Inspraakreactie WRBT op raadsonderzoek LLD versie 29-8-2021.docx
Tekst van het document
Stichting Woon- en Recreatiebelangen Tonselse Veld
www.wrbt.nl info@wrbt.nl
Inspraakreactie Stichting WRBT op raadsonderzoek langlopende dossiers t.b.v. ‘beeldvormende’ vergadering op 1 september 2021 Er is heel veel gebeurd in de 3 dossiers die onderwerp zijn in het raadsonderzoek. Wij hebben dan ook uitgezien naar de resultaten van dit onderzoek. Het ligt er nu en we hebben het met zeer veel belangstelling gelezen. Wij hebben een aantal inhoudelijke opmerkingen over de totstandkoming van het fundament van het onderzoek en de wijze waarop de gebeurtenissen en de conclusies daarin worden beschreven. Ons commentaar betreft overigens in beginsel alléén het dossier Ten Hove, maar de strekking van de opmerkingen die wij maken geldt natuurlijk ook voor de andere dossiers. ① In het onderzoek is gekozen om eerst een casusomschrijving te geven en daarna een lijst van belangrijke contactmomenten met feitelijke gebeurtenissen, ervaringen en omstandigheden. Dat is een goede systematiek en aanpak. Een dergelijke aanpak luistert echter nauw en is ook essentieel omdat de daaropvolgende analyse en de toetsing van de feiten, gedragingen en handelingen aan het normenkader van de Nationale Ombudsman daarop gebaseerd zijn en vervolgens ook de deelconclusies en daaropvolgend weer het samenvattend overzicht. Dat fundament is dus belangrijk omdat alles daarop ‘rust’.
Hoewel redelijk compleet beschreven – een niet geringe opdracht voor het onderzoeksbureau - was het echter beter geweest als alle betrokken partijen de gelegenheid hadden gehad om dat fundament op feitelijke juistheid te kunnen toetsen. De weging en toetsing aan de NO-normen had dan op onweerlegbaar en feitelijk materiaal kunnen plaatsvinden. Dat is ook een werkwijze die de Nationale ombudsman overigens hanteert. Omdat wij een aantal zaken missen in het fundament die wij wél van belang vinden om te benoemen hebben wij deze tekst daar waar nodig aangevuld met onze suggesties/voorstellen. Het zou in het kader van deze inspraakreactie veel te gedetailleerd zijn om die tekstsuggesties hier te bespreken. U vindt daarom onze opmerkingen in de bijlage bij deze inspraakreactie. Het is zowel een bijlage met track & changes als een exemplaar waarin alle suggesties van ons (ook die hierna nog zullen worden genoemd) al in zijn opgenomen. Deze laatste leest een stuk makkelijker en doet wat ons betreft recht aan de feitelijke situatie zoals wij die (hebben) ervaren. ② Een ander punt dat wij te berde willen brengen is de precieze omschrijving van over wie het gaat. De onderzoekers gebruiken vaak de term ‘gemeente’.
Deze term is in het algemene spraakgebruik misschien wel te hanteren als algemene omschrijving, maar in dit kader is het toch echt veel beter om consequent te spreken over wie van de 3 verschillende bestuursorganen het gaat: de gemeenteraad, het college van B & W of de burgemeester of dat het gaat over de gemeentelijke
2 organisatie. De toerekening van de verschillende gedragingen/handelingen (en dus verantwoordelijkheid) aan het juiste bestuursorgaan is daarmee veel preciezer omschreven. In de huidige tekst blijft het veelal gewoon te vaag en te algemeen. ③ Naast de opmerkingen bij de casusomschrijving en contactmomenten in 6.1 hebben wij ook bij de analyse (onder 6.2) een aantal opmerkingen en aanvullingen op de tekst. Ook die treft u aan in de bijlage. ④ Bij de toetsing van de normen (6.3) valt ons verder op dat waar het toetsing betreft van een gedraging of handeling van een gemeentelijk bestuursorgaan er vaak beschreven wordt alsof het een feitelijkheid (objectief) betreft terwijl daar waar het de ondernemer of de stichting betreft er vaak wordt gesproken van een gevoel of mening (subjectief). Wij refereren bijvoorbeeld naar termen als partij X ‘ervaart’ dit of dat, partij X heeft ‘het gevoel’ dat…, ‘volgens’ X heeft partij Y dit of dat …. of partij X ‘lijkt’ in dit dossier… etc. Dat is niet zoals de toetsing aan het NO normenkader hoort te gebeuren. De toetsing van de normen dient plaats te vinden aan de hand van objectieve feitelijkheden en niet op basis van gevoelens. Hoe geef je anders een duidelijke mening/oordeel over dát specifieke gedrag? Wij zijn ook voorstander van het zo concreet mogelijk beschrijven van de conclusies: bijvoorbeeld door ‘partij X is (i.p.v.
