CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Ingdiend beroep e260027721 (Geanonimiseerd)

Gemeenteraad 8 juli 2026, gemeente ErmeloBij agendapunt: Herstelbesluit omgevingsplan De Beek 777.984 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

KAIÌ

S E

Groenewoudsedijk 41

MONDEN

3528 BG Utrecht

BELASTINGADVISEURS T

03066 97 000 M

info @kaisercs.nl W_www. kaisercs. nl KvK 70469288

Afdeling

Bestuursrechtspraak

Raad

beroep TAM

E-mail

E

Ons kenmerk Uw kenmerk

:__EO/2020007/DB77/beroep

van

State Postbus 20019 2500 EA Den Haag Tevens digitaal ingediend

Inzake

1__Aanvullende

omgevingsplan

gronden

van

De Beek 77

Behandelaar

:

advocaat ((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd)) ef

Datum

1:15

juli 2025

Edelachtbare 1.

1

((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd)) |

_202503421/1/R4

heer , vrouw ,

Inleiding

Op 16 juni 2025

hebben DeBeek

appellanten

—

(ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))

pro-forma beroepschrift ingediend tegen het vaststellingsbesluit van TAM-omgevingsplan “DeBeek 77” (hierna: het plan). Met dit document dienen zij hun aanvullende gronden van beroep in. Alle eerder en het ingediende zienswijzen (20-01-2025) , inspreekreacties (26-03-2025) pro-forma beroepschrift (16-06-2025) blijven onverkort van kracht. 2. Juridisch en planologisch kader naast de materiële beginselen van behoorlijk bestuur Bij de beoordeling dienen wonend

aan

75 het

—

een

—

met

name e e e e e

e e

te worden

betrokken:

Omgevingswet (Ow): art. 2. 4 (evenwichtige toedeling) , art. 2. 18a (water) , art. 16. 30 (inhoud planregels) ; Algemene wet bestuursrecht (Awb): art. 3:2 , 3:4 , 3:46 en afdeling 3.4 ; Wet natuurbescherming (Wnb): art. 2.7 , 2. 8 (Natura 2000-bescherming) ; Omgevingsverordening Gelderland (OVG): bepalingen inzake Gelders Natuurnetwerk (GNN) en functieverandering ; Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en Bouwbesluit 2012 (veilig bodem en gebruik , gezondheid) ; Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geluidregels sinds 1 januari 2024 ; Structuurvisie Functieverandering Ermelo 2021 ; —

—

\Ş l/y | ^

l\

I

IO

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

3. Beroepsgronden 3. 1 Onjuiste waardering van de bestemming op De Beek 75 Het geldende deelgebied-omgevingsplan " Buitengebied Agrarische Enclave en Speuld " kent nr. 75 nog steeds een agrarische bedrijfsbestemming met bouwvlak. Het plan negeert dat en past geen afstandsnorm (^50m) toe , in strijd met het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.

3. 2 Ontsluiting: evidente privaatrechtelijke belemmering De enige uitweg naar de openbare weg is voor de helft eigendom van appellanten ; het bestaande recht van overpad is beperkt tot agrarisch gebruik. Het plan verhoogt de verkeersbelasting met circa acht autobewegingen per etmaal , zonder dat is aangetoond dat dit binnen het bestaande recht past. Volgens vaste moet jurisprudentie een evidente privaatrechtelijke belemmering worden meegewogen bij de planuitvoerbaarheid.

2

\S l/V | Q l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

3. 3 Redelijk alternatief: verschuiven bouwvlak Appellanten hebben voorgesteld om het bouwvlak van huisnummer 77 te verschuiven , zodat iedere partij over eigen grond wordt ontsloten (zie inspreekreactie). Het programma , het oppervlak aan verharding en het aantal woningen blijven gelijk ; het alternatief vergt géén extra sloopmeters en blijft buiten het Gelders Natuurnetwerk. De reactie van de gemeente hierop was uiterst summier: " Er is overleg gevoerd met initiatiefnemer over deze vraag. Hij is niet voornemens om het bouwvlak te verplaatsen. Dit is ook niet nodig voor de vaststelling van het omgevingsplan.. " Hiermee is duidelijk dat géén inhoudelijke alternatievenafweging heeft plaatsgevonden. De wens van de ontwikkelaar was doorslaggevend. Een zorgvuldige planvoorbereiding vereist dat redelijkerwijs aangedragen alternatieven voor een project serieus worden onderzocht , met name indien het voorgestelde plan inbreuken op belangen van anderen met zich meebrengt (ABRvS 17 oktober 2018 , ECLI:NL:RVS:2018:3362). Onder de Omgevingswet wordt het zoeken naar de meest geschikte oplossing expliciet benadrukt , mede in het licht van de integrale benadering.

Indien een MER (Milieueffectrapportage) vereist zou zijn , vormt het alternatievenonderzoek zelfs een kernonderdeel daarvan: de effectiviteit en milieueffecten van het voornemen én van mogelijke alternatieven moeten worden beschreven en vergeleken. Ook zonder formele MER is het in de beleidspraktijk gebruikelijk om varianten te verkennen bij ingrijpende ruimtelijke besluiten (zie bijvoorbeeld de Handreiking Alternatievenonderzoek bij omgevingsplannen , Stcrt. 2023 nr. 49930). Doel is om te bezien of de doelstellingen van het initiatief wellicht op een wijze bereikt kunnen worden die minder schadelijk is voor bepaalde belangen (natuur , omgeving , cultuurhistorie , e. d. ). Artikel 3:4 Awb verplicht het bestuursorgaan om de belangen af te wegen en de voor- en nadelen van alternatieve invullingen daarbij te betrekken. In dit geval waren er duidelijke redenen om een alternatieve invulling te onderzoeken. Het gekozen plan leidt tot aantasting van GNN-natuur en een problematische ontsluitingsroute. Desondanks heeft de gemeente volstaan met de mededeling dat initiatiefnemer geen alternatief wenst en dat verplaatsing " niet nodig” zou zijn. Dit getuigt van het klakkeloos overnemen van de voorkeur van de ontwikkelaar , zonder eigen afweging. Er is geen enkele inhoudelijke vergelijking gemaakt.

Evenmin is bekeken of het bouwvlak op De Beek 77 anders kon worden gesitueerd of verkleind om natuur en omgevingsbelangen te sparen. Daarmee ontbreekt een essentieel deel van de ruimtelijke onderbouwing. De verwijzing naar " niet nodig” miskent dat het hier niet gaat om een verplicht te realiseren overheidsdoelstelling , maar om een particulier initiatief waarover de gemeenteraad moet maken. een afweging Die afweging had het voorgestelde plan tegen alternatieven moeten afzetten om zo een optimaal besluit te nemen in het algemeen belang. Het nalaten daarvan is in strijd met de zorgvuldigheid en artikel 3:2 Awb (onvoldoende onderzoek). Conclusie Deze beroepsgrond geeft aan dat het besluitvormingsproces gebrekkig was doordat geen reële alternatievenafweging heeft plaatsgevonden. Dit klemt temeer nu uit andere beroepsgronden blijkt dat het gekozen plan variant diverse conflicten oplevert. Uw Afdeling wordt daarom verzocht het besluit te vernietigen dan wel een aanwijzing te geven dat alsnog alternatieven in de overweging moeten worden

3

\S l/V | ^ l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

betrokken. Een heroverweging kan mogelijk tot een beter passend de gerezen bezwaren wegneemt of vermindert.

