Definitief besluit e260000422
Tekst van het document
Tomassen Duck-To B. V. T. a. v. de directie Fokko Kortlanglaan 116 3853 KH ERMELO
Raadhuisplein 2 Postbus 500 3850 AM Ermelo t0341 56 73 21 f085 110 8515 egemeente @ermelo.nl iwww. ermelo. nl NL92 BNGH 0285 0024 49
datum 6 januari 2026 onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde
ref. zaaknr. behandeld door telefoon direct onze
revisievergunning en intrekking vigerende revisievergunningen 02330015089189 02330000082296 Projectgroep Tomassen 0341 567 392
Geachte directie
,
Door middel van deze brief berichten wij u over het volgende. 1
Op 3 september 2025 (kenmerk: 02330015064359) hebben wij aan u - door middel van een ontwerpbesluit - ons voornemen bekend gemaakt om de door u aangevraagde vergunningen te weigeren op grond van artikel 2.20 eerste lid van de Wabo juncto artikel 3 eerste lid aanhef en onder b van de Wet Bibob en om de aan Tomassen Duck-To B. V. op 8 oktober 2002 onder kenmerk 2002-18702 verleende (revisie-)omgevingsvergunning en de op 31 juli 2006 onder kenmerk 200616246 aan Tomassen Duck-To B. V. verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting alsook de onderstaande aan Tomassen Duck-To B. V. verleende omgevingsvergunningen (voor zover deze niet zijn geëxpireerd) in te trekken op grond van artikel 5.40 tweede lid aanhef en onder d juncto artikel 5.31 eerste lid van de Omgevingswet juncto artikel 3 van de Wet Bibob. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
bijlage(n)
-
,
,
beschikking
datum beschikking
dossiernummer
omgevingsvergunning revisie milieu omgevingsvergunning verandering inrichting omgevingsvergunning voor het verhogen van een silo
8 oktober 2002 31 juli 2006 27 januari 2016
2002-18702 2006-16246 2015-09816
omgevingsvergunning opslaghal
voor
het bouwen van een
18 maart 2019
19e0000684
omgevingsvergunning dakopbouw
voor
het plaatsen van een
26 maart 2019
19e0001628
10 december 2020
20e0004965
omgevingsvergunning voor het plaatsen elektrisch beveiliging op bestaand hekwerk
1
,
,
Gemb 2025 , 396608
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 2 van 16
onze
De concrete aanleiding hiervoor betrof een advies van het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het LBB) van 20 juni 2025 (kenmerk: 2025-Bibob-0034). In deze brief leest u ons definitieve besluit. Achtergrond Voor een goed begrip van het definitieve besluit is het van belang eerst de voorgeschiedenis te schetsen die daartoe aanleiding heeft gegeven. Het dossier heeft namelijk een (zeer) lange voorgeschiedenis. Tomassen Duck-To B. V. exploiteert een pluimveeslachterij aan de Fokko Kortlanglaan 112 (kadastraal bekend als EML00 I 6021) 116 (kadastraal bekend als EML00 I 5791) en 122 (kadastraal bekend als EML00 I 6372 I 6542 en I 6541 in (3853 KH) Ermelo (hierna: ‘de inrichting’). ,
,
,
Aangevraagde vergunningen Aangevraagde revisievergunning Tomassen Duck-To B. V. heeft voor de inrichting op 30 januari 2018 gewijzigd op 29 februari 2024 een omgevingsvergunning milieu (revisie-omgevingsvergunning) aangevraagd als bedoeld in artikel 2. 1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: ‘Wabo’). Hierna zal deze aanvraag worden aangeduid als de ‘aangevraagde revisievergunning’. ,
Aangevraagde omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit Onderdeel van de aanvraag is ook een omgevingsvergunning artikel 2. 1 eerste lid aanhef en onder a van Wabo.
,
het bouwen als bedoeld in
voor
,
Aangevraagde omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik Verder heeft Tomassen Duck-To B. V. ten behoeve van de inrichting diverse omgevingsvergunningen aangevraagd die strekken tot legalisering van het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met 2 een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2. 1 eerste lid aanhef en onder c van de Wabo. Hierna zal deze aanvraag aangeduid worden als: ‘aangevraagde vergunningen inzake planologisch 3 strijdig gebruik’. ,
,
Vigerende vergunningen Vigerende revisievergunningen Voor de inrichting is op 8 oktober 2002 met kenmerk 2002-18702 een (revisie-)omgevingsvergunning verleend en op 31 juli 2006 met kenmerk 2006-16246 een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting. Bovendien zijn in de periode van 2016 tot en met 2020 aan Tomassen Duck-To B. V. de volgende omgevingsvergunningen verleend die betrekking hebben op het (ver)bouwen van bouwwerken behorende tot de inrichting. ,
,
,
beschikking
2
3
datum beschikking
,
dossiernummer
Uit de toelichting bij de aanvraag revisievergunning blijkt dat het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening betrekking heeft op de volgende in de inrichting aanwezige zaken: de luchtwasser (inclusief schoorsteen) , de verenopslagplaats , de bloed- en slibtank , de geluidsmuur , het gasdrukmeeten regelstation (inclusief gasleiding). Alle bovengenoemde aanvragen zijn in behandeling onder de dossiernummers: 19e0003393 en 02330000061258.
