Gewijzigde plantoelichting e260016590
Tekst van het document
Nr. 02330015107187 Zaaknr. 02330000067285
BIJLAGE 3 Wijzigingen plantoelichting De plantoelichting bij het bestemmingsplan ‘Haspel 99-129’ zoals vastgesteld bij besluit van 10 juli 2024, wordt met dit herstelbesluit als volgt gewijzigd: 1.
In paragraaf 1.1 wordt onderaan de tekst het kopje ‘Herstelbesluit’ toegevoegd, waaronder de volgende tekst wordt toegevoegd: “Bij besluit van 10 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan ‘Haspel 99-129’ vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt een eindsituatie voor de bestaande pallet- en timmerfabriek aan de Haspel 99-101 mogelijk. Daarnaast maakt het bestemmingsplan woningbouw aan de Haspel 123a en aan de Haspel 123-129 mogelijk. Tegen het bestemmingsplan is door drie partijen beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’). Mede gelet op de ingediende beroepen heeft de raad aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 6:19 van de Awb, een herstelbesluit te nemen. Met dit herstelbesluit is een aantal geconstateerde gebreken/onduidelijkheden hersteld. De wijzigingen zien op twee aspecten, namelijk stikstof (Natura 2000 (en daarmee samenhangend mer)) en landschappelijke inpassing. Stikstof (Natura 2000) Voor wat betreft stikstof heeft de raad geconstateerd dat het stikstofonderzoek bij het oorspronkelijke bestemmingsplan niet toereikend was. Voor het herstelbesluit is daarom een (nieuwe) passende beoordeling gemaakt, met een nieuw stikstofonderzoek. Het (nieuwe) stikstofonderzoek opgesteld door Tauw is opgenomen in bijlage 12 bij de plantoelichting.
In het nieuwe stikstofonderzoek is per ruimtelijke ontwikkeling en voor het plan als geheel beoordeeld of sprake is van mogelijke significante gevolgen op Natura 2000-gebieden en of de natuurlijke kenmerken van de betreffende gebieden worden aangetast. Daarbij is, waar nodig, op verschillende punten ook een nadere onderbouwing gegeven (ten opzichte van het stikstofrapport bij het oorspronkelijke bestemmingsplan). Uit het nieuwe stikstofonderzoek volgt dat de ruimtelijke ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt op zichzelf leiden tot stikstofdepositiegevolgen in Natura 2000-gebieden, maar dat na toepassing van mitigerende maatregelen (in de vorm van interne saldering met de feitelijke planologisch legale situatie van de pallet- en timmerfabriek en saldering met drie feitelijk nog aanwezige en natuurvergunde eendenverblijven), geen sprake is van een toename van stikstofdepositie (nergens wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar). Dat geldt zowel voor de drie afzonderlijk te beschouwen woningbouw-ruimtelijke ontwikkelingen waarin het plan voorziet, voor de uitbreiding van de bestaande palletfabriek, als voor het plan als geheel.
onze ref. pagina
02330015107187 2 van 13
Mede gelet op de ingediende beroepsgronden is er namelijk voor gekozen om iedere ruimtelijke ontwikkeling te laten voorzien in eigen salderingsruimte die meer dan toereikend is om voor iedere ruimtelijke ontwikkeling en het plan als geheel per saldo op 0,00 mol N/ha/jaar uit te komen. Gemiddeld is slechts 20% van de toegepaste salderingsruimte als mitigerende maatregel nodig om ervoor zorg te dragen dat alle ruimtelijke ontwikkelingen uit het plan tezamen niet leiden tot een stikstofdepositie-effect. Nu het plan wel borgt dat de toegepaste saldering volledig wordt ingetrokken (middels voorwaardelijke verplichtingen) betekent dit dat 80 procent van de in te trekken saldering ten goede komt aan de natuur. Ter zijde zij opgemerkt dat voor de woningbouwontwikkelingen waarin het plan voorziet, dit percentage nog (veel) hoger ligt. Uit de verschillende berekeningen zoals toegelicht in het nieuwe stikstofonderzoek van Tauw, volgt dat geen sprake is van een toename, maar zelfs van een duidelijke afname. Om zeker te stellen dat uitvoering wordt gegeven aan de toegepaste saldering, zijn salderingsovereenkomsten gesloten tussen de initiatiefnemers van de afzonderlijke ruimtelijke ontwikkelingen en de houder van de natuurvergunning. Daarnaast borgt het plan met voorwaardelijke verplichtingen dat de natuurvergunning tijdig (partieel) wordt ingetrokken.
