocedure toegepast, zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure is verplicht bij het wijzigen van het omgevingsplan door de gemeenteraad. Tijdens deze termijn kunnen belanghebbenden hun zienswijze indienen. Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het plan wordt dan ook ongewijzigd vastgesteld.
4.6
Vaststelling
Na de vaststelling van de wijziging wordt het besluit bekendgemaakt via het Gemeenteblad en www.officielebekendmakingen.nl. Vanaf dat moment start een beroepstermijn van zes weken. Beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend of redelijkerwijs niet in staat waren dat te doen.
35
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5
Aspecten fysieke leefomgeving
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel van het Rijk ten behoeve van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk is. Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel-voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brut vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Onderzoek Stedelijke ontwikkeling of niet? Onderhavig initiatief maakt de toevoeging van ca.
1.815m2 BVO aan bedrijfsruimte. Dit is meer dan BVO 500m2, derhalve is sprake van een kantorenontwikkeling en dus een stedelijke ontwikkeling. De Ladder is daarom van toepassing op het onderhavige initiatief. Nieuw of niet? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. Dit gaat over bestaande bebouwing. En ook over de bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan:
in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging. en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan.
Behoeftebepaling Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. De behoefte wordt beoordeeld op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de ontwikkeling verminderd met het bestaande aanbod. Het aanbod dat feitelijk nog niet is gerealiseerd, maar wel in een omgevingsplan of omgevingsvergunning is vastgelegd, wordt meegerekend.
36
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Het plangebied is gelegen aan de rand van bedrijventerrein Veldzicht en in een gebied dat reeds kleinschalige bedrijfsbestemmingen kent (zie hoofdstuk 1 en 2). De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan op de bestaande structuren van de locatie en haar omgeving en voorziet in bedrijfsunits op een locatie waar hier vraag naar is (zie hoofdstuk 3). Hiermee voorziet de ontwikkeling in behoefte die tevens binnenstedelijk wordt opgelost. Kwalitatieve en kwantitatieve behoefte Op basis van het beleid zoals beschreven in de subparagrafen 3.2.1, 3.4.1 en 3.4.2 bestaat er in het verzorgingsgebied een concrete kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan de geprojecteerde bedrijfs- en kantoorunits. Deze behoefte wordt verder onderbouwd in paragraaf 3.4.1 en 3.5.1, waar het regionale en gemeentelijke beleid rondom nieuwe bedrijvigheid nader wordt beschreven. Met de toevoeging van tien bedrijfs- en kantoorunits voorziet het plan in een kwantitatieve bijdrage die aansluit bij de kwalitatieve behoefte. Uit de Laddertoets volgt dat het plan voldoet aan de uitgangspunten. Geconstateerd wordt dat met onderhavige activiteit sprake is van duurzame verstedelijking. Conclusie Met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
37
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.2
Milieueffectrapportage
Het doel van milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Wettelijk kader Milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat het bevoegd gezag daar een besluit over neemt. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures:
plan-m.e.r.-beoordelingsplicht plan-m.e.r. project-m.e.r.-beoordelingsplicht project-m.e.r.
Of het besluit over een ontwikkeling mer-plichtig of mer-beoordelingplichtig is, kan worden bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Kolom 1 van Bijlage V beschrijft categorieën waarvoor mogelijk een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Getoetst moet worden of het initiatief in kolom 1 voorkomt. Indien voor het mogelijk maken van het initiatief een besluit zoals beschreven in kolom 4 noodzakelijk is, dan dient aan kolommen 2 en 3 te worden getoetst. Als het initiatief voldoet aan de beschrijving in kolom 2 geldt een mer-plicht, er moet dan milieueffectrapportage worden gedaan en een milieueffectrapport worden opgesteld. Als het initiatief niet voldoet aan kolom 2 wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving in kolom 3. In bijna alle gevallen is dit het geval, er is dan sprake van een merbeoordelingsplicht. Aan de hand van de mer-beoordeling wordt bepaald of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieueffecten (zowel positief als negatief) en of dit aanleiding geeft tot een mer-plicht. Uitgangspunten Om te bepalen of een mer-beoordeling noodzakelijk is, dient te worden bepaald of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Daarbij zij de volgende aspecten relevant; de soort ontwikkeling, omvang van de ontwikkeling en locatie van de ontwikkeling.
