CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapportage Ermelo Strategisch advies e220003602

Gemeenteraad 29 maart 2022, gemeente ErmeloBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken raad 29 maart 20227.873 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

SURE Sustainable Returns

FINANCIERING GROOTSCHALIGE DUURZAME OPWEKKING IN ERMELO Strategisch advies Definitief

Auteurs: Roy Ellenbroek Guido Hoek

Datum: 2 april 2021

SURE Sustainable Returns

Adres: Cardanuslaan 16, 6865 HK Doorwerth

KvK: 09198513

Tel: 06 5469 6893 E-mail: r.ellenbroek@sure-online.nl

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING

3

2

DE RES-OPGAVE VOOR ERMELO

4

2.1

Inleiding

4

2.2

RES Noord-Veluwe

4

2.3

Vertaling RES voor Ermelo

5

3

ACHTERGRONDEN ONTWIKKELING ZON- EN WINDPROJECTEN

7

3.1

Het projectontwikkelproces: kapitaal vs risico

7

3.2

SDE-subsidieregeling

9

4

BUSINESSCASE ZON EN WINDPROJECTEN

12

4.1

Opzet financieel model

12

4.2

8 MW zonnepark

12

4.3

Financieel model 36 MW WINDPARK

17

5

FINANCIERING VAN DE RES-OPGAVE

21

5.1

Opbouw financiering in de tijd

21

5.2

Financieringsinstrumentarium

22

5.3

Analyse financieringsmogelijkheden

23

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

27

6.1

Conclusies

27

6.2

Aanbevelingen

28

2

1

INLEIDING

De gemeente Ermelo heeft in 2017 een Verkenning naar grootschalige duurzame opwekking laten uitvoeren door bureau Over Morgen. Hierin blijkt enerzijds dat grootschalige duurzame opwekking nodig is om de doelstelling energieneutraal in 2030 te halen, en anderzijds dat er kansen liggen en draagvlak is voor grootschalige duurzame opwekking. Als tussendoelstelling staat geformuleerd dat Ermelo in 2020 20% energieneutraal zou zijn: 10% door besparing, 10% door duurzame energie. Dat laatste betekent 210 TJ duurzame energie, ofwel 9 windmolens of 80 hectare zonnepark. Inmiddels zijn we drie jaar verder en moeten we constateren dat de doelstelling 10% duurzame opwekking in Ermelo in 2020 niet gehaald wordt. Wél is er inmiddels ervaring opgedaan met de ontwikkeling van een aantal zonnevelden en is recentelijk een concept-bod RES vastgesteld door de regionale stuurgroep, teneinde in 2030 tot 0,5 TWh ^1.800 TJ) aan zonne- en windenergie in de regio te komen. Afhankelijk van de uiteindelijk gekozen variant, impliceert deze opgave van 0,5 TWh een concrete deelopgave voor iedere gemeente, zo ook de gemeente Ermelo. Wat de gemeente Ermelo op basis van de recente projectervaringen constateert is dat er veelal per individueel project beleid wordt ontwikkeld met een relatief hoog 'ad hoc' karakter.

De gemeente werkt daarom toe naar een strategisch beleidskader 'grootschalige duurzame opwekking' met daarin een uitwerking van de verschillende aandachtsvelden: ruimtelijke aspecten, lokale participatie en financiën. Voor het onderdeel financiën heeft de gemeente SURE gevraagd met nadere aanbevelingen te komen. In deze rapportage brengen we de opgave voor Ermelo in kaart en maken hiervan een financiële vertaling. Om de financiële analyses begrijpelijk te houden, beschrijven we eerst de achtergronden van het ontwikkelproces van een zonne- en windpark. Vervolgens geven we inzicht in de businesscase van een zonnepark en een windpark en gaan in op de bevoegdheden die in een dergelijk businessmodel zitten. In de RES wordt een groot belang gehecht aan lokaal eigenaarschap. We gaan in deze rapportage in op de vraag of en hoe dit lokaal eigenaarschap kan worden gefinancierd. Deze rapportage wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen voor het onderdeel financiën van het uit te werken strategisch kader.

3

2

DE RES-OPGAVE VOOR ERMELO

2.1

Inleiding

In het Klimaatakkoord van Parijs is afgesproken dat in 2030 minimaal 49% CO2-emissiereductie wordt gerealiseerd en in 2050 minimaal 80-95%. Het betreft een CO2-emissiereductie ten opzichte van 1990. De afspraken van Parijs zijn vastgelegd in het nationaal Klimaatakkoord. Aan vijf thematafels zijn voorstellen ontwikkeld voor het verminderen van de CO2-uitstoot. In het nationaal Klimaatakkoord is afgesproken dat de voorstellen voor de thematafels Elektriciteit en Gebouwde omgeving regionaal uitgewerkt en gerealiseerd worden. Hiertoe zijn dertig energieregio's gevormd waarvan Noord-Veluwe er één van is. Elke regio werkt haar voorstellen uit in een zogenaamde Regionale Energie Strategie (RES).

2.2

RES Noord-Veluwe

De RES-regio Noord-Veluwe beslaat het grondgebied van de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten. Samen met het waterschap Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Liander hebben de gemeenten de concept RES Noord Veluwe uitgewerkt. In de RES doen de partijen een bod voor wat betreft de opwekking van hernieuwbare energie middels windmolens en zonnepanelen. Daarnaast bevat de RES een Regionale Warmtestructuur. De onderhavige rapportage heeft betrekking op de opwekking van hernieuwbare energie door windmolens en zonnepanelen (landopstelling). In de concept RES wordt met betrekking tot deze vormen van hernieuwbare energie een drietal varianten uitgewerkt. Per variant ziet het bod er als volgt uit: Vermogen in MW Zon-op-land Wind-op-land

Variant A 230 93,8

Variant B 180 110,6

Variant C 280 78,6

Lokaal/reaionaal eigenschap en financiële participatie

In de lijn met het nationaal Klimaatakkoord streeft de regio Noord-Veluwe naar 50% lokaal eigenaarschap. Participatie moet gaan over zowel meepraten als meeprofiteren. Ondanks een duidelijk streven naar 50% eigenaarschap laat de RES de wijze van invulling van lokaal en/of regionaal eigenaarschap nog open. Doel is om de opbrengsten ten gunste te laten komen aan de regio en lokale gemeenschappen. De RES beschrijft hiervoor een aantal mogelijkheden/voorbeelden. Deze zijn als volgt samen te vatten: ^

Energiecoöperaties kunnen samen met ontwikkelaars op 50/50 basis een project ontwikkelen

^

Groepen van inwoners of bedrijven kunnen zelf een initiatief ontwikkelen

^

Een energiecoöperatie kan zelf een initiatief ontwikkelen

^

Een gemeente kan zelf een initiatief ontwikkelen

4

Voor alle voornoemde mogelijkheden geldt dat ze al dan niet ontwikkeld kunnen worden in combinatie met een gebiedsfonds en/of duurzaamheidsfonds. Tenslotte wordt aangegeven dat het bij het opzetten van lokale eigenaarschap (financiële participatie) belangrijk is om na te denken over hoe inwoners, die zelf niet de middelen hebben om mee te investeren, toch kunnen profiteren van de opbrengsten van de projecten.