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 3 van 16
onze
omgevingsvergunning voor het verhogen van een silo omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslaghal omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw omgevingsvergunning voor het plaatsen elektrisch beveiliging op bestaand hekwerk
27 januari 2016
2015-09816
18 maart 2019
19e0000684
26 maart 2019
19e0001628
10 december 2020
20e0004965
Het was de bedoeling om de vigerende vergunningen te vervangen door de hierboven genoemde aangevraagde revisievergunning. Procesverloop Op 30 januari 2018 zijn de hiervoor onder het kopje “Aangevraagde vergunningen” ingediend. De vergunningaanvraag is gewijzigd op 29 februari 2024. Er is een vergunning aangevraagd voor de volgende activiteiten: het veranderen van de inrichting (milieu); het bouwen van een bloed- en slibtank (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het plaatsen van een geluidsscherm (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een schoorsteen (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van gebouwen voor een verenlaadplaats (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een luchtwasser (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een bedrijfshal ten behoeve van transport en opslag (voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening); het bouwen van een gasdruk regel-meetstation met gasleiding (voor de zowel de activiteit bouwen als de activiteit handelen in strijd
met regels ruimtelijke ordening); het gebruiken van het buitenterrein ten behoeve van transport en opslag (handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening). Eerste ontwerpbesluit Op 19 oktober 2019 heeft de raad de verklaring van geen bedenkingen (die nodig was voor het verlenen van de aangevraagde vergunningen inzake planologisch strijdig gebruik) in ontwerp afgegeven. Hierop hebben wij op 30 oktober 2019 een ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. 4 Naar aanleiding van het ontwerp (voornoemd) hebben wij tientallen zienswijzen ontvangen. De zienswijzen hebben wij in de verdere beoordeling van de vergunningaanvraag betrokken. Tweede ontwerpbesluit Op 22 januari 2025 heeft de raad mede in verband met de in 2024 ingediende gewijzigde aanvraag de verklaring van geen bedenkingen alsnog in ontwerp geweigerd. Hierop hebben wij op 6 februari 5 2025 het ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. ,
4
Besluit 30 oktober 2019 , kenmerk e190010417
5
Besluit 3 februari 2025 , publicatie 5 februari 2025 , kenmerk: 02330000061258.
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 4 van 16
onze
Tomassen Duck-To B. V. heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit op 16 maart 2025 een zienswijze ingediend. De raad heeft op 15 oktober 2025 besloten de verklaring van geen bedenkingen te weigeren. Gelet hierop moeten wij ook de gevraagde omgevingsvergunning weigeren op grond van artikel 2. 20a juncto artikel 2. 27 Wabo. Voor wat betreft de motivering van de weigering van de verklaring van geen bedenkingen wordt verwezen naar het betreffende raadsbesluit met raadsvoorstel. In deze brief gaan wij niet in op deze zienswijze. De raad heeft die zienswijze betrokken en afgewogen bij het besluit van 15 oktober 2025 tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen. Op 1 oktober 2024 heeft het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie ons op grond van artikel 26 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: ‘Wet Bibob’) een zogenoemde ‘tip’ gegeven om een onderzoek te doen naar Tomassen Duck-To B. V. Naar aanleiding van deze tip hebben wij Tomassen Duck-To B. V. verzocht een Bibobvragenformulier in te vullen voor het kunnen verrichten van in eerste instantie ons eigen Bibobonderzoek als beschreven in artikel 7a van de Wet Bibob. ,
,
Na enkele verzoeken aan Tomassen Duck-To B. V. tot het aanvullen van ontbrekende gegevens hebben wij uiteindelijk het ingevulde Bibob-vragenformulier voorzien van gevraagde bescheiden ontvangen. Hierop hebben wij ons eigen Bibob-onderzoek afgerond. ,
,
,
Adviesvraag Landelijk Bureau Bibob Omdat ons eigen Bibob-onderzoek bepaalde relevante onduidelijkheden niet heeft kunnen wegnemen hebben wij aanleiding gezien om het Landelijk Bureau Bibob (hierna: ‘het LBB’) om advies te vragen op grond van artikel 2.20 tweede lid van de Wabo juncto artikel 9 van de Wet Bibob. Wij hebben de adviesvraag op 20 februari 2025 bij het LBB gedaan. Tomassen Duck-To B. V. is hierover door ons geïnformeerd in een brief van 20 februari 2025 (kenmerk: 02330000068510). ,
,
,
,
Het Bibob-advies Op 20 juni 2025 (kenmerk: 2025-Bibob-0034) heeft het LBB aan ons advies uitgebracht (hierna: ‘het Bibob-advies’). Daarin heeft het LBB geconcludeerd dat sprake is van een ernstig gevaar in de zin van artikel 3 eerste lid aanhef en onder b van de Wet Bibob. Op de inhoud van het Bibob-advies en de geconcludeerde mate van gevaar gaan wij hierna onder het kopje “motivering” uitgebreider in. ,
,
,
Ontwerpbesluit en procesverloop nadien 6 Vanwege de hiervoor genoemde bevindingen hebben wij op grond van artikel 3. 10 van de Wabo artikel 3:15 van de Awb en artikel 33 van de Wet Bibob op 16 september 2025 eerst een (openbaar) ontwerp van ons besluit ter inzage gelegd gedurende de periode van 16 september 2025 tot en 7 met 28 oktober 2025. ,
,
,
Gedurende deze periode zijn er diverse schriftelijke zienswijzen ingediend. Reactie
6 Althans
op
de zienswijzen
art. 16. 65 lid 2 onder b van de Ow jo. art. 16. 23 lid 1 van de Ow , voor zover op de intrekking van de reeds verleende omgevingsvergunningen de Ow geacht moet worden van toepassing te zijn. 7 Gemeenteblad van Ermelo , 16 september 2025 , nr. 396608
