CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting natuurtoets Veldwijk

Gemeenteraad 1 november 2022, gemeente ErmeloBij agendapunt: Noodopvang asielzoekers in Ermelo (met inspraakmogelijkheid)8.978 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets bestemmingsplan Veldwijk Ermelo

Opdrachtgever

Gemeente Ermelo Postbus 500 3850 AM Ermelo Contactpersoon

Uitvoering

: Klaas Braamskamp

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer 2011134a Versie Jan.12 v5 Definitief Behandeld door Lex Groenewold Datum 13 januari 2012

Leeuwerikstraat 66 • 3853 AE • Ermelo• Tel.: 06 -533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e -mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL117652386B01• Bank: ING 67.30.02.527

Inhoudsopgave: 1 2

Aanleiding en doel .......................................................................................................... 3 Beschrijving situatie: ....................................................................................................... 3 2.1 Omschrijving gebied ................................................................................................ 3 2.2 Uitgangspunten Raad .............................................................................................. 3 2.3 Relevante wetgeving ............................................................................................... 4 2.4 Aanpak Natuurtoets ................................................................................................. 4 3 Plangebied...................................................................................................................... 4 3.1 Voorgenomen ingreep ............................................................................................. 4 3.2 Mogelijke effecten .................................................................................................... 4 3.3 Bronnenonderzoek .................................................................................................. 4 3.4 Locatiebezoek .........................................................................................................

5 4 Effecten Flora en Fauna ................................................................................................. 5 4.1 Flora ........................................................................................................................ 5 4.2 Paddestoelen........................................................................................................... 5 4.3 Amfibieën ................................................................................................................ 6 4.4 Reptielen ................................................................................................................. 6 4.5 Vlinders ................................................................................................................... 7 4.6 Libellen .................................................................................................................... 7 4.7 Zoogdieren .............................................................................................................. 7 4.7.1 Das ................................................................................................................... 8 4.7.2 Vleermuizen ...................................................................................................

11 4.8 Vogels ................................................................................................................... 12 5 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 14 5.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 14 5.2 Externe werking ..................................................................................................... 15 6 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 17 6.1 Algemeen .............................................................................................................. 17 6.2 Flora- en Faunawet................................................................................................ 17 6.3 Natuurbeschermingswet ........................................................................................ 18 6.4 EHS ....................................................................................................................... 18 6.5 Voorbehoud en zorgplicht ...................................................................................... 18 7 Advies ...........................................................................................................................

20 8 Literatuur: ..................................................................................................................... 21 Bijlagen: ............................................................................................................................... 21 Bijlagen: 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Wettelijk kader

Foto’s Lex Groenewold

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

2

Versie: 13 januari 2012

1 Aanleiding en doel De gemeente Ermelo actualiseert een aantal bestemmingsplannen die voor delen van haar grondgebied gelden. Eén van de gebieden met een verouderd bestemmingsplan is het landgoed Veldwijk met daarop de zorginstelling GGz Centraal. De actualisaties hebben een conserverend karakter, grote of ingrijpende veranderingen zijn niet aan de orde. Een bestemmingsplanwijziging of -actualisatie dient altijd getoetst te worden aan vigerende natuurwet- en regelgeving en mag hiermee niet in strijd zijn. Dit onderzoek beoogt de eventuele gevolgen voor de flora en fauna in beeld te brengen voor de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998, de Nota Ruimte en de wijze waarop deze is geïmplementeerd in het beleid van de provincie Gelderland. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd het onderzoek uit te voeren. De resultaten van dit onderzoek leveren informatie voor het maken van verantwoorde keuzes ten aanzien van beheer, onderhoud en ruimtelijke ingrepen in het bestemmingsplangebied. Het betreft een quick-scan, gericht op een conserverende situatie en daarmee geen uitputtend onderzoek. Waar mogelijk is gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens en literatuur.

2 Beschrijving situatie: 2.1

Omschrijving gebied

Het plangebied omvat het terrein van zorginstelling GGz Centraal, gelegen ten noordwesten van de kern Ermelo. Het plangebied bevindt zich ten zuiden en ten noorden van de Horsterweg, ten oosten van de Kolbaanweg en Oude Nijkerkerweg, en ten westen van de spoorlijn Amersfoort-Zwolle.

2.2

Uitgangspunten Raad

De gemeenteraad heeft een aantal kaders vastgesteld welke hieronder zijn weergegeven.         

Er wordt een actueel, conserverend bestemmingsplan opgesteld; De Ruimtelijke visie landgoed Veldwijk vormt waar mogelijk de basis; Het bestemmingsplan wordt minder globaal opgesteld als het geldende bestemmingsplan; De bouwmogelijkheden aan de noordzijde van de Horsterweg worden onderzocht; Het bestemmingsplan zet in op behoud van de parkachtige setting van het gebied; Voor de kantoren aan het spoor een wijzigingsbevoegdheid naar Maatschappelijk opnemen; De opzet van de voorschriften/planregels sluit aan bij recente bestemmingsplannen; Geen grondexploitatieplan noodzakelijk; Bestemmingsplanprocedure voor grote gebiedsdekkende bestemmingsplannen toepassen.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

3

Versie: 13 januari 2012

2.3

Relevante wetgeving

In verband met de Flora- en Faunawet en de geldende regelgeving in het kader van de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is het noodzakelijk om vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen en andere activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.

