Bijlage 20251014 Notitie collegevoorstel weigering VVGB [DMS02-143314464-232]
Tekst van het document
NOTITIE Aan
: Tomassen Duck-To B.V. (G. Elbertsen)
Kopie
: De Bestuursrechtjurist (R. Scholten)
Van
: Van der Feltz advocaten (W.J. Bosma en P. Ligtenberg)
Datum Referentie Betreft
: 14 oktober 2025 : 20259402/PL : Tomassen Duck-To B.V. / Gemeente Ermelo
I.
Inleiding
1.
Op 30 januari 2018 is namens Tomassen Duck-To B.V. (hierna: “Tomassen”) een aanvraag
om
omgevingsvergunning
ingediend.
Er
is
een
omgevingsvergunning
aangevraagd voor de volgende activiteiten: •
bouwen ex artikel 2.1 onder a Wabo;
•
handelen in strijd met bestemmingsplan ex artikel 2.1 onder c Wabo; en
•
het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting ex artikel 2.1 onder e Wabo.
2.
Op 3 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: het “College”) het ontwerp van een weigeringsbesluit aan Tomassen gestuurd (hierna: het “ontwerpbesluit”). Uit het ontwerpbesluit blijkt dat de gemeenteraad van Ermelo (“Gemeenteraad”) op 22 januari 2025 “in ontwerp” heeft besloten de, voor de omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan noodzakelijke, verklaring van geen bedenkingen te weigeren. Op 19 maart 2025 is een zienswijze ingediend tegen de ontwerp weigering van de aangevraagde omgevingsvergunningen en de weigering van de verklaring van geen bedenkingen (hierna: de “VVGB”).
3.
Op 3 september 2025 is aangekondigd dat het College het voornemen heeft om een aanvullend ontwerpbesluit te nemen met betrekking tot de weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning. Dit voornemen is op 16 september 2025 gepubliceerd en en 17 september 2025 ter inzage gelegd. Op 2 september 2025 heeft het College de Gemeenteraad geadviseerd om de VVGB te weigeren. Het College legt hieraan ten grondslag (i) de cumulatie van geur, (ii) de strijd met de Omgevingsvisie van de gemeente Ermelo, (iii) de verkeersbewegingen en (iv) de uitvoerbaarheid in verband met stikstof.
4.
Gevraagd is om te beoordelen in hoeverre bovenstaande punten ten grondslag kunnen
DMS02-143314464-220
liggen aan de weigering van de VVGB. Hieronder zetten wij eerst puntsgewijs de conclusies uiteen, waarna inhoudelijker wordt ingegaan op deze conclusies.
1/7
II.
Conclusies
5.
In het algemeen is van belang dat de Gemeenteraad een eigen en zorgvuldige afweging moet maken om al dan niet een VVGB af te geven. De eerder genoemde punten, (i) de cumulatie van geur, (ii) de strijdigheid met de Omgevingsvisie van de gemeente Ermelo, (iii) de verkeersbewegingen, en (iv) de uitvoerbaarheid in verband met stikstof, kunnen naar onze mening niet ten grondslag worden gelegd aan een weigering van de VVGB. In dit kader zijn de volgende punten van belang: •
Aan Tomassen is nooit gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de cumulatie van geur. Maar bovenal volgt uit het stappenplan, zoals opgenomen in de
Handreiking Bedrijven en milieuzonering uit 2009, dat er geen verplichting bestaat om dergelijk onderzoek te doen. •
De stelling dat het project in strijd is met de Omgevingsvisie, is gebaseerd op het ontbreken van onderzoek naar geurcumulatie. Gezien het voorgaande kunnen wij de conclusie dat niet is aangetoond dat de aanvraag in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Ermelo, niet volgen.
•
Ook met betrekking tot de verkeersbewegingen geldt dat hiernaar eerder nooit om onderzoek is gevraagd. Bovendien is niet duidelijk op welke punten precies onduidelijkheid zou bestaan.
•
Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat de toets of een natuurvergunning kan worden afgegeven, een bevoegdheid is van Gedeputeerde Staten van de provincie. Dat bij het College onduidelijkheid bestaat over de referentiesituatie, betekent op zichzelf niet dat een natuurvergunning niet verleend kan worden.
III.
Toelichting per onderwerp
Algemeen 6.
Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht mag een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet worden verleend voordat de Gemeenteraad een VVGB heeft afgegeven. Volgens het tweede lid kan deze VVGB uitsluitend worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
7.