2.3

Vertaling RES voor Ermelo

Op basis van de in de RES uitgewerkte varianten en de in voorbereiding zijnde plannen kan een inschatting gemaakt worden van de opgave voor de gemeente Ermelo. Deze ziet er als volgt uit: Zon-op-land Wind-op-land

36 - 56 MW 36 MW

Ten behoeve van het onderhavig onderzoek zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: ^

Realisatie 1 windpark (Horst & Telgt) bestaande uit 6 windmolens van 6 MW.

^

Realisatie 6 zonneparken van ieder 8MW (40-50 ha)

De Ermelose opgave in Euro's De kosten die gepaard gaan met de realisatie van een zonne- en/of windpark zijn onder te verdelen in ontwikkelkosten en realisatiekosten. In de onderstaande tabel is op hoofdlijnen aangegeven welke kosten hier onder andere onder vallen. Ontwikkelkosten ^ Coördinatie en uitvoeringsuren ^ Haalbaarheidsstudie ^ Ontwerpkosten ^ Planologische onderzoeken o Bodemonderzoek o Archeologische onderzoek o Flora en fauna onderzoek o Etc. ^ Juridische kosten o Contracten o Notaris o Etc. ^ Leges • Financieringskosten

Realisatiekosten ^ Hardware (molens, zonnepanelen, omvormers, etc.) ^ Fundering • Electrische infrastructuur • Netaansluiting • Civiele infrastructuur • Verzekeringskosten ^ Bouwrente

Voor het bepalen van de ontwikkelkosten hebben wij gebruik gemaakt van een onderzoeksrapport van Ecofys1 en ervaringscijfers van de Energiefondsen van Drenthe, Groningen en Utrecht. 1 Kostprijs van Zon-PV en Wind in 2030, Ecofys, 2018....

5

De kosten voor zon-op-land zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Kostencomponent Ontwikkelkosten Realisatiekosten

Kosten per eenheid 55 570

Eenheid C/kW C/kW

Bron Ervaringscijfer PBL2020 Totaal (projectkosten)

Totale investering in kC 2.640 27.360 30.000

De kosten voor het windpark zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Kostencomponent Ontwikkelteam Ontwikkelkosten Realisatiekosten

Kosten per eenheid 350 33 1.115

Eenheid kC/jr kC/kW C/kW

Bron Ecofys 2017 Ecofys 2017 PBL2020 Totaal (projectkosten)

Totale investering in kC 3.638 40.140 43.778

6

3

ACHTERGRONDEN ONWIKKELING ZON- EN WINDPROJECTEN

In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de financiële aspecten rondom de ontwikkeling van een zonnepark en een windpark. Hiertoe behandelen we allereerst een aantal belangrijke elementen die de basis vormen van grootschalige duurzame energieprojecten te weten: " Het projectontwikkelproces " De SDE-subsidieregeling In hoofdstuk 4 worden vervolgens representatieve casussen voor zon-op-land en wind-op-land uitgewerkt: zeker wanneer er wordt ingezet op lokale participatie, is het van belang om te weten wat de kritische parameters zijn die het succes van een project bepalen en wat de voornaamste risico's zijn.

3.1

Het projectontwikkelproces: kapitaal vs risico

Het projectontwikkelproces laat zich opdelen in grofweg drie fasen: 1. Ontwikkeling, 2. Realisatie en 3. Exploitatie. De figuur op de volgende pagina geeft aan hoe de kapitaalsbehoefte gedurende deze fasen toeneemt en hoe het risicoprofiel geleidelijk afneemt: " In de ontwikkelfase is kapitaal nodig voor alle noodzakelijke voorbereidingen: business case, ruimtelijke onderzoeken, omgevingsvergunning etc. De risico's zijn relatief hoog: de kans is in deze fase nog groot dat het project niet doorgaat en daarmee het ontwikkelgeld nooit zal worden terugverdiend. Doorgaans stellen de initiatiefnemers het benodigde (risico)kapitaal zelf ter beschikking. " Wanneer de omgevingsvergunning is verkregen, de business case rendabel blijkt, SDE-subsidie is verkregen, alle contracten gesloten zijn is en de financiering definitief rond is, is 'financial close' bereikt: het project kan worden gerealiseerd. Het risicoprofiel van het project is echter significant lager dan in de ontwikkelfase: de kans dat het project conform planning wordt gerealiseerd en voldoende rendeert is aanzienlijk toegenomen. Gezien de grote kapitaalsbehoefte, haakt in de realisatiefase doorgaans een externe financier van vreemd vermogen aan.

7

Figuur 3.1: Kosten versus risico gedurende ontwikkeling, realisatie en exploitatie Investerings­ kosten

Bank verstrekt Vreemd vermogen (SO-90%) Aandeelhouders' storten Eigen vermogen bij Ontwikkelkapitaal. afkomstig van Initiatiefnemers Į aandeelhouders

Risicoprofiel Financiaľflose 1. Ontwikkelfase

2. Realisatiefase

3. Exploitatiefase

Per saldo is het bij elk project van belang te weten: 1. Welke partij legt in welke fase kapitaal in? 2. Welk potentieel rendement levert dat kapitaal op? 3. Op welke termijn komt dat rendement vrij? 4. Wat is de kans dat (een deel van) het ingelegde kapitaal niet terugkomt? (het financieel risico) Het financieel structureren van een project is een niet te onderschatten opgave, waarbij de uitdaging is om voor alle stakeholders de gewenste risico-rendementsverhouding te vinden: 1 Een ontwikkelaar neemt een relatief hoog, doch gecalculeerd risico door aan de voorkant van een project in te stappen. De kans dat het project vroegtijdig sneuvelt wordt gecompenseerd door een relatief hoog financieel rendement. 1 Een bank stapt doorgaans pas in vanaf de realisatiefase, wanneer alle ontwikkelrisico's eruit zijn. Het relatief lage risico vertaalt zich in een lening tegen een relatief lage rente van bijv. 2Vo. Voor lokale partijen zoals een energiecoöperatie en een gemeente kan het best lastig zijn om de juiste positie te kiezen: m Een lokale energiecoöperatie wil enerzijds het liefst zoveel mogelijk vanaf het beginstadium betrokken zijn, maar heeft anderzijds doorgaans niet de financiële draagkracht om zich al te veel risico te kunnen permitteren. Een vorm van overheidsgarantie kan uitsluitsel bieden.

m Een gemeente zal vanuit de maatschappelijke opgave (RES) mogelijk gevraagd worden om een deel van de onrendabele aanloopkosten te financieren, zonder dat daar financieel rendement tegenover staat. Met name bij projecten waar de gemeente zelf de grondeigenaar is, kan zij besluiten de rol van ontwikkelaar in te nemen, met een mogelijk hoog financieel rendement, maar ook een hoog risico in het verschiet. De gemeente heeft in beginsel toegang tot relatief goedkoop kapitaal (lening via de BNG Bank) maar zal hiertoe wel een risico-reserve moeten aanleggen. De vraag is hoever de gemeente hierin wil en kan gaan.