2.4

Aanpak Natuurtoets

Voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Om inzicht te krijgen in de aanwezige natuurwaarden en beperkingen met betrekking tot de beoogde ruimtelijke ingreep in de onderzoekslocaties, zijn twee sporen gevolgd:  Ten eerste is nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten in het gebied voorkomen of kunnen voorkomen (Flora- en Faunawet - hoofdstuk 4);  Ten tweede is in kaart gebracht welk gebiedsgericht beleid uitwerking heeft in het gebied (Natuurbeschermingswet en EHS - hoofdstuk 5). Uit de verzamelde informatie volgt een korte beschrijving van de te verwachten effecten van de ruimtelijke ingreep op beschermde soorten. Ook wordt eventueel vermeld welke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen nodig zijn om aan de zorgplicht te voldoen.

3 Plangebied 3.1

Voorgenomen ingreep

Het voorgenomen plan kan worden omschreven als ingreep in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Het betreft De ingreep wordt niet op voorhand uitgevoerd volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Voor het uitvoeren van de ingreep geldt een vrijstelling van soorten uit Tabel 1 Flora- en Faunawet. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.

3.2

Mogelijke effecten

De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de voorgenomen ingreep. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het mogelijk in de toekomst slopen van gebouwen - de mogelijkheid tot nieuwbouw of uitbreiding van bestaande gebouwen

3.3

Bronnenonderzoek

Het plangebied is gelegen in de kilometerhokken x:168/y:480, x:168/y:481, x:169/y:480 en x:169/y:481. Een eerste indruk van mogelijk aanwezige beschermde soorten geeft het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Het plangebied heeft een oppervlak van ruim 86 ha. Dit is ca. 21% van de vier kilometerhokken waarvan brongegevens beschikbaar zijn. Overigens

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

4

Versie: 13 januari 2012

heeft de gemeente Ermelo een abonnement op de Nationale Databank Flora en fauna (NDFF). Hiervan is ook gebruik gemaakt bij het opstellen van dit rapport. De vogels van de rode lijst betreffen een Kerkuil (2006) en Groene specht. Verder zijn de Eekhoorn en de Das in het gebied aanwezig. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van in de regio voorkomende beschermde soorten is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, waaronder verspreidingsatlassen, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst).

3.4

Locatiebezoek

Tijdens diverse locatiebezoeken op 27 sept., 5, 29 en 30 okt., 4 en 20 nov. 2011 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Een quick-scan kan overigens slechts uitsluitsel geven over de aanwezigheid van soorten op dat moment. Een veldinventarisatie omvat verscheidene opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. Daarom is een inschatting gemaakt van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende soorten. Voor de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied zijn meerdere bezoeken afgelegd (2, 9 en14 september 2011).

4 Effecten Flora en Fauna 4.1

Flora

Tijdens het veldbezoek zijn gezien het seizoen niet veel bloeiende planten aangetroffen. Uit de literatuur en de NDFF zijn alleen algemene soorten wilde planten bekend. Vanwege het parkachtige karakter zijn in het terreindeel ten zuiden van de Horsterweg in het bosplantsoen ook veel cultivars aanwezig. Ten noorden van de Horsterweg bestaat het terrein uit gemengd bos, met o.a. zomereik, zachte berk, hulst, grove den, vlier en tamme kastanje. Een groot deel van het terrein zal bestemd worden als ‘Bos´. Binnen het plangebied zijn veel bomen aanwezig. Er is op het resterende deel reeds een inventarisatie uitgevoerd van waardevolle bomen op het terrein. Waardevolle bomen zullen worden beschermd en met het projecteren van de bouwvlakken zal rekening worden gehouden met deze bomen. Er zijn geen beschermde en bedreigde plantensoorten aangetroffen en op basis van de terreinkenmerken ook niet in de onderzoekslocatie te verwachten. Bij ruimtelijke ingrepen geldt automatisch een vrijstelling van verbodsartikel 8 van de Floraen faunawet voor laag beschermde soorten. Het aanvragen van een ontheffing annex art. 75 is voor flora niet nodig.

4.2

Paddestoelen

Paddestoelen zijn schimmels en zijn niet beschermd onder de Flora- en Fanuawet. In het gebied komt echter wel een aantal bijzondere soorten voor. Enkele waargenomen soorten zijn Vliegenzwam, Gekraagde aardster, Zwarte en Witte kluifzwam, Rechte koraalzwam, Regenboogrussula, Gele knolamaniet, Valse kopergroenzwam, Grauwe en Roodbruine slanke amaniet, Aardappelbovist, Grote oranje bekerzwam, Geschubde inktzwam, Hertezwam, Zwarte knoopzwam, Honingzwam, Geweizwam en Kastanjeboleet.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

5

Versie: 13 januari 2012

Daarnaast is een aantal rode lijst soorten aangetroffen zoals de Beukentaailing (kwetsbaar) en de mooie Spechtinktzwam (bedreigd)

Grauwe amaniet

Geschubde inktzwam

Rechte koraalzwam

Spechtinktzwam

4.3

Gekraagde aardsterren

Amfibieën

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen. Er is een aantal vijvers aanwezig welke waarschijnlijk amfibieën zullen bevatten. Uit de literatuur blijkt dat het gaat om met name de Bruine kikker. Gezien het conservatieve karakter van het bestemmingsplan zijn effecten op deze soort niet te verwachten. De eventuele toekomstige ingrepen (nieuw- of verbouw) zullen geen effect hebben op de voortplanting, noch op aantasting van het leefgebied. Een ontheffing annex artikel 75 van de Flora- en Faunawet hoeft voor amfibieën derhalve niet te worden aangevraagd.