Uit het dossier blijkt dat de Gemeenteraad op 16 oktober 2019 een ontwerp-VVGB heeft afgegeven. Op 22 januari 2025 heeft de Gemeenteraad opnieuw beslist over het ontwerp van de VVGB, waarbij is besloten deze (opnieuw als ontwerp) te weigeren. Aan dit besluit ligt een collegebesluit van 14 november 2024 ten grondslag, waarin wordt toegelicht dat opnieuw over de VVGB moet worden beslist vanwege een aanzienlijke wijziging van de aanvraag. De aanvraag is immers aangevuld met de realisatie van een bedrijfshal en transport- en opslagactiviteiten op het buitenterrein. Het gaat in casu wel om een wijziging
2/7
van de aanvraag van ondergeschikte aard. Nu wordt verzocht om de VVGB definitief te weigeren, omdat het aangevraagde in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening 8.
Ten aanzien van het verzoek van het College kan worden opgemerkt dat het College een eigen ruimtelijke afweging lijkt te maken. Het College noemt immers (i) de cumulatie van geur, (ii) strijdigheid met de Omgevingsvisie van de gemeente Ermelo, (iii) verkeersbewegingen en (iv) de uitvoerbaarheid in verband met stikstof als redenen waarom de Gemeenteraad de VVGB zou moeten weigeren. Dit betreffen allen ruimtelijke aspecten. De afweging of de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening is echter voorbehouden aan het VVGB-orgaan, in dit geval de Gemeenteraad.
9.
De VVGB is immers niet zozeer een goedkeuringsinstrument, maar dient ertoe een ander bestuursorgaan te laten beslissen over een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het bevoegd gezag is onttrokken. Zie hiervoor de volgende overweging uit de uitspraak van de Raad van State (hierna: de “Afdeling”) van 8 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1511: “Voorts is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.29 (thans: 2.27),
Kamerstukken II, 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 113-114, vermeld dat een verklaring van geen bedenkingen niet zozeer een goedkeuringsinstrument is, maar ertoe dient een ander bestuursorgaan te laten beslissen omtrent een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het bevoegd gezag is onttrokken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921).” 10.
Het bovenstaande betekent overigens niet dat het College geen besluit over een VVGB mag voorbereiden. Wel is van belang dat de Gemeenteraad zelfstandig een besluit neemt over het al dan niet afgeven van zowel een ontwerp-VVGB als de definitieve VVGB. Zie in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3085: “De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de
raad in dit geval niet zelfstandig een besluit heeft genomen. De door Reges aangevoerde omstandigheden dat het college de raad in het raadsvoorstel beargumenteerd heeft voorgesteld om de vvgb te weigeren, duidt er niet op dat de raad niet zelfstandig heeft besloten. Niet is gebleken dat de raad niet over alle relevante stukken beschikte, waaronder de zienswijze van Reges over het ontwerpbesluit tot weigering van de vvgb. Verder staat vast dat het raadsvoorstel aan de orde is gekomen op de raadsvergadering van 29 oktober 2020 en dat de raad op die vergadering daarover een besluit heeft genomen. De gestelde omstandigheid dat het besluit zonder beraadslaging is aangenomen, duidt er niet op dat de raad niet zelfstandig heeft besloten.”
3/7
11.
Van belang is dus dat de Gemeenteraad een eigen afweging maakt. Het College kan een besluit voorbereiden, maar de uiteindelijke afweging om al dan niet een VVGB af te geven ligt bij de Gemeenteraad. Gesteld kan worden dat de Gemeenteraad een eigen en zorgvuldige afweging moet maken. Daarbij dient zij te beschikken over alle relevante en juiste informatie.
12.
Daarnaast kan in het onderhavige geval naar onze mening de vraag worden gesteld of het College zijn bevoegdheid niet te buiten gaat, in die zin dat het argumenten aanvoert voor het weigeren van de VVGB zonder dat deze voldoende zijn onderbouwd. Zie hiervoor opnieuw de eerder aangehaalde punten met betrekking tot (i) de cumulatie van geur, (ii) strijd met de Omgevingsvisie van de gemeente Ermelo, (iii) verkeersbewegingen en (iv) uitvoerbaarheid in verband met stikstof.
Cumulatie van geur 13.