Ook borgt het plan met voorwaardelijke verplichtingen dat er niet meer (bedrijfs)emissies ontstaan, dan waar in het stikstofonderzoek vanuit is gegaan (met onder meer een emissienorm voor de stookinstallatie van de palletfabriek, motorvoertuigen die samenhangen met bezoeken aan de palletfabriek en een borging dat andere bedrijfsemissies niet zijn toegestaan dan waar rekening mee is gehouden in het stikstofonderzoek). Onder bezoeken aan de palletfabriek wordt mede verstaan bezoeken door werknemers en overige bezoekers van het bedrijf. Gelet op de uitkomsten van het stikstofonderzoek (door de inzet van mitigerende maatregelen ontstaat op geen enkel hexagoon met stikstofgevoelige habitats in de Veluwe een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar) is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwe niet worden aangetast. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat het (herstelde) bestemmingsplan in overeenstemming met het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht kan worden vastgesteld. Vanwege het nieuwe stikstofonderzoek (in de vorm van een passende beoordeling) is verder ook een nieuwe mer-beoordelingsnotitie opgesteld. Dit betreft een gecombineerde plan- en project-merbeoordelingsnotitie. Hierop is een (nieuw) gecombineerd plan- en project-mer-beoordelingsbesluit genomen. Conclusie is dat het bestemmingsplan niet leidt tot belangrijke c.q.
aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu, en dat voor het bestemmingsplan dus ook geen plan- of projectmilieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Landschappelijke inpassing Voor wat betreft landschappelijke inpassing heeft de raad geconstateerd dat de artikelen 12.4 en 12.6 van de oorspronkelijke planregels onvoldoende sluitend waren. In het oorspronkelijke bestemmingsplan was de landschappelijke inpassing geregeld in de algemene gebruiksregels, in de artikelen 12.4 en 12.6 van de planregels (deze golden dus voor alle bestemmingen). In artikel 12.4 was een voorwaardelijke verplichting opgenomen over de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing van het plangebied, conform het landschappelijk inpassingsplan. In artikel 12.6 was een voorwaardelijke verplichting opgenomen over de realisering en instandhouding van een grondwal aan de noordzijde van het plangebied.
onze ref. pagina
02330015107187 3 van 13
De raad heeft geconstateerd dat (-) het niet voldoende duidelijk was wat met ‘de benodigde omgevingsvergunningen’ bedoeld werd en wat er gebeurde als er geen omgevingsvergunningen meer nodig waren en/of zouden worden aangevraagd, (-) het onwenselijk was dat de woningbouwontwikkeling afhankelijk werd gesteld van de landschappelijke inpassing/het realiseren van een grondwal van/bij de pallet- en timmerfabriek (en andersom) en (-) de voorwaardelijke verplichting ook onbedoeld op bestaand (legaal) gebruik zagen en daarom onbedoeld een gebodsbepaling inhielden. Gelet op het vorenstaande zijn de artikelen 12.4 en 12.6 met het herstelbesluit geschrapt. Daarvoor in de plaats zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die specifiek gelden voor de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming ‘Bedrijf’, De voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing en de voorwaardelijke verplichting voor de grondwal voor de pallet- en timmerfabriek zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels voor de bestemming ‘Bedrijf’, in artikel 3.3.2 en artikel 3.3.3 van de planregels. De voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing voor de woningbouwontwikkeling is opgenomen in de specifieke gebruiksregels voor de bestemming ‘Wonen’, in artikel 9.4.3 van de planregels.
Op deze manier gelden de voorwaardelijke verplichtingen om te voorzien in landschappelijke inpassing en een grondwal zoals opgenomen in de planregels voor de bestemming 'Bedrijf' alleen voor de landschappelijke inpassing en de grondwal in het deelgebied waar de pallet- en timmerfabriek is gevestigd. De voorwaardelijke verplichting om te voorzien in landschappelijke inpassing zoals opgenomen in de planregels voor de bestemming 'Wonen' geldt alleen voor de landschappelijke inpassing in het deelgebied waar de woningbouwontwikkeling wordt voorzien. Daarnaast zijn de voorwaardelijke verplichtingen in artikel 3.3.2, artikel 3.3.3 en artikel 9.4.3 van de planregels met het herstelbesluit zo ge(her)formuleerd dat deze voldoende duidelijk zijn (aan de voorwaardelijke verplichtingen is een duidelijke termijn van 3 jaar gekoppeld) en ook niet meer op bestaand legaal gebruik zien. Verder is aan het herstelbesluit ook een nieuwe versie van het landschappelijk inpassingsplan ten grondslag gelegd (opgenomen in bijlage 3 bij de planregels en bijlage 4 bij de plantoelichting). In de nieuwe versie van het landschappelijk inpassingsplan heeft een actualisatie plaatsgevonden en is een aantal punten nader uitgewerkt/verduidelijkt. De inhoud en strekking van het landschappelijk inpassingsplan is ongewijzigd gebleven.