voelt zich) in dit dossier onvoldoende meegenomen’ en ‘partij X heeft (i.p.v. lijkt) in dit dossier geen misbruik gemaakt van positie en bevoegdheden’ etc. De onderzoekers dienen dus na te gaan of dat wat een partij zegt, ook feitelijk gestaafd kan worden aan de hand van bewijzen en/of documenten en als het gevoelens/gedachten zijn die partijen hebben dan dienen die ook als zodanig gekwalificeerd te worden. Op basis daarvan dient men een oordeel te geven over de vraag of het gedrag of de handeling wel of niet aan die specifieke norm voldoet en als dat niet zo is dan dient dat ook beargumenteerd aangegeven te worden. Wij vinden dat dat op onderdelen een stuk beter kan in het raadsonderzoek, dat daarmee dan ook aan duidelijkheid zal winnen. ⑤ Vervolgens zien wij dat de deelconclusies niet altijd overeenkomen met het schema van 6.2 waarin de norm wordt weergegeven met daarnaast het resultaat van de toetsing van de gedraging aan de norm op onderdelen.
Bijvoorbeeld: Onder de deelconclusie met het kopje transparant (de norm is: de overheid is in haar handelen open en voorspelbaar, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet) staat: ‘De gemeente heeft in dit dossier transparant gehandeld’ terwijl in de brontekst, de basis voor de deelconclusie onder Toetsing staat dat het handelen van de gemeente ‘niet navolgbaar en inzichtelijk is en dat geldt ook zeker voor het lange tijd uitblijven van het onderzoek […]’ Hoe deze brontekst kan leiden tot de deelconclusie dat de gemeente in dit dossier transparant gehandeld heeft is ons een raadsel. In de samenvatting staat vervolgens de tekst: “Er is voldoende transparant gecommuniceerd”. Nog los van het feit dat deze samenvattende conclusie helemaal niet overeenkomt met de brontekst gaat de NO-norm niet over de vraag of het voldoende, goed, excellent, onvoldoende of slecht is. Er is óf transparant gecommuniceerd, óf niet. Dit is slechts één van de vele voorbeelden die we kunnen noemen, maar het voert veel te ver om deze nu allemaal te noemen. Wij vinden dan ook dat de deelconclusies – in ieder geval voor wat betreft het dossier Ten Hove – niet allemaal voldoende basis hebben in de bronteksten en dat die dienen te worden aangepast. Wij hebben dat alvast in de bijlage bij deze inspraakreactie gedaan voor alle vier kernwaarden.
3 ⑥ Ook vinden wij dat dat de onderzoekers elke kernwaarde zoals ‘Open en duidelijk’, ‘Respectvol’, ‘Betrokken en oplossingsgericht’ en ‘Eerlijk en betrouwbaar’ dienen te voorzien van een eigen tussenoordeel voor die specifieke deelconclusie. Daarmee wordt dan een tussenoordeel gegeven of er sprake is van voldoende of onvoldoende zorgvuldigheid in de communicatie en samenwerking t.a.v. die kernwaarde. In de bijlage doen wij onze suggesties op dat terrein. Ook doen wij het voorstel om alle deelconclusies integraal over te nemen in het overzicht ‘samenvatting conclusie’ voor de drie dossiers. In het huidige overzicht zijn de samenvattende conclusies zodanig afgevlakt en ingekort dat het geen recht meer doet aan de gedetailleerde deelconclusies per kernwaarde en wij ons in ieder geval in de huidige samenvatting (hoofdstuk 2), in het geheel niet herkennen.
Resumerend: Wij vinden dat a) u voordat er een oordeelsvormende vergadering wordt gehouden met uw raad over dit raadsonderzoek, er een heroverweging over het onderzoek dient plaats te vinden op de door ons genoemde punten zodat het feitenfundament van het onderzoek door alle partijen (inclusief de ex burgemeester) als juist en ook compleet wordt herkend; b) U preciezer moet zijn in het benoemen van de toerekening van verantwoordelijkheden aan de verschillende bestuursorganen en/of het gemeentelijke organisatie; c) U de deelconclusies meer moet laten aansluiten op de resultaten van de toetsing aan het normenkader van de NO; d) U veel preciezer kan zijn in de omschrijving van de tussenconclusies ten aanzien van de zorgvuldigheid op de vier verschillende NO kernwaarden per kernwaarde en deze integraal dient over te nemen in de samenvatting van de conclusies.