Met betrekking tot de cumulatie van geur merkt het College op dat slechts kan worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, indien inzichtelijk wordt gemaakt wat de gevolgen van de aanvraag zijn voor de totale geurbelasting op geurgevoelige objecten. Daarbij is volgens het College van belang dat zich in de nabije omgeving van de locatie Fokko Kortlanglaan 112, 116 en 122 meerdere geurrelevante activiteiten bevinden. Omdat in de vergunningaanvraag en de bijbehorende stukken niet is onderbouwd dat en waarom ten aanzien van het aspect geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, staat volgens het College niet vast dat de aanvraag in ruimtelijk opzicht aanvaardbaar is.
14.
In dat kader kan ten eerste worden opgemerkt dat, voor zover bij ons bekend, aan Tomassen nooit is verzocht om onderzoek te doen naar de cumulatie van geur. Uit artikel 4:5, eerste lid, van de Awb volgt dat de aanvrager van een vergunningaanvraag de gelegenheid moet krijgen om de aanvraag aan te vullen. Het weigeren van de aangevraagde vergunning omdat er sprake zou zijn van cumulatie van geur, dan wel omdat de cumulatie van geur niet zou zijn onderzocht, zou in strijd zijn met artikel 4:5 Awb en daarmee met het zorgvuldigheidsbeginsel.
15.
Daarnaast is van belang dat bij de beoordeling van geur in het kader van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan worden aangesloten bij het toetsingskader zoals opgenomen in de Handreiking Bedrijven en
milieuzonering uit 2009 (gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het geuronderzoek van Peutz van 18 maart 2025 eveneens bij dit stappenplan is aangesloten. 16.
Stap 1 van het stappenplan houdt in dat wordt onderzocht of een bepaalde milieuzone een geurgevoelig object, zoals een woning, overlapt. In dat geval kan verdere toetsing op het aspect geur in beginsel achterwege blijven. Aangezien daarvan geen sprake is, dient stap 2 van het stappenplan te worden doorlopen.
4/7
17.
Stap 2 betreft de toets of wordt voldaan aan een bepaalde maximumgeurbelasting op het geurgevoelig object. Indien daaraan wordt voldaan, volstaat een geuronderzoek.
18.
Uit pagina 5 van het geuronderzoek blijkt dat Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben vastgesteld dat de streefwaarde voor woningen in de gebiedscategorie “wonen” 1,5 ouE/m³ bedraagt. Uit de rekenresultaten blijkt dat aan deze streefwaarde wordt voldaan.
19.
Ook indien de strengere maximumgeurbelasting uit het stappenplan zelf wordt gehanteerd, namelijk 1,0 ouE/m³, blijft de geurbelasting binnen deze norm. Ook dan volstaat een geuronderzoek.
20.
Pas indien niet wordt voldaan aan stap 2, dient in het kader van stap 3 te worden gemotiveerd waarom de geurbelasting in de concrete situatie acceptabel wordt geacht. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met cumulatie van eventueel reeds bestaande geurbelasting.
21.
Aangezien niet wordt toegekomen aan stap 3, is een onderzoek naar de cumulatie van geurbelasting niet vereist. Dit volgt uit het feit dat de geurbelasting relatief laag is, en de cumulatieve belasting daardoor eveneens als laag wordt beschouwd.
22.
Het standpunt van het College dat het ontbreken van inzicht in de cumulatie van geur aanleiding geeft om de VVGB te weigeren, kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. Het College lijkt dit standpunt uit de lucht gegrepen te hebben om alsnog een aanknopingspunt te vinden voor weigering van de VVGB. Dit is opmerkelijk, omdat (i) eerder nooit is verzocht om een onderzoek naar de cumulatie van geur en (ii) uit het stappenplan, zoals opgenomen in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering uit 2009, ook geen verplichting volgt tot het uitvoeren van dergelijk onderzoek. Indien de Gemeenteraad dit standpunt van het College zonder meer volgt, kan worden betoogd dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming.
Omgevingsvisie Ermelo
5/7
23.
Het College stelt dat uit de Omgevingsvisie Ermelo volgt dat een van de opgaven is om hinder te beperken en een kwaliteitsslag te realiseren. Volgens het College is de cumulatie van geur niet inzichtelijk gemaakt, waardoor niet vaststaat dat de hinder wordt beperkt en dat daadwerkelijk een kwaliteitsslag wordt geleverd.
24.
Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, hoeft de cumulatie van geur, gezien de relatief beperkte geurbelasting, niet inzichtelijk te worden gemaakt. De conclusie dat niet is aangetoond dat de aanvraag in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Ermelo, kunnen wij in het verlengde hiervan dan ook niet volgen. De Gemeenteraad heeft daarmee geen aanleiding om het standpunt van het College op dit punt te onderschrijven.
