Kadernota VNOG 2026-2029
Tekst van het document
Kadernota 2026-2029
7 november 2024
Inhoudsopgave 1. Inleiding / samenvatting
3
2. Wat doet VNOG?
5
3. Ontwikkelingen en reguliere taken
7
4. Ramingsgrondslagen begroting 2026
9
5. Nieuw beleid en voorstellen voor besparingen
13
6. Autonome ontwikkelingen
14
7. Financiële ontwikkelingen
16
8. Beleidsregels risico’s, reserves en weerstandscapaciteit
22
9. De uitgevoerde risico-inventarisatie
25
10. Risico’s versus weerstandscapaciteit
29
11. Financieel meerjarenperspectief 2025-2028
30
Bijlagen
31
Pagina 2 van 39
1. Inleiding / samenvatting Voor u ligt de Kadernota 2026 – 2029 van Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG). De Kadernota vormt de basis voor de komende begroting 2026-2029 en bevat daarvoor de financieel-technische uitgangspunten. Dit betreft met name de loon- en prijsindex en doorwerking daarvan in de gemeentelijke bijdrage, alsmede enkele autonome ontwikkelingen. In 2024 is een nieuw meerjarig regionaal beleidsplan 2025-2028 tot stand gekomen. In het beleidsplan staat het strategische beleid voor de komende jaren1. Deze Kadernota is inhoudelijk al gebaseerd op het nieuwe beleidsplan, onder voorbehoud van de definitieve vaststelling van het beleidsplan. Het uitgangspunt voor het nieuwe beleidsplan is om het plan, inclusief de speerpunten hierin, zoveel mogelijk binnen de vastgestelde meerjaren begroting 2025-2028 uit te voeren. Vandaar dat in deze Kadernota nu géén voorstellen voor nieuw beleid zijn opgenomen. VNOG kan de speerpunten uitvoeren omdat we onder andere optimaal inzetten op samenwerking met en (financiële) dekking door andere overheden (andere veiligheidsregio’s, provincies, NIPV2, het Rijk, Duitsland) en ketenpartners. Overigens kunnen nieuwe wetgeving of (nieuwe) regionale, landelijke of internationale ontwikkelingen (financiële) gevolgen hebben, die nu nog niet te overzien zijn. De wereld om ons heen verandert immers snel.
Waar nodig worden zaken dan in komende Begrotingen/Kadernota’s of via een separate begrotingswijziging ter besluitvorming voorgelegd. 1.1. Effect Kadernota op de gemeentelijke bijdrage3 In 2026 stijgt de gemeentelijke bijdrage door financiële ontwikkelingen in loon- en prijsindexatie en door enkele autonome ontwikkelingen. Hiernaast zijn de kapitaallasten opnieuw berekend, waarbij rekening is gehouden met de meest recente investeringsbedragen en planning van de levering van de aanbestede voertuigen van het brandweermaterieel. a. Autonome ontwikkelingen Dit zijn ontwikkelingen die leiden tot kostenstijgingen, die verplicht of op een andere manier onvermijdbaar zijn, maar er is ook een nieuwe inkomstenbron (totaal effect: € 65.000). Het betreft: − Formatie voor gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing, aansluitend op het AB-besluit van juni 2023 over de versterking/versnelling van deze aanpak (€ 100.000); − Overeenkomst Rode Kruis voortaan via VNOG laten lopen, in plaats van via de 22 individuele gemeenten, conform AB-besluit van 12 september 2024 / verzoek colleges (€ 35.000); bij de deelnemende gemeenten worden de kosten van de eigen overeenkomst met Rode Kruis vervangen door een verhoging van de bijdrage aan VNOG, hetgeen evt.
herverdeeleffecten daargelaten, budgettair neutraal verloopt; − Inkomst vanuit de ambulancedienst als VNOG assisteert bij afhijsingen/tilassistentie (€ 70.000). Per saldo daarmee: € 100.000 + € 35.000 – € 70.000 (inkomst) = € 65.000. Hiervan heeft € 35.000 betrekking op de verschuiving van de lasten van de overeenkomst met Rode Kruis naar VNOG. Ten tijde van het eerste verschijnen van deze Kadernota was dit beleidsplan nog niet definitief vastgesteld; het lag toen nog ter zienswijze bij de gemeenteraden en ter consultatie bij de partners. In dezelfde vergadering dat de Kadernota voor het eerst in het AB wordt behandeld (december 2024), wordt het beleidsplan vastgesteld. 2 Nederland Instituut Publieke Veiligheid 3 Bedragen t.o.v. begroting 2025 1
Pagina 3 van 39
b. Financiële ontwikkelingen VNOG heeft oog voor de financiële situatie bij de gemeenten en is terughoudend met nieuwe plannen of initiatieven, maar wel met de insteek dat wordt voldaan aan de maatschappelijke opdracht c.q. wettelijke taken, er rekening wordt gehouden met (lokale, nationale en mondiale) ontwikkelingen en de bedrijfsvoering (conform Toekomstvisie) op orde blijft. Waar mogelijk, is voor de ontwikkelingen dekking gevonden binnen de bestaande middelen. • Lonen en prijzen De verwachte ontwikkeling van de lonen en prijzen leiden conform vastgesteld beleid (op basis van de gegevens van het Centraal Planbureau) in 2026 tot een stijging van (€ 1.541.620 (lonen) + € 355.800 (prijzen) =) € 1.897.420, afgerond € 1,9 miljoen. De loon- en prijsindex van de meldkamer brandweer-multi (MKON-MKBM) bedraagt € 202.840, resp. € 11.000. De MKON-MKBM staat in de VNOG-begroting, maar wordt bekostigd door de vijf betrokken veiligheidsregio’s samen; het VNOG-aandeel bedraag 25,45%. In het genoemde bedrag van 1,9 miljoen is de bijdrage van de vier andere veiligheidsregio’s verrekend. • Investeringen en kapitaallasten In vorige Kadernota’s is opgenomen, en vertaald in de meerjarenbegrotingen, dat de stijging van de kapitaallasten vanaf 2027 niet meer gedekt kan worden door een onttrekking aan de beschikbare egalisatiereserve.
Daarom is een verhoging van de gemeentelijke bijdrage aangekondigd en in de meerjarenbegroting opgenomen. Het meerjarenbeeld ten aanzien van de ontwikkeling van de kapitaallasten wijzigt niet. De grote brandweervoertuigen worden inmiddels in een vast tempo uitgeleverd. Daarnaast wordt rekening gehouden met investeringen in ICT en in facilitaire zaken, op basis van een meerjarig investeringsplan. De hiermee gepaard gaande kredieten zullen zoals gebruikelijk in de meerjarenbegroting worden opgenomen (c.q. geactualiseerd voor de bestaande kredieten). De gemeentelijke bijdrage stijgt als gevolg hiervan met structureel € 3 miljoen in 2027 + € 1,5 miljoen in 2028 naar structureel € 4,5 miljoen. Het totale effect van deze Kadernota is als volgt: Effect van deze Kadernota ten opzichte van de gemeentelijke bijdrage 2025 2026 2027 Gemeentelijke bijdrage volgens de meerjarenbegroting 2025 e.v. 56.077.400 59.077.900 Loon- en prijscompensatie 1.897.420 1.897.420 Autonome ontwikkelingen 65.000 65.000 Ontwikkeling kapitaallasten (vorig jaar) -3.000.000 Ontwikkeling kapitaallasten (huidig jaar) 3.000.000 Totaal 58.039.820 61.040.320
2028 60.597.500 1.897.420 65.000 -4.500.000 4.500.000 62.559.920
2029 60.597.500 1.897.420 65.000 -4.500.000 4.500.000 62.559.920
1.2. Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft wat VNOG doet. Hoofdstuk 3 gaat in op ontwikkelingen en de reguliere taken. Hoofdstuk 4 beschrijft de technische uitgangspunten. Hoofdstuk 5 gaat in op nieuw beleid. Hoofdstuk 6 worden de autonome ontwikkelingen en in hoofdstuk 7 de financiële ontwikkelingen toegelicht. Hoofdstuk 8: beleidsregels en werkwijzen ten aanzien van risico’s en het weerstandsvermogen. Hoofdstuk 9 bevat de inventarisatie van de inhoudelijke en financiële risico’s en de waardering daarvan. In hoofdstuk 10 worden deze risico’s tegenover de beschikbare weerstandscapaciteit gezet en wordt de weerstandsratio vergeleken met de daarvoor bepaalde streefwaarde. De Kadernota sluit af met hoofdstuk 11 over het meerjarenperspectief en enkele bijlagen.