4.4

Reptielen

Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Geschikt biotoop voor de Hazelworm is aanwezig ten noorden van de Horsterweg en in mindere mate in de overige delen van het terrein. Uit de literatuur is overigens slechts een enkele waarneming bekend. De voorgenomen ingrepen zullen geen effect hebben op deze soort, noch op aantasting van

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

6

Versie: 13 januari 2012

het leefgebied. Een ontheffing annex artikel 75 van de Flora- en Faunawet hoeft voor reptielen derhalve niet te worden aangevraagd.

4.5

Vlinders

Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders aangetroffen. Gezien de inrichting van het terrein kunnen diverse soorten worden verwacht zoals Citroenvlinder, Dagpauwoog, Kleine vos e.d. Gezien het beheer en het conservatieve karakter zal het plan geen negatieve effecten hebben op aanwezige vlindersoorten in het gebied. Een ontheffing annex artikel 75 van de Flora- en Faunawet hoeft voor vlinders derhalve niet te worden aangevraagd.

4.6

Libellen

Er is beperkte aanwezigheid van oppervlaktewater in of in de nabije omgeving van het plangebied. De wel aanwezige vijvers (kinderboerderij) zijn door de aanwezigheid van eenden matig geschikt. De eventueel aanwezige soortensamenstelling zal niet wezenlijk anders zijn dan op het aangrenzende terrein van ’s Heerenloo waar in het verleden wel een inventarisatie is uitgevoerd. Op basis daarvan zijn geen beschermde soorten libellen te verwachten. Een ontheffing annex artikel 75 van de Flora- en Faunawet hoeft voor libellen derhalve niet te worden aangevraagd.

4.7

Zoogdieren

Uit de gegevens van de NDFF, Mertens (2005), Zoon (2007) en eigen waarnemingen blijken de volgende soorten in wisselende dichtheid aanwezig: Haas, Egel, Konijn, Veldmuis, Bosmuis, Ree, Eekhoorn en Das. In diverse studies in het plangebied is onderzoek gedaan naar de Das. Dit betreft met name het gebied ten noorden van de Horsterweg.

Ree

Uit diverse rapportages (o.a. Zoon 2007, BSR 2007, 2009) blijkt dat er één of meerdere burchten aanwezig zijn. Bureau BSR heeft in 2009 geprobeerd de dassen waar te nemen met behulp van een cameraval, maar dat is uiteindelijk niet gelukt. In het voorliggende onderzoek zijn de burchten bezocht (sept. en okt 2011) en op 2 plekken zijn recente sporen van gebruik aangetroffen. De sporen waren onmiskenbaar van de Das. Op beide plekken waren meerdere pijpen in gebruik (3 en 5 pijpen). Daarmee is aangetoond dat de soort over meerdere jaren gebruik maakt van het terrein. Mede gezien het gebruik Besresten bij hol Das betreft het hier de hoofdburcht. Boommarters zijn niet recent bekend uit het plangebied, behoudens een niet geverifieerde oudere melding uit 2005 (Zoon, 2005). Wel op grotere afstand (ca. 2-3km) in de bosgebieden en landgoederen. Bij de realisatie van bouwmogelijkheden welke het bestemmingsplan biedt zullen exemplaren en verblijfplaatsen van enkele algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren kunnen gaan. Zo is de Mol aangetroffen en enkele holletjes van de Veldmuis en/of de Bosmuis. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet aan de Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

7

Versie: 13 januari 2012

orde, omdat automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen 9 en 11 uit de Flora- en Faunawet geldt. 4.7.1 Das De aanwezigheid van de Das in het gebied verdient extra aandacht. Het bos- en weidegebied tussen Horsterweg en Julianalaan vormt als sinds jaar en dag een leefgebied voor deze soort. Territorium Das De Das houdt van een rijk gestructureerd landschap, gemengde loofbossen en open landschap met kleine landschapselementen. De Das maakt een burcht met veel uitgangen welke tientallen meters uit elkaar kunnen liggen. Meestal ligt de burcht in bossen, bosranden, holle wegen, bermen en een enkele keer in meer open gebied. Een familie heeft een hoofdburcht en diverse bijburchten. De locaties zijn door de jaren heen veelal dezelfde. Dat kan zelfs honderden jaren teruggaan. De hoofdburcht is meestal het jaar door bezet, de bijburchten zijn steeds tijdelijk bewoond. De zoogtijd en paartijd van de Das lopen globaal van januari tot en met augustus respectievelijk februari tot en met augustus. Aan de randen van hun territorium, maar ook op diverse plaatsen langs hun wissels liggen vluchtpijpen, die ze bij gevaar of in de zomer na een te korte foerageernacht opzoeken. De grootte van het territorium is afhankelijk van de kwaliteit van het gebied, voor wat betreft voedselaanbod en biotoopsamenstelling. Het kan dan variëren tussen 50-200 ha. Het hoofdvoedsel bestaat uit regenwormen.