Verkeersbewegingen 25.
Volgens het College heeft Tomassen gesteld dat de aanvraag niet leidt tot een significante toename van de verkeersbewegingen, maar is dit onvoldoende toegelicht. Ook dit is echter een punt dat niet eerder aan Tomassen is voorgelegd. Bovendien wordt door het College in het geheel niet aangegeven op welk specifiek onderdeel de toelichting als onvoldoende wordt beschouwd.
26.
Gesteld kan worden dat het gebruik van een locatie de belangrijkste reden is voor de verkeersbewegingen en het gebruik als pluimveeslachterij is toegestaan. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de aanvraag leidt tot een significante toename van de verkeersbewegingen, zeker niet aangezien het verkeer is ten behoeve van de toegestane functie als pluimveeslachterij.
27.
Daarnaast kan ook worden gesteld dat de verkeersbewegingen zijn gebruik in het akoestische onderzoek. Over dit onderzoek zijn geen opmerkingen gemaakt. Het College kan zich dus vinden in dit akoestische onderzoek. Waarom het College meent dat de aanvraag (toch) tot een significante toename van de verkeersbewegingen leidt, is onduidelijk.
28.
Het zonder meer overnemen van het standpunt dat onvoldoende is toegelicht dat de aanvraag leidt tot een significante toename van de verkeersbewegingen dient als onzorgvuldig te worden aangemerkt.
Uitvoerbaarheid; stikstof 29.
Het College geeft aan dat Tomassen op 22 juni 2019 een natuurvergunning heeft aangevraagd, wat betekent dat de procedure rondom de natuurvergunning niet aanhaakt bij de aanvraag om omgevingsvergunning. Desalniettemin meent het College dat het ontbreken van de natuurvergunning in de onderhavige procedure een reden vormt voor het weigeren van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan
6/7
30.
Het College merkt hierover terecht op dat, indien op voorhand duidelijk is dat een project niet uitvoerbaar is, dit aan vergunningverlening in de weg kan staan.
31.
In algemene zin geldt dat alleen als er duidelijke en concrete redenen zijn om te concluderen dat een project niet uitvoerbaar is, dit aan de weigering van een omgevingsvergunning ten grondslag kan worden gelegd. In het voorstel aan de Gemeenteraad wordt enkel gesteld dat het voor het College niet duidelijk is wat de referentiesituatie is met betrekking tot de stikstofdepositie, en dat het College om die reden van oordeel is dat het gebiedsbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat.
32.
Ons is gevraagd niet zozeer de juistheid van het standpunt van het College over de referentiesituatie te beoordelen, maar om aan te geven of dit standpunt als zodanig ten grondslag kan worden gelegd aan de weigering van de VVGB. Daarbij achten wij met name van belang dat de toets of een natuurvergunning kan worden verleend, een bevoegdheid is van Gedeputeerde Staten van de provincie. Naar onze mening betekent het enkele feit dat het College geen duidelijkheid heeft over de referentiesituatie, niet dat een natuurvergunning niet kan worden verleend. 1 De beoordeling van de referentiesituatie is voorbehouden aan de provincie. Zo zijn er bijvoorbeeld geen berekeningen overgelegd waaruit blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van het project zal leiden tot aantasting van een Natura 2000-gebied.2, 3 *****
1
Vgl. Rb. Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:737, waarin ook de rechtbank ervan lijkt uit te gaan dat de natuurvergunning zal kunnen worden verleend na het doorlopen van de te volgen procedure. Niet voor niets heeft de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien door de aanvraag te weigeren, maar bepaald dat GS opnieuw op de aanvraag moet beslissen. 2 Vgl. ABRvS 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2225. 3 Het feit dat op 2 september 2025 een last onder dwangsom is bekend gemaakt, doet hier niet aan af. Van belang is immers dat Tomassen druk bezig is met het voorbereiden van de aanvraag om de natuurvergunning. De berekeningen van Tomassen zijn positief en ook de Gedeputeerde Staten is positief. Dat nu een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom is gepubliceerd, heeft ermee te maken dat dit het gevolg is van een ingediend handhavingsverzoek. Dit heeft aldus niets te maken met de haalbaarheid. Zeker niet aangezien uit de laatste Aerius-berekening volgt dat de stikstof depositie -/- 0,12 mol/ha/jr is, zie ook het stikstofdepositie onderzoek d.d. 13 oktober 2025.
7/7