plan leiden dat

3. 4 Onjuiste berekening sloopmeters Het omgevingsplan is gebaseerd op het gemeentelijke functieveranderingsbeleid , waarbij agrarische bebouwing mag worden gesloopt in ruil voor nieuwbouw van staat woningen (ruimte-voor-ruimte regeling). In de onderbouwing dat initiatiefnemer voldoet aan de " kaders en randvoorwaarden " van dat beleid. Concreet betekent dit dat er voldoende vierkante meters aan bestaande agrarische opstallen worden gesloopt om de bouw van drie woningen te rechtvaardigen. Appellant stelt dat de gemeente hierbij circa 129 m2 aan niet-vergunde aanbouw ten onrechte heeft meegeteld als " sloopmeters. " Het gaat om de beschreven uitbouw achter de kalverenschuur. Onbekend is wanneer deze precies is aangebouwd. Volgens appellant is dit bouwwerk illegaal en had het niet als bij het agrarisch bedrijf behorende oppervlakte mogen worden ingezet voor de functieverandering. In de zienswijzennota bevestigt de gemeente dat het beleid vereist dat te slopen bebouwing legaal moet zijn opgericht , maar stelt zij dat " niet vergunde maar fysiek aanwezige (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen van vóór 2003 mogen worden meegeteld. " Tevens wordt betoogd dat het later aangebouwde gebouw voldoet aan de toenmalige regels voor vergunning vrij bouwen (artikel 3 Bijlage II Bor) en daarom toch mag meetellen.

De Structuurvisie functieverandering Buitengebied 2021 (vastgesteld door de raad van Ermelo) bepaalt de voorwaarden voor rood-voor-rood transformaties. Hierin is opgenomen dat alleen bestaande , bouwaanvraag- of vergunningsplichtige opstallen die legaal aanwezig komen als " inzetbare zijn , in aanmerking sloopmeters. " Doel is te voorkomen dat eerst illegaal wordt uitgebreid om vervolgens extra woningrechten te verzilveren. Een belangrijk principe ter waarborging van de geloofwaardigheid van het beleid. De structuurvisie sluit aan bij het provinciale en regionale beleid , zij het dat voor details (zoals meetmethodiek) de gemeente eigen invulling geeft. In algemene zin geldt dat bouwwerken zonder vereiste vergunning in strijd zijn met artikel 2. 1 Wabo (voorheen art. 40 Woningwet) en niet mogen worden gebruikt om rechten of aanspraken aan te ontlenen. Uitzondering wordt soms gemaakt voor zeer oude (voor 2003) bouwwerken , omdat handhaving daarop veelal is verjaard. De gemeente Ermelo past deze coulance blijkbaar toe voor oud illegaal spul van vóór 2003. Cruciaal is dus het bouwjaar en de legaliteit van de betreffende uitbouw. Daarnaast is van belang of de uitbouw echt onder de vergunning vrije categorie viel. De hoogte van de aanbouw was ^ m en de goothoogte hoger dan 4 m , waarmee niet aan de Bor-voorwaarden voor vergunning vrij bouwen is voldaan.

Volgens dat kader was dus ook een vergunning vereist (die nooit is aangevraagd). De gemeente heeft het maximaal aantal woningen (drie) toegestaan op basis van de veronderstelling dat genoeg vierkante meters stal gesloopt worden. Appellant betwist dit. Wanneer de onvergunde uitbouw van ca. 129 m2 niet zou meetellen , komt men mogelijk sloopmeters te kort voor drie volledige woningrechten. De gemeente probeert dit te ondervangen door te stellen dat de uitbouw " vergunningsvrij " was en aan de eisen voldoet. Die stelling is dubieus. Zoals aangetoond , overschreed de uitbouw de maatvoeringen voor vergunning vrij bouwen (te hoog). Bovendien is niet duidelijk of het bouwwerk daadwerkelijk vóór

4

\S l/V | ^ l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

2003 al bestond. Het wordt juist aangeduid als " later aangebouwd gebouw " (dus ná 2003). Als het na 2003 en zonder vergunning is gebouwd , valt het niet onder de gedoogregeling en had het niet mogen meetellen. De gemeente lijkt hier de feiten in het voordeel van initiatiefnemer te hebben uitgelegd , zonder harde onderbouwing (er is geen bouwdossier of bewijs van bouwjaar overgelegd). Dit is in strijd met het functieveranderingsbeleid en leidt tot het toekennen van meer bouwrechten dan gerechtvaardigd. Het gevolg is dat mogelijk een derde woning is toegestaan terwijl de harde voorwaarde - voldoende sloop van legaal bebouwde oppervlakte - niet is vervuld. Conclusie Deze beroepsgrond voert aldus aan dat het bestreden besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag en strijdig is met het eigen beleid , doordat een illegale uitbouw van 129 m2 is meegeteld bij de sloopmeters. U wordt verzocht dit ongedaan te maken. Appellant verzoekt u het besluit te vernietigen , dan wel door in rechte vast te stellen dat de derde woning niet had mogen worden toegestaan. 3. 5 Onrechtmatige inzet van opstallen op De Beek 77 Uit het Erfadvies " De Beek 77 " (bijlage tb1-2 , blz. 2 en 3 bij het plan) blijkt dat de gemeente en initiatiefnemer hun transformatie baseren op de regeling functieverandering één erf.

Daarbij wordt uitgegaan van één bouwkundig geheel van de erven 75 en 77 ; in totaal zou ± 1 446 m2 agrarische bebouwing " worden gesloopt " om woningbouw mogelijk te maken. Gebrek aan beschikkingsmacht De opstallen op De Beek 75 zijn eigendom van appellanten. Zij hebben nooit ingestemd met sloop of inzet als " sloopmeters " voor het plan op De Beek 77. Een plan kan slechts rechten ontlenen aan bebouwing die zich binnen het eigendom of de macht van de initiatiefnemer bevindt. Strijd met Structuurvisie Functieverandering 2021 Die visie hanteert uitdrukkelijk de " één erf-gedachte " per logisch agrarisch bedrijfsperceel. Erven 75 en 77 vormen echter twee afzonderlijke kadastrale en functionele eenheden. Het samenvoegen zonder toestemming van de eigenaar van nr. 75 is in strijd met het beleid. Onjuiste sloopbalans Trekt men de opstallen op nr. 75 af , dan resteert op nr. 77 minder dan de vereiste sloopoppervlakte voor drie woningrechten. Het plan rust daardoor op een feitelijk onjuiste en juridisch ondeugdelijke grondslag (art. 3:2 Awb). Aantasting eigendomsrecht Door zonder titel te rekenen met gebouwen op nr. 75 wordt het eigendomsrecht van appellanten onevenredig aangetast (art. 1 EP EVRM ; art. 3:4 Awb).