Wanneer er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject’ is er geen mer-beoordeling nodig. De Omgevingsdienst Veluwe heeft op 10 december 2024 middels een brief milieuadvies uitgebracht over de ontwikkeling van de bedrijfs-/kantoorunits. Op grond van dit milieuadvies wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Conclusie Met betrekking tot milieueffectrapportage is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
38
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.3
Bodem
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).
Wettelijk kader Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Onderzoek Er is door bureau ‘Grondvitaal’ een verkennend bodemonderzoek en asbest in bodemonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. Geconcludeerd kan worden dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. In de grondmengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen overschrijdingen aangetroffen, daarnaast zijn de aangetroffen concentraties in het grondwater zijn van lichte aard. Tot slot, tijdens het onderzoek is geen asbest aangetroffen. Aanvullend onderzoek of saneringsmaatregelen worden niet noodzakelijk geacht. De gronden kunnen zonder beperkingen worden vrijgegeven ten behoeve van de functie ‘bedrijf/kantoor’. Conclusie Met betrekking tot bodem is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
39
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.4
Water
Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen. Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de Waterschapsverordening. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Ten slotte zijn de regels van art.
5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Onderzoek Waterbeheerder Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van Vallei en Veluwe. Het waterschap is daarmee verantwoordelijk voor het opstellen van regels en leggers die betrekking hebben tot het water. Hierin wordt geregeld op welke wijze men schade aan dijken en oevers dient te voorkomen en hoe watertekorten, wateroverlast en watervervuiling voorkomen worden, maar stelt ook regels over waar wel en niet gebouwd mag worden langs of nabij wateren en waterstaatswerken. Weging van het waterbelang De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De ‘weging van het waterbelang’ biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. In bijlage 3 is een uitdraai van de ‘Weging van het waterbelang’ opgenomen. Hieruit blijkt dat een waterbelang wordt geraakt, namelijk de watercompensatieopgave als gevolg van verharding.
Verharding De aanvraag ziet op een ontwikkeling het perceel gedeeltelijk wordt verhard. Uit bijlage 3 blijkt dat bij een toename van meer dan 1.500 m2 aan verharding gecompenseerd dient te worden. Hoe is dit verwerkt in het plan Gezien de hoeveelheid verharding die met het onderhavige initiatief wordt toegevoegd, adviseert het waterschap om maatregelen toe te passen waarmee het hemelwater wordt opgevangen. Op deze manier wordt wateroverlast nu en in de toekomst voorkomen; dit geldt ook bij herstructureringen. Initiatiefnemer heeft door de partij Intesio een berekening laten uitvoeren om de benodigde waterberging binnen het plangebied te bepalen (zie bijlage 4). Uit dit rapport blijkt dat in totaal 161,25 m³ water moet worden geborgd. De berging vindt plaats binnen de bestaande wadi grenzend aan het plangebied en infiltratiekratten.
40
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Naast de infiltratie-units wordt binnen het perceel ook groen aangelegd. Waar groen wordt verwijderd, zal dit worden gecompenseerd door op andere delen van het perceel nieuw groen te realiseren. Tot slot worden de parkeervakken uitgevoerd in waterdoorlatende verharding. Conclusie Met betrekking tot water is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
41
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.5
Geluid
Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Wettelijk kader Geluidaandachtsgebied Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. Binnen een geluidaandachtsgebied moet de waarde van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt getoetst aan de geluidnormen. De reikwijdte van een geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron. De geluidaandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Omgevingsplan. Voor zover dat nog niet is gebeurd geldt een overgangssituatie. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling) als opgenomen in Tabel 1. Tabel 1: Aandachtsgebieden overgangssituatie
Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf (art 17.5 overgangsrecht geluidaandachtsgebied) Geluidaandachtsgebied Breedte weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u 100 meter of minder weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 200 meter km/u weg bestaande uit 3 of meer rijstroken 350 meter lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen 200 meter lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen 350 meter Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder (artikel 3.5, Aanvullingswet geluid).