8

3.2

SDE-subsidieregeling2

Duurzame energieprojecten worden steeds rendabeler: de kostprijs van een duurzaam opgewekte kWh komt inmiddels dicht in de buurt van een fossiel opgewekte kWh. Veel duurzame energieprojecten kunnen echter nog niet geheel uit zonder subsidie. Met de SDE-subsidie beoogt het rijk de rentabiliteit en financierbaarheid van duurzame energieprojecten in voldoende mate te garanderen. De SDE+subsidie biedt exploitanten voor een periode van 15 jaar een (bijna) gegarandeerde vergoeding voor iedere duurzame opgewekte kWh. De systematiek is een soort omgekeerde veiling die doorgaans twee keer per jaar plaatsvindt: initiatiefnemers kunnen intekenen op subsidietarief (basisbedrag genoemd): hoe lager het tarief waarop wordt ingetekend, hoe groter de kans op een positieve beschikking. In onderstaande figuur hebben we de SDE-systematiek nog wat nader uitgewerkt: " Bij aanvang van de subsidieperiode wordt eenmalig het basisbedrag (C/kWh) vastgesteld " Tevens wordt bij aanvang eenmalig de basisenergieprijs (C/kWh) vastgesteld: de minimale marktprijs die een project verondersteld te kunnen ontvangen (terugleververgoeding). De minimale prijs staat voor 15 jaar vast. " Er zijn verschillende duurzame energie- en CO2-reductiecategoriëen. Het basisbedrag en basisenergieprijs verschillen per categorie.

" Het verschil tussen het basisbedrag en de basisenergieprijs is de maximale subsidie die een project gedurende de subsidieperiode van 15 jaar kan ontvangen. " De werkelijke marktprijs wordt jaarlijks vastgesteld door het rijk en wordt het correctiebedrag genoemd (grijze kolommen). " De werkelijke netto-subsidie die een project in een jaar ontvangt is het verschil tussen het basisbedrag en het correctiebedrag in het desbetreffende jaar. Bas ... n.

1

2

3

4

5

6

7

8

■ Correctiebedrag

9

10

11

12

13

14

15

m SDE+ subsidie

2 SDE staat voor Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie. De SDE-regeling werd in 2008 geïntroduceerd, gewijzigd in 2011 in de SDE+^egeling en nogmaals in 2020 in de SDE++regeling. In deze rapportage gebruiken we de generieke term 'SDE'.

9

Figuur 3.2: Principe van de SDE-subsidie

Een paar relevante aandachtspunten: 1 Met de introductie van nieuwe C02-reductietechnologiëen vanaf de najaarsronde 2020 neemt de concurrentie binnen de SDE-regeling toe: om kans te maken op subsidie zal in toenemende mate onder het maximale basisbedrag geboden moeten worden, hetgeen de haalbaarheid van de projecten onder druk zet. Het is niet ondenkbaar dat in toenemende mate alleen zon-op-land en wind-op-land projecten met voldoende schaalgrootte nog rendabel zijn. 1 Het kan voorkomen dat een projectexploitant een hogere terugleververgoeding bedingt dan het door het rijk vastgestelde correctiebedrag. Het voordeel is in dat geval voor de exploitant. 1 Andersom kan echter ook gebeuren, i.e. wanneer het correctiebedrag hoger is dan hetgeen de projectexploitant in werkelijkheid ontvangt. Dan schiet de exploitant erbij in. Dit was bijvoorbeeld afgelopen zomer een aantal keren het geval: door een overschot aan zonne- en windenergie dook de marktprijs voor elektriciteit tijdelijk onder de nullijn. Met een toenemend aanbod aan zonne- en windenergie is de verwachting dat dergelijke situaties zich vaker zullen voordoen. 1 Ook kan het gebeuren dat de marktprijs structureel daalt en het correctiebedrag daardoor onder de basisenergieprijs zakt (zoals in jaar 10 en 11 in bovenstaande figuur). Het exploitatietekort dat hierdoor ontstaat is voor rekening en risico van de exploitant.

1 Bij de vaststelling van de basisbedragen houdt het Rijk rekening met de ontwikkeling van de kostprijs van duurzame opwekking. In onderstaande grafieken geven de kostprijsontwikkeling én SDE-r-tarief weer in de periode maart 2017 - maart 2021 weer, voor zowel zon-op-land als wind-opland.

Figuur 3.3: Ontwikkeling van kosten en SDE-subsidie voor zon-op-land vanaf 2017 Zon op land - kosten

Zon op land - SDE

5 0,08

ÿ 400

O o ,v ,v y* yr Çv mŅÍ aT v\: xv cv ^ ċr ^aT cv ċr ^

B Basisprijs

B Maximaal subsidiebedrag

10

Figuur 3.4: Ontwikkeling van kosten en SDE-subsidie voor wind-op-land vanaf 2017 Wind op land - SDE (7-7.5 m/s)

Wind op land - kosten 1350

60,0

0,14

1300

50,0 ^

0,12 0,1

ĩ? 1250

40,0 .

S 1200 Jaío m 1150

' 0,06

cu

CU

1050

10,0 g

1000

0,0 A-

1

30,0 o 20,0 o 03

ĩ> 1100

a

0,08

jij

CU

c

ccu

JA'

A-'

JA'

A.'

JA'

A.'

A.'

0,04

0,02

0 'O

sř-

'ĩ’

JF

Basisprijs

'č’

sř-

'v’

JF

'v’

sř-

JF

ft

sř-

JF

Maximaal subsidiebedrag

Het is evident dat zowel wind- als zonneprojecten in absolute zin steeds minder subsidie nodig hebben om rendabel te worden. De grafieken aan de rechterkant laten echter ook zien dat van de totale inkomstenstroom, het aandeel subsidie (de lichtblauwe balk) sterk gedaald is: voor wind-opland van circa 6607o in 2017 naar 33% in 2021, voor zon-op-land van circa 7507o naar 5507o in dezelfde periode. Dit impliceert dat de business case van projecten steeds afhankelijker wordt van een goede terugleververgoeding. In de praktijk proberen exploitanten bovenstaande risico's te dempen door meerjarige teruglevercontracten met vaste tariefstelling met energiebedrijven af te sluiten. Het marktrisico wordt dan verlegd naar het energiebedrijf, die dit risico op haar beurt weer verdisconteerd in het tarief. Het komen tot de optimale teruglevervoorwaarden is complex maar cruciaal voor ieder project.

11

4

BUSINESSCASE ZON EN WINDPROJECTEN

4.1

Opzet financieel model

Het is evident dat de technische en financiële specificaties van ieder zonnepark of windpark verschillend zijn. In deze rapportage doen we derhalve geen uitspraak over de financiële haalbaarheid van specifieke projecten in de gemeente Ermelo, maar gaan we uit van een gemiddelde, representatieve situatie. Hiertoe hebben we ervoor gekozen om aan te sluiten bij de modellen die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gebruikt bij de vaststelling van de SDE-subsidie voor voorjaarsronde van 2021. Met een gevoeligheidsanalyse willen we vervolgens duidelijk maken op welke wijze de voornaamste inputparameters de haalbaarheid van het model beïnvloeden.