Als alleseters staan ook onder andere insecten, maïs (beperkte periode), kleine zoogdieren, amfibieën, bessen en noten op het menu. Dassen leggen op zoek naar voedsel per nacht een 1.5-5 km af. De activiteiten worden in belangrijk mate bepaald door de daglengte. Het woongebied zit vol met geurmarkeringen Maar ook de randen van hun territorium worden gemarkeerd met geuren uit de anaalstreek, met urine en door mestputjes. Effect aantasting leefgebied Voor dassen zijn graslanden erg belangrijk als leverancier van regenwormen, het hoofdvoedsel. Vooral beschutte randen zoals hagen en houtwallen, verhogen de waarde van een foerageergebied aanzienlijk door een aantal effecten. Dit soort elementen is belangrijk omdat dassen zich voornamelijk hierlangs verplaatsen. De beschutting tegen wind en zon zorgt voor een relatief vochtig microklimaat, ook in de strook weiland direct grenzend aan de haag of houtwal. Daar is dan een vrijwel permanent aanbod van regenwormen. Hagen en houtwallen met overstaande bomen zorgen direct en indirect voor voedsel voor de Das. Vooral als er bes- en nootdragende struiken en bomen aanwezig zijn zoals meidoorn, sleedoorn, zoete kers, tamme kastanje, hazelaar, eik. Ook houden zich daar veel insecten, amfibieën en kleine zoogdieren op. Zodra een deel (van de kwaliteit) van haar foerageergebied verloren gaat, ontstaat stress in een dassenfamilie.

Zij zal zich zolang mogelijk in haar burcht(en) proberen te handhaven en zal ter compensatie haar territorium proberen te vergroten. Zo mogelijk annexeert de dassenfamilie terrein, grenzend aan haar territorium. Indien dat terrein deel uitmaakt van een Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

8

Versie: 13 januari 2012

territorium van een andere dassenfamilie, ontstaan schermutselingen. Een (langdurige) stresssituatie kan oorzaak zijn van dalende of verdwijnende reproductie. Indien een aanzienlijk deel van het foerageergebied verloren gaat of onbereikbaar wordt, waardoor de dassen ter plaatse onvoldoende voedsel kunnen vinden, gaan zij zwerven, op zoek naar een nieuwe, geschikte locatie die nog niet bezet is door een andere dassenfamilie. Bij deze migratietochten gaan zij voornamelijk af op geursporen van soortgenoten. Bij het ontbreken van deze geuren zullen dassen deze gebieden mijden. Alleen indien zo’n leeg gebied ideaal is ingericht voor Das (kleinschalig cultuurlandschap met bemest en begraasd grasland) zal het gebied alsnog bewoond kunnen raken. Tijdens deze zwerftochten vormt het oversteken van wegen het grootste risico.

De Das in het plangebied Medio 2010 is nieuwbouw gerealiseerd (RCG kinder- en jeugdpsychiatrie) ten noorden van de Horsterweg en op ca. 150 meter van een bewoonde dassenburcht. Het terrein maakte als foerageergebied deel uit van de vaste rust- en verblijfplaats van de dassenpopulatie. Door het bebouwen van het graslandperceel zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van de Das verstoord, beschadigd en vernield. Hiervoor heeft destijds onderzoek plaatsgevonden en heeft de Dienst regelingen van LNV een ontheffing verleend d.d. 18 november 2009. Daarbij is er van uitgegaan dat de burcht op de begraafplaats een bijburcht zou zijn. Uit de in 2011 aanwezige sporen en onderzoek naar de burcht ten westen van de Kolbaanweg, blijkt dat het toch om een hoofdburcht gaat. De gras- en akkerlanden binnen de driehoek Kolbaanweg-Horsterweg-spoorbaan en ten westen van de Kolbaanweg vormen het foerageergebied voor deze dassenpopulatie.

Dassenpijp Veldzicht

Als compensatie en mitigatie zijn destijds diverse maatregelen getroffen, zoals verbetering van de faunapassages langs Kolbaanweg, plaatsing van een wildraster langs de Horsterweg en verwijdering bosopslag. Ook is het foerageergebied verbeterd, door bijv. beweiding van het voormalige sportveld (1,5 ha) met lichte bemesting en een ruige zoom en het creëren en handhaven van open plekken op het voormalige erf aan de Horsterweg bij de spoorlijn. Op basis van de terreinkenmerken is een inschatting gemaakt van het huidige geschikte foerageergebied van de dassenfamilie. Dat omvat ca. 30 ha tussen Kolbaanweg en spoorbaan met ca. 1.500m aan geschikte randzones en een drietal gras-/akkerpercelen. Daarnaast maken delen van het terrein ten zuiden van de Horsterweg ook deel uit van het territorium, zij het dat dit deel minder geschikt is. Meer dan 70% bestaat uit bos. Op korte afstand van de burcht is geschikt akkerland aanwezig. Ten westen van de Kolbaanweg betreft het een 34 ha met een 1.470m aan geschikte randzones (zij het dat sommige grenzen aan meer verstoord gebied) en meer dan 70% grasen/of akkerland. Totaal daarmee een 64-74 ha leefgebied, wat aan de onderkant zit van een

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

9

Versie: 13 januari 2012

normale territoriumgrootte. De variatie aan biotoop en foerageermogelijkheden binnen het gebied lijken op zich wel voldoende. De hoeveelheid rustig bosgebied is de beperkende factor. In hoeverre sprake is van significante verstoring aan de randen is niet duidelijk. Wel is in 2011 een dode Das aangetroffen op het terrein van ’s Heeren Loo. Mogelijk is dit het gevolg van een poging het territorium in die richting uit te breiden. Een goed dassenleefgebied bestaat uit een geschikte plaats voor burcht, met daaromheen een klein gebied (100 m) met veel voedsel en weinig verstoring. Binnen een wat ruimer gebied (ca. 500m) gevarieerd en veilig bereikbaar voedsel en voldoende voedsel binnen een maximumafstand van ca.1000 m (zie ook Zoon 2005). Gevolgen bestemmingsplan In deze en diverse rapportages van o.a Zoon (2005, 2006) is ingegaan op de grootte van het benodigde foerageergebied en de eisen waaraan het leefgebied moet voldoen. Hierin is ook aangegeven dat de burchten op Veldwijk liggen op plaatsen waar een of meer van de basisvoorwaarden van een gezonde populatie niet optimaal is. Voor Veldwijk zijn met name verkeer en recreatie genoemd (verstoring). Normaal gesproken betreft dat een gebied van ca. 500m rondom de burcht (cirkel). Dit gebied is al kleiner vanwege de bebouwing ten zuiden van de Horsterweg, ten oosten van de spoorbaan en de nieuwbouw uit 2010 (RCG met ontheffing).

