CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 WUR rapport e250009210 (Geanonimiseerd)

Gemeenteraad 14 mei 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Vaststellen Gebiedsplan GEUS5.934 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

LandbouwGEUS

-

en

emissieontwikkelingen

verleden

en

toekomst

(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) en . (geanonimiseerd) Wageningen | 20

November

Environmental

Research

2024

WAGENINGEN UNIVERSITY

&

RESEARCH

Inleiding

1.

Achtergrond In GEUS

vraagstelling

en

(Garderen,

Elspeet,

toekomstbestendig ambitie

is: ‘Een

leefbare

ontwikkelingen Inwoners

plan.

de

van

recreatie,

Het doel met

en

waar

landbouw,

belang

van

positie

een

oplossingsrichtingen

daarbij

gezond

een

plaatsgevonden

landschap

De projectorganisatie

inzichtelijk

te

nodig zijn

en

GEUS

van

2024

rol in het

aan

een

hoofdlijnen.

de

ontwikkelen

van

de

van

te

hebben

worden

tot

Research

basisgegevens

doelen

stikstof,

voor

reeds

(WEnR)

modellen

en

waterkwaliteit

en

een

hebben

2030.

doelbereik Gelderse

en

liggen

in het gebied

verwacht

Environmental

plan belangrijke rol. Het is

een

gevraagd

heeft

die beschreven

deelgebieden

voor

(geanonimiseerd) et al, |

klimaat”

en

dit

beschikt die hiervoor

provinciale studie soortgelijke berekeningen gedaan

een

in het

het

en

een

speelt daarin

de landbouw er

relevante

visie

natuur’.

dient te worden.

Landbouw

Wageningen

over

robuuste

gedragen gebiedsvisie

welke ontwikkeling

heeft

een

toekomstbestendig agrariër waarbij binnen GEUS de balans

de

verbetert

een

rapport: “Integrale doorberekening landbouw op basis van indicatieve maatregelen

staan

inwoners

en

is het stimuleren

toekomstige ontwikkelingen

maken, omdat WEnR eerder in

in op

laten zien

welke

natuur

en

om

GEUS

voor

te

om

en

en

bodemsysteem

en

centrale

wordt

perspectief voor

en

is

water-

een

gewerkt

aan

de gebiedsaanpak

van

overheden

oog op klimaat, natuur, water, stikstof en leefbaarheid*. De vitale enclave, waarin sociaaleconomische en maatschappelijke wensen en

opgaven met

werken

het

in evenwicht zijn met

landbouwsysteem tussen

Speuld)

en

met

bedrijven in het gebied spelen

en

Een

Uddel

gebiedsplan

2023). De concrete

vraagstelling

landbouw

in GEUS

kader

het

was

inzicht te geven

om

en

tot

aan

2030

doel

is

om

met

mogelijk toekomstige ontwikkelingen

voor

de

gebiedspartners inzichtelijk

tussen

gebiedsplan

gestelde doelen

met

worden.

is het bedoeld

Tevens

ondersteunen

Aanpak: WEnR

modellen

maakt

Het

de

van

o.a.

het

bedrijf en

informatie

op

15

mei.

informatie wordt

doeleinden

beschikbaar

Informatie

uit de

milieuemissie

te

gesteld

over

door RVO

gerealiseerd kunnen

het

wordt daarvoor

meten

Model for Agriculture

(NEMA).

het gebruik

per dier in de stal

Uniformering berekening

van

statistisch

gebruik gemaakt en

landbouw de

zoals

verwerkt

die is of wordt verwacht is

en

modellen.

van

wordt

de

van

berekent

mest.

De uitscheiding

uitstoot

worden

Deze

de gecombineerde

ammoniak

van

NEMA

berekend

stoffen

stikstof

van

of weide

berekend

Mest-

mineralencijfers (WUM). Op

en

de van

volgens

de

en

voor

de

het

ammoniakemissie

berekenen berekend

van

ammoniakemissie uit de

worden.

id https://gebiedsaanpakgeus.nl/ 3

| Wageningen Environmental Research

Notitie

November 2024

modellen

opgave) met

het

fosfaat door

methode

combineren

met

metingen(bijv.

National

Emission

bijvoorbeeld stallen,

van

een

dier (excretie)

de Werkgroep

de website

https://www.emissieregistratie.nl/documentatie/methoderapporten/landbouw voor

onderzoeks-

voor

Opgave wordt vervolgens gebruikt voor het onmogelijk is om per stal en per perceel jaarlijks de

uitstoot

De

om

Gecombineerde

en

Omdat

per staltype).

data

te

gemaakt

rekenmodellen

en

Er wordt gebruik

beteelde percelen

CBS

(uit bijvoorbeeld

PDF met

en

hoeverre

WEnR.

aan

Landbouwtelling

de

van en

emissiefactoren

en

in

het gebiedsplan

over

in het

ontwikkelingen

Jaarlijks geeft de landbouwer bedrijfsgegevens door aan de toestand van de veestapel zoals die is op 1 april aanwezig is

de landbouwtelling

mestopslag

maatregelen

maken

te

klimaatopgaven

en

databronnen

activiteitendata

wordt

mogelijke

Opgave.

de toestand

over

de milieuemissies.

van

bestuurlijke besluitvorming

water-

in beeld te brengen.

informatie

om

op

bepalen

de

Gecombineerde

en

Deze

stikstof-,

best beschikbare

milieuemissies

en

gaat

van

reeds plaatsgevonden

de

tot om

deze

data

en

gebruik

Landbouwtelling RVO.

betrekking

nu,

de

onderbouwen.

en

ontwikkelingen

en

GEUS.

op basis

in emissies vanuit

Het

van

2018

in de ontwikkelingen

landbouw.

staat

Hierin

een

staat

interactieve beschreven

hoe

Bovenstaande emissieberekeningen worden op landelijk schaalniveau gedaan. Met het model INITIATOR 2 worden deze landelijke emissieberekeningen (met NEMA) ruimtelijk gedifferentieerd in Nederland op basis van de ligging van de stallen en percelen van de bedrijven die meegedaan hebben in de Landbouwtelling en Gecombineerde opgave. INITIATOR berekent naast de emissies van ammoniak , ook die van methaan- en lachgas. Op basis van de ruimtelijk gedifferentieerde emissies is vervolgens op basis van de gebiedsbegrenzing van GEUS een uitsnede gemaakt van de stallen en percelen en de daarbij behorende berekende emissies. De gehanteerde gebiedsbegrenzing voor GEUS staat in figuur 1.