4.2

8 MW zonnepark

Financieel model 8 MW zonnepark - inputparameters base case (conform PBL) Technische parameters

Financiering

Opgesteld vermogen

MWp

Productiefactor

kWh/kWp

Opwek per jaar

kWh

Degradatiefactor

/o

8

Financiering vreemd vermogen

990 7.920.000 0,64/

90/ C

4.104.000

Rente financiering

/o

1,5/

Aandeel eigen vermogen

C

10/

C

456.000

50/

Financiële parameters Investeringskosten

Inbreng aandeelhouders

Ontwikkelkosten

C/kWp

0,00

Aandeel ontwikkelaar

C

Ontwikkelkosten - verliesprojecten

C/kWp

0,00

Marge op PV-systeem

/

0/

Realisatiekosten

C/kWp

570,00

Aandeel cooperatie in projectentiteit

/

50/

Totale investeringskosten aanvang

C

4.560.000

Eenmalige herinvestering in jaar 12

C/kWp

20

Afschrijvingstermijn

jaren

15

Operationele kosten Variabele onderhoudskosten

C/kWh

Vaste onderhoudskosten

C/kW

0,0019 C 12

Inflatie op kosten

/

1,5/

VPB

/

25/

Opbrengsten SDE++ periode

mrt.-21

Basisbedrag SDE++ jr. 1-15

C/kWh

0,063

Basisenergieprijs SDE++ - jaar 1-15

C/kWh

0,029

Terugleververgoeding

C/kWh

0,035

Inflatie op terugleververgoeding

/

1,5/

12

Figuur 3.5: Business case 8 MW zon-op-iand - base case PBL

__________ 2

3

4

5

7

8

9 10 11

13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

Looptijd - járen Ontwikkeling IRR-jr 10

IRR-jr 15

IRR - jr 25

507o

207o

1307o

^■Realisatie

^■Exploitatie

------Totaal cumulatief

Onder de 'base case' condities ziet het project er relatief gezond uit. Na 7 jaar is de aanvangsinvestering terugverdiend, maar door een herinvestering in de omvormers in jaar 12, komt het project pas vanaf jaar 16 definitief 'boven water': na 15 jaar is het rendement op de investering 20Zo, na 25 jaar 130Zo. In de praktijk zijn er een aantal parameters die de haalbaarheid drastisch kunnen beïnvloeden: 1 Het PBL houdt in haar modellen geen rekening met de ontwikkelkosten cq de ontwikkelperiode voorafgaand aan de realisatie (doorgaans 1-2 jaar voor zonneparken). We hebben de ontwikkelkosten van een aantal recente zonneparken op een rij gezet en komen gemiddeld uit op 55 C/kWp. In een situatie dat een coöperatie vanaf de start van een ontwikkeling voor 50oZo participeert in een project, zal de coöperatie in staat moeten zijn om de helft van deze ontwikkelkosten op te brengen. Bij een 8 MWp zonnepark, zoals in bovenstaande casus, betekent dit een bedrag van C 220.000. Zoals eerder aangegeven is dit hoogrisico-kapitaal. 1 De door PBL geraamde investeringskosten zijn gemiddelden: in de praktijk kunnen projecten te maken hebben met aanzienlijke meerkosten, bijvoorbeeld als gevolg van de netaansluiting, landschappelijke en/of infrastructurele eisen. 1 De maximale termijn vanaf SDE-beschikking tot realisatie bedraagt voor zon-op-land projecten 4 jaar.

Deze termijn kan voor een enorme boost zorgen van de business case: zie daarvoor figuur 3.3.

13

Een voorbeeld: " Een project beschikt over een SDE-beschikking uit oktober 2019, tegen het toen geldende maximale SDE- tarief van 0,088 C/kWh. Dit tarief is door het PBL vastgesteld op basis van de toenmalige kosten voor zon-op-land: 700 C/kW investeringskosten en 13 C/kW/jr aan operationele kosten. " De kosten voor zon-op-land dalen gestaag. Wanneer de initiatiefnemers uiteindelijk in 2021 besluiten het project te realiseren, en zij zouden dit conform cijfers van het PBL kunnen doen tegen de huidig geraamde 570 C/kW aan investeringskosten en 12 C/kW/jr aan operationele kosten. De realisatietermijn heeft in de afgelopen jaren voor lucratieve projecten met een grote aantrekkingskracht op ontwikkelaars en investeerders: niet voor niets verschijnen er met regelmaat nieuwsberichten over zonneparken waar commerciële partijen de grote winsten opstrijken en er voor de lokale inwoners weinig overblijft. Tegelijkertijd lijkt het effect van de realisatietermijn de komende jaren kleiner te worden: de kostendaling vlakt af en het aandeel subsidie op de totale inkomstenstroom wordt steeds kleiner (zie figuur 3.3). "

De terugleververgoeding voor de geleverde stroom wordt in de 'base case' van PBL jaarlijks geïndexeerd. De praktijk kan er heel anders uitzien.

Om het effect van bovenstaande maatregelen te illustreren hebben we een aantal van bovenstaande wijzigingen stapsgewijs in het model doorgevoerd. Bij iedere stap geven we aan wat het rendement op geïnvesteerd vermogen in dat geval wordt. 1. Ontwikkelkosten ^ 55 f/kW ipv 0 f/kW IRR - jr 10

IRR - jr 15

IRR - jr 25

-907o |

-1307o

507o

2. SDE-subsidie uit maart'20 ipv maart'21 IRR - jr 10

IRR - jr 15

IRR - jr 25

1507o |

1507o

1807o

3. Investeringskosten van 670 f/kW ipv 570 f/kW IRR - jr 10

IRR - jr 15

IRR - jr 25

007o|

-207o

907o

Het PBL gaat in de 'base case' alleen uit van de realisatiekosten. Ervaringscijfers wijzen uit dat de kosten in de ontwikkelfase ca. C55ĄWbedragen. Deze kosten zijn meegenomen in dit scenario.

Aanvullend op scenario 1 is in dit scenario rekening gehouden met een latere realisatie van het zonnepark. De SDE van maart 2020 is gebaseerd op realisatiekosten van C 700/kW, Het PBL becijfert in 2020 realisatiekosten van C 570/kW In de praktijk nemen de kosten die niet direct samenhangen met de realisatiekosten toe. Deze zijn niet meegenomen in de PBL cijfers. Te denken valt aan kosten voor landschappelijke inpassing, aansluiting e.d.. In dit scenario zijn hiervoor C 100/kW toegevoegd aan scenario 2.

14

Figuur 3.6: Business case na stapsgewijze variatie inputparameters

i 3

4

5

6

7.

9 10 11

15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

Looptijd - járen Ontwikkeling

Realisatie

Exploitatie

•Totaal cumulatief

Bovenstaande toont aan dat de business zowel in positieve als in negatieve zin erg gevoelig kan zijn voor gewijzigde inputparameters. Met name voor een lokale energiecoöperatie die besluit vanaf aanvang project een belang van SOVo te nemen, is het van belang voldoende scherp te blijven gedurende de gehele ontwikkeling: SOVo zeggenschap wil niet direct zeggen dat de coöperatie gelijkwaardig is aan de commerciële ontwikkelaar: 1 Commerciële ontwikkelaars beheren doorgaans een portefeuille van projecten, variërend van meer en minder risicovolle, goed en minder goed renderende projecten. Daarmee kan een commercieel ontwikkelaar aan risicospreiding doen. 1 Voor een lokale coöperatie geldt dat doorgaans niet: die zal hooguit een handjevol lokale projecten in ontwikkeling hebben en kan zich nauwelijks een zeperd veroorloven. Zeker in een situatie zoals in bovenstaande grafiek geschetst kan het kritisch worden: de coöperatie zal haar leden moeten vertellen dat het rendement op de investering in de eerste 15 jaar gaat tegenvallen en dat er pas vanaf jaar 16 rendement zal worden gemaakt. Daarbij is het goed te realiseren dat het verdienmodel van een commercieel ontwikkelaar er anders kan uitzien: veel ontwikkelaars van zonneparken zijn direct of indirect gelieerd aan een (voorkeursjleverancier van zonnepanelen.