Conclusie Het vaststellingsbesluit dient te worden vernietigd , althans dient de Afdeling vast te stellen dat uitsluitend legale sloopmeters op het perceel De Beek 77 mogen worden ingezet. Voorts verzoeken nadat:

appellanten te overwegen

dat het plan pas rechtsgeldig

kan zijn

5

\S l/V | ^ l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

^ in de planregels ondubbelzinnig is bepaald dat slechts bebouwing op 77 mag worden gesloopt voor de functieverandering , óf ^ een schriftelijke toestemming of leveringsakte van de eigenaren van nr. 75 is overgelegd en planologisch geborgd. 3. 6 Strijd met stikstof-rechtspraak (intern salderen) Het plan " De Beek 77 " maakt drie nieuwe woningen mogelijk op voormalige agrarische grond. Volgens de beschikbare stikstofrapportage is er voor deze ontwikkeling geen Natura 2000-vergunning aangevraagd , omdat men stelt dat de stikstofdepositie door de bouw en gebruik van de woningen wordt gecompenseerd door het beëindigen van de agrarische activiteiten (i" ntern salderen)." Initiatiefnemer heeft stikstofruimte van het voormalige agrarische gebruik ingezet om de nieuwe woningbouw " stikstofneutraal " te laten zijn. De provincie Gelderland achtte daarom een natuurvergunning niet nodig. In de stukken is echter geen passende beoordeling opgenomen. Men is uitgegaan van een voortoets waarbij dankzij intern salderen geen significante gevolgen zouden zijn. Recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (ABRvS) heeft de lijn over intern salderen ingrijpend gewijzigd. Op 18 december 2024 heeft de ABRvS in de zaken " Amercentrale " en " Rendac " geoordeeld dat intern salderen niet langer mag worden betrokken in de voortoets bij Natura 2000-beoordelingen.

Vanaf die datum mag bij de vraag of een natuurvergunning nodig is (de voortoets) alleen gekeken worden naar de nieuwe activiteit op zichzelf , zonder wegstrepen van bestaande vergunde emissies. Intern salderen is pas aan de orde in de passende beoordeling (indien een vergunningplicht bestaat) en dan ook alleen onder strikte voorwaarden. Op 28 mei 2025 heeft de ABRvS deze lijn bevestigd en verduidelijkt " Overduin " (ECLI:NL:RVS:2025:2404) over in de uitspraak woningbouw nabij het Noord-Hollands Duinreservaat. Daarin is expliciet overwogen met dat intern salderen stikstofruimte uit algemene regels (zoals bemestingsrechten van agrarisch gebruik) in de voortoets niet is toegestaan , en dat projecten nabij Natura 2000 voortaan vrijwel altijd een passende beoordeling en natuurvergunning behoeven , óók als men inzet op het beëindigen van agrarisch gebruik als compensatie. Deze jurisprudentiewijziging werkt direct door naar alle lopende procedures. De gemeente heeft bij de vaststelling van het omgevingsplan (14 mei 2025) ten onrechte geen rekening gehouden met de ABRvS-uitspraak van 18 december 2024. In de Zienswijzennota wordt gesteld dat de uitspraken " betrekking hebben op projecten en niet op plannen " en dat nog niet duidelijk is of de rechtspraak voor plannen zal wijzigen. Die redenering houdt geen stand.

Het interne salderen is een aspect van de natuurtoets onder de Habitatrichtlijn , die uniform moet worden toegepast of het nu om een projectbesluit dan wel omgevingsplan gaat dat een project mogelijk maakt. Nu vaststaat dat voor het woningbouwproject zelf een vergunningplicht bestaat (in elk geval na de Overduin-uitspraak van 28 mei 2025) , kan het omgevingsplan ook niet zonder passende beoordeling worden vastgesteld. Het is duidelijk dat zonder passende beoordeling niet met zekerheid gesteld kan worden dat de planrealisatie geen significante aantasting van Natura 2000gebieden veroorzaakt. De enkele verwijzing naar intern salderen volstaat niet. Sterker nog , de Afdeling heeft expliciet overwogen dat intern salderen in deze situatie alleen in een passende beoordeling als mitigerende maatregel betrokken

6

\Ş ly\ | ^

l\ AAI I O mag

worden.

met passende

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

Dat is hier niet gebeurd ; een nieuwe , volledige beoordeling had moeten worden uitgevoerd.

stikstofrapportage

Conclusie Het bestreden omgevingsplan is in strijd met artikel 2. 7 Wet natuurbescherming (Habitatrichtlijn-toets) en het vereiste van zorgvuldige besluitvoorbereiding. Nu uit de jurisprudentie van eind 2024 en mei 2025 blijkt dat voor het beoogde woningbouwproject een natuurvergunning mét passende beoordeling vereist is , had de raad het plan niet mogen vaststellen zonder die beoordeling. Beroepsgrond 2 strekt ertoe dat de Raad van State het besluit vernietigt dan wel het planbesluit zodanig aanpast dat alsnog een passende beoordeling onderdeel wordt van de besluitvorming , voordat het plan in werking kan treden. 3. 7 Dubbele verzilvering van stikstof- en slooprechten Uit openbare bronnen en provinciale lijsten blijkt dat de ondernemer van De Beek 77 een overeenkomst in het kader van de LBV/Lbv-plus (A" 12M27-projecten) " heeft gesloten. Die overeenkomst kent doorgaans twee hoofdverplichtingen: 1. Definitieve intrekking van de bijbehorende veehouderijrechten , 2. Sloop of onbruikbaar maken van de stal binnen een in de overeenkomst genoemde termijn. Het omgevingsplan baseert zich echter op: ^ dezelfde stikstofruimte voor intern salderen (beroepsgrond 3. 6) , én ^ dezelfde stallen als sloopmeters voor functieverandering (beroepsgrond 3. 4). Daarmee ontstaat een dubbele waarde verzilvering ten laste van het publieke belang.

Het plan is voorts afhankelijk van een niet-openbaar gemaakte overeenkomst: mocht de verplichting tot sloop vóór realisatie intreden , dan vervalt de feitelijke basis voor de woningrechten. Dit levert strijd op met: ^ de provinciale en gemeentelijke ruimte-voor-ruimte-systematiek (éénmalige stimulans) , ^ het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 Awb) , en ^ de eis van een deugdelijk voorbereide besluitvorming (art. 3:2 Awb). Conclusie Appellanten verzoeken uw Afdeling deze grond in de beoordeling te betrekken en het plan , althans het onderdeel dat woningrechten gebaseerd op deze stallen mogelijk maakt , te vernietigen , dan wel de raad op te dragen openbaar te maken: ^ de volledige uitkoop- of afstandsovereenkomst , en ^ een aangepaste sloopVstikstofbalans waaruit dubbele verzilvering is uitgesloten. 3. 8 Aantasting Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied grenst aan en omvat deels gronden die onderdeel zijn van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Met name de locatie van de derde nieuwe woning (zoals voorzien in het inrichtingsplan) ligt buiten het oorspronkelijke agrarische bouwvlak , in gebied dat provinciaal is aangewezen als GNN. Hierdoor gaat feitelijk een stuk GNN-gebied verloren of wordt anders ingericht (woonfunctie).

De provincie Gelderland heeft weliswaar in haar vooroverleg op 24 oktober 2024 aangegeven 'd" at de provinciale belangen goed zijn meegewogen " , maar nergens blijkt dat expliciete toestemming is verleend voor het aantasten van GNN-grond.

7

\Ş ly\ | ^

l\ AAI I O

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

Belangrijker nog , er is geen compensatieplan opgesteld om het verlies aan ecologische waarden te compenseren. Initiatiefnemer en gemeente voorzien niet in fysieke compensatie elders of in versterking van natuurwaarden ter plaatse , anders dan algemene landschappelijke inpassing. De zienswijze voerde expliciet aan: " De laatste woning is gesitueerd in GNN-gebied buiten het bestaande bouwblok. Daar is geen toestemming voor verleend , ook niet door de provincie. Er wordt ook niet gecompenseerd om buiten het GNN te ontwikkelen. " Dit punt is door de gemeente in de zienswijzennota niet weersproken , men volstaat met de opmerking dat het plan in vooroverleg aan de provincie is voorgelegd. Het Gelders Natuurnetwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur/EHS) geniet bescherming via de Omgevingsverordening Gelderland (OVG). De OVG bevat instructieregels die ingrepen in GNN in principe verbieden , tenzij sprake is van een dwingende reden van openbaar belang én er gelijkwaardige compensatie wordt geboden. Ontwikkelingen die leiden tot vermindering van areaal of kwaliteit van GNN-gebied moeten worden gecompenseerd. Dit is uitgewerkt in hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Gelderland 2024 (met name afdeling " Natuur en landschap) " .