Figuur 1 Gebiedsbegrenzing (blauw) GEUS. De verwerking van data en berekeningen van emissies kosten tijd. Momenteel zijn al wel de landbouwtellingdata voor 2023 en 2024 (voorlopige cijfers) beschikbaar , maar voor de emissieberekeningen is 2022 het meest recente jaar. De emissies van 2023 komen medio 2025 beschikbaar via Emissieregistratie. Het gebruik van data en modellen gaat gepaard met onnauwkeurigheden en onzekerheden. De Emissieregistratie kwantificeert elk jaar de onzekerheid van de emissiecijfers. De mate van onzekerheid van een emissie wordt onder andere bepaald door de werking van het proces waarbij de emissie vrijkomt , de kwaliteit van de gebruikte gegevens en de volledigheid van de emissieberekening. In 2024 was op landelijk niveau de onzekerheid in de ammoniakemissie 27% , in de methaanemissie 9% en lachgasemissie 28%.3 2 https://www. wur. nl/nl/show/initiator. htm 3

https://www. emissieregistratie. nl/over-emissieregistratie/kwaliteit-van-de-emissiecijfers

4 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

De emissieregistratie

en

vergunningsgegevens

zoals de

WEnR

Omgevingsrecht Omgevingswet

maken voor de emissieberekeningen geen gebruik van milieuvergunning die in het kader van de Wet Algemene

natuurwetvergunning Natuurbeschermingswet. In eerdere onderzoeken van WEnR in andere gebieden

voor

dat 25

al, 2021).

tot

in het

kader

van

Bepalingen

de

van

de

komt

het

vergunde dieraantallen op gebiedsniveau niet benut worden Dit kan zijn dat bedrijven de vergunning niet geheel opgevuld hebben, omdat

ontwikkeling

40%

of de

zijn of stallen

niet het gehele

jaar maximaal

vergunningen

vol

staan.

Het

kunnen

beeld

(o.a ze

nog in

echter ook ‘lege’

zijn die momenteel volledig niet in gebruik zijn. Veelal betreft dit vergunningen bedrijven die gestopt zijn, maar nog niet door bevoegd gezag zijn ingetrokken.

5

| Wageningen Environmental Research

Notitie

November 2024

naar

(geanonimiseerd) | et

van

2. Recente landbouwontwikkeling in GEUS vanaf 2018 Ontwikkeling dieraantallen 2018-2024 Het aantal dieren is in grote mate bepalend voor de ammoniakemissie in GEUS. Tabel 1 laat de ontwikkelingen van de dieraantallen in GEUS zien voor de periode 2018-2024. De cijfers voor 2024 zijn voorlopige cijfers gebaseerd op de ‘ruwe’ ingewonnen data waar nog geen kwaliteitscontrole op is gedaan. Tabel 1 Dieraantallen in GEUS volgens Landbouwtellingen. Categorieën met een dan vijf bedrijven voor en worden uit privacyoverweging niet gerapporteerd. Peiljaar

Melkkoeien

Jong-vee

Vleeskalveren

Rundvee totaal

Varkens totaal

Kippen totaal

Schapen/ geiten

–

komen

op

Kalkoene

minder

Nertsen/ pelsdiere

n

n

2018

1. 133

785

47. 640

49. 558

-

-

436

-

-

2019

1. 060

672

45. 017

46. 749

-

-

719

-

-

2020

1. 081

617

49. 612

51. 310

-

-

658

-

-

2021

1. 100

624

49. 823

51. 547

-

-

629

-

0

2022

1. 087

651

49. 798

51. 310

-

-

805

-

0

2023

988

587

42. 376

43. 951

-

-

815

-

0

2024*

1. 015

479

36. 000

37. 540

-

-

959

-

0

-10% -39% -24% -24% 220% (*) voorlopige cijfers (-) dieraantallen niet weergeven omdat deze op minder dan 5 bedrijven voorkomen.

-

0%

Relatieve ontwikkeling tussen 2018 en 2024

Uit tabel 1 volgt dat het aantal melkkoeien in 2024 ten opzichte van 2018 met 10% is afgenomen. Het bijbehorende jongvee op de melkveebedrijven is met bijna 40% afgenomen. Het aantal vleeskalveren , is ten opzichte van 2018 met 24% afgenomen. Hier is de grootste afname zichtbaar in de laatste twee jaar (2023 en 2024) die met name het gevolg is van beëindigingsregelingen. In de overige diercategorieën valt op dat het aantal schapen en geiten toeneemt. Voor pluimvee en varkens geldt dat deze op minder dan 5 bedrijven voorkomen.4 Nertsen/pelsdieren zijn na het verbod in 2021 niet meer aanwezig. Ontwikkeling ammoniakemissies 2018 -2024 Figuur 2 laat de ammoniakemissies zien voor de verschillende peiljaren. De grootste bijdrage aan de ammoniakemissies is afkomstig uit de stallen met vleeskalveren , gevolgd door de veldemissies ten gevolge van het uitrijden van dierlijke en kunstmest. Uit de emissiegegevens van GEUS (die beschikbaar zijn tot jaar 2022) komt naar voren dat er tussen 2018 en 2022 een forse daling heeft plaatsgevonden in de ammoniakemissies (Figuur 2).