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 5 van 16
onze
Wij bespreken onze reactie op de bovengenoemde zienswijze in een afzonderlijke bijlage die is bijgevoegd bij dit besluit (Bijlage 2). Dat doen wij vanwege de geheimhouding die op grond van artikel 28 lid 1 van de Wet Bibob op Bibob-informatie rust. In de zienswijze wordt inhoudelijk ingegaan op specifieke feiten uit het Bibob-advies. Om die reden wordt ook aan deze bijlage specifiek geheimhouding toegekend en maakt die bijlage geen onderdeel uit van de openbare versie van dit besluit. Voor de goede orde: de bijlagen zal niet aan derden worden verstrekt behoudens eventueel aan de in artikel 28 lid 2 van de Wet Bibob opgesomde personen en instanties die van de geheimhouding zijn uitgezonderd waaronder - in voorkomend geval- de bevoegde bestuursrechter(s). ,
,
,
Conclusie zienswijzen Op deze plaats merken wij op dat wij in de zienswijzen geen aanleiding hebben gezien om een besluit te nemen dat afwijkt ten opzichte van het ontwerpbesluit. Besluit Wij besluiten hierbij om op grond van artikel 2.20 eerste lid van de Wabo juncto artikel 3 eerste lid aanhef en onder b van de Wet Bibob om de door Tomassen Duck-To B. V. aangevraagde vergunningen te weigeren. ,
,
,
,
Daarnaast besluiten wij om de aan Tomassen Duck-To B. V. op 8 oktober 2002 onder kenmerk 200218702 verleende (revisie-)omgevingsvergunning en de op 31 juli 2006 onder kenmerk 2006-16246 aan Tomassen Duck-To B. V. verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting en ook de onderstaande aan Tomassen Duck-To B. V. verleende omgevingsvergunningen (voor zover deze niet zijn geëxpireerd) in te trekken op grond van artikel 5.40 tweede lid aanhef en onder d juncto artikel 5.31 eerste lid van de Omgevingswet juncto artikel 3 van de Wet Bibob. ,
,
,
, ,
,
,
,
,
,
,
,
,
beschikking omgevingsvergunning voor het verhogen van een silo omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslaghal omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw omgevingsvergunning voor het plaatsen elektrisch beveiliging op bestaand hekwerk
datum beschikking 27 januari 2016
dossiernummer 2015-09816
18 maart 2019
19e0000684
26 maart 2019
19e0001628
10 december 2020
20e0004965
Hierna lichten wij ons besluit toe. Juridisch kader Voor dit besluit is het volgende juridisch kader relevant. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet dan blijft op grond van artikel 4.3 aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt met uitzondering van artikel 3.9 derde lid eerste zin van de Wabo. ,
,
,
,
,
,
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 6 van 16
onze
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 januari 2018 (en uitsluitend gewijzigd op 29 februari 2024). Dat betekent dat in dit geval de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. ,
,
Op de intrekking van de vigerende omgevingsvergunningen is de Omgevingswet wel van toepassing. De grondslag daarvan is artikel 5.40 tweede lid aanhef en onder d juncto artikel 5.31 van de Omgevingswet. Hoewel op de intrekking de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is (en op de weigering van de aangevraagde vergunningen de uitgebreide) kiezen wij ervoor – op grond van artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘de Awb’) – één procedure te hanteren voor zowel de weigering van de aangevraagde als de intrekking van de verleende vergunningen. ,
,
,
,
,
,
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. ,
,
,
,
Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder c van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit – voor zover relevant – het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. ,
,
,
,
Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting. ,
,
,
,
,
In artikel 2. 6 van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wabo en met betrekking tot die inrichting al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend het bevoegd gezag kan bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting na die verandering. ,
,
,
,
,
Op grond van artikel 2. 20 eerste lid van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in – voor zover relevant – artikel 2.1 eerste lid onder a of e met betrekking tot een inrichting het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10 onderscheidenlijk artikel 2. 14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob met dien verstande dat voor de toepassing van laatstgenoemd artikel onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Artikel 2. 20 tweede lid van de Wabo bepaalt dat voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid het LBB als bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob kan worden gevraagd. ,
,
,
,
Op grond van artikel 5. 19 vierde lid aanhef en onder b van de Wabo kan het bevoegd gezag vorenbedoelde omgevingsvergunningen als die reeds zijn verleend tevens geheel of gedeeltelijk intrekken in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de wet Bibob. Daarbij is artikel 2. 20 tweede lid Wabo overeenkomstig van toepassing is. ,
,
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 7 van 16
onze
Wet Bibob Op grond van artikel 3 eerste lid van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen – zoals in de artikelen 2. 20 en 5. 19 van de Wabo (voornoemd) – weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt ,
,
,
,
,
om: a.
uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen te benutten of strafbare feiten te plegen.