Dit betekent dat de ontwikkelaar naast een eventueel rendement van het zonnepark ook rendement maakt op de verkoop van zonnepanelen. De omvang van deze marge op de zonnepanelen is niet altijd transparant. Dit voordeel heeft de lokale coöperatie in dat geval niet. Op de volgende pagina geven we het effect grafisch weer voor bovenstaande casus, waarbij de ontwikkelaar 5Vo marge op de zonnepanelen verdient.

15

Figuur 3.7: Business case voor commercieel ontwikkelaar bij 50 zó marge op de zonnepanelen

____________

2\ -1 0 12

4

5

6

7

8

9 10 11

13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

Looptijd - járen Ontwikkeling

IRR-jr 10

IRR-jr 15

IRR - jr 25

1307o

1207o

1707o

Realisatie

Exploitatie

•Totaal cumulatief

Het effect ervan is evident: onder dezelfde projectomstandigheden verandert de business case voor de commercieel ontwikkelaar opeens naar een zeer rendabel project, terwijl voor de energiecoöperatie een schamele business case resteert (Figuur 3.6).

16

4.3

Financieel model 36 MW WINDPARK

36 MW windpark - inputparameters base case (conform PBL) Financiering

Technische parameters Opgesteld vermogen

MW

Vollasturen per jaar (7-7,5 m/s) Opwek per jaar

36

Financiering vreemd vermogen

kWh

115.200.000

90/ C

3.200

36.126.000

Rente financiering

/o

1,5/

Aandeel eigen vermogen

/o

10,0/

C

4.014.000

Financiële parameters Investeringskosten Ontwikkelkosten

C/kW

0,00

Ontwikkelkosten - verliesprojecten

C/kW

0,00

Realisatiekosten

C/kW

Investering

C

Afschrijvingstermijn

jaren

1115,00 40.140.000

Inbreng aandeelhouders Aandeel ontwikkelaar

C

50/

Marge op windpark

/

0/

Aandeel coöperatie in projectentiteit

/

50/

15

Operationele kosten Variabele onderhoudskosten

C/kWh

0,0103

Vaste onderhoudskosten

C/kW

11,00

Inflatie op kosten

/o

1,5/

VPB

/o

25/

Opbrengsten SDE++ periode

mrt.-21

Basisbedrag SDE (7-7,5 m/s)

C

0,043

Correctiebedrag SDE

C

0,029

Inflatie op e-opbrengsten

/

0,0/

17

Figuur 3.8: business case 36 MW win-op-land - base case PBL 1.100

2.500

2.000

1.500

1.000 500

0 9

10 11

12

13

14 15 16 17 18 19 20 -500

-1.000 -1.500

2.000

-

1.100

-

-2.500

Looptijd - járen «Ontwikkeling

^«Realisatie

IRR-jr 10

IRR-jr 15

IRR-jr 20

607o

1007o

1307o

^«Exploitatie

----- Totaal cumulatief

Doorrekening van een 36 MW windpark op basis van de PBL-parameters (SDE-ronde maart 2021) laat een positief resultaat zien: een terugverdientijd van 7 jaar en een rendement van 10oZo na 15 jaar. Ook voor deze casus laten we de invloed van een aantal parameters op de uitkomsten van het model zien: 1 De ontwikkelperiode voor een windpark ligt gemiddeld op 7 jaar en waarbij de ontwikkelkosten gemiddeld 350 kC /jr bedragen aangevuld met 33 C/kW 'out-of-pockeť kosten (Ecofys, 2017). De hoge aanloopkosten in combinatie met de lange ontwikkelperiode maken ontwikkeltrajecten van windparken kostbaar en risicovol. 1 De door PBL geraamde investeringskosten zijn gemiddelden: in de praktijk kunnen projecten te maken hebben met aanzienlijke meerkosten, bijvoorbeeld als gevolg van de netaansluiting, landschappelijke en/of infrastructurele eisen. 1 Ook voor windparken geldt een maximale realisatietermijn vanaf SDE-beschikking van 4 jaar. Het effect van het toepassen van een eerder afgegeven SDE-beschikking kan ook bij wind-op-land zorgen voor een hoger rendement. Inmiddels is het aandeel van de SDE-subsidie op de totale inkomsten dusdanig gereduceerd, dat dit effect voor parken die nu in ontwikkeling zijn steeds kleiner zal worden.

18

Hieronder illustreren we het effect van bovenstaande maatregelen. Bij iedere stap geven we aan wat het rendement op geïnvesteerd vermogen in dat geval wordt. 1. Ontwikkelkosten 350 kf/jr en 33 f/kW ipv 0 IRR-jr 10

IRR-jr 15

IRR-jr 20

-407o

-T7o

607o

Het PBL gaat in de 'base case' alleen uit van de realisatiekosten. Ecofys heeft becijferd dat de ontwikkelkosten bestaan uit een ontwikkelteam a 350kffjaar en out of pocket kosten van 33 kf/kW. Deze zijn meegenomen in dit scenario.

2. SDE-subsidie uit maart'20 ipv maart'21 IRR-jr 10

IRR-jr 15

IRR-jr 20

907o

lľ7o

1307o

Aanvullend op scenario 1 is in dit scenario rekening gehouden met een latere realisatie van het zonnepark. Gerekend is met een SDE van maart 2020 en in plaats van maart 2021.

3. Investeringskosten 50 A hoger: 1.171 f/kW

In de praktijk nemen de kosten die niet direct

ipv 1.115 f/kW

samenhangen met de realisatiekosten toe. Deze

IRR-jr 10

IRR-jr 15

IRR-jr 20

607o

907o

lľ7o

zijn niet meegenomen in de PBL cijfers. In dit scenario is gerekend met 5/é hogere investeringskosten t.o.v. scenario 2.

Figuur 3.9: Business case na stapsgewijze variatie inputparameters 1

2.500

2.000

1.500

1.000 500

0 -4 -3 -2 -1

2 3 4 5

7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 -500

-1.000 -1.500

2.000

-

-2.500

Looptijd - járen ^■Ontwikkeling

^«Realisatie

^«Exploitatie

----- Totaal cumulatief

19

Ten opzichte van een zonnepark lijkt een windpark uiteindelijk een betere en minder gevoelige business case op te leveren en daarmee ook voor een lokale coöperatie een interessante investering. Daar staat echter tegenover dat de ontwikkelrisico's significant groter zijn: wanneer een coöperatie vanaf de start van een ontwikkeling voor 50% participeert in een windproject, dan zal de coöperatie in staat moeten zijn om de helft van deze ontwikkelkosten op te brengen. Bij een 36 MWp windpark zoals in bovenstaande casus, betekent dit een bedrag van zo'n 1,8 MC. Tegelijkertijd is de ontwikkelperiode aanzienlijk: in figuur 3.9 snijdt de rode lijn bij jaar 6 de 0-lijn. In essentie moet daar in dit geval 7 jaar ontwikkelperiode bij op worden geteld en is de terugverdientijd 13 jaar. Daarbij komt nog eens dat de kans dat het windpark de eindstreep niet haalt aanzienlijk is. Zonder een goede garantie op of dekking van de ontwikkelkosten is het voor veel energiecoöperaties niet verantwoord om volwaardig te participeren in een windpark.

20

5

FINANCIERING VAN DE RES-OPGAVE

In dit hoofdstuk gaan we in op de financieringsmogelijkheden van de RES-opgave van Ermelo. Deze mogelijkheden verschillen per fase en per deelnemende partij. Als eerst wordt ingegaan op de opbouw van de financiering in de tijd. Vervolgens wordt het bestaand financieringsinstrumentarium beschreven. Ten slotte wordt een analyse gemaakt van eventuele hiaten in het instrumentarium.