4

Om het herleiden van dieraantallen naar individuele bedrijven te voorkomen worden deze dieraantallen niet weergegeven. De dieren worden wel meegenomen in de berekeningen.

6 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Figuur 2 Ammoniakemissies uit landbouwbronnen in GEUS 2018 , 2021 en 2022 uitgesplist naar veldemissie en stal- en opslagemissies van vleeskalveren , melkvee en het overige vee (in 1000 kg NH)3 , berekend met INITIATOR , gebaseerd op NEMA. Wat opvalt was dat met name de stalemissies van vleeskalveren tussen 2018 en 2022 een forse daling lieten zien. Het gaat om een vermindering van 28% tussen 2018 en 2022. Daar liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag. In de periode 2018 en 2022 zijn de excretiefactoren voor (wit)vleeskalveren steeds naar beneden aangepast aan de hand van informatie van de sector en aanvullende analyses. Redenen die hiervoor worden aangedragen zijn een langere duur van de productieronde , een geactualiseerd voerrantsoen en een hoger aflevergewicht. Verder zijn in deze periode al een deel van de vleeskalveren in emissiearme stallen gehuisvest. In bijlage 1 wordt een nadere analyse gedaan naar de daling van de stalemissies in de vleeskalverhouderij. Daaruit volgt dat de emissiereductie tussen 2018 en 2022 zoals in gepresenteerd in figuur 2 niet per se de lange termijn trend weergeeft en 2018 een hogere berekende ammoniakemissie geeft dan de omringende jaren (zowel voor als na 2018).

Gezien de onzekerheden in modellen en onderliggende aannames (hetgeen groter wordt naarmate van landelijk niveau naar een klein deelgebied als GEUS wordt ingezoomd) is het verstandig om emissiereductie tussen 2018 en 2022 met enige voorzichtigheid te interpreteren. Figuur 3 geeft aanvullend op figuur 2 de ontwikkeling van de ammoniakemissie weer voor de jaren 2023 en 2024. Deze zijn niet berekend op basis van NEMA/INITIATOR , maar geschat op basis van 2022 dat gecorrigeerd is op basis van de afname in de veestapel uit de landbouwtelling (Tabel 1). Door de relatief grote afname in vleeskalveren neemt de ammoniakemissie verder af. In 2024 is de inschatting dat ten opzichte van peiljaar 2018 de ammoniakemissie met circa 40% is gedaald. Met name de ontwikkelingen in de vleeskalverhouderij in het gebied dragen hier aan bij. Omdat het voor de laatste 2 jaar om schattingen van de emissies gaat moeten deze resultaten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.

7 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Figuur 3 Ammoniakemissies uit landbouwbronnen in GEUS 2018 , 2021 , 2022 en geschat (*) voor 2023 en 2024 uitgesplist naar veldemissie en stal- en opslagemissies van vleeskalveren , melkvee en het overige vee (in 1000 kg NH 3) , en de relatieve reductie in totale ammoniakemissies ten opzichte van peiljaar 2018 (in procenten) , berekend met INITIATOR , gebaseerd op NEMA.

8 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

3. Toekomstige landbouwmaatregelen in GEUS tot 2030-2035 Doorgerekende maatregelen In overleg met de werkgroepen in GEUS zijn verschillende maatregelen in de landbouw gedefinieerd die effect hebben op de milieuemissies en passen bij het toekomstperspectief voor de landbouw in GEUS. De effecten zijn met het model INITIATOR (zie hoofdstuk 2) doorgerekend. Tabel 2 geeft een overzicht van deze maatregelen. De maatregelen worden genomen ten opzichte van basisjaar 2022 en verwacht wordt dat deze in 2030-2035 5 volledig zijn uitgevoerd. Tabel 2 Doorgerekende landbouwmaatregelen GEUS. Maatregel

Nr

Door te rekenen

Toelichting

Verduurzaming stallen vleeskalveren

1

Stallen van vleeskalveren hebben een emissiefactor van maximaal 25, kg NH/dp/jaar (stallen met een luchtwasser en 3 een emissiefactor < 25, kg NH/dp/jaar 3 behouden deze lagere emissiefactor).

De grenswaarde voor nieuwe stallen , gebouwd vanaf 2020. NB: in 2023 staat nog 83% van het aantal vleeskalveren in een traditionele stal (emissiefactor 35, kg NH/dp/jaar ) 3

2

Bedrijven met meer dan 1250 vleeskalveren staan in een stal met een luchtwasser en voldoen aan minimaal voldoen aan de emissiegrenswaarde van 11, kg NH/dp/jaar. 3

3

Combinatie van maatregel 1 + 2 Dagontmesting in combinatie met

Kwalitatief beschrijven.

monovergisting Toepassing RENURE

Kwalitatief beschrijven.

Verduurzaming stallen melkvee Eiwitarmer rantsoen melkvee

4

Omvang veestapel

5

Melkvee: een verlaging van het ruw eiwitgehalte tot 155 gram ruw eiwit per kg droge stof met een reductie van 8% stikstof en 3% TAN. Minder dieren door opkoopregelingen , stoppers (o. a. rood voor rood) Generiek over gehele veestapel t. o. v. 2022 5. 1 10 % minder dieren 5. 2 20 % minder dieren 5. 3 30 % minder dieren

5

Derogatiebeschikking

6

Kruidenrijk grasland

7

Uitvoeren van de regels volgens de derogatiebeschikking , o. a. • onbemeste bufferstroken langs waterlopen , • max 170 kg N uit dierlijke mest , • 20% verlaging stikstofgebruiksnormen , • minimaal aandeel rustgewassen (eens per drie jaar). • verplichting inzaaien van vanggewassen op zand- en lössgronden na 1 oktober 10% van het graslandareaal is kruidenrijk met grasklavers

Doelstelling volgt uit praktijkpilot Koe en Eiwit (www. koeeneiwit. nl) Een deel van deze vermindering is al ingezet in 2023 en 2024 (zie tabel 1).