,
op
geld waardeerbare voordelen
,
b.
Op grond van artikel 3 tweede lid van de Wet Bibob wordt voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a betreft de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid onderdeel a b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan c. de aard en de relatie en d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Artikel 3 derde lid van de Wet Bibob bepaalt dat voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b betreft de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt gevraagd dan wel is gegeven b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. ,
,
,
,
,
,
,
,
Op grond van artikel 3 vierde lid van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan of c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Artikel 3 vijfde lid van de Wet Bibob bepaalt dat de weigering dan wel intrekking bedoeld in het eerste lid slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met: a. de mate van het gevaar en b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid onderdeel b betreft de ernst van de strafbare feiten. ,
,
,
,
,
,
,
Verder bepaalt artikel 3 zevende lid van de Wet Bibob dat voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften kan verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid bij een ernstig ,
,
,
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 8 van 16
onze
waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken. gevaar
,
Artikel 3a tweede lid van de Wet Bibob bepaalt dat als een strafbaar feit niet vervolgd wordt of de vervolging niet wordt voortgezet dat niet in de weg staat aan het geheel of ten dele op grond van dat strafbare feit vaststellen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 tweede en derde lid. ,
,
Op grond
van artikel 7a van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om vragen aan het LBB , tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden in – kort gezegd – de artikelen 3 en 9 van de Wet Bibob.
advies te als bedoeld
Artikel 8 van de Wet Bibob bepaalt dat er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het bestuur is; het LBB. Op grond van artikel 9 van de Wet Bibob heeft het LBB tot taak bestuursorganen die bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het LBB daarom te verzoeken – zoals in artikel 2. 20 tweede lid van de Wabo – op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar bedoeld in artikel 3 eerste lid en zesde lid van de Wet Bibob. ,
,
,
Artikel 28 van de Wet Bibob bepaalt dat eenieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over Bibob-informatie betreffende een derde verplicht is tot geheimhouding daarvan behoudens voorzover de Wet Bibob mededelingen toelaat. Dat laatste is verder uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. ,
,
Artikel 29 van de Wet Bibob bepaalt dat het bestuursorgaan dat een advies ontvangt dat advies gedurende vijf jaren nadat het is uitgebracht kan gebruiken in verband met een andere beslissing. ,
,
Motivering Hieronder leest u de motivering van ons besluit. Daarbij gaan wij allereerst kort en voor zover relevant in op de bevindingen van het LBB in het eerdergenoemd Bibob-advies. Dit advies is reeds in uw bezit. Het Bibob-advies en de daarbij behorende bijlagen maken integraal onderdeel uit van de motivering van dit besluit. Naast het Bibob-advies maakt de bij dit besluit gevoegde behandeling zienswijze (Bijlage 1) en bij dit besluit gevoegde antwoordnota (Bijlage 2) onderdeel uit van de motivering van dit besluit. Wet Bibob Zoals gezegd zijn wij op grond van het Bibob-advies van het LBB en de bevindingen van ons eigen Bibob-onderzoek van oordeel dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond). ,
Wij lichten deze conclusie toe aan de hand van het relevante beoordelingskader voor de b-grond zoals bepaald in artikel 3 derde lid van de Wet Bibob. ,
,
,
Onderbouwing Ernstige mate van gevaar b-grond Het ernstig gevaar dat de (aangevraagde) vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (de b-grond) baseert het LBB op de volgende feiten en omstandigheden die “erop
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 9 van 16
onze
wijzen” – zoals bedoeld in artikel 3a van de Wet Bibob – dat Tomassen Duck-To B. V. in relatie staat tot strafbare feiten: 42 onherroepelijke boetes voor het in totaal 55 keer (structureel en recent) handelen in strijd met (artikel 6.2 eerste lid van) de Wet dieren gepleegd door Tomassen Duck-To B.V. te ,
,
,
weten:
3 juli 2024 (tweemaal); 8 mei 2024; 17 januari 2024; 11 oktober 2023; 12 juli 2023; 11 juli 2023 (tweemaal); 30 mei 2023; 17 april 2023; 13 februari 2023 (tweemaal); 2 december 2022; 26 juli 2022 (tweemaal); 20 juni 2022; 17 februari 2022 (tweemaal); 24 november 2021; 13 oktober 2021; 9 september 2021 (tweemaal); 22 juli 2021; 23 februari 2021; 8 april 2020; 2 maart 2020; 25 oktober 2019; 27 augustus 2019; 23 juli 2019; 26 juli 2018 (tweemaal); 12 juli 2018 (tweemaal); 28 juni 2018 (tweemaal); 25 juni 2018; 18 juni 2018 (tweemaal); 14 juni 2018; 29 mei 2018 (tweemaal); 29 maart 2018; 5 april 2017; 6 maart 2017; 6 februari 2017 (tweemaal); 30 januari 2017; 19 januari 2017; 18 januari 2017 (tweemaal); 16 januari 2017; 2 juli 2015; 26 mei 2015 (tweemaal); en 8 april 2014. drie onherroepelijke strafbeschikkingen voor het in totaal drie keer handelen in strijd met de Wet dieren gepleegd op 2 maart 2023 6 juli 2022 en 10 juni 2022 gepleegd door Tomassen Duck-To B. V. ; -
-
op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op op
,
,
,
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 10 van 16
onze
-
-
twee onherroepelijke boetes voor het in totaal twee keer handelen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden op 25 mei 2021 en 12 maart 2021 , gepleegd door