Pagina 4 van 39
2. Wat doet VNOG?4 2.1. Vragen van de samenleving en Missie De samenleving stelt primair twee vragen aan VNOG: • Help mij als ik in nood ben (bij brand, ongevallen, rampen, crises). • Vertel mij hoe veilig en gezond te wonen, werken en recreëren (gevaar te voorkomen/mezelf te helpen). Inwoners, bedrijven, instellingen en andere overheden stellen deze vragen aan ons. Wij beantwoorden deze vragen vanuit onze wettelijke taken en verantwoordelijkheden uit de Wet veiligheidsregio’s. De missie van VNOG daarbij is: “Samen werken aan veiligheid”. 2.2. Opgaven Met onze Opgaven beantwoorden wij de twee vragen van de samenleving: • Opgave 0 Het voorkomen, beperken en bestrijden van incidenten, rampen en (langdurige) crises (maatschappelijke opdracht) • Opgave 1 Zelfredzaam & risicobewust • Opgave 2 Vakbekwaam & deskundig • Opgave 3 Sterke informatiepositie • Opgave 4 Een gezonde financiële basis en betrokken medewerkers (randvoorwaarde, gezonde bedrijfsvoering) De Opgaven vormen de rode draad in alle beleidsdocumenten van VNOG, waaronder de opgavegerichte begroting. 2.3. Visie De visie beschrijft hoe VNOG haar missie gestalte geeft. De visie luidt als volgt: − Noord- en Oost-Gelderland is een regio waar nu en in de toekomst veilig en gezond gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. − VNOG is dé organisatie in de regio voor samenwerking aan veiligheid.
− VNOG helpt mens en dier in nood en ondersteunt om gevaar te voorkomen. − Bij een incident, crisissituatie of ramp staat VNOG garant voor professionele hulpverlening: o VNOG heeft een fijnmazig netwerk van slagvaardige brandweerposten met passend materieel en goed opgeleide en getrainde medewerkers (Brandweer). o VNOG coördineert de geneeskundige hulpverlening bij rampen/crises (GHOR). o Samen met partners (o.a. gemeenten) bereiden we ons voor op crises en bestrijden die (Multidisciplinaire crisisorganisatie). − VNOG zet in op zelfredzaamheid. Wij helpen inwoners, bedrijven en gemeenten om die te vergroten, stimuleren veilig gedrag en helpen gemeenten goede vergunningen te verlenen. − VNOG verzamelt, monitort, analyseert en duidt data. Daarmee beoordelen we risico’s en we gebruiken die informatie bij onze voorlichting, advisering en bij de bestrijding. − Wij voeren alle ondersteunende werkzaamheden voor onze taken uit, zoals oefenen, opleiden, inkoop, onderhoud en alle achterliggende administratie. − VNOG zet in op samenwerking met vele partners, want die is waardevol, noodzakelijk en onmisbaar: regionaal, interregionaal, landelijk en internationaal. − Met daadkracht, deskundigheid, en passie -onze kernwaarden- geven wij samen met partners uitvoering aan onze missie: ‘Samen werken aan veiligheid’ 4
Dit hoofdstuk volgt het nieuwe beleidsplan 2025-2028
Pagina 5 van 39
2.4. Samenvatting De vragen van de samenleving en het antwoord van VNOG daarop:
Kernwaarden: Daadkrachtig – Deskundig – Gepassioneerd
Pagina 6 van 39
3. Ontwikkelingen en reguliere taken 3.1. Algemene ontwikkelingen / reguliere taken op Opgaven Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven is er een nieuw beleidsplan 2025-2028 voor VNOG. In het beleidsplan zijn de ontwikkelingen die op ons af komen geschetst. In het beleidsplan staat ook hoe VNOG op deze ontwikkelingen wil gaan reageren (o.a. via de in het beleidsplan beschreven speerpunten op de Opgaven). Voor een beschrijving van de ontwikkelingen en speerpunten verwijzen we naar het beleidsplan. Zie verder hoofdstuk 1 voor toelichting op het effect hiervan op de nu voorliggende Kadernota 2026-2029. De samenleving en daarmee ook VNOG wordt geconfronteerd met de snel veranderende / onvoorspelbaarheid van de wereld om ons heen. Het beleidsplan beschrijft dit. Het beleidsplan is een momentopname van de voorziene ontwikkelingen, op basis van inschattingen. Het gaat er vooral ook om dat VNOG flexibel is en wendbaar, om op het onverwachte te kunnen reageren. Het beleidsplan gaat daar ook op in. De reguliere taken zijn taken die VNOG hoe dan ook moet uitvoeren. In het beleidsplan zijn ze toegelicht. Voor een beschrijving van de reguliere taken, verdeeld over de Opgaven van VNOG, verwijzen we naar het beleidsplan. 3.2.
Dreigende korting op rijksbijdrage (BDuR5) In het hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet stond het plan om specifieke rijksuitkeringen naar het Gemeentefonds te gaan overhevelen. Het idee hierachter is dat daarmee de lokale autonomie kan worden versterkt en de administratieve rompslomp verkleind. Dit plan voorziet – zoals gebruikelijk bij dergelijke decentralisaties - daarom in een budgetkorting van 10%. De rijksbijdrage aan de veiligheidsregio’s (de BDuR) is in de uitwerking van dit plan ook geschaard onder de categorie van ‘specifieke uitkeringen’ en zou dus ook overgaan naar de gemeenten en niet meer aan de veiligheidsregio’s worden uitgekeerd, na aftrek van 10%. Dit zou grote gevolgen hebben voor de taakuitvoering/financiering van de veiligheidsregio’s. De overheveling en korting liggen niet voor de hand. Zo past overheveling niet binnen de bepalingen in de Wet veiligheidsregio’s, die uitgaat van een systeem van hybride financiering van de veiligheidsregio’s (door gemeenten en Rijk samen). Ook is onduidelijk hoe de korting van 10% zich verhoudt tot de juist in 2023 door het Rijk gestarte structurele BDuR-ophoging, die stapsgewijs in vier jaar/tranches wordt uitgevoerd, om de crisisbeheersing en informatievoorziening te versterken. In 2023 heeft VNOG hiervoor een meerjarig Bestedingsplan gemaakt dat in uitvoering is.
Er heeft in het Veiligheidsberaad overleg plaatsgevonden om duidelijkheid te krijgen en deze ontwikkeling af te wenden. De minister heeft inmiddels aangegeven dat de BDuR-overheveling een onbedoeld neveneffect is van de algemene overhevelingsmaatregel en dat er naar een oplossing wordt gezocht. Ondertussen is echter in de Rijksbegroting 2025 de korting van 10% op de BDuR wel verwerkt vanaf het jaar 2026. Een korting op de Rijksbijdrage van 10% zou voor VNOG ongeveer € 1.150.000 structureel bedragen. Mocht de overheveling en/of korting toch doorgaan, zou hierop gereageerd kunnen worden door het overwegen van de volgende (combinatie van) maatregelen:
5
Brede Doeluitkering rampenbestrijding
Pagina 7 van 39
•
• •
Afstel van een deel van de plannen voor de versterking van de crisisbeheersing (incl. de bijbehorende informatievoorziening). Concreet betekent dit het niet uitvoeren – en hangende de onzekerheid over de korting het “on hold” zetten - van de jaarschijven 2025 (€ 537.100) en 2026 (€ 335.700) van het Bestedingsplan Ophoging BDuR. Uiteraard zou dit gevolgen hebben. De beoogde doelen van het Rijk voor versterking van crisisbeheersing en informatievoorziening worden dan niet gehaald en ook de ambities die VNOG zelf op dit terrein heeft geformuleerd in de speerpunten in het beleidsplan 2025-2028, kunnen dan niet c.q. slechts met mate gerealiseerd worden. Algemene besparingen binnen de VNOG, door efficiencymaatregelen, of, als dit niet kan, door het verminderen van taken, bv. (brandweerzorg, GHOR, duurzaamheid, etc.). Een verhoging van de gemeentelijke bijdrage.