Reeds ingezet beleid

Grasklavers fixeren stikstof , aangenomen wordt dat dit leidt tot

Voor het berekenen van de effecten van de maatregelen is het toekomstige doeljaar niet relevant. Voor de uitvoering van

de maatregelen uiteraard wel.

9 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Maatregel

Nr

Door te rekenen

Toelichting minder N kunstmest toediening

Minder landbouwareaal

8

Geen bemesting meer op voormalige landbouwgronden

Minder landbouwareaal

Totaalpakket

9

8. 1 50 ha minder landbouwgrond t. o. v. 2022 8. 2 100 ha minder landbouwgrond t. o. v. 20228. 3 64 ha minder landbouwgrond afname grond t. o. v. 2022 (vertaling aannames in KEV2022 , voor zichtjaar 2030) Combinatie van maatregel 3 , 4 , 5.1 , 6 , 7 , 8. 1

De maatregelen in tabel 2 zijn van toepassing op zowel de ammoniakemissies vanuit de stal en mestopslag als ook vanuit het veld bij aanwenden van dierlijke mest en kunstmest. De verduurzaming van de stallen zijn van toepassing op de vleeskalveren. Daarbij wordt uitgegaan van dat alle stallen in 2030 voldoen aan de emissie-eisen die gelden voor nieuwbouwstallen volgens Besluit Emissiearme Huisvesting (maatregel 1). Een variant (maatregel 2) hierop is dat op de grotere stallen met meer dan 1250 vleeskalveren een luchtwasser krijgen met een nog lagere emissiefactor , in de veronderstelling dat bij deze omvang een investering in deze techniek haalbaar is. Voor de melkveehouderij gelden ook strengere emissie-eisen die gelden voor nieuwbouwstallen volgens Besluit Emissiearme Huisvesting , maar uit onderzoek is gebleken dat een emissiearme stal in de praktijk niet altijd de vermindering in uitstoot van ammoniak geeft dan de emissiefactor waarmee een systeem in de regeling ammoniak en veehouderij is opgenomen (Groenestein et al. , 2023). Deze nieuwe stallen hebben veel loopruimte voor de koeien en dus een groot emitterend vloeroppervlak , maar dat is een bron van ammoniakuitstoot. Deze maatregel is daarom niet doorrekend , wordt hieronder kort beschreven welke effecten te verwachten zijn van snelle afvoer en bewerking en vergisting van mest.

Een potentieel effectieve maatregel in de melkveehouderij is het verlagen van het ruw eiwit gehalte in het rantsoen van de melkveehouderij. Vuistregel is dat 1 gram ruw eiwit per kg droge stof geeft een vermindering van 1% van de ammoniakemissie (zie www. koeeneiwit. nl). In deze doorrekening wordt uitgegaan van een verlaging van het ruw eiwitgehalte tot 155 gram ruw eiwit per kg droge stof met een reductie van 8% stikstof en 3% TAN. Voor het verminderen van de ammoniakemissie bij beweiding en aanwending van dierlijke en kunstmest is het verlagen van de bemesting. Hierbij wordt aangesloten bij het reeds ingezette beleid volgens de derogatiebeschikking (maatregel 6). Het gaat om onbemeste bufferstroken , afschaffen van derogatie voor melkveebedrijven en verlagen van de stikstofgebruiksnormen (20% korting op totale N gift vanuit dierlijke- en kunstmest). Door het verhogen aandeel klaver/vlinderbloemigen in graslanden zal door een verhoging van de biologische stikstofbinding het gebruik van (kunst)mest verlaagd kunnen worden (maatregel 7). Er is aangenomen dat voor alle bedrijven geldt dat het graslandareaal voor 10% uit kruidenrijk grasland moet bestaan en dat daarbij op grasland 40 kg N/ha extra wordt gefixeerd , hetgeen verminderd wordt op de kunstmestgift.

Minder landbouwareaal (maatregel 8) betekent ook een kleiner te bemesten areaal en omdat verondersteld wordt dat de gebruiksnormen al worden opgevuld op bemeste landbouwgrond neemt ammoniakemissie verder af. Tot slot is het ook mogelijk om de dieraantallen te verminderen in GEUS. In maatregel 5 zijn daarvoor een aantal varianten doorgerekend. Het betreft een generieke korting over de gehele veestapel ten opzichte van peiljaar 2022. De analyse in hoofdstuk 2 laat zien dat voor een aantal diercategorieën deze krimp al heeft plaatsgevonden in 2024. Op basis van gegevensverzameling onder agrariërs binnen GEUS zijn er door vanuit LTO en de werkgroep landbouw in GEUS ook inschatting gemaakt van toekomstige ontwikkeling. Op basis hiervan is te verwachten dat een vermindering van het aantal vleeskalveren eerder 30% zal zijn dan 10%. Het effect van alle maatregelen samen is niet een optelsom van afzonderlijke maatregelen. Daarom is er ook een totaalpakket aan maatregelen (maatregel 9) doorgerekend.