Tomassen Duck-To B. V. ; één veroordeling wegens het handelen in strijd met de Regeling handel levende dieren en producten op 18 mei 2018 gepleegd door Tomassen Duck-To B. V. ; één onherroepelijke boete voor het in totaal twee keer handelen in strijd met de Warenwet op 24 maart 2021 gepleegd door Lucky Duck International Food B. V. ; één voldane transactie wegens valsheid in geschrifte gepleegd op 12 april 2016 gepleegd door Lisuda Vastgoed B. V. ; één onherroepelijke boete voor het in totaal twee keer handelen in strijd met de Warenwet op 24 maart 2021 gepleegd door Lucky Duck International Food B. V. ; één voldane transactie wegens valsheid in geschrifte gepleegd op 12 april 2016 gepleegd door Duck-To Farm B. V; en één voldane transactie wegens valsheid in geschrifte gepleegd op 12 april 2018 en 21 september 2018 gepleegd door Canature B. V. ,
-
,
-
-
-
-
,
,
,
,
,
,
Voorts is het ernstig gevaar gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden die “ernstig doen vermoeden” dat u in relatie staat tot strafbare feiten. Dit betreffen: vier ernstige vermoedens dat Tomassen Duck-To B. V. zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Wet dieren op (in ieder geval) 13 februari 2025 16 januari 2025 13 september 2024 6 september 2024 30 augustus 2024 en 16 augustus 2024; één ernstig vermoeden dat Tomassen Duck-To B. V. zich vier keer schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Warenwet op 13 september 2024 6 september 2024 30 augustus 2024 en 16 augustus 2024; één ernstig vermoeden dat Tomassen Duck-To B. V. zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Omgevingswet (op tijdstippen) in de periode van 2 januari 2024 tot en met 11 maart 2024; één ernstig vermoeden dat Tomassen Duck-To B. V. zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Wabo in de periode van 6 oktober 2016 tot en met 30 januari 2018; ,
,
,
,
,
,
en -
één ernstig vermoeden dat Lisuda Vastgoed B. V. zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Wabo in de periode van 30 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 en in strijd met de Omgevingswet in de periode van 1 januari 2024 tot 20 maart 2024. ,
Samenhang Ten aanzien van alle hiervoor genoemde al dan niet vermoedelijk gepleegde strafbare feiten is voldaan aan het “samenhang-criterium” als bedoeld in artikel 3 derde lid aanhef en onder a van de Wet Bibob. Uit het Bibob-advies blijkt namelijk dat de betreffende strafbare feiten zijn gepleegd bij de inrichting waarop de aangevraagde en de vigerende vergunningen betrekking hebben. Daarnaast gaat het om feiten waarvan de aangevraagde en de vigerende vergunningen het mogelijk maken (kunnen faciliteren) om deze te plegen. ,
,
,
,
,
Relatie Tomassen Duck-To B. V. staat in relatie tot alle hiervoor genoemde strafbare feiten omdat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen en ernstig doen vermoeden dat Tomassen Duck-To B. V. de strafbare feiten zelf heeft gepleegd (artikel vierde lid aanhef en onder a van de Wet Bibob). Daarnaast staat Tomassen Duck-To B. V. in relatie tot de hiervoor genoemde (vermoedelijk gepleegde) strafbare feiten door Lisuda Vastgoed B.V. Lucky Duck International Food B.V. Duck-To Farm B. V. en Canature B. V. omdat Tomassen Duck-To B. V. tot voornoemde (rechts)personen in een ,
,
,
,
,
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 11 van 16
onze
(concern) zakelijk samenwerkingsverband staat (als bedoeld in artikel 3 vierde lid onderdeel c de Wet Bibob). ,
,
,
van
Tijdsverloop Tot slot is het tijdsverloop sinds de laatste al dan niet vermoedelijk gepleegde strafbare feiten niet dermate lang dat het afbreuk doet aan de gebleken ernstige mate van gevaar. Het laatstgenoemde feit in het Bibob-advies dateert van ongeveer een jaar geleden. Voorts is het tijdsverloop tussen de beschreven (vermoedelijke) strafbare feiten niet zo lang dat deze feiten niet of minder zwaar mee zouden moeten wegen. Het tijdsverloop tussen de feiten is telkens minder dan vijf jaar. Hierbij sluiten wij aan bij (paragraaf 6. 3 van) de “Leidraad voor de gevaarsbeoordeling op grond van de Wet Bibob” van het LBB. ,
Verwijzing naar Bibob-advies Als gezegd verwijzen wij voor een uitgebreide(re) onderbouwing van de bevindingen en conclusies van het LBB alsook voor een volledig overzicht van de relevante feiten en omstandigheden waarop deze bevindingen en conclusies berusten naar het Bibob-advies en de daarbij bijbehorende bijlagen. Wij onderschrijven de bevindingen en conclusies van het LBB. ,
Vergewisplicht Op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op ons een zogenoemde vergewisplicht. De vergewisplicht houdt in dat als wij een besluit baseren op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur – zoals het LBB – is verricht wij ons ervan moeten vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In verband met de toepassing van de Wet Bibob wordt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over deze vergewisplicht in relatie tot een advies van het LBB het volgende aangetekend: ,
,
,
“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 december 2017 ECLI:NL:RVS:2017:3500) mag een bestuursorgaan gelet op de deskundigheid van het Bureau in beginsel van diens advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat het zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. ,
,
,
,
,
Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het Bureau zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Wel dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat de gestelde vragen op zodanige wijze zijn beantwoord dat op basis van het advies op zorgvuldige wijze en voldoende gefundeerd kan worden 8 beslist. ” ,
Na bestudering van het Bibob-advies zijn wij mede op grond van de bevindingen van ons eigen onderzoek gelet op alle gebleken feiten en omstandigheden alsook de bronnen die het LBB geraadpleegd heeft van oordeel dat het Bibob-advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Ons is niet gebleken van gebreken leemten in kennis of innerlijke tegenstrijdigheden die maken dat wij het Bibob-advies niet aan ons besluit ten grondslag zouden mogen leggen. Wij nemen de conclusies van ,
,
,
,
,
8
Vgl. ABRvS 21 augustus 2019 , ECLI:NL:RVS:2019:2821.