Hangende de onzekerheid en wachtend op de landelijke besluitvorming over de 10% korting van de BDuR stellen wij voor om de jaarschijven 2025 en 2026 van het Bestedingsplan Ophoging BDuR voorlopig nog niet in uitvoering te nemen en te bevriezen. Het zou immers onverstandig zijn om ons te committeren aan extra structurele uitgaven (met name in de personele sfeer) nu er onzekerheid bestaat over de structurele omvang van de gehele BDuR. Wanneer de duidelijkheid er is, zal dit worden gecommuniceerd en dan zijn er afwegingen mogelijk als hierboven beschreven. VNOG heeft op verzoek van diverse gemeenten eerder al gezocht naar mogelijkheden om de gemeentelijke bijdrage te dempen. Met de reeds doorgevoerde besparing van € 1,9 mln (die in 2026 volledig zal zijn behaald) heeft VNOG hieraan gehoor gegeven en is de begroting verder versoberd. In het AB is op 12 september jl. bij de bespreking van de Halfjaarrapportage 2024 overwogen dat een verdere verlaging – ook met beperkt bedrag, gelet op de reeds gerealiseerde besparingen - een herhaald signaal zou zijn dat VNOG oog heeft voor de financiële situatie van de deelnemende gemeenten. In het Financieel Ambtenaren Overleg met de gemeentelijke financieel ambtenaren (FAO) is hierop aansluitend de suggestie gedaan om de post onvoorziene uitgaven, de structurele buffer van € 250.000, te verlagen (bv. een halvering).
In deze Kadernota is zo’n verdere besparing nog niet opgenomen; het zou immers onverstandig zijn om, gegeven de onzekerheid over de toekomst van de BDuR, met de nog aanwezige restruimte in de begroting een nieuw gebaar richting gemeenten te maken, mede ook omdat de BDuR-ontwikkelingen potentieel een veel grotere omvang en veel grotere impact op de taken hebben. VNOG zet zich ambtelijk en bestuurlijk samen met alle andere veiligheidsregio’s in om de overheveling en korting op de BDuR van tafel te krijgen en komt hier in ieder geval op terug bij de Meerjarenbegroting 2026-2029. Begin april 2025 gaat een concept van deze begroting, conform de wet, ter zienswijze naar de raden. Bij wet moet VNOG uiterlijk 15 september 2025 een sluitende meerjarenbegroting vastgesteld hebben. 3.4. Duurzaamheid VNOG heeft in 2024 weer belangrijke vervolgstappen gezet op het belangrijke dossier van de duurzaamheid door het opstellen van een Klimaatplan dat loopt tot en met 2030. Het AB VNOG heeft dit plan op 7 november 2024 behandeld en vanuit de bedrijfsvoeringsreserve hiervoor middelen gereserveerd. Het verloop van de reserves en het effect op de weerstandsratio wordt verderop in deze Kadernota nader toegelicht. 3.5. Openbaarheidsparagraaf In de loop van 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden, de opvolger van de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob).
Volgens de Woo moet er in de begroting aandacht worden besteed aan beleidsvoornemens rondom de uitvoering van de Woo (in een Pagina 8 van 39
openbaarheidsparagraaf) en in de jaarstukken moet er verslag worden gedaan van de uitvoering. Conform deze vereisten zullen we in de komende begroting 2026 weer een openbaarheidsparagraaf opnemen met de beleidsvoornemens. Voor 2026 volgt VNOG de vereisten die de Woo stelt, door de wettelijke fasering van de Woo te volgen. Actieve openbaarmaking van informatie geschiedt via de Woo-index. De Woo-index verwijst naar documenten die door VNOG raadpleegbaar zijn gemaakt. In een later stadium wordt een ondersteunende zoekfunctie aan de Woo-index toegevoegd.
Pagina 9 van 39
4. Ramingsgrondslagen begroting 2026 Dit hoofdstuk beschrijft de financiële uitgangspunten voor de begroting 2026. 4.1. Kaders systematiek loon- en prijscompensatie De systematiek voor de begroting 2026 verschilt niet van degene die is toegepast voor vorige begrotingen, echter er is voor de looncompensatie een correctie toegepast als gevolg van de werkelijke CAO-ontwikkelingen ten opzichte van de CPB-verwachtingen (punt 1 hieronder). Dit blijft binnen de hoofdlijn in de systematiek dat de gemeentelijke bijdrage meebeweegt met de loonen prijsindex (zoals ontleend aan CPB), waarbij zoals gebruikelijk verschillen in realisatie van de loonsom in de jaarrekening worden toegelicht en de bestemming van het resultaat ter besluitvorming voorligt in het algemeen bestuur (al dan niet terugvloeien naar gemeenten). 1. Looncompensatie: De looncompensatie voor 2026 wordt berekend op basis van het percentage (loonvoet sector overheid), dat wordt genoemd in de septembercirculaire 2024 van het Gemeentefonds. Daarnaast wordt gekeken of de ontvangen compensatie over voorgaande jaren voldoende was om de stijging van de lonen als gevolg van de afgesloten arbeidsvoorwaardenakkoorden en als gevolg van wijzigingen in de belastingen en premies te dekken. Als dit afwijkt, wordt dit in de betreffende jaarrekening gemeld.
Zowel afwijkingen naar boven als naar beneden worden voor de nieuwe begroting verrekend met de gemeentelijke bijdragen (correctie). 2. Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR): Voor de raming van de Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR) die de VNOG van het Rijk ontvangt, wordt uitgegaan van de laatste beschikking. Voor de begroting voor 2026 is dit de beschikking die de VNOG voor 2025 ontvangt in december 2024. De BDUR bedraagt ongeveer 15% van de inkomsten van de VNOG. Als de uitkering in 2024 en 2025 (in juni wordt dit bekendgemaakt door het ministerie van Justitie en Veiligheid) wordt verhoogd voor loonen prijscompensatie, wordt dit onderdeel van het betreffende jaarrekeningresultaat en kan bij bestemming van het jaarrekeningresultaat bijvoorbeeld terugvloeien naar de gemeenten of er wordt een voorstel voorgelegd voor bestemming. Voor 2026 doet zich de situatie voor, dat in de begroting 2025 van het ministerie van Justitie en Veiligheid een korting van 10% op de BDuR is verwerkt. Elders in deze Kadernota wordt toegelicht hoe hiermee wordt omgegaan (zie paragraaf 3.2). 3. Prijscompensatie: Voor de prijscompensatie wordt ook uitgegaan van het percentage in de septembercirculaire (prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc)). Hier vindt geen verrekening met voorgaande jaren plaats. 4.2. Financiële kaders 1.
Voor de formatie wordt uitgegaan van de vastgestelde formatie per 1 januari 2025. Uitbreiding en inkrimping van de formatie verloopt, voor zover dit niet gedekt kan worden binnen de begroting, via de Kadernota. 2. De loonkosten worden gebaseerd op de onder 1 genoemde formatie, rekening houdend met: a. de daarbij behorende functieschalen op de hoogste anciënniteit; b. Inhuur van derden, bij voorbeeld ter vervanging van ziekte, vacatureoverbrugging of knelpunten wordt niet geraamd en wordt in principe opgevangen vanuit de kaderstellende loonkosten;
Pagina 10 van 39
3.
4.
5.
6. 7.
c. incidentele en persoonsgebonden beloningscomponenten (gratificaties, arbeidsmarkt / functioneringstoelagen, extra periodieken e.d.) worden niet begroot, deze moeten worden opgevangen binnen het genormeerde formatiebudget; d. het laatst bekende arbeidsvoorwaardenakkoord 2024; e. het gemiddelde van de loonindexcijfer 2025 en 2026 uit de Septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds “loonvoet sector overheid” (4,7% voor 2025 en 3,8% voor 2026) (zie in de tabel in hoofdstuk 7 de berekening); f. het gemiddelde percentage voor de werkgeverslasten (o.a. sociale verzekerings- en pensioenpremies) voor 2024 aangepast met de percentages voor 2025. Voor 2026 zijn de percentages voor de werkgeverslasten nog niet bekend; g. gedurende het begrotingsjaar 2026 wordt bij de tussentijdse rapportages en de jaarrekening een begrotings-brede toelichting gegeven op de afwijkingen van bovengenoemde aannames. Tevens worden de verschillen door onder- en/of overbezetting toegelicht; h. het opleidingsbudget beweegt mee met de loonsom (2% minus 100.000, zie hoofdstuk 11) i. de begroting 2026 wordt niet meer bijgesteld op basis van andere percentages in komende circulaires. Voor de raming van de vrijwilligersvergoedingen: a. wordt het bedrag voor 2025 genomen; b.
het gemiddelde van de loonindexcijfer 2025 en 2026 uit de Septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds “loonvoet sector overheid” (4,7% voor 2025 en 3,8% voor 2026) (zie in de tabel in hoofdstuk 7 de berekening); c. de begroting 2026 wordt niet meer bijgesteld op basis van andere percentages in komende circulaires. Voor de exploitatielasten wordt: a. de vastgestelde begroting (2025) gebruikt inclusief de structurele wijzigingen uit 2024, die nog niet in de primitieve begroting 2025 waren opgenomen; b. autonome ontwikkelingen worden meegenomen voor zover opgenomen in de Kadernota 2026; c. uitgegaan wordt van het prijsindexcijfer uit de septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds “prijs overheidsconsumptie, netto materieel”, voor het jaar 2026: 2,2%; d. de begroting 2026 wordt niet meer bijgesteld op basis van andere percentages in volgende circulaires. Voor de kapitaallasten wordt rekening gehouden met investeringen conform de Toekomstvisie, die is verwerkt in het MeerjarenInvesteringsprogramma (MJIP) plus de reguliere vervangingen die geen onderdeel uitmaken van het vernieuwde dekkings- en spreidingsplan, bijvoorbeeld ICT. Voor investeren en activeren zijn de uitgangspunten: a. disagio wordt niet geactiveerd; b. verkrijgings- of vervaardigingsprijs, waarbij geen rente wordt toegerekend tijdens het vervaardigingsproces; c. lineair afschrijven.