Zo bepaalt de verordening dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in het GNN-aantasting van kernwaarden zoveel mogelijk moet worden voorkomen , en onvermijdelijke restschade volledig fysiek gecompenseerd moet worden (in beginsel 100oZo gelijkwaardig , soms met opslag) - financieel afkopen is alleen mogelijk via een provinciale compensatiepool in uitzonderingsgevallen. Deze provinciale regels zijn instructieregels ex art. 2. 23 Ow en moeten in acht worden genomen bij het opstellen van het omgevingsplan. Daarnaast is er beleidsmatig de Handreiking NNN/GNN-compensatie (provincie Gelderland) die nadere invulling geeft aan hoe compensatie te berekenen en vast te leggen. Door een woning mogelijk te maken buiten het oude bouwvlak in GNN-zone heeft de raad een ingreep in het natuurnetwerk toegestaan zonder de vereiste " nee , tenzij-" toets strikt toe te passen. Er is geen afdoende motivering gegeven waarom deze locatie onvermijdelijk is en geen alternatieven buiten het GNN mogelijk waren. Belangrijker , er is geen compensatieplan opgesteld. Nergens blijkt dat de gemeente de oppervlakte of kwaliteit die verloren gaat aan GNN zal compenseren door natuur elders te ontwikkelen of te verbeteren. Dit staat haaks op de provinciale verordening.

Het enkele landschappelijk inpassingsplan van het Gelders Genootschap is onvoldoende ; daarin wordt wel nieuwe beplanting op het terrein voorzien , maar dat dient vooral landschappelijke inkleding van de woningen en is geen compensatie voor verloren natuurkerngebied. Ook is geen wijziging van de GNN-grenzen of ontheffing door de provincie verleend voor deze ingreep (althans niets daarvan is openbaar gemaakt). Dat de provincie in vooroverleg geen zienswijze heeft ingediend , ontslaat de gemeente niet van de plicht de verordening na te leven. Mogelijk is het aspect over het hoofd gezien of werd er van uit gegaan dat de woning binnen het bestaand bouwvlak zou passen. Feit is dat nu een stuk grasland (voorheen agrarisch gebruik) in het Natuurnetwerk een woonbestemming krijgt zonder enige vorm van natuurcompensatie. Conclusie Het besluit is in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland inzake bescherming van het Natuurnetwerk (artikelen 5. 5 jo. 5. 12 t/m 5. 18 Omgevingsverordening Gelderland. De beroepsgrond strekt ertoe dat de ontwikkelingsmogelijkheid voor de derde woning (voor zover gelegen in GNNgebied) vernietigd dan wel geschorst wordt. Uiterst subsidiair zou alsnog een compenserende maatregel moeten worden geborgd (bijv. aanwijzing van een

8

\S l/V | Q l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

nieuw natuurperceel elders via een voorwaardelijke verplichting in het plan) om te voldoen aan de compensatie-eis. Zonder compensatie is het planonderdeel juridisch onhoudbaar en dient dit plan te worden vernietigd. 3. 9 Incompleet participatie- en onderzoeksproces De Omgevingswet beoogt vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden bij planvorming. In dit geval is het initiatief voor het omgevingsplan " De Beek 77 " afkomstig van een particuliere ontwikkelaar (de grondeigenaar). Er heeft in de voorbereidingsfase wel een informatieavond plaatsgevonden op 7 januari 2025 , en er is één zienswijze ingediend (door appellant) tijdens de formele terinzagelegging. Echter , een participatieverslag - waarin de initiatiefnemer of het bevoegd gezag verslag doet van de verrichte participatie en de uitkomsten daarvan ontbreekt geheel. Bij de indiening van het plan bij de raad is geen verslag gevoegd over hoe omwonenden en andere belanghebbenden zijn betrokken en wat met hun inbreng is gedaan. Evenmin is bij het vaststellingsbesluit aangegeven op welke wijze participatie is gerealiseerd (behalve verwijzing naar de zienswijzenprocedure ex Afdeling 3. 4 Awb). Artikel 16. 55 van de Omgevingswet introduceert de verplichting tot participatie bij aanvragen voor omgevingsvergunningen.

Lid 7 van dit artikel bepaalt dat bij ministeriële regeling gevallen aangewezen worden waarin de aanvrager moet aantonen dat hij belanghebbenden heeft betrokken en een participatieverslag moet overleggen. Hoewel deze verplichting direct ziet op vergunningaanvragen , geldt op grond van artikel 16. 55 lid 6 Ow tevens dat bestuursorganen (bij de inrichting van hun procedures) participatie moeten bevorderen. Voor de gemeentelijke planvorming is in de Omgevingsvisie Ermelo en eventuele lokale participatieverordening waarschijnlijk ook vastgelegd dat initiatiefnemers een vorm van participatie moeten doorlopen. Het Rijk heeft decentrale overheden aangespoord om participatie bij omgevingsplanwijzigingen vorm te geven analoog aan de vergunningprocedure. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de besluitvorming beter en " draagvlakvoller " wordt als participatie vooraf plaatsvindt (Kamerstukken I 2014/15 , 33962 , nr. C , p. 5). In deze zaak ontbreekt elk bewijs van gestructureerde participatie door de initiatiefnemer. Appellant , direct aanwonende werd een aantal jaren terug verrast door een genomen principebesluit van het college waarbij zijn gronden werden gebruikt om het plan te realiseren. Een los krantenbericht (Ermelo's Weekblad 8 jan.

2025) meldde dat " één omwonende het niet eens is met het plan." Dit illustreert dat er onvrede was , maar geen indicatie dat men eerder serieus is meegenomen. Er is geen participatieverslag verstrekt , noch door initiatiefnemer bij diens planindiening , noch door het college bij de raadsstukken. Dat betekent dat de raad bij vaststelling niet inzichtelijk heeft gehad of en hoe omwonenden waren geraadpleegd en of hun suggesties zijn overgenomen of niet. Dit knelt te meer nu er evidente alternatieven waren en problemen die vroegtijdig hadden kunnen worden opgelost via overleg. Het ontbreken van een participatieverslag is in strijd met de geest en letter van de Omgevingswet. Hoewel artikel 16. 55 Ow formeel over vergunningen spreekt , mag worden verwacht dat bij een substantiële omgevingsplanwijziging op initiatief van een derde gelijkwaardig wordt gehandeld. Diverse gemeenten (en ook Ermelo in haar beleidsregels) hanteren dit ook: zonder participatieverslag kan een initiatief in

9

\Ş ly\ | ^

l\ AAI I O

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

beginsel niet ondersteund worden. Hier heeft de gemeente het plan gewoon in procedure gebracht zonder een dergelijk verslag , wat niet alleen in strijd is met artikel 3:2 Awb (zorgvuldigheid) , maar ook de kwaliteit van het besluit heeft geschaad. Belangrijke aandachtspunten (zoals de smalle uitweg , natuurcompensatie) hadden in een vroeg stadium besproken kunnen worden , mogelijk leidend tot een ander (beter) plan. Conclusie De participatieverplichting is onvoldoende nageleefd. De afwezigheid van een participatieverslag maakt dat niet toetsbaar is of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen met inachtneming van alle belangen. Appellant verzoekt uw Afdeling dit gebrek zwaar mee te wegen. Dit zou een vernietigingsgrond kunnen opleveren , dan wel aanleiding om de gemeente op te dragen alsnog participatie (in de vorm van bijv. bemiddeling met omwonenden over geschilpunten) te organiseren voordat het plan verder in werking treedt. In het kader van finale geschilbeslechting merkt appellant op dat , indien de Afdeling het besluit niet vernietigt , dit gebrek mogelijk niet meer te herstellen is , maar wel bij de eventuele vergunningverlening moeten betrokken zal worden (de aanvrager zal bij de omgevingsvergunningaanvraag immers alsnog een participatieverslag moeten overleggen , wat hier problematisch kan worden nu het besluit al vaststaat). 3.