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 12 van 16
onze
het LBB en de onderbouwing daarvan dan ook over en leggen het Bibob-advies mede ten grondslag aan dit besluit. Verder stroken de in het Bibob-advies genoemde feiten en omstandigheden met hetgeen ons ambtshalve is gebleken uit ons eigen Bibob-onderzoek en de eerdere handhavingsacties. De feiten die het LBB aan zijn gevaarsconclusie ten grondslag legt liggen in het verlengde van de ons (daarbij) ambtshalve gebleken actuele feiten en omstandigheden. ,
,
Conclusie Wet Bibob In navolging van het Bibob-advies concluderen wij daarom dat (een actueel) ernstig gevaar bestaat dat de verleende en aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Belangenafweging De toepassing van de Wet Bibob is een bevoegdheid en geen verplichting. Wij dienen daarom een belangenafweging te verrichten. Deze is tweeledig. In de eerste plaats dienen wij op grond van artikel 3 vijfde lid van de Wet Bibob te beoordelen of intrekking en weigering van de vergunningen op grond van artikel 3 eerste lid aanhef sub b van de Wet Bibob evenredig is met (a) de mate van het gevaar en (b) voorzover het ernstig gevaar de b-grond betreft de ernst van de strafbare feiten. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
In de tweede plaats dienen wij een evenredigheidstoets te verrichten in de zin van artikel 3:4 tweede lid van de Awb. De invulling van deze laatste toets dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde “Harderwijk-uitspraak” (ABRvS 2 februari 2023 ECLI:NL:RVS:2022:285). ,
,
,
Artikel 3 vijfde lid van de Wet Bibob Gelet op de ons gebleken ernstige mate van het gevaar aangaande de b-grond daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen de hoeveelheid (al dan niet vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten de samenhang van deze feiten met de verleende en aangevraagde vergunningen alsook de ernst van de feiten – voor een groot deel van de feiten geldt dat deze een lange pleegduur hebben dan wel zich hebben herhaald en deels ook (onherroepelijk) zijn gesanctioneerd – zijn wij van oordeel dat de intrekking en weigering van de vergunningen evenredig is in de zin van artikel 3 vijfde lid van de Wet Bibob. Hierbij betrekken wij dat de in het Bibob-advies genoemde feiten en omstandigheden een patroon laten zien van het structureel of in ieder geval herhaaldelijk en recent (al dan niet vermoedelijk) plegen van strafbare feiten gedurende een zeer lange periode van ruim 11 jaar. Het gaat bovendien om strafbare feiten die rechtstreeks verband houden met de kernactiviteiten van de inrichting waar de vergunningen betrekking op hebben dan wel zijn aangevraagd. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Evenredigheid op basis van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht Ons besluit dient tevens te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 3:4 tweede lid van de Awb: de voor belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. ,
,
In de jurisprudentie is deze evenredigheidstoets uitgekristalliseerd. Op basis van het toetsingskader uit de Harderwijk-uitspraak (voornoemd) moet een besluit (i) geschikt en (ii) noodzakelijk zijn om het doel te bereiken en dient het daarnaast (iii) evenwichtig te zijn. In het hiernavolgende gaan wij nader op deze criteria in. In dit kader merken wij in aanvulling op hetgeen hierover reeds in het voorgaande is opgemerkt het volgende op. ,
Geschiktheid De Wet Bibob stelt bestuursorganen in staat om de eigen integriteit te beschermen door te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Bij het begrip “integriteit”
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 13 van 16
onze
gaat het niet alleen om het eigen handelen van de overheid , maar ook om het handelen van derden die daartoe door de overheid in de gelegenheid worden gesteld. De wetgever gaat ervan uit dat een
integere overheid zich bewust is van het mogelijke misbruik van vergunningen en zich bij die mogelijkheid niet neerlegt. Om dit doel te dienen verschaft de Wabo ons de bevoegdheid om de vergunningen (geheel) in te trekken en te weigeren ingeval van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. ,