Uitzondering: op gebouwen wordt annuïtair afgeschreven; d. componenten worden zo nodig apart geactiveerd; e. afschrijven tot boekwaarde nul. Indien een actief met winst of verlies wordt afgestoten, wordt het saldo hiervan ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve kapitaallasten materieel gebracht; f. voor het jaar van investeren wordt alleen een half jaar rente gerekend, voor de jaren daarna rente en afschrijving (100%). Het rente-omslagpercentage voor 2026 komt uit op 1,5%. Voor de producten dienstverlening wordt uitgegaan van kostendekkende tarieven. Pagina 11 van 39
8. Bij de verdeling van de gemeentelijke bijdrage over de deelnemende gemeenten wordt het verdeelmodel gebruikt. Dit verdeelmodel is conform de Gemeenschappelijke Regeling VNOG en is voor 2025 geactualiseerd. Het geldt voor vier jaren. De loon- en prijscompensaties voor het jaar 2026, na toepassing van de hiervoor beschreven systematiek en kaders, staat in hoofdstuk 7 beschreven en toegelicht.
Pagina 12 van 39
5. Nieuw beleid Zoals in hoofdstuk 1 geschetst bevat deze Kadernota géén voorstellen voor nieuw beleid.
Pagina 13 van 39
6. Autonome ontwikkelingen Dit hoofdstuk beschrijft de autonome ontwikkelingen. 6.1. Formatie voor Gebied Gerichte Aanpak Natuurbrandbeheersing Natuurbrandbeheersing is landelijke en wereldwijd een actueel, urgent en prominent onderwerp en wordt dat steeds meer, ook gelet op de klimaatverandering. Vele partijen werken samen op dit dossier: veiligheidsregio’s, provincie, Rijk, etc. Er is sprake van cofinanciering, waarbij ook het Rijk bijdraagt met geoormerkte extra middelen. Er zijn door velen grote inspanningen verricht om deze cofinanciering van de grond te krijgen. Op 22 juni 2023 heeft het AB VNOG ingestemd met de versnelde projectfase van de Gebied Gerichte Aanpak (GGA) natuurbrandbeheersing. VNOG wil samen met partners werken aan het voorkomen, beperken en bestrijden van (onbeheersbare) natuurbranden. Naast de veiligheid voor mensen is aandacht voor bescherming van natuurwaarden en continuïteit in vitale infrastructuur van noodzakelijk belang om maatschappelijke ontwrichting en grote economische schade te voorkomen. In dit project wordt samengewerkt met de gemeenten, drie Gelderse veiligheidsregio’s en de provincie. De gebiedsgerichte aanpak bestaat uit twee sporen. Spoor 1 gaat over de risicovolle objecten/gebieden in of grenzend aan de natuurgebieden en spoor 2 gaat over de landschapsinrichting van natuurgebieden en de infra-tracés.
Voor spoor 1 zijn de gemeenten de regiehouder en voor spoor 2 is dat de provincie. De uitvoering van projectfase spoor 1 loopt van Q3 2024 tot en met Q2 2026. Na afronding van de projectfase wordt overgestapt naar de beheerfase. Zoals in juni 2023 in het AB besproken, is het in de beheerfase vanaf 2026 noodzakelijk om voldoende capaciteit beschikbaar te hebben per veiligheidsregio om de maatregelen en het risico in spoor 1 te monitoren en daarop structureel bij te sturen. Het gaat hierbij om adviescapaciteit voor het schouwen van de mate van (brand)veiligheid in de risicovolle objecten en locaties in de natuurlijke omgeving. Leerpunten uit de projectfase worden hierin meegenomen. Zoals in juni 2023 al aangekondigd, komt de capaciteit voor de beheerfase spoor 1 neer op 1 fte indicatieve schaal 9, € 100.000 euro per jaar, structureel. Deze capaciteit wordt specifiek ingezet op de Gebied Gerichte Aanpak Natuurbrand. Omdat de projectfase van de GGA spoor 1 nog in uitvoering is, is de gevraagde extra structurele capaciteit een raming. Het verdere verloop van de projectfase, de ontwikkelingen rond het risicogericht werken op andere terreinen, en de personeelsplanning maken het beeld compleet of dit in de toekomst voldoende is. Bedrag per 2026: € 100.000. 6.2.
Overeenkomst Rode Kruis Bij rampenbestrijding en crisisbeheersing kan het gemeentelijk deelproces Opvang & Verzorging geactiveerd worden. Het gaat dan om de opvang en verzorging van inwoners die (tijdelijk) hun woning moeten verlaten. Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van dit deelproces. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de diensten van het Nederlandse Rode Kruis (NRK). Op dit moment hebben de 22 gemeenten binnen VNOG een eigen overeenkomst met het NRK. Het merendeel van deze overeenkomsten dateert uit 2003 en is hierna nooit meer herzien; actualisatie is inmiddels noodzakelijk. Sinds 2016 is het NRK bezig om regionale overeenkomsten met veiligheidsregio’s af te sluiten. VNOG is één van de laatste regio’s die nog geen regionale overeenkomst heeft. Op 12 september 2024 heeft het AB van VNOG de intentie uitgesproken om per 2026 een regionale overeenkomst met het NRK aan te gaan en dit ter instemming voor te leggen aan de 22 colleges. De regionale overeenkomst vervangt de bestaande 22 lokale overeenkomsten. Als de nieuwe regionale overeenkomst er is, betalen de gemeenten niet langer meer rechtstreeks aan het NRK. Het totaalbedrag van de nieuwe Pagina 14 van 39
regionale overeenkomst wordt per 2026 structureel opgenomen in de VNOG begroting en daarmee onderdeel van de gemeentelijke bijdrage aan VNOG, die op basis van het financiële verdeelmodel over de 22 gemeenten wordt berekend. Grosso modo is deze wijziging voor de gemeenten budgettair neutraal, per individuele gemeente is het financiële effect echter verschillend, al naar gelang hoe hun oude individuele overeenkomst met het NRK er precies uitzag. Deze ontwikkeling betreft een verplichte taak voor de gemeenten, die op wens van het NRK en na unanieme instemming van de 22 colleges wordt doorgevoerd. Hij heeft verder geen inhoudelijk effect voor VNOG; VNOG treedt enkel op als contracthouder en betaler van de factuur van NRK. Bedrag per 2026: € 35.000. 6.3. Inkomsten afhijsen Brandweer VNOG ondersteunt met regelmaat de ambulancedienst (RAV Witte Kruis) bij het verplaatsen van personen die per ambulance vervoerd moeten worden met afhijsingen (de persoon verblijft niet op de begane grond), met tilassistentie (de persoon moet met meer menskracht c.q. aanvullende middelen verplaatst worden) of een combinatie van beide. De brandweer ondersteunt daarbij met inzet van medewerkers en materieel, veelal een redvoertuig (hoogwerker), een tankautospuit of beide. Dit is een niet-wettelijke taak voor de brandweer. Met deze inzetten zijn voor de brandweer kosten gemoeid.