Onderzoek Voorliggend planinitiatief betreft geen ontwikkeling van een geluidgevoelig object, er worden bedrijven met een lichte milieugebruiksruimte ontwikkeld. Hierdoor vormt geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op voorhand geen belemmering voor de realisatie. Daarnaast zal het gebruik van het beoogde object niet leiden tot een toename van geluid in de omgeving Conclusie Met betrekking tot geluid is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
42
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.6
Geur
Wettelijk kader
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven);
Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Onderzoek Met het beoogde initiatief wordt geen activiteit gerealiseerd die geur veroorzaakt. Daarnaast bevinden zich in de omgeving geen functies die geurhinder veroorzaken en betreft het geen ontwikkeling waarbij een geurgevoelig object wordt gerealiseerd. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering. Conclusie Met betrekking tot geur is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
43
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.7
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen.
Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Onderzoek Risicogebieden Er zijn drie verschillende niveaus om de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie te bepalen: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. Hiervoor is gekeken onder meer naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is; de aanwezigheidsduur van personen; en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Gebouwen die als bedrijf-/kantoorfunctie zijn aangemerkt vallen binnen de categorie ‘kwetsbare gebouwen en locaties’. Het plangebied bevindt zich binnen een brandaandachtsgebied (zie Figuur 13). Voor gebouwen binnen deze contouren gelden specifieke bouweisen. De gemeente Ermelo kan een voorschriftengebied vaststellen waarin maatregelen worden voorgeschreven om nieuwe ontwikkelingen voor te bereiden op de mogelijke effecten van brand. Deze aanpassingen dienen in het ontwerp van het pand meegenomen worden.
44
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Figuur 13: Doorsnede risicokaart, plangebied ter hoogte van blauwe bol met 'i' (Bron: AtlasLeefomgeving)
Het plangebied ligt binnen de PR 10⁻⁸-risicocontour (kans van 1 op 100 miljoen per jaar op overlijden). Deze risicocontour vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van bedrijfs- en kantoorunits. Hoogspanningslijn Over een deel van het plangebied loopt een hoogspanningslijn. De bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Veldzicht 2012’ en ‘Meeboerserf, perceel K1830’ geven aan waar de beïnvloedingszone van deze hoogspanningslijn zich bevindt. Deze bestemmingsplannen bevatten tevens regels over de maatregelen die moeten worden genomen bij het bouwen binnen de beïnvloedingszone. Initiatiefnemer heeft advies ingewonnen bij de netbeheerder. De netbeheerder heeft geen bezwaar tegen de beoogde plannen. Wel wordt het initiatief is getoetst aan de Europese norm NEN-EN 50341 (bovengrondse hoogspanningslijnen). Hieruit is gebleken dat de maximale werkhoogte waarmee rekening moet worden gehouden +10,94 meter boven NAP bedraagt. Verder, bijlage 5 bevat de algemene regels voor het bouwen rond of nabij hoogspanningslijnen. Conclusie Met betrekking tot omgevingsveiligheid is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
45
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.8
Luchtkwaliteit
Als een gemeenteactiviteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
1
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
bij een omgevingsvergunning voor een ‘milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
46
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Onderzoek Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 van het Bkl. Desondanks is voor onderhavig plangebied de luchtkwaliteit ter plaatse getoetst aan de hand van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Gekeken naar het dichtstbijzijnde meetpunt gelegen aan de Harderwijkerweg zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 gelegen onder de grenswaarden. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is daarbij ook minder dan de grens van 35 dagen. Gekeken naar de jaargemiddelde concentratie PM2,5 op dezelfde punten wordt duidelijk dat ook deze onder de grenswaarde van 25 µg/m3 ligt. De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Op basis van NIBM-tool is beoordeeld of het beoogde planinitiatief ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de toename van de concentratie NO2 en PM10. De grens hiervoor ligt op 1,2 μg/m 3, ofwel 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Op basis van de verkeersbewegingen die het nieuwe planinitiatief teweegbrengt, zie paragraaf 5.14, is de NIBM-tool ingevuld (Tabel 4). Het beoogde planinitiatief heeft een verkeerstoename van maximaal 143 verkeersbewegingen per etmaal op een weekdag. Op voorhand kan daardoor geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering zal vormen voor de beoogde ontwikkeling.