Zo is in de nieuwe versie van het landschappelijk inpassingsplan, mede naar aanleiding van een beroepsgrond tegen het bestemmingsplan, een beschrijving toegevoegd van de wijze van onderhoud van de bosstrook (conform de ‘Beheervisie en beheerplan Haspel 99-129’). Daarnaast is ook nader uitgewerkt/verduidelijkt hoe de groenstrook tussen de zuidwestzijde van de bestemmingsvlakken ‘Wonen’ en de paardenmennerij aan de Haspel 121 moet worden ingericht (mede gelet op het beperken van milieugevolgen). Conclusie Met het herstelbesluit is een aantal geconstateerde gebreken/onduidelijkheden hersteld. Hiermee is het bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en de (overige) weten regelgeving en wordt ook tegemoetgekomen aan de ingediende beroepen tegen het bestemmingsplan.”
onze ref. pagina
02330015107187 4 van 13
2.
In paragraaf 2.2.2 van de plantoelichting wordt onderaan de volgende tekst toegevoegd: “De landschappelijke inpassing zorgt daarnaast ook voor beperking van de effecten de activiteiten in het plangebied voor de omgeving. Zo zorgt de aanplanting en/of instandhouding van groen(structuren) aan de randen van plangebied ervoor dat het zicht op de bebouwing in het plangebied wordt beperkt, maar ook dat eventuele milieueffecten worden beperkt.”
3.
In paragraaf 2.2.2 van de plantoelichting wordt onder de nieuwe tekst zoals verwoord onder punt 2, het kopje ‘Borging landschappelijke inpassing’ toegevoegd, waaronder de volgende tekst wordt toegevoegd: “Gelet op het belang van de landschappelijke inpassing is de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan ook geborgd in de planregels. De landschappelijke inpassing van de pallet- en timmerfabriek is geborgd in artikel 3.3.2 en artikel 3.3.3 van de planregels. De landschappelijke inpassing van de woningbouwontwikkeling is geborgd in artikel 9.4.3 van de planregels. De landschappelijke inpassing is geborgd in de vorm van voorwaardelijke verplichtingen. De uitbreiding van de pallet- en timmerfabriek is alleen toegestaan wanneer binnen drie jaar na het onherroepelijk van het bestemmingsplan de fabriek conform het landschappelijk inpassingsplan is ingepast en ook een grondwal tussen de fabriek en het naastgelegen recreatiepark is gerealiseerd. De bouw en ingebruikname van de nieuwe woningen is alleen toegestaan wanneer binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de woningbouwontwikkeling conform het landschappelijk inpassingsplan is ingepast. Zie meer uitgebreid ook paragraaf 1.1 van de plantoelichting, waarin de wijzigingen als gevolg van het herstelbesluit zijn toegelicht.”
4.
In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting wordt de eerste alinea onder het kopje ‘Algemeen’ als volgt geherformuleerd “Op 21 december 2022 hebben Provinciale Staten een geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) vastgesteld. Dit betreft een versie waarin alle actualisaties van de jaren ervoor zijn opgenomen in de oorspronkelijke omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is per genoemde datum voor het laatst geactualiseerd. Dit betreft de versie zoals die gold op 31 december 2023”
5.
In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting wordt de laatste alinea onder het kopje ‘Van toepassing zijde artikelen’ als volgt geherformuleerd: “De artikelen 2.2, 2.12, 2.38 en 2.56 en 4a van de Omgevingsverordening zijn van toepassing op (activiteiten in) het plangebied. Hierna wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan deze artikelen.”
onze ref. pagina
02330015107187 5 van 13
6.
In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting wordt onder het kopje ‘Van toepassing zijnde artikelen’ onderaan de tekst, de volgende tekst toegevoegd: “Artikel 4a (voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland) Alhoewel er getoetst moet worden aan de omgevingsverordening zoals die gold voor 1 januari 2024, zijn zorgvuldigheidshalve ook de voorbeschermingsregels ten aanzien van stikstof, zoals die volgen uit de vigerende omgevingsverordening, betrokken. In dat kader is gekeken naar artikel 4a van de ‘Omgevingsverordening Gelderland (inwerking 14 november 2025)’. In artikel 4a van de Omgevingsverordening zijn sinds 23 april 2025 voorbeschermingsregels opgenomen die zien op activiteiten in het zogenoemde ‘beperkingengebied stikstofemissie’ en die stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken. Het plangebied ligt in het beperkingengebied stikstofemissie. Kort gezegd houden de voorbeschermingsregels in dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning binnen het beperkingengebied een activiteit (nieuwe activiteit of uitbreiding van bestaande activiteit) met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur binnen de aangegeven Natura 2000-gebieden te verrichten. Deze omgevingsvergunningplicht is opgenomen in artikel 4a.3 van de Omgevingsverordening.