Belangrijk leefgebied rond burcht Das Met name het gebied in de rode contour is erg gevoelig. Het gebied ten zuiden van de Horsterweg wordt af en toe nog wel als foerageergebied benut. Het verder inkrimpen van het leefgebied met toename van verstoring en afname van de hoeveelheid ‘rustgebied’ in de directe omgeving van de burcht door eventuele nieuwbouw is hoogstwaarschijnlijk funest voor deze dassenfamilie. Nieuwe bebouwing van de strook ten noorden van de Horsterweg is voor de Das dan ook niet mogelijk zonder ingrijpende maatregelen en kosten. Te denken valt aan het creëren van nieuw leefgebied of verplaatsing van de familie naar een andere locatie (vergelijk bijv. situatie Drielanden Harderwijk en Ede). Daarvoor is wel uitgebreid nader onderzoek noodzakelijk en dient een ontheffing te worden verkregen van de Dienst Regelingen. Dit geldt overigens ook voor realisatie van bouwmogelijkheden binnen het vigerende bestemmingsplan.

Gezien het huidige gebruik van het gebied en het conserverende karakter van het plan wordt een ontheffing voor de Das vooralsnog niet nodig geacht. Hierbij is uitgegaan van geen verdere bebouwing in het bosgebied ten noorden van de Horsterweg.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

10

Versie: 13 januari 2012

4.7.2 Vleermuizen Uit een inventarisatie in 2005 (Mertens, 2005, Zoon 2005, BSR 2007) blijkt het plangebied te worden gebruikt door Laatvlieger, Gewone en Ruige dwergvleermuis om te foerageren. De databank van NDFF laat deze soorten als individuele waarnemingen zien. Op een aantal dagen is met de Batdetector (Petterson D240x) een ronde gemaakt over het terrein. Hierbij viel op dat met name overtrekkende en foeragerende exemplaren zijn waargenomen. Veel gebouwen op het terrein zijn nieuw of vernieuwd. Mogelijk zijn de gebouwen minder geschikt als kolonie- of rustplaats voor vleermuizen. Alle drie de soorten zijn bij diverse terreinbezoeken in of in de nabijheid van het plangebied met zichtwaarnemingen en met de batdetector waargenomen. De Gewone dwergvleermuis bij elk bezoek, jagend en langsvliegend, over het gehele terrein. De Ruige dwergvleermuis (jagend) op 2 september 2011 tussen de Van Asch van Wijcklaan en de Van den Berghelaan en langs de Horsterweg (ter hoogte van de Van der Hooplaan). De Laatvlieger is op vier plaatsen overvliegend waargenomen op diverse locatie op het terrein. Uit de bezoekrondes is niet gebleken dat zich in het plangebied verblijfplaatsen bevinden. Gewone dwergvleermuizen willen nog wel eens verhuizen van verblijfplaats. Het verdient daarom aanbeveling bij eventuele sloop van gebouwen wel rekening te houden met de mogelijkheid van verblijfplaatsen.

De paartijd en overwinteringsperiode van de Gewone dwergvleermuis lopen globaal van 15 augustus tot en met september respectievelijk 15 oktober tot en met maart, afhankelijk van de temperatuur en weer. Voor dwergvleermuizen is de beste tijd voor eventuele sloop dan direct ná de overwinteringsperiode (half maart tot en met april) of net vóór de overwinteringsperiode (september- half november). In combinatie met het broedseizoen is dan de periode vóór de overwintering het meest geschikt. Voor tot de feitelijke sloop over te gaan dient dan wel een inspectie plaats te vinden op aanwezigheid van soorten. Bij nieuwbouw is het relatief eenvoudig een aantal maatregelen te treffen en zo de soorten te steunen, zonder noemenswaardig kosten. Het gaat dan om het aanbrengen van open stootvoegen van 14mm breedte, welke vleermuizen van beperkt formaat (zoals gewone dwergvleermuis) genoeg ruimte bieden om de spouwmuur binnen te komen. Spouwmuren zijn voor veel vleermuissoorten uitermate geschikte vaste rust- en/of verblijfplaatsen. Als bij de bevestiging van de boeiboorden een ruimte wordt gelaten van 14-22mm worden verblijfplaatsen gecreëerd die geschikt zijn voor meerdere soorten van verschillende grootte, waaronder de Laatvlieger. Tot slot kunnen speciale vleermuiskasten worden geplaatst. Er vindt geen aantasting plaats van (potentieel) onmisbare vliegroutes en foerageergebied.