10 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Niet doorgerekende maatregelen m. b. t. mestverwerking en -bewerking Er worden nieuwe technieken ontwikkeld die werken met frequent afvoeren van de mest en in een aantal gevallen met het scheiden van feces en urine bij de bron. Vaak zijn deze nieuwe technieken ook gecombineerd met een stalsysteem. Het geeft een lagere emissies aan ammoniak en broeikasgassen t. o. v. traditionele stalsystemen en de gescheiden meststromen bieden kansen voor bijvoorbeeld organische meststof of bodemverbeteraar , als bron van groene energie , of als kunstmestvervanger. Gollenbeek et al. , 2024 schetsen een aantal mogelijke mestbehandelingen op boerderijschaal die invloed hebben op het verlagen van emissies: • Aanzuren , verrijken en verdunnen van mest gericht op verminderen van emissies uit de mestkelders en bij aanwenden; • Strippen van mest en scrubben van lucht; • Vergisten in combinatie met snelle afvoer van mest uit de stal; Strippen kan toegepast worden op drijfmest , dunne fractie , urine/gier en digestaat en vaste pluimveemest. Het scrubben wordt toegepast op de met ammoniak verrijkte lucht die bij het strippen ontstaat. Strippen houdt in dat een vluchtige stof als ammoniak uit een processtroom kan worden verwijderd met behulp van een gas. Scrubben legt deze ammoniak weer vast door middel van wassing met een zuur.

Met deze techniek wordt de ammoniakemissie bij verdere opslag en aanwenden sterk gereduceerd. Mestvergisting sluit goed aan op stalsystemen waarbij de mest zo snel mogelijk uit de stal wordt verwijderd. Vergisting van mest vindt plaats onder anaeroob omstandigheden waarbij organisch materiaal met behulp van micro-organismen omgezet wordt naar methaangas en koolstofdioxide. Wat overblijft na het vergisten wordt digestaat genoemd. Door het verder verwerken van het digestaat , bijvoorbeeld strippen scrubben kunnen meststoffen gemaakt worden die voldoen aan de criteria van een RENURE-meststof. Vergisten an sich reduceert de ammoniakemissie niet , maar zorgt door de afgesloten omgeving ook dat het niet vervluchtigd. Wanneer de snelle mestverwijdering gepaard gaat met een voor ammoniak effectieve manier dan daalt de ammoniakemissie wel uit de stal. Aanwenden van digestaat geeft weer risico’s op meer ammoniakemissie ten opzichte van drijfmest vanwege het hogere gehalte ammoniumstikstof in het digestaat. Door het strippen van de ammoniumstikstof uit het digestaat kan de ammoniakemissie bij aanwending effectief worden verminderd (Gollenbeek et al , 2022). Een drijfveer voor mestverwerking op boerderijniveau kan het maken van kunstmestvervangers zijn. Hierdoor is het mogelijk om meer mest op eigen land te kunnen plaatsen.

RENURE (REcovered Nitrogen from manURE) , hetgeen staat voor het terugwinnen van stikstofhoudende meststoffen uit dierlijke mest. Het gaat om producten die een vergelijkbare werking hebben qua benutting van stikstof als kunstmest en daarom geen hoger risico hebben op nitraatuitspoeling. In plaats van kunstmest kan deze teruggewonnen stikstof uit dierlijke mest ingezet worden. Het gebruik van RENURE is nog niet toegestaan , maar de Europese Commissie heeft in het voorjaar van 2024 een voorstel gedaan om deze kunstmestvervanger te kunnen inzetten. In het concept voorstel van de EU wordt RENURE gekoppeld aan een aantal technieken te weten strippen scrubben , reversed osmosis en het maken van struviet. In de toekomst zal blijken of de EU deze technieken inderdaad als voorwaarde opneemt voor het produceren van RENURE. Er worden dus eisen gesteld aan de stikstofwerking van RENURE. Als RENURE ingezet wordt in plaats van kunstmest met dezelfde werking als kunstmest zal er niet veel veranderen aan de stikstofverliezen , maar is experimenteel onderzoek nodig. Toepassen van RENURE zelf zal geen effect hebben op de emissiereducties in de stal.

Als er maatregelen worden genomen in de opslag van mest en mestproducten (zoals een korte opslagduur en emissiearme opslag) en/of producten uit mestbewerking die emissiearmer dan de huidige toedieningsmethoden worden toegediend) , dan zijn er perspectieven om ammoniak- en broeikasgasemissies te beperken.

11 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Effecten van de maatregelen op de ammoniakemissie Figuur 4 laat het effecten van de maatregelen zien op de vermindering van de ammoniakemissies ten opzichte van het peiljaar 2022. De verduurzamingsmaatregelen in de stallen met vleeskalveren heeft een groot effect in GEUS. Een reductie van ruim 30 tot bijna 40 ton NH 3 is mogelijk. Dit is ten opzichte van peiljaar 2022 een reductie van 13-17% en samen met de reeds gerealiseerde emissiereductie is het ten opzichte van 2018 bijna 40% reductie.

Figuur 4 Effecten van de doorgerekende landbouwmaatregelen GEUS 1000 kg NH). 3

op

de ammoniakemissie (*

Figuur 5 Relatieve effecten van de doorgerekende landbouwmaatregelen GEUS ammoniakemissie ten opzichte van peiljaar 2018 en peiljaar 2022 (in %).