Hoe nu verder? 1. Al deze verbeteringen zouden door een 2e slag van het onderzoeksbureau in samenspraak met de betrokkenen kunnen plaatsvinden. Waarom deze 2e slag? Het geeft uiteraard extra werk maar het is een cruciale investering in de relatie met alle betrokkenen in de dossiers en voor de toekomst. Alle partijen kunnen hiermee zeggen: ”Wij hebben naar voren gebracht wat we wilden en wat er staat is zoals het volgens ons gebeurd is”. De feiten dienen dus onomstreden te zijn. Vervolgens volgen de deelconclusies en eindconclusies t.a.v. de 4 kernwaarden in de drie dossiers + aanbevelingen. Pas daarna houdt u als raad uw politieke debat tijdens een besluitvormende vergadering over de aanbevelingen van het rapport. 2. In de aanbevelingen buitelen de voorbeelden van beleidskaders, visies, ontwikkelagenda’s, communicatiebeleidsplannen, participatieplannen en termen als participatieladders, verbindingen maken tussen verschillende gremia etc., over elkaar heen. Op onderdelen is men er al jaren mee bezig, sommige plannen staan in de steigers of er zijn ‘piketpaaltjes’ gezet. Er wordt veel van verwacht. Dat is qua intentie allemaal mooi, maar de feitelijke kern van deze voorstellen en plannen is dat ze nog niet of nog onvoldoende werken.
Wij willen niets afdoen aan al deze voornemens, vergezichten of plannen voor de toekomst maar u moet zich daarbij wel afvragen of de voorstellen een oplossing zijn voor de concrete problemen en of het niet veel te groot gemaakt wordt.
4 Wij zijn voorstander van eenvoud. In het dossier waar wij het hier over hebben gaat het om twee onderwerpen: de handhavingszaak en het haalbaarheidsonderzoek en wij geven aan waar het ons als burgers feitelijk omgaat! In de handhavingszaak gaat het ons om het eenvoudige feit dat we met elkaar in Ned. en ook in Ermelo regels en afspraken hebben ten aanzien van hoe om te gaan met bestemmingsplannen en het handhaven van het overtredingen of niet volgen van die plannen. Als het kan, kan het en als het niet kan, kan het niet en moet je ook niet proberen om het toch te laten kunnen. Dan moet het college dus gewoon handhaven. Doortastend en helder communiceren en optreden. Of wel: ‘Zeggen wat je doet en doen wat je zegt’. En als je het als bestuursorgaan anders wil, dan moet je de regels voor zover dat kan aanpassen of als dat niet kan moet je je wensen aanpassen, maar niet gaan aanrommelen en maar zien wat er van komt want dan ontstaat er ontevredenheid en raken partijen gefrustreerd door de onduidelijke keuzes die de gemeentelijke overheid maakt. In het Haalbaarheidsonderzoek Verplaatsing bedrijven Haspelstrook gaat het volgens ons over een heel ander soort zaak.
Daar gaat het niet over regels of de interpretaties daarvan maar over het eerst maken van een gebiedsvisie en het bepalen welke ondernemingen en of functies daar wel of niet in passen, over transparant en in openheid handelen, doortastendheid en voortvarendheid tonen en géén vermijdend gedrag, met alle partijen spreken, algemene doelstellingen en individuele wensen goed van elkaar onderscheiden en met elkaar oplossingen zoeken en niet bepaalde partijen uitsluiten of de discussie te juridiseren door te zeggen “de burger krijgt wel de gelegenheid om bezwaar te maken”. Ook hiermee wordt afstand gecreëerd tussen burger en overheid, terwijl er juist begrip voor de verschillende dilemma’s gerealiseerd zou moeten worden die bij een ontwikkeling van een bepaald gebied kunnen spelen. Eenvoudiger kunnen we het niet maken.
Bijlage: - WRBT opmerking bij raadsonderzoek langlopende dossiers augustus 2021 incl. track & changes, versie 29-8-2021 - Raadsonderzoek langlopende dossiers augustus 2021 incl. WRBT commentaar zonder track & changes, versie 29-8-2021
© WRBT 29-8-2019