10 Onvoldoende onderbouwing verkeersveiligheid De beoogde drie nieuwe woningen zullen volgens het plan ontsloten worden via de bestaande uitweg die gedeeld wordt door De Beek 75 en 77. Deze uitrit loopt vanaf de percelen naar de openbare weg en is feitelijk slechts ca. 3 meter breed op het smalste punt direct achter de woning De Beek 77. Appellant is mede-eigenaar van deze uitweg (half/half eigendom met buurman) en er bestaat een recht van overpad. Pogingen van appellant om de situering van de uitweg aan te passen of te verbreden zijn op niets uitgelopen. De plannen voorzien niet in een alternatieve ontsluiting. De drie nieuwe huishoudens (plus eventuele bezoekers , pakketdiensten , etc. ) zullen dagelijks van dit pad gebruikmaken als enige route evenals de twee huishoudens van appellant van de voormalige bedrijfswoning. Er is geen separate calamiteitenroute. Volgens appellant is de uitweg ongeschikt om te dienen als hoofdontsluiting voor een cluster van in totaal 6 woningen (twee nieuwe plattelandswoningen bij nr. 75 , drie nieuwe en de voormalige bedrijfswoning op nr. 77). Bij de zienswijze voerde hij aan dat dit een onoplosbaar knelpunt vormt. Het schaadt zijn eigendomsrecht en levert potentieel gevaarlijke verkeerssituaties op. De gemeente heeft dit bestempeld als een " niet evidente privaatrechtelijke belemmering " en verwezen naar jurisprudentie dat de aanneemt.

bestuursrechter niet snel zo'n belemmering Men stelt dat de initiatiefnemer via een advocaat heeft aangetoond dat er een recht van overpad is en " geen belemmeringen zijn benoemd voor een functiewijziging van het perceel. " Voorts meent men dat " er voldoende ruimte achter nr. 77 is om goed uit te kunnen rijden. " Ruimtelijk relevante privaatrechtelijke belemmeringen dienen echter bij de planvaststelling te worden meegewogen als ze evident en onoverkomelijk zijn. In casu is sprake van een recht van overpad , zodat er een recht van toegang is. Op zichzelf is dat privaatrechtelijk geregeld.

10

\Ş ly\ | ^

l\ AAI I O

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

Echter , het enkele feit dat er een recht van overpad verkeerstechnische geschiktheid van de route.

bestaat , zegt niets over de

Volgens artikel 4. 2 lid 1 , onder a Bkl mag de gemeenteraad functies pas toedelen als veiligheid en gezondheid voldoende zijn geborgd ; dat omvat een bereikbare en veilige toegangsweg voor brandweer , ambulance en weggebruikers. Brandweer- en CROW-richtlijnen verlangen minimaal 35, m vrije breedte verharding (vrij profiel 35, m) en adviseren bij doodlopende routes langer dan 40 m zelfs 45, m of een keerlus. De beoogde ontsluitingsweg is circa 100 m lang en vernauwt ter hoogte van de gevel van nr. 77 tot ± 30, m zonder passeerstrook of uitwijkmogelijkheid. Twee personenauto's kunnen elkaar daar niet passeren ; zelfs auto en fietser of voetganger komen in de knel , zeker met een heg of hek direct langs de rijloper. Voor brandweervoertuigen is 30, m verharding alleen toelaatbaar als het vrije profiel 35, m blijft—of die extra 05, m er is , is onbekend. De gemeente verrichtte geen enkel verkeerskundig of hulpdienstenonderzoek en beperkte zich tot de constatering dat " er recht van overpad is " ; dat is een privaatrechtelijk gegeven , geen objectieve toets op veiligheid. Voor vier extra huishoudens (plus logistiek) is een 3 m-pad suboptimaal en risicovol. Ook praktisch ontstaan knelpunten: pakketdiensten of bezoekers moeten achteruit rijden bij tegenliggers ; 's nachts of bij slecht zicht verergert het risico.

Brandweerrichtlijnen eisen bij doodlopende routes 40 m bovendien een keer- of tweede ontsluitingsmogelijkheid , die ontbreekt. Kortom , het plan maakt gebruik van een infrastructuur die niet voldoet aan de minimale normen en aan brandweerrichtlijnen. Dat appellanten het overpad privaatrechtelijk moeten dulden , betekent niet dat zij planologisch moeten accepteren dat dit smalle paadje als hoofdontsluitingsweg voor drie extra woningen fungeert. Een goede ruimtelijke ordening verzet zich hiertegen vanwege verkeersen hulpdienstveiligheid. Conclusie Kortom , de toegangsweg is in zijn huidige vorm ongeschikt als hoofdontsluiting. Deze beroepsgrond richt zich op dit gebrek. Uw Afdeling wordt verzocht het plan te vernietigen voor zover geen adequate ontsluitingsoplossing is verzekerd. Denkbaar is dat alsnog in het plan een verbreding van de uitweg of een alternatieve ontsluitingsroute had moeten worden opgenomen. Nu dat niet is gebeurd , kan het besluit niet in stand blijven wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Subsidiair verzoekt appellant om in de uitspraak expliciet te laten opnemen dat de planuitvoering pas mag plaatsvinden indien en nadat de uitweg ter plaatse van nr. 77 is verbreed tot bijvoorbeeld 45, m of anderszins aan de veiligheidsnormen voldoet (bijvoorbeeld via een noodontsluiting elders).

11

\S l/V | Q l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

3. 11 Kostenverhaal niet transparant De ontwikkeling van De Beek 77 is een initiatief van een particulier , waarbij de gemeente moet kosten kunnen verhalen (bijv. plankosten , eventuele infrastructuur- of ambtelijke kosten). Uit het dossier blijkt niet dat de gemeenteraad een exploitatieplan heeft vastgesteld voor dit project. In plaats met de daarvan is kennelijk gekozen voor een anterieure overeenkomst initiatiefnemer. Tijdens de inzagetermijn van het ontwerpplan ontbrak echter een stuk waaruit dit blijkt. Er was geen kennisgeving hierover in de ontwerpstukken. Pas later , op 15 januari 2025 , heeft het college een zakelijke beschrijving van een " Anterieure overeenkomst De Beek 77 " ter inzage gelegd. Hieruit blijkt dat op 20 november 2024 (dus vlak vóór de terinzagelegging) een overeenkomst ex art. 6. 24 WRO I art. 13. 13 Ow is gesloten tussen de gemeente en de exploitant van De Beek 77. In hoofdlijnen is daarin afgesproken dat initiatiefnemer de plankosten zal vergoeden en planschade voor zijn rekening neemt. De inhoud van de overeenkomst zelf is niet openbaar gemaakt , slechts de verplichte zakelijke samenvatting. Deze samenvatting is bovendien niet eenvoudig te vinden geweest (ingebruikname van nieuwe publicatiesystematiek).