5.1 Opbouw financiering in de tijd In de voorgaande hoofdstukken lieten we al zien dat de kosten voor een zonnepark of windpark zijn onder te verdelen in ontwikkelkosten en realisatiekosten. De risico's in de ontwikkelfase zijn hoog en nemen af naarmate de ontwikkeling vordert. Bij de aanvang van de realisatiefase zijn de organisatorische en juridische risico's uit het project. De risico's die in de realisatiefase over blijven zijn in de regel goed te mitigeren. Reguliere banken zullen gelet op de projectrisico's de kosten in de ontwikkelfase niet direct financieren. In de regel brengt een commercieel ontwikkelaar deze ontwikkelkosten zelf in. Dit kunnen zijn doen omdat zij over een projectenportefeuille beschikken welke bestaat uit een groot aantal projecten die zich in verschillende fasen bevinden (ontwikkelfase, realisatiefase en exploitatiefase). Op basis van deze portefeuille kan de ontwikkelaar kapitaal aantrekken in de markt. Met dit kapitaal kan hij vervolgens nieuwe projecten ontwikkelen. Hierbij zullen projecten die in de ontwikkelfase stranden gecompenseerd worden met een ontwikkelfee op projecten die tot realisatie worden gebracht. Ontwikkelaars of partijen die niet beschikken over een uitgebreide projectenportefeuille zullen voor de ontwikkelfase alternatieve vormen van financiering moeten vinden.

De kosten van de realisatiefase kunnen afhankelijk van de businesscase voor een groot deel worden gefinancierd door een reguliere bank. De bank kijkt bij de beoordeling van de businesscase niet alleen naar het financieel rendement. Ook de structurering van het project, contracten, zekerheden en de professionaliteit en ervaring van de organisatie die verantwoordelijk is voor de realisatie en exploitatie zijn bepalend voor de financierbaarheid. Dit kan betekenen dat de bankt een 100% coöperatief project of andere burgerinitiatief niet financierbaar acht ondanks een op papier rendabel project. Mocht de bank een project financierbaar achten dan zal zij nooit 100% van de projectkosten financieren. De ontwikkelende partij zal zelf ook geld in moeten leggen, het zogenaamde Eigen Vermogen. Afhankelijk van het project zal het Eigen Vermogen 10 tot 20% van de projectkosten (som van ontwikkel- en realisatiekosten) moeten bedragen. In de praktijk zal een ontwikkelaar de gemaakte ontwikkelkosten activeren en als (een deel van het) Eigen Vermogen inbrengen. De bank financiert vervolgens 80 tot 90% van de projectkosten (Vreemd Vermogen).

21

5.2

Financieringsinstrumentarium

Uit de vorige paragraaf bleek dat commerciële partijen in veel gevallen geen probleem hebben met het bij elkaar brengen van de ontwikkelkosten en met het financieren van de projectkosten. Voor gemeenten die zelf projecten willen realiseren geldt in principe hetzelfde. Ontwikkelkosten zullen daarbij gelet op de risico's uit het programmabudget moeten komen. De realisatiekosten kunnen met 100% worden gedekt door het aantrekken van kapitaal bij de BNG. Gelet op de begrotingsregels zal hiervoor wel geld moeten worden toegevoegd aan het weerstandsvermogen/de risicoreserve. Coöperaties en andere burgerinitiatieven zijn veelal aangewezen op alternatieve financieringsinstrumenten. In de onderstaande tabel zijn per fase de bestaande alternatieve instrumenten opgenomen: Ontwikkelfase

Realisatiefase Eigen vermogen

Realisatiefase Vreemd vermogen

1. Voorfinanciering ontwikkelkosten wind of zon (provincie)

1.

1.

BNG Duurzaamheidsfonds

•

Lening

^

^

^

Subsidie

Vanaf C 100.000 tot C 2,5 miljoen

•

Voor coöperatie met minimaal 50 leden

^

3-5 % rente

•

Zekerheid vereist (bijvoorbeeld pandrecht of hypotheek)

2.

Innovatie en Energiefonds Gelderland (Oost NL)

Subsidie in de vorm van lening

Lokaal Hernieuwbare Energieprojecten (provincie)

^

90% kosten tot C 400.000

^

Maximum looptijd lening: 5 jaar

•

Eigen bijdrage minimaal C50 per lid

^

3% rente

^

^

Minimaal 50% eigenaarschap

Financiële deelname coöperatie is minimaal 250Zo

^

Terugbetaalverplichting vervalt als plan geen omgevingsvergunning krijgt

^

20% kosten tot C 100.000

2.

BNG Duurzaamheidsfonds

•

Lening

^

Vanaf C 100.000 tot C 2,5 miljoen

2. Groeiversneller Energie (Oost NL)

^

3-5 % rente

^

Subsidie

^

•

Maximaal C 10.000

•

Voor inhuur deskundigen

Zekerheid vereist (bijvoorbeeld gemeentegarantie)

•

Voor validatie businessplan

3.

•

Lening

^

Vanaf ca. C100.000

Bancaire financiering* •

Lening

•

Vanaf ca. C5 miljoen

*Bij 100% lokaal eigenaarschap is de kans op een bancaire lening k lein

22

Naast de in de tabel genoemde financieringsmogelijkheden voor de ontwikkelfase is onlangs het Nationaal ontwikkelfonds opgericht dat wordt beheerd door het Nationaal Groenfonds en wordt uitgevoerd samen met Energie Samen. De provincie Gelderland is echter (nog) niet aangehaakt bij dit fonds.

5.3

Analyse financieringsmogelijkheden

In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de financieringsmogelijkheden van lokaal eigenaarschap. Voor de analyse wordt uitgegaan van 50% eigenaarschap. Dat wil zeggen dat we uitgaan van een initiatief waarbij een coöperatie of buurtinitiatief vanaf dag één in een gelijkwaardige positie optrekt met de commercieel ontwikkelaar in een 50/50 verhouding. Achtereenvolgens wordt een analyse gemaakt van een zonprojecten en het windproject: Zon-op-land

Uitgangspunten: ^

Zonnepark van 8 MWp

^

Kosten ontwikkelfase C 440.000 (8.000 kWp x C 55/kWp)

^

Kosten realisatiefase C 4.560.000 (8.000 kWp x C 570/kWp

^

Projectkosten C 5.000.000 (ontwikkelkosten + realisatiekosten)

^

Kostenverdeling 50% commercieel ontwikkelaar 50% coöperatie/buurtinitiatief

Op basis van de geformuleerde uitgangspunten zal de coöperatie/buurtinitiatief in de ontwikkelfase C220.000 moeten inbrengen. Dit zal deels door de inbreng van uren kunnen en grotendeels in geld. Bij aanvang van de realisatiefase (financial close) zal de coöperatie/buurtinitiatief C 250.000 tot C 500.000 (W-20% van de projectkosten) aan eigen vermogen moeten inleggen. Gelet op het 50% lokaal eigenaarschap wordt aangenomen dat het vreemd vermogen bancair wordt gefinancierd. In de onderstaande figuur staat aangeven op welke middelen de coöperatie/buurtinitiatief op basis van het bestaand instrumentarium kan aantrekken.