In overleg met het RAV Witte Kruis is besloten dat VNOG een deel hiervan in rekening kan brengen bij RAV Witte Kruis. Op grond van een uitspraak van het Hof in Amsterdam mogen namelijk de kosten voor de uitvoering van een niet-wettelijke taak worden doorberekend. De kosten kunnen in rekening worden gebracht bij de RAV als opdrachtgever. Daarbij is als basis gekozen voor het tarief voor een zogenaamde B-rit (voor nietspoedeisende ambulancezorg), zoals opgenomen in de tariefbeschikking bij de Beleidsregel Regionale ambulance-voorzieningen van de Nederlandse Zorgautoriteit. Dit tarief wordt jaarlijks door de NZA vastgesteld / geïndexeerd. Voor 2024 bedraagt dit tarief € 397. Om de administratieve belasting voor RAV en VNOG zo beperkt mogelijk te houden, wordt verder uitgegaan van een gemiddeld aantal meldingen per jaar. Dit leidt tot een totaalbedrag per jaar, dat VNOG bij RAV Witte Kruis in rekening brengt. De keuze voor deze systematiek houdt in dat dus niet jaarlijks nagegaan wordt wat het daadwerkelijke aantal inzetten is geweest. Het aantal in rekening te brengen meldingen wordt periodiek (bijv. jaarlijks) bepaald op het gemiddelde van de gegevens over de vier aan het betreffende jaar voorafgaande jaren. Uit de afgelopen jaren blijkt het aantal te liggen op 178 per jaar. Het bij RAV Witte Kruis rekening te brengen bedrag is daarmee € 70.000.
Bedrag per 2026: € 70.000 (inkomst). Autonome ontwikkelingen 6.4. Samenvatting autonome ontwikkelingen 2026 2027 2028 Onderstaande tabel vat de autonome ontwikkelingen samen: Formatie Gebieds Gerichte Aanpak Natuurbrandbeheersing 100.000 100.000 100.000 Overeenkomst Rode Kruis 35.000 Autonome ontwikkelingen Overeenkomst afhijsen -70.000 2026 Uitbreiding repressieve formatie 24-uurs Apeldoorn Centrum PM Formatie Gebieds Gerichte Aanpak Natuurbrandbeheersing 100.000 Uitbreiding repressieve formatie dagdienst Apeldoorn-Zuid PM Overeenkomst Rode Kruis 35.000 Gevolgen Bouwsteen 1 - verplichtend karakter PM Overeenkomst afhijsen -70.000 Aanschaf verkenningseenheden (bij kapitaallasten) PM Uitbreiding repressieve formatie 24-uurs Apeldoorn Centrum PM Totaal 65.000 Uitbreiding repressieve formatie dagdienst Apeldoorn-Zuid PM Gevolgen Bouwsteen 1 - verplichtend karakter PM Aanschaf verkenningseenheden (bij kapitaallasten) PM Totaal 65.000
35.000 -70.000 2027 PM 100.000 PM 35.000 PM -70.000 PM PM 65.000 PM PM PM 65.000
Pagina 15 van 39
35.000 -70.000 2028 PM 100.000 PM 35.000 PM -70.000 PM PM 65.000 PM PM PM 65.000
2029 100.000 35.000 -70.000 2029 PM 100.000 PM 35.000 PM -70.000 PM PM 65.000 PM PM PM 65.000
7. Financiële ontwikkelingen 7.1. Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de financiële ontwikkelingen. Eerst volgt een korte beschouwing over de loon- en prijscompensatie over het jaar 2024 en 2025. Daarna volgt de specificatie van de loonen prijscompensatie 2026, die conform de systematiek en kaders (zie hoofdstuk 4) is berekend. Daarna wordt ingegaan op de investeringen en kapitaallasten. 7.2. Loon- en prijscompensatie 2024 en 2025 Werkwijze De vaste beleidslijn is dat de stijging van lonen en prijzen structureel opgenomen wordt in de gemeentelijke bijdrage. Hiervoor worden gegevens van de gemeentefondsbeheerders gebruikt. Volgens de afspraken met de gemeenten wordt de looncompensatie bij de jaarrekening na gecalculeerd, maar de prijscompensatie niet. Een verschil kan ontstaan doordat de CAO veel later wordt afgesproken dan dat de begroting wordt vastgesteld. De nacalculatie van de looncompensatie wordt in principe verrekend met de gemeenten (eenmalig teruggeven of nabetalen); het AB kan bij de bestemming van een jaarrekeningresultaat hiervan afwijken. De structurele effecten van de nacalculatie worden meegenomen bij het bepalen van de gemeentelijke bijdrage: als de VNOG over de jaren vóór de Kadernota meer of minder loonindex heeft geraamd dan in de CAO overeengekomen, wordt dit ook structureel gecorrigeerd. De veiligheidsregio's hebben eigen arbeidsvoorwaardenonderhandelingen.
De Werkgeversvereniging van de veiligheidsregio’s (WSVW) voert namens de veiligheidsregio’s de onderhandelingen met de bonden. De Meldkamer Oost-Nederland, onderdeel Meldkamer Brandweer Multi (MKON-MKBM) is ondergebracht bij VNOG, maar wordt bekostigd door de vijf deelnemende veiligheidsregio’s. De loon- en prijscompensatie voor dit deel van de begroting wordt door de vijf regio’s betaald, 25,45% hiervan komt ten laste van VNOG. 2024 In 2024 is een arbeidsvoorwaardenakkoord afgesloten met een looptijd tot 1 augustus 2025. Gevolg hiervan is een stijging van de lonen met 6,4%. Een deel van het jaarrekeningresultaat 2023 is ingezet voor de dekking van dit akkoord in de begroting 2024. Hiermee is de stijging in 2024 gedekt. 2025 Voor het jaar 2025 is de in de begroting opgenomen looncompensatie precies voldoende om de stijging van de personeelskosten (van het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024) te dekken (zie onderstaande tabel looncompensatie 2023-2025). Voor het (volgende) arbeidsvoorwaardenakkoord dat in 2025 moet worden afgesloten en een looptijd zal hebben vanaf 1 augustus 2025 zijn in de begroting 2025 nog geen middelen aanwezig. Een te verwachten stijging van de salarissen en vrijwilligersvergoedingen over de laatste 5 maanden van 2025 zal dan eerst incidenteel opgelost moeten worden.
Indien deze stijging zou uitkomen op 4,25% (zie hieronder) zou hiermee over het jaar 2025 (loonsom + vrijwilligersbudget) * 4,25% * 5/12 = € 0,7 miljoen gemoeid zijn.
Pagina 16 van 39
Septembercirculaire gemeentefonds 2021 Septembercirculaire gemeentefonds 2022 Septembercirculaire gemeentefonds 2023 Looncompensatie percentage opgenomen in begroting VNOG:
Looncompensatie 2023 - 2025 2023 2024 2,3% 3,3% 4,2% 6,7%
2025
Totaal
5,8%
3,3%
6,7%
5,8%
15,8%
Werkelijk CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s arbeidsvoorwaardenakkoord:
9,4%
6,4%
nog niet bekend
15,8%
Verschil
6,1%
-0,3%
5,8%¹
¹ De bovenstaande tabel geeft een historisch overzicht van de looncompensatie voor de periode 2023 - 2025. Zoals eerder vermeld, is de loonontwikkeling in de jaren 2023 en 2024 uitzonderlijk verlopen en heeft deze zich sneller ontwikkeld dan aanvankelijk voorspeld. Dit heeft ertoe geleid dat de loonstijgingen aanzienlijk hoger uitvielen dan in de begroting was opgenomen. Volgens de gepresenteerde gegevens is in de Kadernota's aan de gemeenten een totale compensatie van 15,8% gevraagd, verdeeld over de jaren als volgt: 3,3% voor 2023, 6,7% voor 2024 en 5,8% voor 2025. De werkelijke loonstijging binnen de CAR (-UWO) veiligheidsregio's bedraagt 15,8% en dit komt overeen met de ontvangen compensatie van de gemeenten.
7.3. Specificatie loon- en prijscompensatie 2026 Voor het jaar 2025 komt de begrote loonsom, zoals hiervoor gemeld, op basis van de huidige, geldende CAO, nu precies uit. De beheerders van het gemeentefonds hebben in de Septembercirculaire 2024 een stijging van de loonvoet overheid van 3,8% vanaf begin 2026 opgenomen. Te verwachten valt dat de CAO-onderhandelaars een afspraak maken waarin rekening wordt gehouden met de stijgende prijzen vanaf 1 augustus 2025; in deze Kadernota gaan we daarom uit van een loonindex van 4,25%. Dit percentage wordt ook gebruikt voor het benodigde budget voor de vrijwilligersvergoeding. Zoals gebruikelijk wordt de prijsindex netto materiële overheidsconsumptie uit de septembercirculaire-gemeentefonds in de Kadernota opgenomen; deze is 2,2% voor 2026. Bovengenoemde berekeningen leiden tot een bedrag aan loon- en prijscompensatie voor 2026 van (€ 1.541.620 + € 355.800 =) € 1.897.420, afgerond € 1,9 miljoen. Loon- en prijscompensatie 2026 looncompensatie
prijscompensatie
Septembercirculaire Septembercirculaire Septembercirculaire gemeentefonds 2023 gemeentefonds 2024 gemeentefonds 2024 2025 2026 Gemiddeld voor looptijd tot en met 31 december 2026 Loon- en prijscompensatie 2026 exclusief MKON Meldkamer Oost Nederland (Meldkamer Brandweer Multi) Bijdrage 4 Veiligheidsregio's Totaal VNOG
5,8%
4,7% 3,8% 4,25% ² 1.490.000 202.840 -151.220 1.541.620
2,2% 353.000 11.000 -8.200 355.800
² In de Kadernota 2026 - 2029 wordt voor 2025 en 2026 het gemiddelde percentage uit de Septembercirculaire gemeentefonds 2024 voor 2025 (4,7%) en 2026 (3,8%) gehanteerd ((4,7%+3,8%)/2)=4,25%. VNOG verwacht dat de nieuwe arbeidsvoorwaardenregeling zal worden geëffectueerd tot en met 31 december 2026 (17 maanden). Hierdoor is het passend om de gemiddelde stijging over de periode van 2025 en 2026 voorcalculatorisch in rekening te brengen bij de gemeenten.