12 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

op

de

Minder dieren geeft eveneens een grote emissiereductie. Op basis van de verwachtingen uit de inventarisatie bij agrariërs in GEUS is te verwachten dat variant 5. 3 het meest waarschijnlijke scenario is voor de vleeskalveren. Dit leidt tot een reductie van meer dan 40 ton NH.3 Het totaalpakket aan maatregelen (met 20% minder dieren) kan wel 60 ton NH 3 reductie opleveren en kan nog hoger uitvallen als de vleeskalveren dalen conform de verwachtingen. De overige maatregelen geven een effect op de ammoniakemissie , maar zijn ten opzichte van de voorgaande maatregelen zeer beperkt. De maatregelen gericht op minder bemesten en kruidenrijk grasland hebben wel effect op de waterkwaliteit (zie volgende paragraaf). Effecten van de maatregelen op de broeikasgasemissies en waterkwaliteit De maatregelen kunnen ook tot vermindering van de methaan- en lachgasemissies en de uitspoeling van stikstof en fosfor naar grond- en oppervlaktewater leiden. In figuur 6 staat het effect van de maatregelen op de methaan- en lachgasemissies weergegeven in reductiepercentages ten opzichte van 2022. De verduurzamingsmaatregelen in de vleeskalverstallen zijn alleen gericht op vermindering van ammoniakemissie. Op de methaanemissie heeft deze maatregel geen effect. Wellicht bieden additieven aan voer en mest mogelijkheden om de methaanemissie verder te verminderen.

Bij het eiwitarm voeren in de melkveehouderij zijn de effecten op de reductie van de methaanemissie nog niet eenduidig. In het project Integraal Aanpakken 6 worden op praktijkbedrijven onderzoek gedaan naar hoe via het rantsoen zowel de ammoniak- als methaanemissies verminderd kunnen worden. Additieven in het voer en meer weidegang zijn bijvoorbeeld maatregelen die relatief in te voeren zijn. Minder dieren is de meest directe manier om te sturen op de methaanemissie. Figuur 6 laat ook zien dat dit de grootste reducties leidt. Vuistregel is dat x% minder dieren ook x% minder methaan uitstoot geeft omdat uitstoot van methaan vooral ontstaat bij fermentatie in de pens van dieren en uit de mest in de stal en mestkelders. Vermindering van lachgasemissies is vooral zichtbaar bij de maatregelen die gericht zijn op minder bemesting en dan met name minder gebruik van kunstmest.

Figuur 6 Relatieve effecten van de doorgerekende landbouwmaatregelen GEUS lachgasemissies ten opzichte van peiljaar 2022 (in %). 6

https://integraalaanpakken. nl/

13 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

op

de methaan-

en

Figuur 7 De gemiddelde stikstof en fosfaatgiften per ha uit dierlijke en kunstmest in de doorgerekende landbouwmaatregelen GEUS (berekend met INITIATOR). Zie variant 0 is het peiljaar 2022 en de overige nummers corresponderen met de beschrijving uit tabel 2. * bij maatregel 8 neemt de bemesting per hectare niet af , maar het landbouwareaal , en daarmee de mestgift , wel. De maatregelen gericht op minder bemesting dragen bij aan de vermindering van de uit- en afspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Dit zijn de maatregelen in het kader van de derogatiebeschikking (maatregel 6) en kruidenrijk grasland (maatregel 7). Bij beide maatregelen verminderen de stikstofgift , maar bij het afschaffen van de derogatie is het mogelijk dat fosfaat-gift via kunstmest weer toeneemt.7 Maatregel 8 (minder landbouwgrond) geeft geen verandering in de gemiddelde mestgift op de landbouwpercelen , maar ter plaatse wordt niet meer bemest en leidt dit tot minder uiten afspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Maatregelen zoals verduurzaming van stallen en minder vee leiden niet tot een lagere mestgift en hebben geen direct effect op de uit- en afspoeling. In deze studie zijn de effecten van de maatregelen op de waterkwaliteit buiten beschouwing gelaten. Om deze effecten te berekenen zijn andere modellen nodig.

De verwachting is echter dat met uitvoering van de maatregelen in het 7 e actieprogramma en de derogatiebechikking (zoals hier doorgerekend in maatregel 6) de gemiddelde nitraatconcentratie van 50 mg/L gehaald kan worden (zie Groenendijk et al. , 2024). Een recente studie (Schipper et al. , 2024) naar de restopgave met betrekking tot de waterkwaliteit in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) laat zien dat in geval de landbouw de na uitvoering van de maatregelen in het 7 e actieprogramma en de derogatiebechikking en de geplande maatregelen aan de RWZI ook worden uitgevoerd in het stroomgebied waar GEUS ook deel van uit maakt (Hierdense Beek) voor stikstof er op termijn (rekening houdend met na-ijleffecten) nog een restopgave is en voor fosfaat de KRW doelen gehaald worden. De studie laat echter ook zien dat de actuele mestgiften maar voor ongeveer de bijdragen aan de overschrijding. Opgemerkt moet worden dat de variantie in weersomstandigheden een duidelijk invloed op zowel de nitraatconcentraties in het 7

Dit is met name een gevolg van het vervallen van het verbod op P-kunstmest gebruik door derogatiebedrijven

14 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

bovenste grondwater als op de uit- en afspoeling naar het oppervlaktewater. Als gevolg van een droog jaar kan de nitraatconcentratie in het zandgebied toenemen en in nat jaar afnemen en daarmee afwijken van de gemiddelde nitraatconcentratie. Ook verandering in landgebruik waarbij grasland wordt omgezet in akkerbouw kunnen de risico’s op uit- en afspoeling naar grond- en oppervlaktewater toenemen.