23

Figuur 3.10: Zon-op-land: bestaand instrumentarium voor lokale coöperaties In vesten ngs kosten Omgevingsvergunnīng

Ontbindende voorwaarde lening vervalt

SDE++

vermogen (lO^tot 20%) Benodigd: C 250.000 tot C 500.000

Ontwikkelkapitaal Benodigd: C 220.000 Risico

Bestaand instrumentarium: Lening voorfinanciering C 198.000 Groeiversneller Energie C 10.000

Bestaand instrumentarium: Lokaal Hermeuwb. Energie C 50.000 tot C 100.000 BNG Duurzaamheidsfonds C 200.000 tot C 400.000

Risicoprofiel Financial çlose 1. Ontwikke fase

2. Realisatiefase

3. Exploratiefase

Uit de figuur blijkt dat het bestaande instrumentarium, uitgaande van het feit dat een deel van de ontwikkelkosten in natura (uren) kan worden ingebracht, dekkend zou moeten zijn voor het bij elkaar krijgen van de kosten in de ontwikkelfase en voor het eigen vermogen. Voor de ontwikkelfase schuilt er nog een risico in het bestaande instrumentarium voor de coöperatie/buurtinitiatief. In de provinciale subsidieregeling "Voorfinanciering ontwikkelkosten wind of zon" staat aangegeven dat de terugbetaalverplichting vervalt op het moment dat blijkt dat het niet mogelijk is een omgevingsvergunnīng te krijgen voor het project. Echter na het verkrijgen van de omgevingsvergunnīng moet nog een SDE-subsidie worden verkregen. Gelet op toedelingssystematiek en het beperkte budget van de SDE-regeling is dit geen zekerheid. Opgewekte zonne-energie is ten opzichte van andere vormen van hernieuwbare energie relatief duur waardoor zonprojecten moeilijker in aanmerking komen voor SDE. In de praktijk zien we dat SDE-regelingen vaak overtekend worden waarbij afgevallen projecten desgewenst opnieuw kunnen indienen in een volgende ronde. Vaak wordt dan voor een lager subsidiebedrag ingeschreven om toch de SDE-subsidie binnen te halen. Dit heeft nadelige gevolgen op het financieel rendement van het project.

Voor de coöperatie/buurtinitiatief betekent het later verkrijgen van de SDE een hogere financieringslast door het oplopen van de rente, hetgeen ook ten koste zal gaan van het financieel rendement van de coöperatie/buurtinitiatief. In het meest sombere scenario wordt geen SDE verkregen. In dat geval blijft de coöperatie/buurtinitiatief achter met een schuld van in dit voorbeeld C 198.000 exclusief de rentekosten. Voor de realisatiefase kan eigen vermogen worden aangetrokken uit de subsidieregeling "Lokaal Hernieuwbare Energieprojecten" en bij het BNG Duurzaamheidsfonds. Voor de subsidieregeling "Lokaal Hernieuwbare Energieprojecten" geldt dat de coöperatie/buurtinitiatief minimaal 50 leden heeft die ieder minimaal C 50 inleggen. Dit kan belemmerend werken voor mensen die niet de middelen hebben om dit bedrag in te leggen. Voor de financiering van het eigen vermogen vanuit het BNG Duurzaamheidsfonds geldt dat er een zekerheid wordt gevraagd. In een aantal voorkomende gevallen betrof deze zekerheid naast het verpanden van de aandelen tevens een garantie vanuit de gemeente.

24

Wind-op-land

Uitgangspunten: ^

Windpark van 36 MWp

^

Kosten ontwikkelfase C 3.638.000 (36.000 kWp x C 388/kWp)

^

Kosten realisatiefase C 40.140.000 (36.000 kWp x C 1.115/kWp

^

Projectkosten C 43.778.000 (ontwikkelkosten + realisatiekosten)

^

Kostenverdeling 50% commercieel ontwikkelaar 50% coöperatie/buurtinitiatief

Op basis van de geformuleerde uitgangspunten zal de coöperatie/buurtinitiatief in de ontwikkelfase C1.819.00 moeten inbrengen. Dit zal voor een klein deel door de inbreng van uren kunnen en grotendeels in geld. Bij aanvang van de realisatiefase (financial close) zal de coöperatie/buurtinitiatief C2.188.900 tot C 4.377.800 (W-20% van de projectkosten) aan eigen vermogen moeten inleggen. Gelet op het 50% lokaal eigenaarschap wordt aangenomen dat het vreemd vermogen bancair wordt gefinancierd. In de figuur op de volgende bladzijde staat aangeven op welke middelen de coöperatie/buurtinitiatief op basis van het bestaand instrumentarium kan aantrekken. Figuur 3.11: Wind-op-land: bestaand instrumentarium voor lokale coöperaties Investerings­ kosten O mgevi ngsve rgun n ing

' Eigen vermogen (lt^tot 20Yo) Benodigd: C 2.188.900 tot C 4.377.800

Ontwikkelkapitaal Benodigd: C 1.819.000 Bestaand instrumentarium: * Lening voorfinanciering C 400.000 * Groeiversneller Energie C 10.000

Bestaand instrumentarium: * Lokaal Hernieuwb. Energie č 100.000 * BNG Duurzaamheidsfonds C 1.751.120 tot C 2.500.000

Risicoprofiel Financial ķlose 1. Ontwikkelfase

2. Realisatiefase

3. Exploitatiefase

Voor wind-op-land gelden in de basis dezelfde financieringsrisico's als voor zon-op-land. Wel zal voor windenergie makkelijker een SDE-subsidie worden verkregen dan voor zonne-energie. Daar staat tegenover dat in de regel het ontwikkelproces complexer is en langer duurt. Aanvullend op de analyse van het zonproject geldt voor windenergie dat de benodigde bedragen voor de kosten in de ontwikkelfase en voor het eigen vermogen vele malen hoger zijn. Het bestaande instrumentarium is daarvoor (afhankelijk van het aandeel benodigd eigen vermogen) niet toereikend.

25

Vooral in de ontwikkelfase waarbij kapitaal met een hoog risicoprofiel nodig is, is het gat groot en zijn niet direct oplossingen voor handen. Het eventueel tekort met betrekking tot het eigen vermogen zou bij elkaar gebracht kunnen worden middels crowdfunding. Hierdoor zal echter niet iedereen op dezelfde wijze kunnen meeprofiteren van de lusten van het windpark.

26

6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1

Conclusies

Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de gemaakte analyses kunnen wij de volgende conclusies trekken: De RES-opgave voor Ermelo

1. Op basis van het concept-bod van de RES Noord-Veluwe (RES NV) uit juni 2020 bedraagt de opgave van Ermelo omgerekend zo'n 36-56 MWp aan zon- op-land en 36 MWp aan wind-op-land, te realiseren in de periode tot en met 2030. 2. De investering die samenhangt van deze opgave van Ermelo bedraagt in totaal ca. C 74 miljoen, bestaande uit ca. C 30 miljoen voor zon-op-land en ca. C 44 miljoen voor wind-op-land. 3. In de lijn met het nationaal Klimaatakkoord wordt vanuit de RES NV gestreefd naar 50% lokaal eigenaarschap. Participatie moet gaan over zowel meepraten als meeprofiteren. 4. Ondanks het streven naar 50% eigenaarschap laat de RES NV de wijze van invulling van lokaal eigenaarschap nog open. Financiële haalbaarheid van zon-op-land en wind-op-land

5.