Er is als gevolg van de beoogde ingreep geen schade te verwachten op vleermuizen. Een ontheffing annex artikel 75 van de Flora- en faunawet hoeft voor zoogdieren derhalve niet te worden aangevraagd.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

11

Versie: 13 januari 2012

4.8

Vogels

Er is geen volledige broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens het veldbezoek, de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een uitspraak gedaan over de mogelijke soortensamenstelling. Aan de hand van de terreinkenmerken is vastgesteld dat de onderzoekslocatie waarde heeft als broedgebied voor vogels. Het betreft voormalige agrarische gronden, met afwisseling van bomen, struiken, ruigte en schuurtjes. Tijdens de diverse bezoeken zijn de volgende soorten gezien en of gehoord: Witte kwikstaart, Zwarte roodstaart, Bosuil, Merel, Boomklever, Roodborst, Zanglijster, Winterkoning, Pimpelmees, Koolmees, Zwartkop, Boerenzwaluw, Huismus, Buizerd, Kauw, Ekster, Zwarte kraai, Tjiftjaf, Grote Bonte specht, Boomkruiper en Spreeuw. Vanuit het verleden (NDFF) zijn daarnaast waarnemingen bekend van Goudvink, Gaai, Groenling, Gierzwaluw, Putter, Kleine bonte specht (2007) en Zwarte specht (2002). Uit mondelinge mededeling van een lokale bewoner blijkt ook de Ransuil te zijn waargenomen. De Bosuil broedt op zeker 1 locatie op het terrein en vermoedelijk op meer plaatsen (waarnemingen sept.-okt 2011: Ten zuiden Van den Berghlaan: roepende mannetjes en vrouwtjes. In het bosgebied ten noordoosten begraafplaats: roepend mannetje.

In het algemeen kan worden gesteld dat ingrepen in het plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien wordt daarom ook geen ontheffing verleend indien (broed)vogels worden verstoord. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen beperkt of nihil zijn. Indien voor of na het broedseizoen bomen, struweel en vegetatie worden verwijderd, blijven effecten tijdens het broedseizoen naar verwachting beperkt. In de directe omgeving zijn er overigens voldoende alternatieven voor zowel nestelen als om voedsel te zoeken.

Voor diverse vogelsoorten geldt een jaarronde bescherming van de vaste rust- en verblijfplaatsen. Nesten die het hele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Flora- en faunawet het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

12

Versie: 13 januari 2012

Soort

Voorkomen

Buizerd Ransuil Kerkuil Sperwer Bosuil Huismus Boerenzwaluw Boomklever Boomkruiper Ekster Koolmees Pimpelmees Spreeuw Zwarte Kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Grote bonte specht Kleine bonte specht Groene specht Grauwe vliegenvanger Matkop Zomertortel

zeker Mogelijk Mogelijk Mogelijk Zeker Zeker zeker zeker zeker zeker zeker zeker zeker zeker zeker mogelijk zeker mogelijk mogelijk mogelijk mogelijk mogelijk

Bescherming Nest Cat. 4 Cat. 4 Cat. 3 Cat. 4 Cat. 5 Cat. 2 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5 Cat. 5

Rode lijst

Effect

kwetsbaar kwetsbaar

Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11 Mogelijk art. 11

gevoelig gevoelig

kwetsbaar gevoelig

Nader Onderzoek Ja (*1) Ja (*1) Ja (*1) Ja (*1) Ja (*1) Ja (*1) Ja (*1) Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

(*1) Nader onderzoek naar deze soorten is nodig ingeval potentiële nestbomen worden gekapt, er vanwege benutting van de bouwmogelijkheden nestplaatsen verdwijnen of de situatie in de nabijheid van nestplaatsen wijzigt (bijv. door het kappen van omliggende bomen), waardoor de functionaliteit van de nestplaats afneemt.

Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen verstoring van broedvogels heeft plaatsgevonden.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

13

Versie: 13 januari 2012

5 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt in aan de rand van de bebouwde kom van Ermelo. Het gebied bestaat uit een mix van kleinschalige bedrijvigheid (voormalige) landbouw en woningen. Het plangebied is gelegen in de buurt van de Natura 2000 gebieden „Veluwe‟ en ,,Veluwerandmeren”.

5.1

Natura 2000

Natura 2000 is het grootste initiatief op het gebied van natuurbescherming in Europa. Het is een samenhangend, Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk wordt gerealiseerd door bijdragen van alle lidstaten van de Europese Unie. Behoud en herstel van de biodiversiteit in de Europese Unie is het doel. De Natura 2000-gebieden worden aangewezen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De totale oppervlakte van Nederlandse natuurgebieden dat valt onder Natura 2000 is op het land circa 330.000 hectare en op het water circa 770.000 hectare. (o.a. Waddenzee, IJsselmeer en Delta). De volgende figuur (Synbios, dec. 2011) geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000 gebied Veluwe en Veluwerandmeer (tevens Habitat- en Vogelrichtlijngebied en behorende tot de Ecologische hoofdstructuur). De kortste afstand van het plangebied tot Natura2000 gebied Veluwe bedraagt ca. 760m. Het Veluwerandmeer ligt op bijna 3km.

Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor o.a. het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel en Kamsalamander. Relevante vogelsoorten zijn o.a. Wespendief, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Nachtzwaluw en IJsvogel. Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

14

Versie: 13 januari 2012

Geen van deze relevante habitats en soorten zijn recent in het plangebied aangetroffen. Van de Zwarte specht is een oudere waarneming aanwezig uit 2002. Vooralsnog wordt er van uit gegaan dat dit een incidentele waarneming betrof. Eventuele sloop van panden op het terrein, of benutting van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan heeft daarmee geen effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Realisatie brengt de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe niet in gevaar. 5.2 Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Deze ‘onbegrensdheid’ biedt veel ruimte tot interpretaties.

Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloedsgebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloedsgebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de IHD gevoelig is (Notitie Externe werking, Steunpunt Natura2000, mei 2010).