15 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

4. Conclusies , doelbereik en aanbevelingen Deze studie geeft inzicht in de belangrijkste ontwikkelingen in de milieuemissies vanuit de landbouw in de periode vanaf 2018 tot nu en tot 2030-2035 op basis van een aantal maatregelen. Met betrekking tot de stikstofopgaven kunnen we concluderen dat de ammoniakemissie vanuit de landbouw in GEUS in 2018-2022/2024 fors afgenomen (25 tot 40%) als gevolg van minder dieren en lagere excreties in de vleeskalverhouderij. GEUS heeft geen specifiek reductiedoel meegekregen , maar een algehele emissiereductie in Gelderland van gemiddeld 42% ten opzichte van 2018 , zoals opgenomen in het inmiddels niet meer geldende Gelders programma Vitaal landelijk gebied Gelderland is binnen handbereik. Verduurzaming van (vleeskalver)stallen en verminderen van het aantal dieren zijn belangrijkste knoppen die leiden tot een verdere vermindering van ammoniakemissies. De vermindering van de methaanemissies liften mee met vermindering van het aantal dieren. Er is voor GEUS geen specifiek doel vanuit de klimaatopgave. Landelijk zijn afspraken gemaakt die neerkomen om 5 Mton CO-eq 2 in de landbouw 8 te reduceren in 2030 en specifiek voor methaan heeft Nederland zich met de ondertekening van de Global Methane Pledge 9 gecommitteerd aan de internationale samenwerking om de mondiale uitstoot van methaan met ten minste 30% te reduceren in 2030 ten opzichte van 2020.

Afhankelijk van de mate van vermindering van dieren in GEUS wordt dit reductiepercentage wel of niet gehaald. De maatregelen gericht op minder bemesting en kruidenrijk grasland leveren een relatief kleine bijdrage aan de ammoniakemissie en methaan- en lachgasemissies in GEUS ( < 5% reductie). Deze maatregelen zullen met name bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit in GEUS. Voor GEUS zijn geen specifieke doorrekeningen gedaan , maar landelijke en regionale studies laten zien dat de nitraatconcentratie in het grondwater en de uit- en afspoeling van stikstof en fosfor naar oppervlaktewater zal dalen. Daadwerkelijk halen van de normen in GEUS is afhankelijk van meerdere factoren (o. a het weer en veranderend landgebruik) en de vermindering van de bijdrage van andere bronnen. Een aanbeveling is om hiervoor geen aanvullende generieke landbouwmaatregelen te nemen maar aanvullend maatwerk te plegen bij plaatselijk te hoge concentraties in grond- en oppervlaktewater. Tot slot moet opgemerkt worden dat de reeds bewerkstelligde emissiereductie behouden blijft en de toekomstige emissiereductie goed geborgd wordt. Een aanbeveling is om als slot op de deur te voorkomen dat vergunde dierplaatsen die niet meer gebruikt worden ook daadwerkelijk in te trekken zodat plekken in de toekomst niet meer opgevuld kunnen worden.

Als voorbeeld verwijzen we naar het voornemen van provincie Noord-Brabant om per 1 juli 2026 ongebruikte stikstofruimte in 10 natuurtoestemmingen in Noord-Brabant intrekken. Dit geldt voor veehouderijen en de industrie. Een andere aanbeveling is om de toekomstige maatregelen uit het reeds vigerende beleid of die zijn voorgenomen in de gebiedsaanpak GEUS zo goed mogelijk uit te voeren en te borgen. Dat wil zeggen dat enerzijds gestimuleerd en gefaciliteerd moet worden dat de maatregelen genomen worden en anderzijds dat de effecten van deze maatregelen gemonitord en geborgd worden en de daadwerkelijke emissiereductie ook inzichtelijk wordt.

8

Voor de methaan- en lachgasemissies uit de veehouderij en mestaanwending akkerbouw is een nationaal reductiedoel van t. o. v. de raming voor 2030 volgens de Klimaat en Energieverkenning vastgesteld , hetgeen op 50, Mton CO-equivalenten 2 nationaal niveau een restemissie voor de landbouw betekent van 141, Mton CO-equivalenten voor 2030. 2

9 www. globalmethanepledge. org 10

https://www. brabant. nl/actueel/nieuws/provincie-noord-brabant-gaatongebruikte/#:~:text=De%20provincie%20Noord%2DBrabant%20presenteertvoor%20veehouderijen%20en%20de%20i , ndustrie.

16 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Literatuur

(geanonimiseerd) E., Kros, H., van Os, J., & Voogd, J. C., 2021. Stikstofanalyses Overijssel: | provincie Overijssel Wageningen Environmental Research; https://doi.org/10.18174/558906 vragen

de

van

over

de

No.

stikstofbijdrage 3133).

vanuit

Wageningen

de

Een

uitwerking (Rapport/

landbouw.

Environmental

van

Research.

(geanonimiseerd) | E., Cals,

T., Groenendijk, P., Kros, H.‚ Hermans, T., Lesschen, J. P., Renaud, L., Velthof, G., & Voogd, J-C., 2023a. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied : een integrale verkenning van regionale water-, klimaat- en stikstofdoelen en maatregelen in de landbouw. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3236). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/587289

(geanonimiseerd) E., Cals, T., Kros, H., van Ree, M., & Voogd, J. C., 2023b. Integrale doorrekening doelen en | doelbereik

stikstof,

Gelderlandse deelgebieden

waterkwaliteit

Wageningen

L.R., J.P.B.F.

emissies

economie

en

Mestverwaarden.

landbouw

op basis

van

indicatieve

maatregelen voor Research; No. 3261).

(Rapport / Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/631205

Environmental

Gollenbeek

voor

klimaat.

en

Gastel,

van

voor

F.A.M. Casu,

1. Huisman,

verschillende scenario’s

Wageningen

Livestock Research,

N. Verdoes, 2022. Berekeningen verwaarding van rundveemest; NL Next Level Openbaar Rapport 1372. voor

Gollenbeek, L.R., S. Hol, van der Weide, R., 2024. Mogelijke mestbehandelingen Wageningen Research, Rapport WPR-952. https://doi.org/10.18174/584504. Groenendijk,

het (geanonimiseerd) Hans Kros, Leo Renaud, Jan-Cees Voogd, 2024. Effecten ____} behoeve de Evaluatie

Piet,

mestbeleid

van

op de uitMeststoffenwet 2024.