Evenmin is in het raadsbesluit van 14 mei 2025 expliciet vermeld dat kostenverhaal " anderszins verzekerd " is via een anterieure overeenkomst , een standaardpassage die in het besluit had gemoeten.

Op grond van artikel 13. 11 Omgevingswet is kostenverhaal verplicht bij ontwikkelingen zoals onderhavig (wonen mogelijk maken). Artikel 13. 13 Ow biedt de mogelijkheid tot het sluiten van een anterieure overeenkomst over kostenverhaal. Indien zo'n privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten , mag de gemeente geen exploitatieplan vaststellen (art. 8. 14 Omgevingsbesluit jo. art. 13. 11 Ow). Wel moet het bevoegd gezag transparant maken dát de overeenkomst is gesloten en waar deze globaal over gaat. Onder het oude recht (art. 6. 24 Wro) diende de zakelijke inhoud van de overeenkomst tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd. Thans

schrijft artikel 16. 138 Ow een vergelijkbare verplichting voor: tegelijkertijd van het ontwerpbesluit moet de zakelijke beschrijving van de anterieure overeenkomst openbaar worden gemaakt. Dit is een essentieel stuk voor de besluitvorming ; het informeert de raad en derden dat de kosten geregeld zijn en voorkomt een onverplicht cadeau van bouwrechten zonder bijdrage. Daarnaast eist de wet transparantie richting derden: hoewel de overeenkomst zelf vaak vertrouwelijk blijft , moeten derden via de zakelijke beschrijving kunnen controleren of er geen excessieve of vreemde bedingen zijn overeengekomen die ruimtelijke gevolgen kunnen hebben. met de kennisgeving

In deze kwestie is de anterieure overeenkomst weliswaar gesloten , maar de informatievoorziening daaromheen was gebrekkig. De zakelijke beschrijving is pas halverwege de inzagetermijn gepubliceerd (15 januari 2025) en was voor een leek moeilijk te koppelen aan het plan (separate publicatie). Appellant was hiervan onvoldoende op de hoogte , waardoor zij in hun zienswijze ten onrechte moesten speculeren of kostenverhaal wel afgedekt was. Belangrijker is de rol van de gemeenteraad. In het voorstel aan de raad is niet expliciet genoemd dat er een anterieure overeenkomst lag. Dit tast de van de besluitvorming aan. raad had behoren te weten dat er een transparantie De

12

\S l/V | ^ l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

contract met de ontwikkelaar was waarin de gemeente zich o. a. verplicht heeft " zich in te spannen " voor de planvaststelling. Dergelijke afspraken raken de zelfstandige afwegingsruimte van de raad. Zo is afgesproken dat de gemeente zich inzet het plan voortvarend te laten verlopen , dit wekt al snel de schijn dat de raad nauwelijks keus had , terwijl de raad juridisch vrij moet zijn het plan al dan niet vast te stellen.

Verder is afgesproken dat exploitant een exploitatiebijdrage betaalt , waarmee kostenverhaal is " verzekerd. " Prima , maar de hoogte en reikwijdte daarvan blijven onduidelijk. Mogelijk zijn niet alle kosten gedekt , of zijn er onderhandse afspraken gemaakt over bijvoorbeeld ruimtelijke kwaliteit (die hadden moeten worden geborgd in het plan). Het publiek (waaronder appellant) kon hierover geen oordeel vellen , omdat de echte overeenkomst geheim bleef. Gezien de Omgevingswet sterk inzet op transparantie en participatie , had hier meer openheid betracht moeten worden. Formeel is voldaan aan de plicht een zakelijke beschrijving ter inzage te leggen , zodat deze beroepsgrond mogelijk niet tot vernietiging op zichzelf zal leiden. Toch is appellant van mening dat de besluitvorming hier op een essentieel punt ondoorzichtig is verlopen. De anterieure overeenkomst had van meet af aan duidelijk moeten zijn in de raadsstukken , zodat men zich bewust was van eventuele voorwaarden waaronder dit plan tot stand kwam. Appellant verzoekt de Afdeling om deze beroepsgrond in de beoordeling te betrekken dat dit gebrek bijdraagt aan de onzorgvuldigheid van het planproces. Indien uw Afdeling oordeelt dat dit gebrek niet tot vernietiging noopt , vraagt appellant hiervoor wel een kritische overweging in de uitspraak op te nemen. 3.

12 Gebreken in bodemonderzoek - verontreiniging genegeerd In het kader ofwel van de planprocedure ofwel van de toekomstige vergunningverlening is een bodemonderzoek uitgevoerd op De Beek 77. Appellant heeft kennisgenomen van de resultaten , waaruit blijkt dat in de bodem van het voormalige agrarische erf verontreinigingen aanwezig zijn. Met name worden genoemd: olie (minerale koolwaterstoffen) bij de voormalige dieselopslag , asbestverdachte materialen (mogelijk fragmenten asbestcement van oude golfplaten) in de bodem rondom de schuur , en verhoogde gehalten aan zware metalen (lood , zink) in het ophoogmateriaal nabij het erf. Deze verontreinigingen worden in het rapport aangegeven , maar het omgevingsplan gaat hier nauwelijks op in. Er zijn geen voorschriften of voorwaardelijke bepalingen in het plan opgenomen die ervoor zorgen dat de woningen pas gerealiseerd worden ná bodemsanering of dat op de verontreinigde plekken geen gevoelige functies komen. Evenmin is er een verwijzing naar het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of een bodemkwaliteitskaart die dit adresseert. De raad heeft het plan vastgesteld in de wetenschap dat de bodem (mogelijk) niet aan de normen voor wonen voldoet , zonder een plan van aanpak te verlangen. Onder de Omgevingswet zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor het borgen van bodemkwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die gemeenten verplichten regels te stellen ter voorkoming van bouwen op verontreinigde bodem.

13

\S l/V | ^ l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

Concreet: in paragraaf 5. 1. 4. 5. 1 Bkl is bepaald dat het omgevingsplan zodanige regels moet bevatten dat er niet zonder meer gebouwd kan worden op een bodemgevoelige locatie die verontreinigd is (boven interventiewaarden of met onaanvaardbaar risico voor gezondheid). Als er bekende verontreiniging is , moet ofwel eerst sanering plaatsvinden , ofwel moeten er maatregelen/voorwaarden in het plan worden opgenomen die veilig gebruik garanderen. Dit vloeit voort uit het beginsel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de zorgplicht ex artikel 1. 7 Omgevingswet. Bovendien bepaalt de Wet bodembescherming (voor zover nog van toepassing via overgangsrecht) dat bij wijziging van een bestemming naar een gevoeliger functie (bijv. agrarisch naar wonen) het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen dat de bodem geschikt is of geschikt gemaakt wordt. In het onderhavige plan is nagelaten om enige bodem beschermende bepaling op te nemen. De gronden van De Beek 77 krijgen een woonbestemming , terwijl uit onderzoek blijkt dat plaatselijk sprake is van verontreiniging. Dat betekent dat nieuwe bewoners potentieel in contact kunnen komen met bodemverontreiniging (bij tuinen , grondwerk voor funderingen , etc. ) als er niet gesaneerd wordt. De gemeente heeft hierover niets geregeld.