De indicatoren voor verstoring en verslechtering noemt de Leidraad van de Europese Commissie (2000):  Verslechtering van de kwaliteit van een habitat treedt op wanneer in een bepaald gebied de door dit habitat ingenomen oppervlakte afneemt of wanneer het met de specifieke structuur en functies die voor de instandhouding van het habitat op langere termijn noodzakelijk zijn, dan wel met de staat van instandhouding van de met dit habitat geassocieerde typische soorten, in dalende lijn gaat in vergelijking met de begintoestand.  Verstoring van een soort in een gebied treedt op wanneer uit populatiedynamische gegevens betreffende de soort in dat gebied blijkt dat de soort het gevaar loopt, in vergelijking met de begintoestand, niet langer een levensvatbare component van het natuurlijke habitat te zullen blijven. Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

15

Versie: 13 januari 2012

Het terrein ligt op ruim 760m en 2.900m van resp. de Natura2000 gebieden Veluwe en Veluwerandmeren. Het zuidelijk deel van het terrein is bestemd voor een woon-zorg functie, het noordelijk deel krijgt grotendeels de functie bos en agrarische doeleinden. Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen kan geconcludeerd worden dat de uitbreiding geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden van het Natura 2000 gebied Veluwe en Veluwerandmeren. Hiermee is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet niet nodig. Gezien de ligging van het plangebied buiten de EHS mag aangenomen worden dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het EHS-gebied Veluwe. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek worden niet nodig geacht. Er zijn geen negatieve gevolgen te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000 gebieden. Externe werking is dan ook niet te verwachten en aanvullend onderzoek is derhalve niet nodig.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

16

Versie: 13 januari 2012

6 Conclusies en aanbevelingen 6.1

Algemeen

Verschillende soorten planten en dieren worden beschermd in de Flora- en faunawet. Ten behoeve hiervan zijn, op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat geen van de beschermde dieren wordt verontrust, dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield, beschadigd of verstoord en dat planten niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van de gemeente Ermelo een natuurtoets uitgevoerd voor de herziening van het bestemmingsplan Veldwijk. Het betreft een conservatief bestemmingsplan, met herijking van de bouwmogelijkheden in het vigerende plan. Het betreft in hoofdzaak uitbreidingsmogelijkheden van bestaande gebouwen en de mogelijkheid tot nieuwbouw op een aantal locaties.

6.2

Flora- en Faunawet

Voor het benutten van de bouwmogelijkheden op het terrein ten zuiden van de Horsterweg, is het niet noodzakelijk om een ontheffing ex art. 75 van de Flora- en Faunawet aan te vragen voor de algemene soorten. De werkzaamheden vinden zoveel mogelijk plaats in de periode die voor aanwezige beschermde soorten de minste schade op zal leveren. Voor de algemene soorten geldt een vrijstelling. Er is een inventarisatie uitgevoerd naar de waardevolle bomen op het terrein. Deze blijven in principe gespaard. Invulling van de bouwmogelijkheden kan gevolgen hebben voor het leefgebied van jaarrond beschermde soorten als de Huismus, de Bosuil en de Groene specht. Voor aanvang van de werkzaamheden dient te worden bekeken of er gevolgen zijn voor de nestplaatsen (gebouw of boomholtes). Dat geldt ook voor de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen of eekhoorns. Eventueel zijn dan mitigerende en/of compenserende maatregelen noodzakelijk. Bij nieuwbouw is het relatief eenvoudig en weinig kostbaar om nestruimte te creëren voor de Huismus en verblijfplaatsen voor de vleermuizen (stootvoegen 15mm en boeidelen op 1522mm van de muur). Ingeval grotere bomen moeten worden gekapt dient dit in ieder geval buiten het broedseizoen te gebeuren en dient vooraf een inspectie plaats te vinden op aanwezigheid van holtes en verblijfplaatsen (vogels, vleermuizen, eekhoorn).

Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen wordt de functionaliteit van deze beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen gegarandeerd en vindt geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van art. 11 Flora- en Faunawet.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

17

Versie: 13 januari 2012

In het gebied ten noorden van de Horsterweg is een bewoonde dassenburcht aanwezig (hoofdburcht). De burcht is gunstig gelegen t.o.v. foerageergebied in de directe omgeving. Er zijn aanvullende foerageermogelijkheden in de wijdere omgeving. De noodzakelijke rust rond de burcht is door de ligging aanwezig, maar minimaal. Het verder inkrimpen van het leefgebied met toename van verstoring en afname van de hoeveelheid ‘rustgebied’ in de directe omgeving van de burcht (rode contour), door eventuele nieuwbouw is hoogstwaarschijnlijk funest voor deze dassenfamilie. Nieuwe bebouwing van de strook ten noorden van de Horsterweg is voor de Das dan ook niet mogelijk zonder ingrijpende maatregelen en kosten. Te denken valt aan het creëren van nieuw leefgebied of verplaatsing van de familie naar een andere locatie (vergelijk bijv. situatie Drielanden Harderwijk en Ede). Daarvoor is wel uitgebreid nader onderzoek noodzakelijk en dient een ontheffing te worden verkregen van de Dienst Regelingen. Dit geldt overigens ook voor realisatie van bouwmogelijkheden binnen het vigerende bestemmingsplan. Gezien het huidige gebruik van het gebied en het conserverende karakter van het plan wordt een ontheffing voor de Das vooralsnog niet nodig geacht. Hierbij is uitgegaan van geen verdere bebouwing in het bosgebied ten noorden van de Horsterweg.