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Tabel 4: NIBM – tool berekening
Conclusie Met betrekking tot luchtkwaliteit is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
47
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.9
Activiteiten en milieuzonering
Wettelijk kader
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden. De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden. In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente.
De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als Tabel 5. Tabel 5: Richtafstanden en categorieën
Afstand in meters
Geur
Geluid
10
FM
FM
30
1
1
50
2
2
100
3
3
200
3
4
300
IT
IT
De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het omgevingswet-regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid. Onderzoek Het plangebied kan worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’, in de nabijheid van het plangebied bevinden zich woonfuncties en niet-woonfuncties (bedrijf, maatschappelijk en wonen). Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen 250 meterafstand van de provinciale weg N303. Geur In de nabije omgeving bevinden zich geen functies die mogelijk geurhinder veroorzaken. Het beoogde initiatief maakt eveneens geen ontwikkeling mogelijk die geurhinder veroorzaakt en is tevens geen object dat zelf geurgevoelig is. Daarmee vormt het omgevingsaspect geur geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
48
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Geluid door activiteiten Onderhavige ontwikkeling ziet niet op een geluidgevoelig object, er worden bedrijven met een lichte milieugebruiksruimte ontwikkeld. Een negatief effect op en van de beoogde ontwikkeling als gevolg van geluid is daarmee op voorhand uitgesloten. Tevens zijn de te ontwikkelen units zelf niet geluidsgevoelig. Een nadere toetsing in de vorm van een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
49
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.10
Trillingen
Onder de Omgevingswet zijn de regels met betrekking tot trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen als gevolg van activiteiten. Wettelijk kader Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is ook geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Onderzoek Onderhavig initiatief ziet niet op de ontwikkeling van wat onder de Bkl verstaan wordt als trillinggevoelig gebouw. Daarnaast wordt er met onderhavige ontwikkeling ook geen functie mogelijk gemaakt die trillingen zal veroorzaken die een negatieve invloed kunnen hebben op de omgeving. Het aspect trillingen vormt derhalve geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
Conclusie Met betrekking tot trillingen is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
50
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.11
Flora en Fauna
De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) behorende bij de Omgevingswet. Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking.
Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb’s. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht:
of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn; of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
51
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Onderzoek Gebiedsbescherming Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 750 meter afstand, dit NNN-gebied betreft een functie tot conservatie van ecologisch landschap. Een direct effect van onderhavige ontwikkeling op het Natuur Netwerk Nederland kan daarom op voorhand uitgesloten worden. Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, Veluwe en Veluwerandmeren, liggen binnen een straal van 10 kilometer. Of sprake is van stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is echter niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd aan de hand van een Aeriusberekening. Op 8 april 2025 is door bureau Groenewold een memo stikstofdepositie opgesteld. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 6. Het gebied Veluwerandmeren is niet stikstofgevoelig, de Veluwe betreft wél een stikstofgevoelig gebied. Het plan ziet op de realisatie van 12 bedrijfsunits, bestaande uit 3 kleine kantoren en relatief kleine hallen voor opslag, geschikt voor zzp’ers. Verwacht wordt dat gebruikers van de opslagruimten ’s ochtends arriveren om materialen in te laden en binnen twee uur weer vertrekken, zonder koude start. Voor de kantoren is gerekend met een totaal van 3 koude starts per etmaal.