In de artikel 4a.4 tot en met 4.a.5 is deze regeling nader uitgewerkt (voorwaarden waaronder omgevingsvergunning kan worden verleend en uitzonderingssituaties). In artikel 4a.6 van de Omgevingsverordening is echter overgangsrecht opgenomen. In artikel 4a.6 lid 3 staat: “Voor zover voor een activiteit met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur binnen één of meer van de aangegeven Natura 2000-gebieden een besluit in voorbereiding is tot het vaststellen of wijzigen van het omgevingsplan, het nemen van een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, is artikel 4a.3 niet van toepassing, als vóór de datum van inwerkingtreding het ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.” Nu onderhavig herstelbesluit een herstelbesluit betreft die ziet op het bestemmingsplan dat is vastgesteld bij besluit van 10 juli 2024 en de voorbeschermingsregels inwerking zijn getreden op 23 april 2025, vallen de activiteiten in het plangebied onder het overgangsrecht en zijn de voorbeschermingsregels dus niet van toepassing op de activiteiten in het plangebied.”
7.
In paragraaf 4.1.4 van de plantoelichting wordt onder het kopje ‘Haspel 121’ onderaan het subkopje ‘Ruimtelijke aanvaardbaarheid’ de volgende tekst toegevoegd: “De zuidwestzijde van de bestemmingsvlakken ‘Wonen' grenst nagenoeg aan de paardenmennerij aan de Haspel 121. Op het perceel mogen paarden worden gehouden (een manege is niét toegestaan).
onze ref. pagina
02330015107187 6 van 13
De afstand van het meest zuidwestelijk gelegen bestemmingsvlak Wonen', waarbinnen 3 nieuwe vrijstaande woningen worden toegestaan, tot aan het perceel Haspel 121 bedraagt circa 7,6 meter. De afstand van de overige bestemmingsvlakken met de bestemming 'Wonen' tot aan het perceel Haspel 121 bedraagt zoals reeds opgemerkt ten minste 50 meter. Zie ter illustratie onderstaande afbeelding:
Figuur 4.2 Afstand perceel Haspel 121 tot woningen De raad is van oordeel dat het ruimtelijk aanvaardbaar is om drie vrijstaande woningen op relatief korte afstand van het perceel Haspel 121 toe te staan, ondanks dat niet wordt voldaan aan de VNGrichtafstand van 30 meter. De raad acht daarbij het volgende van belang. In de VNG-Brochure zijn alleen richtafstanden opgenomen voor een manege en voor een paardenfokkerij. Daarvoor geldt, in een gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter. In dit geval is echter géén sprake van een manege (dat is uitdrukkelijk niet toegestaan) of van een paardenfokkerij. In zoverre is het de vraag of de VNG-richtafstand van 30 meter ook van toepassing moet worden verklaard op onderhavige situatie. Hoe dan ook is de raad van oordeel dat het, gelet op de aard, omvang en intensiteit van het gebruik, ruimtelijk aanvaardbaar is om 3 woningen op een korte afstand van de paardenmennerij toe te staan. De raad heeft daarvoor de volgende redenen: • de bedrijfsbebouwing (stallen, schuren, mestcontainer etc.) ligt aan de andere kant van het perceel, op ruime afstand van de woonbestemming/bouwvlakken binnen de woonbestemming; 1. de kortste afstand tussen de bedrijfsbebouwing en de bouwvlakken in de woonbestemming bedraagt circa 43 meter; 2. de kortste afstand tussen de bedrijfsbestemming en de woonbestemming bedraagt circa 36 meter;
onze ref. pagina
02330015107187 7 van 13
3. •
•
•
gelet op de ligging van het bouwvlak op het perceel Haspel 121 is het planologisch ook niet mogelijk om de bedrijfsbebouwing dichter bij de woonbestemming te realiseren; de afstand tussen het dierenverblijf (lees: paardenstallen) en de bouwvlakken binnen de woonbestemming bedraagt tenminste 50 meter, waarmee ook wordt voldaan aan de 50-meterafstandseis voor geur uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (zie hiervoor en het advies van de Omgevingsdienst van 23 januari 2024); de afstand tussen locatie van de mestopslag conform de milieumelding van 2018 (zie de afbeelding hieronder) en de bouwvlakken binnen de woonbestemming bedraagt eveneens ten minste 50 meter; de afstand tussen de locatie van de mestopslag conform de milieumelding van 2018 (zie de afbeelding hieronder) en de woonbestemming bedraagt circa 45 meter;
Figuur 4.3 Locatie mestopslag • •
aan kant van de woonbestemmingen liggen met name weilanden waar de paarden grazen, hetgeen voor weinig tot geen overlast zal zorgen; de paarden(buiten)bak ligt op een korte afstand tot de woonbestemming, maar zal ook beperkt tot overlast leiden, omdat: 1. het rijden in/ gebruik van de buitenbak maar op korte momenten van de dag plaatsvindt; 2. tussen de woonbestemming en het perceel aan de Haspel 121 een groenstrook ligt (met de bestemming 'Natuur'), waar volgens het landschappelijk inpassingsplan een houtwal (met bijvoorbeeld eiken, berken en essen) en zoomvegetatie (met bijvoorbeeld meidoorn, sleedoorn, lijsterbes en vuilboom) gerealiseerd moet worden en in stand moet worden gehouden. Daarbij geldt dat een hoge, groenblijvende groenvoorziening moet worden geplaatst (zie ook pagina 7 van het landschappelijk inpassingsplan). Dit is ook geborgd via artikel 9.4.3 van de planregels. Hierdoor wordt bijvoorbeeld eventuele stofoverlast of lichtoverlast als gevolg van gebruik van de paardenbak voorkomen.”