Pagina 17 van 39
7.4. Ontwikkelingen in materieel en materiaal, kapitaallasten, etc. Deze paragraaf gaat in op de ontwikkelingen rondom investeringen voor voertuigen, bepakking, ICT, etc. en de hierbij behorende kapitaallasten. Vervanging voertuigen en bepakking Zoals in de Kadernota 2025 aangegeven, wordt een belangrijk deel van het voertuigenpark met de bijbehorende bepakkingsonderdelen in de komende jaren vervangen. Inmiddels is de vervanging van de bepakkingsonderdelen grotendeels afgerond. Daarnaast is de uitlevering van de blusvoertuigen (tankautospuiten) begonnen in 2024, deze loopt door tot eind 2026. Deze voertuigen zijn de belangrijkste basisvoertuigen van de brandweer en vormen de voornaamste uitgave in het voertuigenpark. Bepakking De aanbestedingen en aanschaffingen van de bepakkingsmaterialen zijn over de afgelopen jaren per saldo binnen de financiële kaders van de beschikbaar gestelde kredieten gebleven. Dit geldt voor het geheel van de kredieten voor bepakkingen, daarbij wordt een mogelijke (lichte) overschrijding van het ene krediet (ruim) gecompenseerd door een onderschrijding van het andere. Voertuigen Naast de basis blusvoertuigen (de tankautospuiten) zijn er ook specialistische (blus)voertuigen. Bij de nog aan te schaffen specialistische (blus)voertuigen is sprake van een aantal voortschrijdende ontwikkelingen en inzichten in 2024.
Hierbij blijkt dat het inkopen en aanbesteden van specialistische voertuigen, zoals de WTS 500 (watertransport-systemen) en schuimblusvoertuigen, steeds lastiger wordt. Het aanbod van de daarbij behorende specialistische kennis bij potentiële leveranciers is gering en erg duur. Dit heeft tot gevolg dat er op aanbestedingen in een aantal gevallen geen (passende) aanbiedingen komen. Voor de nog aan te schaffen overige specialistische voertuigen voor natuurbrandbestrijding en hulpverleningsvoertuigen, wordt nog gekeken naar voor VNOG passende specificaties. Dit kan mogelijk leiden tot hogere benodigde kredieten, waarmee in deze Kadernota nog geen rekening is gehouden. Naast de vervanging van blusvoertuigen vindt ook vervanging plaats van de dienst- en piketvoertuigen. Hierbij speelt in het kader duurzaamheid ook de vereiste en verplichte elektrificatie een rol. De aanbestedingen voor de elektrische voertuigen kan naar verwachting dit jaar worden afgerond. De beschikbare kredieten voor deze voertuigen zijn naar verwachting toereikend. In deze Kadernota is verder rekening gehouden met de beoogde periode/jaren van levering van de voertuigen. ICT , facilitair en huisvesting Naast de voortschrijdende ontwikkelingen bij de repressieve organisatie van o.a. afdeling Brandweerzorg is ook gekeken naar de vereisten waaraan de ondersteuning door afdeling Bedrijfsvoering moet voldoen.
Voor deze afdeling gaat het dan met name over de ICT, facilitair en huisvesting. Bij ICT zijn de benodigde investeringen in beeld gebracht die te maken hebben met de verbindingen tussen locaties en de datacentra en de daarbij behorende hardware. Hierbij spelen naast technische ontwikkelingen ook veiligheidseisen en vereisten rond uitwijk een rol. Twee ontwikkelingen kunnen nog een effect hebben op de kapitaallasten. De pijler ‘Informatiegestuurd werken’ uit de Toekomstvisie van VNOG leidt ertoe dat VNOG meer gaat investeren in innovatieve IT-oplossingen. Het beschikbaar komen van nieuwe oplossingen kan daarbij een Pagina 18 van 39
kostenverhogend effect hebben (technology push). Daarnaast leidt een wijziging van het BBV (Besluit Begroten en Verantwoorden) ertoe dat kosten van software verschoven worden van kapitaallasten naar exploitatiekosten. Voor de kazernes wordt gewerkt aan een investeringsplanning voor de inrichting van (met name) door de gemeenten nieuw te bouwen c.q. te verbouwen kazernes. Dit sluit aan op de afspraken in de regeling demarcatie6. Bij het vaststellen van de regeling is destijds gemeld dat het beeld van deze investeringen nog niet compleet was. Het betreft onder andere meubilair, witgoed, magazijnen, installaties voor toegangsbeheer in inbraakbeveiliging. Hier zijn substantiële bedragen mee gemoeid (o.a. door gestegen prijzen). Deze uitgaven vallen, conform de regeling demarcatie, aan de kant van VNOG. In de Meerjarenbegroting 2026-2029 zullen kredieten worden opgenomen; de uitvoering volgt op de gemeentelijke (ver)bouwprojecten. De kapitaallasten en exploitatielasten zullen opgevangen moeten worden, met als streven dat de gemeentelijke bijdrage niet zal stijgen, dus binnen de begroting c.q. vanuit het beschikbare vermogen. Hierbij wordt gedacht onder andere de middelen voor prijscompensatie, aan de beschikbare bodem in de egalisatiereserve afschrijvingen (zie bijlage 4) en aan te realiseren besparingen door de uitvoering van het Klimaatplan.
Door hergebruik van de bestaande inrichting kunnen hogere kosten vermeden worden; dit kan bovendien duurzaam zijn. 7.5. Kapitaallasten, egalisatiereserve afschrijvingen en gemeentelijke bijdragen VNOG beschikt over een egalisatiereserve afschrijvingen. Een voordeel of nadeel op de kapitaallasten in enig jaar wordt, conform bestaand beleid, bij het opmaken van de jaarrekening (en het samenstellen van de begroting) gestort of onttrokken aan deze egalisatiereserve. Daarnaast wordt ook de opbrengst van de verkoop van materieel gestort in deze reserve en mogelijke resterende boekwaarden bij afstoten onttrokken. Met de egalisatiereserve worden stijgingen in de kapitaallasten afgedekt, zodat stijging van de gemeentelijke bijdrage kan worden uitgesteld. Zoals aangegeven in eerdere kadernota’s en begrotingen stijgen de kapitaallasten dusdanig dat deze op enig moment niet meer gedekt kunnen worden door een onttrekking aan de egalisatiereserve. Het ingangsjaar van de voorziene stijging van de gemeentelijke bijdrage werd enige jaren uitgesteld. Met de in 2022 duidelijk geworden investering van € 40,5 mln. voor de basis blusvoertuigen is de zekerheid over de verwachte uitputting van de egalisatiereserve concreet geworden. De verhoging van de gemeentelijke bijdrage is noodzakelijk met ingang van 2027, overeenkomstig de Kadernota en meerjarenbegroting 2025-2028.
Deze reeds voorziene stijging kan – nu de voertuigen worden uitgeleverd en in het licht van investeringen in ICT en in de inrichting van kazernes - niet verder worden uitgesteld. De uitputting kan nog eerder in zicht komen wanneer de prijzen van nog aan te schaffen goederen en/of het renteniveau, nog verder stijgen dan (nu) verwacht. In deze kadernota is rekening gehouden met het percentage van 1,5% aan doorberekende rente in de kapitaallasten. Het percentage waarvoor in 2024 nieuwe leningen zijn aangetrokken en vastgelegd, bedraagt ruim 3%. Het percentage doorrekening ligt lager vanwege de middeling met het rentepercentage dat nu gemiddeld verschuldigd is op de lopende leningen en de juiste toerekening van de rente aan de materiële vaste activa bij aanvang van het jaar. Het investeringsplan is doorgerekend met naast de voertuigen uit het materieel spreidingsplan ook de voertuigen voor het mobiliteitsplan en de overige investeringen. De wijzigingen zoals die
De demarcatie geeft aan welke partij (gemeente of VNOG) welke facilitaire en onderhoudstaken uitvoert (en bekostigt) in de kazernes, die in eigendom zijn (en blijven) van de gemeenten.