Voor de gebruiksfase is geen toename van de stikstofdepositie berekend boven 0,00 mol/ha/jaar. Voor de aanlegfase is eveneens onderzocht of sprake kan zijn van een relevante bijdrage aan de stikstofdepositie. Op het terrein staan nog een kleine recreatiewoning, een houten schuur en een tennisbaan; deze worden gesloopt en verwijderd. De rest van het terrein is al eerder bouwrijp gemaakt. Voor de bedrijfshallen wordt gebruikgemaakt van prefab-elementen. De gegevens zijn ingevoerd in de Aerius-calculator. Voor de aanlegfase is geen toename van de stikstofdepositie berekend boven 0,00 mol/ha/jaar. Soortenbescherming Bureau Groenewold heeft een QuickScan flora & fauna uitgevoerd. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat er geen beschermde nest- of verblijfplaatsen zijn te verwachten. In de te slopen woning en schuur zijn beschermde soorten of verblijfplaatsen met zekerheid uit te sluiten. Wel bleek in één van de bomen een nest aanwezig, waarvan het gebruik door niet was uit te sluiten. Voorafgaand aan het kappen van deze boom wordt onderzoek uitgevoerd naar de bezetting van het nest. De kap vindt niet eerder plaats dan dat het nest onbezet is en dit gecontroleerd/vastgesteld is door een ecoloog.
Voor andere beschermde dier- en plantensoorten zijn geen wettelijke beperkingen vastgesteld. Bij de aanwezige vogelsoorten moet rekening worden gehouden met de broedperiode, of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd. Daarnaast moet bij alle werkzaamheden de specifieke zorgplicht in acht worden genomen. Het gemeentelijk natuurinclusief beleid stelt dat het planinitiatief een aantal punten moet behalen door de toepassing van natuurinclusieve maatregelen. De maatregelen zijn uitgewerkt in het inrichtingsplan, de ontwikkeling dient minimaal te voorzien in 16 punten. Met de beoogde maatregelen worden 20 punten gescoord, daarmee wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid.
52
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Figuur 14: Inrichtingsplan natuur inclusief
Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden Binnen het plangebied bevinden zich enkele berkenbomen, sparren en dennen. Initiatiefnemer is voornemens de te verwijderen bomen binnen het plangebied te compenseren, zodat geen ecologische of landschappelijke waarden verloren gaan.
Hoe is dit verwerkt in het plan Conclusie Met betrekking tot flora en fauna is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
53
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.12
Archeologie
Naast veiligheid en gezondheid is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie. Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Onderzoek De geldende bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Veldzicht 2012’, ‘Meeboerserf, perceel K1830’ en ‘Meeboerserf 6’ bevatten de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie L’. De bouwregels van deze dubbelbestemming schrijven voor dat bij nieuwe gebouwen of uitbreidingen groter dan 2.500 m², waarbij de bodem dieper dan 0,3 meter wordt geroerd, een archeologisch onderzoek verplicht is.
Het onderhavige planinitiatief betreft de realisatie van 10 bedrijfs-/kantoorunits met een gezamenlijk bebouwingsoppervlak van circa 1.160 m². Dit blijft ruim onder de grens van 2.500 m² zoals aangegeven in de bestemmingsplannen. Gezien de beperkte omvang van het planinitiatief wordt de uitvoering van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Tot slot: in 2021 is voor het plan ‘Meeboerserf 6’ al een vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend. Eén van de argumenten hiervoor was het archeologisch onderzoek uit 2012, waarbij het bedrijventerrein Veldzicht is onderzocht. Uit dit rapport blijkt dat het gebied rond het onderhavige plangebied reeds gesaneerd is en dat ter plaatse van de gesaneerde gebied eventuele archeologische resten naar verwachting niet meer aanwezig zijn. Conclusie Met betrekking tot archeologie is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
54
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.13
Cultuurhistorie
Naast veiligheid en gezondheid is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Wettelijk kader De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over:
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten verplaatsing van beschermde monumenten gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand aantasting van de omgeving van een beschermd monument aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen conserveren en in stand houden van archeologische monumenten
Onderzoek Het pand dat betrokken is bij dit initiatief is geen monumentaal pand. In de nabije omgeving zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast bevinden zich in het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische elementen. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in een omgeving waar reeds andere bedrijvigheid is gevestigd. De nieuwe bedrijfs-/kantoorunits zullen geen afbreuk doen aan de bestaande samenstelling en het karakter van dit specifieke deel van Ermelo. Conclusie Met betrekking tot cultuurhistorie is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
55
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.14
Verkeer en Parkeren
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). Wettelijk kader Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat. Onderzoek Verkeer Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 10 bedrijf-/ kantoorunits verdeeld over twee bouwdelen. Op basis van de functie, BVO, verstedelijkingniveau en locatie kunnen aan de hand van de CROW de volgende conclusies met betrekking tot verkeer gemaakt worden. Voor de toekomstige situatie wordt uitgegaan van een gemiddelde.