Wij stellen op basis van het Bibob-advies vast dat zich in dit geval een dergelijk gevaar voordoet en dat dit is gebaseerd op ernstige structurele althans over een zeer lange periode van ruim 11 jaar herhaaldelijke en bovendien recent (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten. Ook constateren wij dat eerder herhaaldelijk ingrijpen met name door andere overheden door middel van zowel strafrechtelijke maatregelen – waaronder boetes – als bestuurlijke herstelsancties niet hebben geleid tot een doorbreking van het gebleken patroon van strafbare feiten. Dat maakt dat hier de inzet van de Wet Bibob als ultimum remedium onder de gegeven omstandigheden precies de door de wetgever bedoelde interventie is. De geschiktheid van de maatregel is daarmee gegeven. ,
,
,
,
,
,
Noodzakelijkheid Uit de Harderwijk-uitspraak en de daarop voortbordurende rechtspraak volgt dat aan de hand van de ernst en de omvang van de situatie dient te worden beoordeeld in hoeverre een bestuurlijke maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de daarmee beoogde belangen. Daarbij dient onder andere acht geslagen te worden op de ernst en omvang van de – kort gezegd – “normschending”. Wij zijn van oordeel dat de intrekking en de weigering van de vergunningen noodzakelijk is gezien de hoeveelheid alsmede de aard en ernst van de geconstateerde feiten en omstandigheden die (al dan niet vermoedelijk) zijn gepleegd bij en in verband met de inrichting. De hiervoor bedoelde normschending is daarmee naar aard en omvang ernstig. Hierbij betrekken wij dat de geconstateerde feiten en omstandigheden zich over een zeer lange tijd van ruim 11 jaar bij herhaling en tot recent hebben voorgedaan. Wij signaleren daarbij een patroon van het (al dan niet vermoedelijk) plegen van strafbare feiten. Daarom moeten wij er ernstig rekening mee houden dat dergelijke feiten zich opnieuw zullen voordoen als wij de vergunningen in stand zouden laten dan wel zouden verlenen.
De kans op een voortzetting van voornoemd patroon is realistisch temeer omdat – zoals gezegd – ook nadat diverse strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen zijn getroffen u bent doorgegaan met het (al dan niet vermoedelijk) plegen van dezelfde althans sterk met elkaar samenhangende strafbare feiten. ,
,
,
,
,
,
,
,
Verder zien wij in het kader van de noodzakelijkheid niet in met welke minder ingrijpende maatregel – zoals het verbinden van voorschriften – wij zouden moeten volstaan om de gebleken ernstige mate van gevaar weg te nemen. Daarbij merken wij op dat voor zover het gaat om omgevingsvergunningen voor het bouwen geen minder ingrijpende maatregel aan de orde kan zijn. Dit komt omdat de eventueel aan de omgevginsvergunning bouwen verboden voorschriften feitelijk na de bouw zijn uitgewerkt vanwege het expirerende karakter. Derhalve zijn minder ingrijpende maatregelen niet aan de orde. Bovendien zien wij geen grond voor het oordeel dat het in stand laten van de vergunningen of het verlenen van de vergunningen in combinatie met het verbinden van voorschriften recht doet aan de gebleken mate van gevaar. Daarbij zij opgemerkt dat eventuele vergunningvoorschriften op grond van artikel 3 zevende lid van de Wet Bibob gericht dienen te zijn op het wegnemen of beperken van de geconstateerde ernstige mate van gevaar. Met het oog op het aantoonbare slechte naleefgedrag in de afgelopen ruim 11 jaar van regels en voorschriften op uiteenlopende terreinen en hetgeen hierover in het vorenstaande is opgemerkt achten wij het onwaarschijnlijk dat met het treffen van een dergelijke maatregel in dit geval hetzelfde doel wordt bereikt als met het intrekken en weigeren van de vergunningen. ,
,
,
,
,
,
,
,
onderwerp
onze
ref.
pagina
Definitief
besluit
weigering aangevraagde revisievergunning vigerende revisievergunningen
en
intrekking
02330015089189 14
van
16
Ons besluit
is daarmee
noodzakelijk.
| In verband
de evenwichtigheid van de intrekking en weigering van de vergunningen betrekken overeenkomstig de Harderwijk-uitspraak, uw verwijtbaarheid en de verwijtbaarheid van de aan u gelieerde ondernemingen aan de geconstateerde, al dan niet vermoedelijk gepleegde, strafbare feiten en aan de gevolgen van ons besluit. Hierbij benadrukken wij, onder verwijzing naar rechtsoverweging 7.4 van de laatstgenoemde uitspraak, dat wij ons realiseren dat de intrekking en weigering van de vergunningen nadelig voor u zijn, maar dat een besluit met “harde” gevolgen niet per definitie een onevenredig besluit is. Ook in dit geval is, ondanks de mogelijk harde gevolgen, geen sprake van een onevenredig besluit.