Groenestein, van

de

afspoeling

en

Wageningen,

K., Goedhart,

stikstofverliezen

op boerderijschaal.

P. W.,

uit stallen

NP-methode

en

van

meststoffen;

Wageningen van

op basis

effect

van

Bruggen,

van

ten

Berekeningen Research, Rapport

Environmental

3378

C., de Jonge, I., & Ogink, N., 2023. Schatting

de stikstof-fosfaat verhouding

staltype.

van

(Rapport;

No.

in

afgevoerde

1426). Wageningen

mest:

Livestock

van

Evaluatie

Research.

https://doi.org/10.18174/631641 Schipper,

P., Hehenkamp,

nutriënten in Gelderland Environmental

Research;

M., Mi-Gegotek, Y., Groenendijk, en

oostzijde Utrechtse Heuvelrug:

No.

3360). Wageningen

https://doi.org/10.18174/673444

17

| Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

P., & Renaud,

L., 2024. KRW-restopgave

Definitief rapport.

Environmental

Research.

(Rapport / Wageningen

Bijlage 1 Analyse van de emissiereductie tussen 2018 en 2022 In figuur B1 is de ontwikkeling van het aantal dieren , de stikstofexcretie , TAN-excretie en ammoniakemissies in GEUS weergegeven , voor vleeskalveren (volle lijn) en overig vee (stippellijn). Hierbij is de ontwikkeling geplot ten opzichte van 2018 , het referentiejaar uit het NPLG. Een waarde boven 100% betekent een toename ten opzichte van 2018 en onder 100% betekent een afname ten opzichte van 2018. In figuur B1 (oranje lijn) is de reductie in stalemissies van vleeskalveren uit figuur 2 terug te vinden: in 2021 is de ammoniakemissie ca. 20% lager dan in 2018. Het aantal vleeskalveren (bruine lijn) daalt daarentegen beperkt (~2%) , waardoor de emissiereductie waarschijnlijk niet het gevolg is van een reductie in het aantal dieren. In de stikstof- en TAN-excretie (resp. groene en blauw lijn) zien we wel een forsere reductie (10-17%) tussen 2018 en 2021. Dit lijkt dan ook leidend in de emissiereductie. De excretiefactoren worden berekend middels het WUM model. Deze excretiefactoren worden op nationale schaal berekend maar in onze modellensystematiek op bedrijfsniveau toegepast. In de periode 2018 en 2022 zijn de excretiefactoren voor (wit)vleeskalveren steeds naar beneden aangepast aan de hand van informatie van de sector en aanvullende analyses.

Redenen die hiervoor worden aangedragen zijn een langere duur van de productieronde , een geactualiseerd voerrantsoen en een hoger aflevergewicht. Emissiereductie ten opzichte van 2018 is relatief groot in vergelijking met omliggende jaren De keuze voor 2018 als basisjaar kan van invloed zijn op het bepalen van de emissiereductie. Uit figuur B1 blijkt dat de emissies vanuit stallen van vleeskalveren in 2018 het hoogst zijn in de gehele tijdreeks 2015-2022; ten opzichte van 2015 is de emissiereductie slechts 02%. , De emissietoename tussen 2015 en 2018 lijkt te komen door zowel een toename in het aantal dieren als de excretie per dier. De emissiereductie tussen 2018 en 2021 zoals in gepresenteerd in figuur 1 geeft dus niet per se een lange termijn trend weer. Voor stalemissies van overige dieren is de keuze van het basisjaar minder essentieel Voor alle overige dieren 11 (stippellijnen in Figuur 2) zien we een kleinere emissiereductie tussen 2018 en 2021 (6%) , maar ook tussen 2015 en 2018. De emissiereductie tussen 2015 en 2021 is voor deze dieren 22% , al heeft de grootste emissiereductie tussen 2015 en 2016 plaatsgevonden.

Figuur B1 Ontwikkeling van dieraantallen , stikstofexcretie , TAN excretie , en ammoniakemissie van vleeskalveren (volle lijn) en overig vee (stippellijn) in GEUStussen 2015 en 2022. Ontwikkeling is relatief tot 2018.

1

Om pragmatische redenen is in deze analyse gebruik gemaakt van een iets groter gebied dan GEUS. Dat heeft te maken met de uitvoer van het model INITIATOR , dat standaard op het niveau van landbouwdeelgebieden rekent. Hierbij zijn de volgende landbouwdeelgebieden gebruikt: Apeldoorn , Barneveld en Ermelo-Harderwijk-Nunspeet. 11 Dit zijn alle overige hok- en graasdieren in de landbouwdeelgebieden Apeldoorn , Ermelo-Harderwijk-Nunspeet en Barneveld. Door de grotere gebiedsgrootte zijn deze cijfers niet volledig representatief voor het gebied GEUS , maar ze kunnen wel ter illustratief gebruikt worden voor de vergelijking met vleeskalveren in hetzelfde gebied.

18 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

Wageningen Environmental Research Postbus 47 6700 AA Wageningen T 0317 48 07 00 www. wur. nl/environmental-research

De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of nature to improve the quality of life’. Binnen Wageningen University & Research bundelen Wageningen University en gespecialiseerde onderzoeksinstituten van Stichting Wageningen Research hun krachten om bij te dragen aan de oplossing van belangrijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving. Met ongeveer 30 vestigingen , 5. 000 medewerkers en 10. 000 studenten behoort Wageningen University & Research wereldwijd tot de aansprekende kennisinstellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de vraagstukken en de samenwerking tussen verschillende disciplines vormen het hart van de unieke Wageningen

aanpak.

19 | Wageningen Environmental Research Notitie November 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15219474/1