Voor een samenstelling van 10 bedrijf-/ kantoorunits (1.815 m2 BVO) binnen de ‘rest bebouwde kom’ van Ermelo wordt een maximale verkeerstoename van circa 142,5 verkeersbewegingen per weekdag. Op basis van de CROW-handreiking kan dit worden omgerekend naar een werkdag door de totale verkeersgeneratie te vermenigvuldigen met een factor van 1,11. Dit resulteert in een totaal van 158 verkeersbewegingen op een werkdag. De uitwerking van de berekening wordt toegelicht in tabel 7. Tabel 7: Verkeersgeneratie toekomstige situatie
Stedelijkheidklasse weinig stedelijk, rest bebouwde kom + dorpskern Type object
Gem. per eenheid
Aantal eenheden
Doorwerking plangebied
Totale generatie (werkdag x1,11)
Bedrijfsverzamelgebouw
7,85
18,15
142,5
158,15
Totaal
-
-
142,5
158,15
Het gebied wordt ontsloten via de Groene Zoomweg en de Harderwijkerweg. De verkeersintensiteit bedraagt 13.049 voertuigen per etmaal op de Harderwijkerweg en 12.691 voertuigen per etmaal op de Groene Zoomweg. De verwachte toename van 158 voertuigen per werkdag is beperkt, waardoor de bestaande weginfrastructuur deze verkeersgroei eenvoudig kan verwerken. Verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
56
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
Parkeren Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 10 bedrijf-/ kantoorunits. Op basis van ‘Nota parkeernormen Ermelo’ kunnen de volgende conclusies met betrekking tot parkeren gemaakt worden. Voor een combinatie van 10 bedrijf-/ kantoorunits (1.815 m2 BVO) binnen de ‘rest bebouwde kom’ van Ermelo geldt er een parkeernorm van maximaal 37. Tabel 9: Parkeerbehoefte toekomstige situatie
Stedelijkheidklasse weinig stedelijk, rest bebouwde kom + dorpskern Type object
Gem. per eenheid
Aantal eenheden
Totale behoefte
Bedrijfsverzamelgebouw
2
18,15
36,2
Totaal
-
-
37
Hoe is dit verwerkt in het plan Met het planinitiatief worden 38 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee 100% van de parkeerbehoefte op eigen terrein wordt ingevuld, zie figuur 14 voor een verbeelding van waar de parkeerplaatsen komen te staan.
Figuur 15: Parkeervoorzieningen binnen het plangebied (Bron: initiatiefnemer)
Conclusie Met betrekking tot verkeer en parkeren is met onderhavige activiteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
57
Motivering TAM-Omgevingsplan Meeboerserf 6 Ermelo
9-2-2026
5.15
Duurzaamheid
Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid. Onderzoek Geur, lucht en geluid De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van bedrijf/-kantoorunits. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de paragrafen 5.5, 5.6 en 5.8 van dit rapport, waarin de betreffende onderwerpen verder worden besproken. Biodiversiteit Er is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd om inzicht te krijgen in de soortendiversiteit binnen het plangebied. Uit de resultaten van deze QuickScan blijkt dat voor beschermde dier- en plantensoorten gelden geen wettelijke beperkingen. Bij vogels moet rekening worden gehouden met de broedperiode of een broedvogelscan worden uitgevoerd. Alle werkzaamheden moeten voldoen aan de specifieke zorgplicht. Voor een gedetailleerdere uitleg en aanvullende informatie over dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 5.11, waar het onderwerp verder wordt toegelicht.