Er is geen voorwaardelijke bepaling " Wonen alleen toegestaan na gesaneerde bodem " of iets dergelijks. Evenmin is een bodemfunctieklassenkaart bijgevoegd of nadere toets. Dit is in strijd met de instructieregel van het Rijk. De gemeente had minimaal moeten vastleggen dat voor de bouw van de woningen de verontreinigde delen van het perceel gesaneerd moeten worden of dat er een schone leeflaag wordt aangebracht. bestaat het dat Nu risico omgevingsvergunningen voor de woningen worden aangevraagd en - los van het planologisch kader - alsnog geweigerd zouden moeten worden wegens bodemgezondheid , wat veel complicaties geeft. Ook richting toekomstige bewoners is dit ongewenst ; zij mogen verwachten dat een woonbestemming inhoudt dat de grond veilig is. De handelwijze van de gemeente getuigt van onvoldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Deze beroepsgrond stelt dat het besluit in strijd is met de Bkl-instructieregels en de zorgvuldigheid , doordat bekende bodemverontreiniging ongeadresseerd blijft. Appellant verzoekt de Afdeling het besluit op dit punt te vernietigen of te voorzien van een instructie. Een mogelijke oplossing (bij behoud van het plan) is dat de Afdeling in haar uitspraak expliciet opneemt dat uit de Omgevingswet voortvloeit dat er niet gebouwd mag worden alvorens de bodem ter plaatse van de woningen aan de eisen voor wonen voldoet , zodat dit alsnog geborgd is.

3. 13 Akoestisch rapport zonder besluit hogere waarden (geluid) Uit het plan-motiveringsrapport blijkt dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen (betreffende de nabijgelegen weg , Flevoweg). Hieruit kwam waarschijnlijk een gevelbelasting naar voren die de standaardwaarden voor een rustige woonomgeving overschrijdt. Immers , voor vrijstaande woningen geldt onder de Wet geluidhinder (oud) een voorkeursgrenswaarde van 48 dB ; de Flevoweg is een drukke 80-km weg door het buitengebied waar geluidsniveaus hoger kunnen liggen. Het college van B&W heeft op 18 februari 2025 inderdaad een ontwerpbesluit hogere grenswaarde (HGB)

14

\S l/V | ^ l\ AA I O I

ŗ

ņ

ADVOCATEN t , I V BELASTINGADVISEURS

vastgesteld en ter inzage gelegd tegelijk met de ontwerp-omgevingsvergunning voor De Beek 75. Bij de definitieve planvaststelling op 14 mei 2025 is geen definitief HGB-besluit openbaar bekendgemaakt. Het omgevingsplan zelf bevat geen regels over toegestane geluidsbelasting of een ontheffing daarvan. Appellant constateert dus dat het plan wel woningen mogelijk maakt , maar dat formeel de hogere toelaatbare geluidswaarde niet is verleend (althans niet kenbaar is verleend) die nodig is om de geluidbelasting boven de standaardwaarde toe te staan.

Onder de Omgevingswet is de systematiek van geluidnieuw (Hoofdstuk 5 Bkl en de Aanvullingsregeling geluid). Voorheen (Wet geluidhinder) moest een apart besluit " hogere waarde " worden genomen door B&W om woningen te mogen toelaten met geluidbelasting boven de voorkeurswaarde. Thans integreert de Omgevingswet de hogerewaardenprocedure in de besluitvorming over het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. Concreet: de standaardwaarde (vergelijkbaar met vroegere voorkeursgrenswaarde) en absolute grenswaarde zijn vastgelegd in het Bkl. Tussen die twee is een " afwegingsgebied " waarbinnen de gemeente de aanvaardbaarheid van een hogere geluidbelasting moet beoordelen (rekening houdend met o. a. het woon- en leefklimaat). Het bevoegd gezag (meestal college) kan dit invullen via beleid en moet de beslissing motiveren. Een apart besluit " hogere waarde " bestaat formeel niet meer , in plaats daarvan moet de planvaststelling of vergunningverlening zelf die hogere waarde toestaan met motivering. De Omgevingswet eist dus dat ofwel in het omgevingsplan zelf gebiedsgericht hogere geluidnormen worden gesteld , of dat bij de vergunning voor de woningen expliciet op de hogere waarde wordt ingegaan. Zonder zo'n integrale beslissing geldt de standaardwaarde als norm en zou de woning niet geluidstechnisch voldoen (onverbindend plan of niet-vergunbaar situatie).

De gemeente heeft weliswaar een ontwerp van een HGB genomen , maar het is onduidelijk of dit ooit is voltooid dan wel geïntegreerd. In het vaststellingsbesluit van het omgevingsplan ontbreekt elke verwijzing naar geluid. Ook is geen apart besluit gepubliceerd. Dit duidt erop dat men dit aspect over het hoofd heeft gezien in de finale besluitvorming. Volgens de nieuwe regels had het college bijvoorbeeld in de toelichting of regels van het omgevingsplan moeten opnemen dat voor de betreffende woningen een hogere waarde (bijv. 53 dB) als aanvaardbaar wordt vastgesteld , inclusief onderbouwing dat het woonklimaat nog goeddeels gewaarborgd is. Nu is dit niet gebeurd , is formeel de situatie zo dat aan de standaardwaarde moet worden voldaan , wat waarschijnlijk niet kan. Dit is een juridisch gebrek. Ofwel het plan is onuitvoerbaar tenzij alsnog een losse hogere-waardenbeschikking wordt genomen (maar dat instrument bestaat niet meer los van vergunning of plan) , of er is een besluit wel genomen maar ten onrechte niet bekendgemaakt. Beide mogelijkheden wijzen op een onregelmatigheid. Appellant heeft belang bij naleving van de juiste procedure , mede omdat een niet-goed gemotiveerde hogere waarde kan wijzen op een te hoog geluidsniveau bij de nieuwe woningen (wat indirect ook de rust van de omgeving raakt).

Conclusie Het bestreden besluit is in strijd met de Omgevingswet/Bkl vanwege het ontbreken van een geïntegreerd hogere-waardenbesluit. Deze beroepsgrond verzoekt uw Afdeling het plan te vernietigen , dan wel de gemeente op te dragen alsnog de

15

\Ş ly\ | ^

l\ AAI I O

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

geluidstoelaatbaarheid vast te leggen conform de wettelijke eisen. Dit betekent dat een nieuwe afweging moet plaatsvinden of het geluidniveau tussen standaard- en grenswaarde toelaatbaar is , met mogelijk aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld extra gevelisolatie , oriëntatie van gevoelige ruimtes weg van de weg , etc. ). Zonder dit is het plan onvolledig. 3. 14 Ontoereikende digitale watertoets (waterparagraaf) De ontwerpstukken bevatten een beknopte " waterparagraaf " gegenereerd via een digitaal watertoets-instrument. Hierin is in algemene termen gesteld dat de ontwikkeling geen significante invloed heeft op het watersysteem en dat voldaan wordt aan de eisen van infiltratie en afvoer. Echter , het lijkt erop dat er bij Waterschap Vallei en Veluwe is géén uitgebreid wateradvies is gevraagd voor dit plan. De digitale watertoets is een eerste stap , maar normaliter volgt daarop een dialoog met het waterschap bij projecten die niet geheel in de categorie " geen waterbelang " vallen. Het perceel ligt in een buitengebied met mogelijke afstroming naar nabijgelegen beken (de Beek/Uddelermeer beek) en kent mogelijk een hogere grondwaterstand. Ook betreft de ontwikkeling extra verhard oppervlak (opritten , daken) dat waterbeheer vergt. Er zijn geen specifieke maatregelen in het plan opgenomen voor waterberging , nor is een waterschap advies bij de zienswijzen verwerkt.