De daaropvolgende figuren in hoofdstuk 4 zijn vanwege het toevoegen van vorenstaande figuren 4.2 en 4.3 overeenkomstig doorgenummerd, evenals de bijbehorende verwijzingen in de bijbehorende tekst.
onze ref. pagina
02330015107187 8 van 13
8.
In paragraaf 4.7 van de plantoelichting wordt de tekst onder het kopje ‘Gebiedsbescherming’, onder het kopje ‘Natura-2000 gebieden’ vervangen door de volgende tekst: “Sinds 1 januari 2024 is het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht geregeld in de Omgevingswet en het daaronder hangende Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Vóór 1 januari 2024 was het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). De Wnb is per 1 januari 2024 komen te vervallen. Uit artikel 4.6 lid 3 Invoeringswet Omgevingswet volgt dat op het voorliggende bestemmingsplan het recht van toepassing is, zoals dat luidde vóór 1 januari 2024 (het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet), totdat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. Voor een plan met ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzocht worden of sprake is van een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7 lid 1 Wnb). Voorzover in plannen geen ruimtelijke ontwikkeling zijn opgenomen, hoeft de Natura 2000-plantoets niet te worden doorlopen.
Wanneer sprake is van een plan met ruimtelijke ontwikkelingen die op zichzelf beschouwd een stikstofdepositiebijdrage op Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een of meerdere voor stikstofdepositie gevoelige hexagonen in een (naderend) overbelaste situatie heeft, heeft dat plan in potentie een significant effect. Bij een toename van de stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets onderzocht worden of de effecten van deze toename op de Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. In die voortoets mag geen rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen. Wanneer in de voortoets significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, moet op grond van artikel 2.8 Wnb voor het plan een passende beoordeling worden doorlopen. In de passende beoordeling (en niet in de voortoets) mag rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen. Een mitigerende maatregel is een maatregel die beoogt eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan voortvloeien te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Het plan mag dan alleen worden vastgesteld wanneer uit die passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast, gelet op de instandhoudingsdoelen (daargelaten de ADC-toets). Dat volgt uit artikel 2.8 lid 3 Wnb. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie berekend als gevolg van plannen op alle stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden. Wanneer de depositie op alle relevante hexagonen in de omliggende Natura 2000-gebieden na saldering in de passende beoordeling op 0,00 mol N/ha/jaar uitkomt, is verzekerd dat het plan de natuurlijke kenmerken niet aantast en kan het bestemmingsplan in overeenstemming met (artikel 2.8 lid 3 Wnb) het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht worden vastgesteld. Wordt voor een bestemmingsplan een passende beoordeling opgesteld, dan geldt er daarnaast ook een verplichting om voor het plan een plan-mer(-beoordeling) te doorlopen.
onze ref. pagina
02330015107187 9 van 13
Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 januari 2026 Op 14 januari 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan over toepassing van intern salderen in de plantoets (AbRS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld)). Op basis hiervan dient intern salderen in de Natura 2000plantoets te worden aangemerkt als een mitigerende maatregel die niet meer mag worden betrokken in de voortoets. Intern salderen moet nu plaatsvinden in de passende beoordeling gelijk de inzet van andere salderingsmaatregelen (zoals salderen met natuurvergund gebruik). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zal aantasten (zie hiervoor). Omdat intern salderen een mitigerende maatregel betreft, moet ook getoetst worden aan het additionaliteitsvereiste gelijk voor salderen en andere mitigerende maatregelen het geval is. Er geldt (zo volgt uit de 14 januari uitspraak) voor wat betreft de additionaliteitstoets bij gemeentelijke plannen echter een “vergewisplicht”. Dit betekent dat de gemeenteraad moet motiveren dat de interne saldering gelijk andere salderingsmaatregelen, voor zover die als mitigerende maatregel wordt ingezet, niet nodig is als instandhoudingsmaatregel of als passende maatregel.
Maar, omdat de gemeenteraad geen bevoegdheden heeft ten aanzien van in te zetten maatregelen om de staat van Natura 2000-gebieden te verbeteren, “kan hij enkel op basis van openbare gegevens komen tot een invulling van de motiveringsverplichting”, aldus de Afdeling. Dit “betekent dat de raad aan zijn motiveringsverplichting kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie [de salderingsmaatregel] nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel.” 9.