6
Pagina 19 van 39
bekend zijn geworden na het opstellen van de meerjarenbegroting 2025, zijn daarbij eveneens meegenomen (zie ook de toelichting in paragraaf 7.4). Zoals aangegeven in paragraaf 7.4 is met de afgeronde aanbesteding en de daaruit voortvloeiende afspraken voor de aanschaf van de nieuwe blusvoertuigen, het risico op prijsstijging voor een belangrijk onderdeel weggenomen. Deze onzekerheid blijft echter nog wel bij de nog uit te voeren aanbestedingstrajecten van met name de specialistische- en natuurbrand (blus)voertuigen. In de doorrekening van de kapitaallasten is nog maar beperkt rekening gehouden met kredieten voor de inrichting van de posten (wel voor het toegangsbeheer). Zoals hiervoor gemeld worden deze opgenomen in de Meerjarenbegroting 2026-2029, in principe zonder gevolgen voor de gemeentelijke bijdrage. De investeringen in kazernes en de daaruit voortvloeiende kapitaallasten, worden gedaan door de gemeenten. De kapitaallasten in de meerjarenbegroting van VNOG bedragen € 7 miljoen voor 2025 oplopend naar € 10,1 miljoen in 2026, waarbij de reguliere dekking wordt onttrokken aan de egalisatiereserve. De meest recente berekeningen van de kapitaallasten laten een stijging zien tot € 11,0 miljoen (structureel) vanaf 2029.
Navolgende tabel geeft het verloop van de verwachte kapitaallasten weer op basis van de huidige berekeningen op basis van een toegerekend rentepercentage van 1,5%. jaar
2025
2026
2027
2028
2029
afschrijvingen
€ 6,0
€ 8,8
€ 10,8
€ 9,8
€ 9,8
rente
€ 1,0
€ 1,3
€ 1,4
€ 1,3
€ 1,2
totaal
€ 7,0
€ 10,1
€ 12,2
€ 11,1
€ 11,0
Hierna is weergegeven wat de gevolgen voor de begroting zijn als gevolg van bovengenoemde stijging van de kapitaallasten en een mogelijke dekking van de tekorten in de begroting. Gelet op de inmiddels ontstane zekerheid over een groot deel van de aanbestedingen (€ 40,5 mln. voor blusvoertuigen) wordt voor 2027 uitgegaan van een stijging van de gemeentelijke bijdrage van € 3 mln. (structureel) en vanaf 2028 met aanvullend € 1,5 mln. (structureel), totaal € 4,5 mln. De voorziene stand van de egalisatiereserve ultimo 2029 is enerzijds noodzakelijk voor het egaliseren van boekwinsten en – verliezen op af te stoten voertuigen en anderzijds ter dekking van nog beschikbaar te stellen kredieten informatievoorziening, facilitair en huisvesting.
Pagina 20 van 39
Meerjaren-begroting 2025 2028
Kadernota 2026 - 2029 mutaties egalisatiereserve
kapitaallasten inclusief mutaties egalisatiereserve
toevoeging
nieuwe berekening kapitaallasten afschrijving *)
onttrekking
toevoeging bij jaarrekening 2024
verhoging gemeentelijke bijdrage
stand egalisatiere-serve
rente 1,50%
2023
-
-
-
-
-
-
9.074.000
2024
-
-
-
-
-
1.896.000
-
10.970.000
2025
6.149.000
5.992.000
1.016.000
-
860.000
-
-
10.110.000
2026
6.099.000
8.844.000
1.377.000
-
4.122.000
-
-
5.989.000
2027
6.090.000
10.765.000
1.448.000
-
6.123.000
-
3.000.000
2.865.000
2028
6.106.000
9.773.000
1.331.000
-
4.998.000
-
4.500.000
2.367.000
2029
6.106.000
9.752.000
1.218.000
-
4.864.000
-
4.500.000
2.003.000
*) w.o. vrijval boekwaarde /- afschrijvingen en opbrengsten vervanging blusvoertuigen (MSP Toekomstvisie)
7.6. Samenvatting financiële ontwikkelingen Onderstaande tabel vat de financiële ontwikkelingen samen: Financiële ontwikkelingen Kadernota 2026 - 2029
2026 1.541.620 355.800 1.897.420
2027 1.541.620 355.800 1.897.420
2028 1.541.620 355.800 1.897.420
2029 1.541.620 355.800 1.897.420
Kapitaallasten conform Programmabegroting 2025 - 2028 (reeds opgenomen in de prognose bijdrage per gemeente) Verhoging gemeentelijke bijdrage 3.000.000
4.500.000
4.500.000
Looncompensatie Prijscompensatie Financiële ontwikkelingen Kadernota 2026 - 2029
Pagina 21 van 39
8. Beleidsregels risico’s, reserves en weerstandscapaciteit Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsregels en werkwijzen die worden toegepast voor de risico’s, de weerstandscapaciteit en het bepalen van de ratio weerstandscapaciteit. De beleidsregels zijn eerder vastgelegd in de begroting in de betreffende paragrafen. De eerdere lijnen worden voortgezet. Na vaststelling van de kadernota worden de beleidsregels opgenomen in de begroting 2026. 8.1. Risicomanagement 1. Het wettelijk kader voor risicobeheersing is artikel 9 en 13 van het BBV. Het betreft de in de begroting en rekening vereiste paragraaf ‘Weerstandsvermogen en Risicobeheersing’. 2. De VNOG moet voorbereid zijn op de mogelijke (financiële) gevolgen van risico’s die zich kunnen voordoen binnen de bedrijfsvoering. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstellingen kunnen verstoren. 3. Het treffen van beheersingsmaatregelen ter vermijding en vermindering van risico’s staat centraal. De te nemen maatregelen op risico’s kunnen zijn: het matigen (door maatregelen); het overdragen (door bijv. verzekeren); het vermijden (door het schrappen van doelstellingen) en het accepteren ervan. 4. Het managen van risico’s is een verantwoordelijkheid van het MT.
De afdelingshoofden betrekken teamleiders en andere medewerkers bij het benoemen van relevante risico’s en bij het treffen en uitvoeren van de maatregelen. De afdelingshoofden rapporteren hierover in de tussentijdse rapportages en de Jaarstukken. 5. De geïnventariseerde risico’s worden gekwantificeerd op basis van 5 percentages die de kans weergeven dat het risico zich kan voordoen. De percentages zijn: 10%, 30%, 50%, 70% en 90%. Bij een kans van 90% op het zich voordoen van een risico wordt overwogen hierop de begroting aan te passen, indien kan worden aangegeven (vanaf) wanneer het risico zich waarschijnlijk voordoet. 6. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit, worden de voor de maatregelen benodigde financiële middelen vermenigvuldigd met de genoemde percentages die de kans op het risico weergeven. 7. Structurele risico’s worden voor maximaal 3 jaar berekend bij de benodigde weerstandscapaciteit. Daarna wordt geacht dat de effecten kunnen worden afgewend, begroot, dan wel anderszins kunnen worden opgevangen. 8. Financiële en niet-financiële risico’s worden geïnventariseerd. Ook de beheersingsmaatregelen zijn zowel financieel als niet-financieel van aard. 8.2. Reserves 1. De VNOG beschikt over een Algemene Reserve, een Bedrijfsvoeringreserve, (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. 2.