De SDE-subsidieregeling biedt in beginsel een goede basis voor een rendabel zonnepark en windpark. De uiteindelijke haalbaarheid is sterk afhankelijk van een aantal kritieke parameters: a. de hoogte van de SDE-subsidie: het maximale subsidietarief neemt bij iedere SDE-ronde af en volgt daarmee de kostprijsontwikkeling van zon-op-land en wind-op-land. Parken met een SDEbeschikking van enkele jaren terug die nu gerealiseerd worden kunnen flink profiteren. b. de hoogte van de investeringskosten: onvoorziene kosten voor netaansluiting, landschappelijke en/of infrastructurele aanpassingen kunnen de business case sterk negatief beïnvloeden. 6. De ontwikkeling van een zonnepark neemt zo'n 1 tot 2 jaar in beslag. Voor een windpark geldt een ontwikkeltermijn van 5 tot 10 jaar. Voor een 8 MWp zonnepark dient rekening te worden gehouden met zo'n C 450.000 aan ontwikkelkosten. Voor een 36 MWp windpark kunnen deze kosten oplopen tot C 3,6 miljoen. Financiering van de RES-opgave

7. Commerciële partijen en zullen in de regel geen problemen hebben met het gefinancierd krijgen van projecten met betrekking tot grootschalige duurzame opwekking van energie. 8. Gemeenten hebben in beginsel relatief makkelijk toegang tot kapitaal. Echter de benodigde bedragen zijn groot en het financieren van projecten met betrekking tot grootschalige opwekking van energie kan risicovol zijn. 9. De mogelijkheden van coöperaties/buurtinitiatieven voor het aantrekken van ontwikkelkapitaal zijn ontoereikend: a. Voor de zon op land projecten lijken voldoende financieringsmogelijkheden beschikbaar. Bij 50% eigenaarschap heeft een is voor een zonnepark van 8 MW ca. C 225.000 nodig. Het grootste deel hiervan kan worden geleend bij de provincie. De risico's van deze lening voor

27

coöperaties/buurtinitiatieven is groot. Als het project geen SDE-subsidie krijgt moet de lening wel terugbetaald worden. b. Voor projecten met een behoefte groter dan ca. C 400.000 ontwikkelkapitaal (i.e. voor een windpark) zijn onvoldoende financieringsmogelijkheden. Gelet op het hoge risico dat met ontwikkelkapitaal samenhangt is het niet opportuun te verwachten dat omwonenden dit gat zelf dichten. 10. Het bestaande financieringsinstrumentarium lijkt voldoende mogelijkheden te bieden om bij aanvang van de realisatiefase het benodigd eigen vermogen bij elkaar te krijgen. Hiervoor gelden wel de volgende aandachtspunten: a. De subsidieregeling "Lokaal Hernieuwbare Energieprojecten" kent als voorwaarde dat een initiatief minimaal 50 leden dient te hebben die ieder C 50 inleggen. De eigen bijdrage kan voor een groep mensen een barrière vormen. Omdat zij de eigen bijdrage niet kunnen betalen kunnen ze niet meeprofiteren van de lusten van het project. b. Het BNG Duurzaamheidsfonds stelt in de regel als voorwaarde dat er zekerheden op de financiering moet worden gevestigd. In voorkomende gevallen heeft men hiervoor een garantie van de gemeente wordt verlangd. c. Afhankelijk van het percentage van de projectkosten dat nodig is als eigen vermogen kan het zijn dat voor het windpark onvoldoende financieringsmogelijkheden zijn.

Deze middelen zouden relatief eenvoudig opgehaald kunnen worden met behulp van crowdfunding. Hiermee wordt echter de kans verkleind om mensen die geen geld beschikbaar hebben, mee te laten profiteren van het project. Daarnaast staat crowdfunding veelal open voor een ieder waarmee het niet gezegd is dat de omgeving meeprofiteert van het park. 11. Een goede businesscase voor een zonnepark of windpark kan, mits van voldoende omvang, rekenen op een bancaire financiering (vreemd vermogen) van 80 tot 90% van de projectkosten. Naast het projectrendement zal de bankt tevens de contracten en organisatie toetsen. De kans is aanwezig dat de bank een project dat 100% lokaal eigenaarschap kent niet financiert omdat de kennis en kunde van de organisatie als een risico wordt beschouwd.

6.2

Aanbevelingen

1.

In het concept-bod van de RES NV wordt gestreefd naar 50% lokaal eigenaarschap. De wijze van invulling van lokaal eigenaarschap wordt nog open gelaten. Geadviseerd wordt om in het definitieve bod van de RES NV een duidelijk kader mee te geven voor participatie. Zet daarbij eigenaarschap niet voorop omdat de risico's van projecten met betrekking tot grootschalige duurzame opwekking voor lokale initiatieven niet altijd te overzien zijn. Zet in op maximaal draagvlak op basis van meepraten (procesparticipatie) en meeprofiteren (mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omgevingsfonds of omwonendenregeling). 2. Faciliteer de procesparticipatie. Ondersteun de directe omgeving van een project met kennis zodat de lokale belangen goed worden afgewogen meegenomen in de projectontwikkeling en er per project een onafhankelijk beeld ontstaat van projectrisico's en mogelijk projectrendement.

28

3.

4.

5.

6.

7.

Inwoners die zelf niet over voldoende middelen beschikken kunnen in de regel niet meeprofiteren in de situatie waarbij de participatie is gebaseerd op lokaal eigenaarschap of financiële deelneming. Denk na over opties om deze groep ook mee te laten doen. (NB: In de situatie waarbij een coöperatie in het geval van lokaal eigenaarschap gebruik maakt van de provinciale subsidieregeling "Lokaal Hernieuwbare Energieprojecten" moet men ten minste 50 leden hebben die elk C 50 inleggen. Met een voucherregeling zou de gemeente inwoners die het zelf niet kunnen betalen in de gelegenheid kunnen stellen om toch deel te nemen aan het project). Zet op regionaal niveau in op professionalisering van coöperaties en buurtinitiatieven om ervoor te zorgen dat deze partijen een goede gesprekspartner vormen richting commerciële ontwikkelaars en voorkomen wordt dat voor ieder project het wiel opnieuw uitgevonden moet worden. Dit zou een regionale koepelcoöperatie kunnen zijn die namens de lokale coöperatie betrokken is bij de ontwikkeling van een project. Treedt vanuit de Regio in overleg met de provincie Gelderland over aanpassing van de provinciale subsidieregeling "Voorfinanciering ontwikkelkosten wind of zon".

Door de terugbetaalverplichting te koppelen aan financial close van het project (datum waarop financiering voor de projectrealisatie wordt verkregen) in plaats van aan een onherroepelijke omgevingsvergunning wordt een groot financieel risico weggenomen voor de coöperatie. Maak een beleidskader waaruit blijkt waarvoor de gemeente wel en waarvoor de gemeente geen ondersteuning biedt en wat de ondersteuning inhoudt. a. Proces participatie: wel/niet b. Ondersteuningssubsidie: wel/niet c. Garantiestelling: wel/niet d. Verstrekken lening: wel/niet Hiermee is voor een ieder aan de voorkant duidelijk waarvoor de gemeente wel en geen ondersteuning biedt en worden verwachtingen gemanaged. Maak als gemeente ook de keuze of je zelf (op eigen gronden) zonneparken wilt ontwikkelen/in eigendom wilt nemen of onder welke voorwaarden je deze gronden beschikbaar stelt.

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11170202/1