In paragraaf 4.7 van de plantoelichting wordt de tekst onder het kopje ‘Onderzoek’, onder het kopje ‘Stikstofdepositie’ vervangen door de volgende tekst: “Uit het nieuwe stikstofonderzoek opgesteld door Tauw (bijlage 12 bij de plantoelichting) volgt dat de ruimtelijke ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt op zichzelf leiden tot stikstofdepositiegevolgen in Natura 2000-gebieden, maar dat na toepassing van mitigerende maatregelen (in de vorm van interne saldering met de feitelijke planologisch legale situatie van de pallet- en timmerfabriek en saldering met drie feitelijk nog aanwezige en natuurvergunde eendenverblijven), geen sprake is van een toename van stikstofdepositie (nergens wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar). Dat geldt zowel voor de drie afzonderlijk te beschouwen woningbouw-ruimtelijke ontwikkelingen waarin het plan voorziet, als voor de uitbreiding van de bestaande palletfabriek, als voor het plan als geheel. Mede gelet op de ingediende beroepsgronden is er voor gekozen om iedere ruimtelijke ontwikkeling te laten voorzien in eigen salderingsruimte die meer dan toereikend is om voor iedere ruimtelijke ontwikkeling en het plan als geheel per saldo op 0,00 mol N/ha/jaar uit te komen.
Gemiddeld is slechts 20% van de toegepaste salderingsruimte als mitigerende maatregel nodig om ervoor zorg te dragen dat alle ruimtelijke ontwikkelingen uit het plan tezamen niet leiden tot een stikstofdepositieeffect. Nu het plan wel borgt dat de toegepaste saldering volledig wordt ingetrokken (middels voorwaardelijke verplichtingen) betekent dit dat 80 procent van de in te trekken saldering ten goede komt aan de natuur. Ter zijde zij opgemerkt dat voor de afzonderlijke woningbouwontwikkelingen waarin het plan voorziet, dit percentage nog (veel) hoger ligt. Uit de verschillende berekeningen zoals toegelicht in het nieuwe stikstofonderzoek van Tauw, volgt dat geen sprake is van een toename, maar zelfs van een duidelijke afname.
onze ref. pagina
02330015107187 10 van 13
Om zeker te stellen dat uitvoering wordt gegeven aan de toegepaste saldering, zijn de salderingsovereenkomsten, gesloten tussen de initiatiefnemers van de afzonderlijke ruimtelijke ontwikkelingen en de houder van de natuurvergunning, beoordeeld (opgenomen in de bijlage bij het stikstofonderzoek (bijlage 12 bij de plantoelichting). Om te borgen dat de mitigerende maatregelen waarmee in de passende beoordeling rekening is gehouden, daadwerkelijk en tijdig worden genomen en dat niet meer stikstofemissies worden uitgestoten dan waar in het stikstofonderzoek vanuit is gegaan, is in de planregels van het herstelbesluit een aantal voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van stikstof opgenomen. Met deze voorwaardelijke verplichtingen is allereerst geregeld dat de ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied alleen zijn toegestaan voor zover de natuur- en milieuvergunning voor de betreffende eendenstallen ook daadwerkelijk (partieel) is ingetrokken. De voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen de artikelen 3.3.4 (bestemming ‘Bedrijf’) en 9.4.4 (bestemming ‘Wonen’) van de planregels. Daarnaast is artikel 3.1 onder k. van de planregels met dit herstelbesluit geschrapt. In dat artikel werd verwezen naar een beschrijving in het vorige stikstofrapport dat met het geactualiseerde stikstofrapport, opgesteld door Tauw, is vervangen.
In het herstelbesluit is ervoor gekozen om niet meer te volstaan met een verwijzing in de planregels naar een (algemene) beschrijving van de voorgenomen activiteit, maar om de relevante stikstofemissiebronnen die het uitgangspunt vormen voor het berekenen van de emissie van het bestemmingsplan in de planregels te verankeren. Zodat de maximale mogelijkheden van het plan aansluiten bij het stikstofonderzoek. Zie hiervoor onder meer de voorwaardelijke verplichting met de maximale emissienorm en locatie gekoppeld aan de stookinstallatie. En bijvoorbeeld de voorwaardelijke verplichting waarmee geborgd is dat het bedrijf geen andere bedrijfsemissies mag uitstoten, dan de stookinstallatie en de motorvoertuigbewegingen die samenhangen met bezoeken. Met deze laatste voorwaardelijke verplichting is bijvoorbeeld ook geborgd dat de feitelijke aanwezige dieselheftrucks vervangen worden door elektrische heftrucks (zodat ook in zoverre één-op-één wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit het stikstofonderzoek en voorzien wordt in voldoende borging dat de verduurzamingsmaatregelen waar in het stikstofonderzoek vanuit is gegaan worden uitgevoerd. In hoofdstuk 9 uit het stikstofonderzoek (bijlage 12 plantoelichting) is getoetst aan het additionaliteitsvereiste, gelet op de vergewisplicht die de raad in dit geval heeft.