De Algemene reserve vormt het weerstandsvermogen en is voor afdekking van risico’s en heeft geen einddatum. De Algemene Reserve wordt gevoed vanuit het jaarrekeningresultaat bij besluit van het Algemeen Bestuur over de resultaatsbestemming, of anderszins door Algemeen Bestuursbesluiten. Bij een wijziging (bijv. een onttrekking) van de Algemene Reserve c.q. het weerstandsvermogen dient er een zienswijze te worden gevraagd aan de deelnemende gemeenten, zoals bepaald in de Gemeenschappelijke Regeling VNOG. 3. De Algemene Reserve en de Bedrijfsvoeringsreserve (zie hierna) en de post Onvoorzien vormen samen de weerstandscapaciteit (zie hierna). Pagina 22 van 39
4. De hoogte van de weerstandscapaciteit is zodanig, dat de weerstandsratio zich in een bandbreedte van 1,0 tot 1,4 bevindt. Indien deze ratio buiten deze bandbreedte is of dreigt te raken, volgt een AB-voorstel (bijv. bij kadernota) over de wijze waarop dit voorkomen of hersteld wordt. 5. De Bedrijfsvoeringreserve heeft een algemene bufferfunctie en is breed inzetbaar voor prioriteiten, knelpunten of voor het tijdelijk afvlakken van gemeentelijke bijdragen. De Bedrijfsvoeringreserve heeft geen einddatum en behoort tot de beschikbare weerstandscapaciteit (telt mee voor de afdekking van risico’s). De minimale hoogte is 2%, de maximale hoogte is 5% van het begrotingstotaal. 6. De bestemmingsreserves, waaronder egalisatiereserves zijn voor een specifiek doel ingesteld (“beklemd”); zij tellen niet mee voor afdekking van overige risico’s en maken geen deel uit van de beschikbare weerstandscapaciteit. 7. Er zijn bestemmingsreserves van onbepaalde duur en tijdelijke bestemmingsreserves. 8. Resultaatsonafhankelijke stortingen en onttrekkingen (gelijk aan reeds begrote dotaties en onttrekkingen) maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 9. Stortingen en onttrekkingen aan egalisatiereserves maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 10.
De Financiële verordening VNOG bepaalt dat bij het instellen van bestemmingsreserves (door het AB) het doel, de (maximale) hoogte, de duur en de wijze van voeding en onttrekking worden aangegeven. Een overzicht van de huidige reserves is opgenomen in bijlage 4. 8.3. Weerstandscapaciteit 1. De beschikbare weerstandscapaciteit wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, gevormd door de Algemene Reserve, de Bedrijfsvoeringreserve en de post Onvoorzien. 2. Tot de beschikbare weerstandscapaciteit behoren niet, zoals hiervoor reeds aangegeven, de (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. Daar is al een bestedingsdoel aan verbonden7. 3. De weerstandsratio =
beschikbare weerstandscapaciteit benodigde weerstandscapaciteit
4. De streefwaarde van de weerstandsratio ligt tussen 1,0 (“matig”) en 1,4 (“voldoende”)8. 5. De beschikbare weerstandscapaciteit, de benodigde weerstandscapaciteit en de weerstandsratio worden in de begroting en in de jaarrekening opgenomen. 6. Indien de weerstandsratio buiten de bandbreedte van de streefwaarde ligt, wordt in de eerstvolgende Kadernota (of ander geëigend moment in de P&C cyclus) afgewogen hoe deze waarde weer te bereiken. Als de bedrijfsvoeringsreserve conform de algemene bufferfunctie wordt aangesproken, kan de weerstandsratio dalen (indien de risico's niet dalen). Daarom zal VNOG bij dergelijke BBV technisch behoren alle bestemmingsreserves tot het weerstandsvermogen, vanuit de gedachte dat het AB altijd kán besluiten om de bestemming (bestedingsdoel) van een reserve te halen. De accountant heeft informeel laten weten geen moeite te hebben met de VNOG werkwijze, mits dit in de jaarstukken transparant wordt toegelicht. Voorts spoort deze handelwijze met het door de provincie Gelderland vastgestelde financieel toezichtkader. 8 Naast een minimum ratio is een maximum ratio toegevoegd. Deze ratio 1,0 tot 1,4 komt overeen met die van diverse deelnemende gemeenten en veel veiligheidsregio’s. Dit onderstreept het eigenaarschap voor het reduceren van risico’s van VNOG. De bandbreedte is als richtsnoer bedoeld.
Maatregelen om het vermogen te versterken of de gemeenten terug te betalen, zullen altijd gewogen worden in de beleidsinhoudelijke en financiële context van VNOG én gemeenten op enig moment. 7
Pagina 23 van 39
voorstellen het effect op de ratio duiden. Tevens wil VNOG het inzicht in het geheel van reserves en voorzieningen, waaronder de bedrijfsvoeringsreserve, verder verduidelijken. Daartoe zal bij onderwerpen, waarvan het beslag op deze reserve gekwantificeerd kan worden, een nieuwe bestemmingsreserve ingesteld kunnen worden (gevoed vanuit de bedrijfsvoeringsreserve). Dit gebeurt nu bij het Klimaatplan (duurzaamheid). Op deze manier zijn de mutaties navolgbaar, ook richting de deelnemende gemeenten.
Pagina 24 van 39
9. De uitgevoerde risico-inventarisatie In het kader van het uitgevoerde risicomanagement zijn in 2024 de risico's voor de bedrijfsvoering geactualiseerd. Door uitvoering van maatregelen en (externe) ontwikkelingen zijn de gekwantificeerde risico’s en de daarvoor benodigde middelen in een aantal gevallen gewijzigd, ten opzichte van de Kadernota en Begroting 2025. De wijzigingen worden hieronder als volgt toegelicht (het cijfer verwijst naar de overeenkomende regel in onderstaand register): − het (berekende) risico dat er na het wegvallen van de OMS/RBS-activiteiten sprake is van (achter)blijvende personele kosten, is vervallen nadat inmiddels alle medewerkers een functie elders in de organisatie hebben gekregen of zijn vertrokken; − (1) het (berekende) risico van extra (inhuur van) personele capaciteit na invoering van de nieuwe Omgevingswet, wordt steeds kleiner ingeschat nu afstemming met de gemeenten naar verwachting zal leiden tot vaststelling van dienstverleningsovereenkomsten met hen; vooralsnog blijft een (resterend) risico zolang er nog onvoldoende ervaring is met de nieuwe wet; − (2) voor het treffen van maatregelen ter voorkoming van het risico van onvoldoende bezetting/inzet van medewerkers/vrijwilligers op de kazernes, is naast de extra opleidingskosten ook rekening gehouden met een toename van kosten voor de werving van nieuwe mensen; − (4) het bedrag aan
benodigde weerstandcapaciteit bij het risico op prijsstijgingen (boven de begrote prijsindex) is hoger geworden na actualisatie van de cijfers uit de begrotingen 2024/ 2025 en een herbeoordeling van de mogelijke stijgingen bij de verschillende kostensoorten (o.a. energie, kleding, onderhoud, opleiden/oefenen en licentiekosten); − (5) bij het berekenende risico op het later realiseren van besparingen bij de vervanging van brandweermateriaal en -materieel (t.o.v. wat was aangegeven in de Toekomstvisie), is het berekende bedrag aan risico op ‘het niet realiseren van de verwachte besparing op onderhoudskosten’ verlaagd naar het resterende jaar (2026) uit de Toekomstvisie; − (7) bij het berekenen van het risico op het niet kunnen dekken van de minder grote daling van de personele (vrijwilligers)kosten (dan eerder verwacht volgens de Toekomstvisie i.s.m.
de afname van het materieel), wordt het eerder berekende bedrag aan risico verlaagd naar het resterende jaar (2026) uit de Toekomstvisie; − (9) het risico van extra prijsstijgingen van brandweermaterieel bij het nog aan te schaffen deel van het materieel is aangepast/verhoogt aan de verwachte procentuele stijging voor het verwachte bedrag aan investeringen in de komende jaren; − (10) het risico van hogere kosten bij vervanging van de huidige dienstvoertuigen/-bussen door elektrische, is specifiek benoemd vanuit het eerder -/breder omschreven risico: ‘Hogere kosten uitvoering (voorgenomen) beleid rond duurzaamheid’; dit risico heeft specifiek te maken met een mogelijke kortere levensduur van de accu’s van elektrische voertuigen t.o.v. de gebruikelijk geachte levensduur en afschrijvingstermijn van de voertuigen zelf, daarnaast spelen ook mogelijke aanvullende eisen (zoals een ander rijbewijs) een rol; − (11) het risico van mogelijke (spoedeisende) aanpassingen aan gebouwen, o.a.
in verband met uit te voeren (Arbo-) eisen, is (financieel) her beoordeeld en verhoogd; dit blijft bestaan zolang er nog geen (volledig) zicht is op alle (financiële) gevolgen van de demarcatie(afspraken) welke betrekking hebben op het gebruik van gemeentelijke kazernes door VNOG; − (12) het vorig jaar opgenomen nieuwe risico omtrent duurzaamheid is ondervangen door het op-/vaststellen van een Klimaatplan met de daarvoor benodigde middelen; in de plaats daarvan is onder dit nummer een nieuw risico opgenomen wat te maken heeft met mogelijk Pagina 25 van 39