wij,
met
eveneens
Ter zake
van de verwijtbaarheid merken wij in de eerste plaats op dat uit het Bibob-advies blijkt dat geconstateerde strafbare feiten over het algemeen, al dan niet vermoedelijk zelf heeft (hebben) gepleegd. Daarnaast is de verwijtbaarheid groot, (geanonimiseerd) | u
de
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Wij
willen
nadrukkelijk voorkomen dat wij over de boeg van de verleende vergunningen ongewild plegen van strafbare feiten (blijven) faciliteren of over de band van de aangevraagde vergunningen mogelijk opnieuw het plegen van strafbare feiten zouden gaan of zouden blijven faciliteren. Hierbij betrekken wij dat de agrarische sector en alle daarmee samenhangende (neven)sectoren in algemene zin kwetsbaar en gevoelig zijn voor criminogene invloeden. Concreet kan het in stand houden van de vergunning of de vergunningverlening binnen onze gemeente leiden tot oneerlijke concurrentie, het aantrekken van criminaliteit en het verliezen van grip onder meer in verband met controles op het gebied van ruimtelijke- en milieuregelgeving, maar ook op het gebied van dierenwelzijn op de exploitatie van uw inrichtingen. Niet op de laatste plaats wordt schade aangericht aan de integriteit van de overheid (zie ook Kamerstukken // 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 2). Wij zijn op grond van het Bibob-advies tot de overtuiging gekomen dat wij onder meer de hiervoor genoemde belangen schaden als wij de verleende vergunningen in stand zouden laten en de aangevraagde vergunningen zouden verlenen. het
-
-
Over de
gevolgen
intrekking en weigering van de vergunningen merken wij op dat wij ons ingrijpend zijn. Tegelijk is ons uit het Bibob-advies gebleken dat sprake van een ernstig gevaar en van ernstige feiten. Wij merkten dat hiervoor al op en hebben dit nader uitgewerkt in Bijlage 2. van
realiseren, dat deze
de
voor
u
Alles overziend
zijn wij van oordeel dat ons besluit tot intrekking en weigering van de vergunningen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is in verhouding tot de geconcludeerde mate van gevaar, alsook de ernst van
van
de Awb).
Gevolgen
besluit
de strafbare
feiten
en
tot
het
besluit te dienen
doelen
(artikel 3:4, tweede
lid,
is
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 15 van 16
onze
Zoals hierboven reeds opgemerkt heeft dit besluit tot gevolg dat u uw bedrijfsvoering op het perceel voor zover dat valt onder de ingetrokken vergunningen definitief dient te beëindigen. Gaat u daarmee toch door en stellen wij dat vast dan zijn wij bevoegd daartegen handhavend op te treden. ,
,
,
Concreet zullen wij daarom in beginsel uw perceel controleren. Wordt tijdens die controle vastgesteld dat de bedrijfsvoering onverminderd wordt voortgezet ondanks dat de daarvoor vereiste vergunningen zijn ingetrokken zullen dan wij handhavend optreden. Het handhavend optreden zal erop gericht zijn dat de bedrijfsvoering onmiddellijk wordt gestaakt en daarna gestaakt blijft. ,
,
Geheimhouding Onder verwijzing naar artikel 28 eerste en derde lid van de Wet Bibob wijzen wij erop dat eenieder – en u in het bijzonder – verplicht is tot geheimhouding van alle informatie die is en wordt verstrekt uit en op basis van het Bibob-advies en de daarbij behorende bijlagen alsook onze ambtshalve gebleken Bibob-gegevens. Op het Bibob-advies en de daarbij behorende bijlagen zelf die reeds in uw bezit zijn rust vanzelfsprekend ook geheimhouding. Dat geldt ook voor Bijlage 1 bij dit besluit waarin de zienswijzen worden behandeld. ,
,
,
,
,
,
Concreet betekent dit dat u de informatie uit het Bibob-advies niet met externen mag delen. Voorzover sprake is van vertegenwoordiging door een rechtshulpverlener mag (alleen) met deze rechtshulpverlener wel de Bibob-informatie worden gedeeld maar ook voor deze rechtshulpverlener geldt de geheimhouding onverkort. Dat geldt overigens ook voor ons. Het schenden van de geheimhouding is strafbaar ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. ,
,
Beroep Tegen dit besluit kunt u binnen zes weken ingaande op de dag na verzending van dit besluit beroep instellen bij de rechtbank Gelderland locatie Arnhem sector bestuursrecht Postbus 9030 6800 EM Arnhem. U bent dan wel griffierecht verschuldigd. ,
,
,
,
,
,
Vragen? Heeft u naar aanleiding van deze brief dan wel anderszins vragen dan kunt u telefonisch of per email contact opnemen met de gemeente via telefoonnummer 0341 - 567 392 of e-mailadres secretariaat @ermelo.nl. Wij verzoeken u alsdan het kenmerk van deze brief te vermelden. ,
Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo M. Jacobs P. J. T. van Daalen secretaris burgemeester ,
,
,
,
,
onderwerp Definitief besluit weigering aangevraagde revisievergunning en intrekking
vigerende revisievergunningen ref. 02330015089189 pagina 16 van 16
onze
Bijlage 1: Zienswijze 02330015088444 , e250075721 Bijlage 2: Antwoordnota/zienswijzenota 02330015089224 , e250076553