Gelet op dat onderzoek kan geconcludeerd worden dat het additionaliteitsvereiste niet in de weg staat aan de inzet van de salderingsmaatregelen als mitigerende maatregel. In de openbaar raadpleegbare gegevens staan geen aanwijzingen dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen voor de Veluwe (gedeputeerde staten) de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie en de toegepaste salderingsmaatregelen voor zover die als mitigerende maatregelen worden toegepast in de salderingsberekeningen nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Dit komt vooral omdat ruim wordt gesaldeerd. Gemiddeld is slechts 20% van de salderingsruimte nodig als mitigerende maatregel. De maatregelen die de provincie treft voor de Veluwe vallen alle ruim binnen de (gemiddeld 80%) afroming die in de salderingsberekeningen is toegepast (en daarmee niet als mitigerende maatregel is ingezet).
onze ref. pagina
02330015107187 11 van 13
Dit betekent dat de mitigerende maatregelen ook gelet op het additionaliteitsvereiste in de stikstofberekeningen kunnen worden betrokken. De inzet van de stikstofruimte die ingezet wordt als mitigerende maatregel is niet nodig om de blijvende en noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Veluwe te realiseren, gelet op de andere maatregelen die reeds in uitvoering zijn en de maatregelen die beoogd worden om binnen afzienbare termijn uit te voeren, zoals die volgen uit de beschikbare en geraadpleegde openbare gegevens. Gelet op de resultaten van het stikstofonderzoek (door de inzet van mitigerende maatregelen ontstaat op geen enkel hexagoon met stikstofgevoelige habitats in de Veluwe een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar), de toetsing aan het additionaliteitsvereiste (vergewisplicht) en gelet op de borging neergelegd in de planregels, is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwe door het bestemmingsplan niet worden aangetast. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat het (herstelde) bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming kan worden vastgesteld.” 10.
Paragraaf 4.11 Besluit milieueffectenrapportage (MER) van de plantoelichting wordt vervangen door de volgende tekst: “4.11 Gecombineerd project- en plan-mer-beoordeling Project-mer-beoordelingsplicht Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 uit onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: ‘Besluit-mer’). Daarnaast voorziet het bestemmingsplan gelet de uitbreiding en wijziging van de pallet- en timmerfabriek, in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein als bedoeld in categorie 11.3 uit onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer. Uit artikel 2 lid 4 Besluit mer volgt verder dat de drempelwaarden indicatief zijn.
Dit betekent, nu het bestemmingsplan als besluit opgenomen is in kolom 4 van D-11.2 en D-11.3 en het stedelijk ontwikkelingsproject respectievelijk de uitbreiding van de timmer- en palletfabriek in het bestemmingsplan (deels) bij recht mogelijk wordt gemaakt, dat het bestemmingsplan project-merbeoordelingsplichtig is, Plan-mer-beoordelingsplicht Op basis van artikel 7.2a lid 1 van de Wet milieubeheer geldt een verplichting tot het opstellen van een plan-milieueffectrapportage (en daarmee het doorlopen van een plan-m.e.r.-procedure), indien het bestemmingsplan wordt vastgesteld op basis van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming. Met het herstelbesluit wordt het bestemmingsplan vastgesteld op basis van een passende beoordeling (Tauw 2026, opgenomen als bijlage 12 bij de plantoelichting). Om die reden is het bestemmingsplan vanwege artikel 7.2a Wm en artikel 3 Besluit mer plan-mer-(beoordelings)plichtig. In artikel 3 van het Besluit m.e.r. zijn sinds 18 december 2020 enkele uitzonderingen voor de planmer-plicht opgenomen, namelijk voor lokale (gemeentelijke) plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden (zie ook artikel 16.36 lid 3 en lid 5 Omgevingswet).
onze ref. pagina
02330015107187 12 van 13
Om te kunnen spreken van een ‘klein gebied’ moet het gaan om een gebied dat qua omvang in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is. De uitspraak van de Afdeling van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, maakt duidelijk dat volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in ieder geval sprake is van een 'klein gebied', indien het plan betrekking heeft op een grondgebied van 1 % van het grondgebied van de betrokken gemeente. Zie ook AbRS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183 (Hattem). Het onderhavige bestemmingsplan heeft betrekking op een gebied dat een omvang kent van veel minder dan 1 % van het gemeentelijke grondgebied van Ermelo. Reden waarom kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling, waarin eerst beoordeeld wordt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Dit maakt dat het bestemmingsplan vanwege de passende beoordeling plan-mer-beoordelingsplichtig is. Inhoud gecombineerd project- en plan-mer-beoordeling In de plan-mer-beoordeling moet voor het oordeel of het bestemmingsplan belangrijke (of naar nieuw recht aanzienlijke) milieueffecten heeft, rekening gehouden worden met de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn. Dit volgt uit artikel 3 lid 3 Besluit mer (zie ook artikel 16.36 lid 5 Omgevingswet).