Appellant vermoedt dat het waterbelang onvoldoende is onderzocht. Het waterbelang dient bij elk ruimtelijk plan expliciet te worden afgewogen (W" atertoets)." Onder het oude recht was art. 3. 1. 6 Besluit ruimtelijke ordening van toepassing ; onder de Omgevingswet is dit geïntegreerd in de algemene afwegingsruimte , ondersteund door beleidsafspraken tussen Rijk , provincies , gemeenten en waterschappen. De Unie van Waterschappen heeft samen met het IPO en VNG de Handreiking weging van het waterbelang opgesteld , waarin het proces en de inhoud van de watertoets onder de Omgevingswet is beschreven. Hieruit volgt dat voor vrijwel alle plannen (behalve zeer kleinschalige binnenstedelijke functiewijzigingen) minstens een korte procedure moet worden doorlopen: de initiatiefnemer vult een digitale watertoets in én overlegt die concept-waterparagraaf met het waterschap voor advies. Bij grotere gevolgen volgt een normale procedure met intensiever overleg en maatwerkoplossingen. Het waterschap heeft de rol van adviesorgaan in deze (geen veto , maar wel belangrijke inbreng). Doel is om te zorgen dat waterveiligheid , voldoende water en schoon water geborgd blijven bij nieuwe ontwikkelingen.

Aspecten zijn bijvoorbeeld: toename van verharding moet worden gecompenseerd met infiltratievoorzieningen , nieuwe kelders of kruipruimtes moeten droog blijven (grondwater) , geen verslechtering van waterkwaliteit door lozingen , enz. Een omgevingsplan moet deze aspecten minimaal in de toelichting behandelen en waar nodig in regels (bijvoorbeeld een eis tot afkoppelen regenwater) vastleggen. In het vastgestelde plan " De Beek 77 " is de waterparagraaf zó summier en generiek dat het de vraag is of er serieus naar de lokale situatie is gekeken. Er staat bijvoorbeeld (fictief voorbeeld) dat " het regenwater kan worden geïnfiltreerd in de bodem " zonder verdere onderbouwing of berekening. Ook lees ik niets over de nabijgelegen beek en of de ontwikkeling daar invloed op kan hebben qua afstroming of ecologie.

16

\Ş ly\ | ^

l\ AAI I O

^

ņ

ADVOCATEN t ,

I V BELASTINGADVISEURS

Het waterschap Vallei en Veluwe is niet vermeld als adviseur. Klaarblijkelijk is geen formeel wateradvies uitgebracht. Dit is opmerkelijk , omdat de watertoetsprocedure voorschrijft dat zelfs na een digitale watertoets een conceptwaterparagraaf ter commentaar aan het waterschap wordt voorgelegd. Dat lijkt hier niet gebeurd. De gemeente heeft dus eenzijdig volstaan met een standaardtekst. Daarmee is niet verzekerd dat het plan volledig voldoet aan alle waterhuishoudkundige eisen. Zo zou achteraf kunnen blijken dat bij hevige regenval de nieuwe huizen wateroverlast krijgen of dat extra drainage nodig is , zaken die beter vooraf waren bekeken. Conclusie Deze beroepsgrond luidt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid doordat de watertoets niet serieus is uitgevoerd. In strijd met de afspraken en artikel 3:2 Awb heeft geen inhoudelijk overleg met het waterschap plaatsgevonden. Appellant

verzoekt de Afdeling dit gebrek te erkennen. De consequentie zou zijn dat het planbesluit deels wordt vernietigd of geschorst totdat een volwaardig wateradvies is ingewonnen en verwerkt. Mocht uw Afdeling daartoe niet willen overgaan , dan wordt verzocht om minstens in de uitspraak te benadrukken dat de gemeente alsnog het gesprek met het waterschap moet voeren bij de uitwerking (bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunningsfase) om te borgen dat geen waterproblemen zullen ontstaan. moeten

3. 15 Natuurtoets - quikscan niet juridisch geborgd Het dossier bevat een Natuurtoets (quickscan) d. d. 4 oktober 2024 waarin de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten wordt gesignaleerd en mitigerende maatregelen worden aanbevolen . Ontbrekende planregeling De quickscan is louter informatief ; het omgevingsplan bevat geen voorwaardelijke verplichting die de uitvoering van de geadviseerde maatregelen (tijdstip sloop , vervangende verblijfplaatsen , vervolgonderzoek) rechts- en handhaafbaar maakt. Geen vervolgtraject Wnb-ontheffing De quickscan benoemt dat na detailontwerp een nadere inventarisatie en - indien nodig - een ontheffing ex art. 3. 3/3. S Wnb vereist zijn , maar koppelt dit niet aan een planvoorwaarde. Daarmee is niet verzekerd dat het project vóór realisatie aan de soortbeschermingsregels zal voldoen. Actualiteitsrisico Quickscans voor vleermuizen en broedvogels zijn volgens de Handreiking fiorafaunaonderzoek 2022 maximaal één jaar actueel. Bij planvaststelling (14 mei 2025) was de quickscan nog net geldig ; tijdens uitvoering in 2026 is actualisatie noodzakelijk. Ook dat is niet planologisch geborgd. GNN-component ontbreekt De natuurtoets ziet uitsluitend op soortenbescherming GNN-oppervlak (beroepsgrond 3. 6) onverlet.

en

laat de aantasting

van

Juridische consequentie Door de quickscan niet te vertalen in bindende planregels en het vervolgtraject niet te borgen , heeft de raad: gehandeld in strijd met art. 2. 7 en 2. 8 Wet natuurbescherming , de instructieregel van art. 4. 2 , lid 1 , onder a Bkl (bescherming gezondheid en veiligheid) niet nageleefd , en

17

| KAISER

iisnncorsrs

het besluit

-

onvoldoende

zorgvuldig

voorbereid

(art. 3:2 Awb).

Conclusie

Appellanten -

0

o

verzoeken uw Afdeling: het planonderdeel te vernietigen , dan wel ; de raad op te dragen een planregel op te nemen die: uitvoering van de mitigerende maatregelen uit de quickscan verplicht , een actuele veldinventarisatie vóór sloop/bouw vereist , en realisatie afhankelijk stelt van een geldige Wnb-ontheffing indien uit vervolgtoets blijkt dat dat noodzakelijk is.

de

3. 16 Conclusie en verzoek Gelet op al het voorgaande verzoekt appellant uw Afdeling bestuursrechtspraak om het bestreden omgevingsplan “Tam-omgevingsplan hoofdstuk 22b , De Beek 77” te vernietigen. Indien uw Afdeling bepaalde gebreken herstelbaar acht , verzoekt appellant u om gebruik te maken van de bestuurlijke lus ex art. 8:51a Awb , zodat de gemeenteraad de kans krijgt om alsnog , met inachtneming van de uitspraak , de genoemde leemten en onrechtmatigheden te herstellen (bijvoorbeeld door een aanzien vast te stellen met ten van plan voorzieningen aangepast

natuurcompensatie ,

participatie , ontsluiting , etc. ).

Appellant

behoudt zich het recht voor om nadere inhoudelijke argumenten indien nieuwe stukken opduiken in de beroepsfase (bijvoorbeeld rapporten of verweerschriften van de gemeente). voeren

aan

te

nadere

Appellanten verzoeken uw Afdeling het beroep gegrond te verklaren en het besluit tot vaststelling het omgevingsplan (De Beek 77) te vernietigen , met veroordeling van de gemeenteraad in de proceskosten van appellant.

(geanonimiseerd)

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16997175/1