In de project-mer-beoordeling moet getoetst worden aan de relevante criteria uit bijlage III van de mer-richtlijn (Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling). Dat volgt uit artikel 7.17 lid 3 Wm (zie ook 16.43 lid 3 Omgevingswet). Uit vaste rechtspraak volgt echter dat de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn bij een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden vergelijkbaar zijn met de criteria uit bijlage III bij de mer-richtlijn. Zie expliciet ABRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054 (Texel), r.o. 15.11 en ABRS 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9187. Qua inhoud is een plan-mer-beoordeling dan ook niets anders dan een uit te voeren project-merbeoordeling. Dit betekent dat wanneer uit een toetsing aan en na een integrale afweging van de criteria uit bijlage III van de mer-richtlijn volgt dat er geen belangrijke milieueffecten optreden, er geen project-mer, maar ook geen plan-mer hoeft te worden doorlopen. Op 10 juli 2024 heeft de raad de eerder ingediende aanmeldnotitie m.e.r.-(beoordelings)plicht bestemmingsplan Haspel 99-129’, Witteveen+Bos (referentienummer 137302/23-015.180) onderschreven en op basis daarvan besloten dat belangrijke nadelige milieueffecten niet optreden en er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.
Omdat in het kader van het herstelbesluit een passende beoordeling is opgesteld, en omdat de landschappelijke inpassing verduidelijkt en verbeterd is, heeft Witteveen+Bos deze aanmeldnotitie geactualiseerd. Dit is neergelegd in de rapportage van Witteveen+Bos ‘MER-onderzoek BP Haspel 99-129 – Gecombineerd project- en planm.e.r.-beoordeling’ d.d. 16 maart 2026 (hierna: Gecombineerde project- en plan-mer-beoordeling’). Dit geactualiseerde rapport is opgenomen als bijlage 18 bij de plantoelichting. In de Gecombineerde project- en plan-m.e.r.-beoordeling is getoetst aan en bevat een integrale afweging van de relevante criteria uit bijlage III bij de mer-richtlijn. Meer concreet is getoetst aan de drie hoofdthema’s met bijbehorende selectiecriteria uit de mer-richtlijn. Te weten ‘Kenmerken van de projecten’, ‘Locatie van de projecten’ en ‘Soort en kenmerken het potentiële effect’. De raad van Ermelo (als bevoegd gezag) onderschrijft de inhoud en bevindingen uit de Gecombineerde project- en plan-mer-beoordeling. Voor de inhoud en motivering wordt verwezen naar deze rapportage (bijlage 18).
Na een integrale beoordeling van de milieueffecten van het voorliggende plan gelet op de inhoud van deze rapportage en gelet op de selectiecriteria uit bijlage III m.e.r.-richtlijn (in onderlinge samenhang beschouwd) concludeert de raad dat het voorgenomen bestemmingsplan ‘Haspel 99129’ niet leidt tot belangrijke (aanzienlijke) milieueffecten.
onze ref. pagina
02330015107187 13 van 13
Het opstellen van een project-milieueffectrapportage is daarom niet noodzakelijk. Dit betekent ook dat nu sprake is van een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden, er vanwege de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn er eveneens geen sprake is van belangrijke (aanzienlijke) milieueffecten. Ook een plan-milieueffectrapportage is niet aan de orde. Het gecombineerde projecten plan-mer-beoordelingsbesluit is door de raad genomen gelet op het vervolgens daarmee samenhangende herstelbesluit ten behoeve van het bestemmingsplan.” 11. In paragraaf 6.1 ‘Maatschappelijke uitvoerbaarheid’ van de plantoelichting wordt de volgende subparagraaf 6.1.5. ‘Herstelbesluit’ toegevoegd, waaronder de volgende tekst wordt toegevoegd: “Tegen het op 10 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan is door drie partijen beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Mede naar aanleiding van deze beroepen heeft de raad aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 6:19 van de Awb, een herstelbesluit te nemen. Met dit herstelbesluit worden een aantal geconstateerde gebreken en onduidelijkheden hersteld. De wijzigingen hebben betrekking op twee onderwerpen: • stikstof (Natura 2000 en het hiermee samenhangende MER); • landschappelijke inpassing (zie verder paragraaf 1.1 onder herstelbesluit).
17 juni 2026 heeft de gemeenteraad het herstelbesluit aangenomen en is het bestemmingsplan opnieuw, in gewijzigde vorm, vastgesteld.”