6.3

Natuurbeschermingswet

Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen kan geconcludeerd worden dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. Het in de omgeving aanwezige Natura 2000 gebieden Veluwe en Veluwerandmeren liggen op zodanig grote afstand in relatie tot de ingreep dat geen externe werking plaats vindt door de realisatie van dit deel van het bedrijventerrein. Hiermee is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet niet nodig. Er zijn geen negatieve gevolgen te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen. Aanvullend onderzoek is derhalve niet nodig.

6.4

EHS

De ingreep vindt plaats buiten de begrenzing van de EHS. Op basis van de ligging van het plangebied, mag aangenomen worden dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS-gebieden. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek worden niet nodig geacht.

6.5

Voorbehoud en zorgplicht

De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een aantal verkennende terreinbezoeken. Het betreft een in hoofdzaak conservatief bestemmingsplan. Er zijn met name in het zuidelijke deel mogelijkheden voor uitbreiding. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten op het terrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

18

Versie: 13 januari 2012

bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli). Voor de Huismus dient rekening te worden gehouden met het feit dat de soort tot augustus jongen kan hebben. Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Bij het aantoonbaar uitvoeren van werkzaamheden volgens de ‘Gedragscode Flora- en Faunawet voor de bouw en ontwikkelsector’ hoeft geen vrijstelling te worden aangevraagd bij de aanwezigheid van vogels of soorten uit Tabel 2 van de Flora- en Faunawet.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

19

Versie: 13 januari 2012

7 Advies  

 

Uitvoering van eventuele werkzaamheden laten plaatsvinden buiten de broedperiode (15 maart-15 augustus). Overigens mogen ook vroege of late legsels niet worden verstoord. Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de algemene ‘algemene zorgplicht’ (art. 2 Flora- en Faunawet), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Eventuele uitvoering volgens de ‘Gedragscode Flora- en Faunawet voor de bouw en ontwikkelsector’ geeft hiervoor een goede basis. Eventuele nestlocaties binnen en buiten de onderzoekslocatie mogen niet worden verstoord. Op het terrein zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van in ieder geval de Huismus en de Bosuil vastgesteld. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van (dwerg)vleermuizen kan niet worden uitgesloten. Bij de eventuele sloop van gebouwen en/of grote bomen dient daarom voorafgaand aan de werkzaamheden onderzoek plaats te vinden naar eventuele aanwezigheid hiervan. Bij nieuwbouw of uitbreiding van gebouwen zijn vrij eenvoudig en tegen geringe kosten voorzieningen te treffen voor Huismus (vides of nestkasten) en voor de Dwergvleermuis en Laatvlieger (open stootvoeg 15mm en boeidelen op 15-22mm van de muur). ). In het bosgebied ten noorden van de Horsterweg is een bewoonde dassenburcht aanwezig.

De dassenfamilie is al vele jaren hier aanwezig. Het territorium ligt zowel ten westen als ten oosten van de Kolbaanweg. Voor het behoud zijn in het verleden (met succes) diverse maatregelen getroffen. De foerageermogelijkheden lijken voldoende. De voornaamste beperkende factor betreft verstoring. Het gebied met noodzakelijk rust rond de burcht is minimaal. Verdere verstoring en bebouwing in het bosgebied ten noorden van de Horsterweg is niet mogelijk zonder uitgebreid nader onderzoek en na ingrijpende maatregelen en kosten. Tevens is dan een ontheffing Flora- en Faunawet noodzakelijk. Gezien het huidige gebruik van het gebied en het conserverende karakter van het plan wordt een ontheffing voor de Das vooralsnog niet nodig geacht. Hierbij is uitgegaan van geen verdere bebouwing in het bosgebied ten noorden van de Horsterweg. Door het uitvoeren van bovenstaande maatregelen, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet overtreden worden. De functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet in het geding. Een ontheffing is dan ook niet nodig.

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

20

Versie: 13 januari 2012

8 Literatuur:                       

bSR ecologisch advies, 2007, Quickscan Landgoed Veldwijk, Ermelo bSR ecologisch advies, 2007, Onderzoek naar Das op Landgoed Veldwijk, Ermelo Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van WestEuropa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. LNV, 2004. Besluit Rode lijsten flora en fauna. Ministerie van LNV, Den Haag. LNV, 2005a. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten! Ministerie van LNV, Den Haag. LNV, 2005b. Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998. Ministerie van LNV, Den Haag. LNV, 2005c.

Checklist gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 Mertens, 2005: Natuurtoets Flora- en Faunawet ruimtelijke projecten 2005 www.Natuurloket.nl www.RAVON.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) http://geodata2.prv.gelderland.nl/ http://www.vleermuis.net Vereniging Das&Boom – diverse informatiebronnen Zoon, 2005: Dassen in de Groene Zoom, Voorkomen en terreingebruik van dassen Zoon, 2005: Natuurtoets Horsterweg, onderzoek naar natuurwaarden Horsterweg traject spoorlijn-Oude Nijkerkerweg Zoon, 2006: Mogelijkheden voor de das in Ermelo-west Zoon, 2006. Natuuronderzoek ontsluiting bedrijventerrein Veldwijk-Noord te Ermelo Zoon, 2006. Natuurwaarden bestemmingsplan Midden-West (Ermelo)

Bijlagen: 1. 2. 3.

Overzicht situatie Foto’s plangebied Wettelijk kader

Natuurtoets BP Veldwijk jan12-5.doc

21

Versie: 13 januari 2012

Bijlage 1 Overzicht situatie

Figuur: Ligging terrein Veldwijk

Gebouwen terrein Veldwijk

Overzicht leefgebied dassenfamilie

Bijlage 2 Foto’s plangebied

Foto’s Plangebied – aug.-nov. 2011

Holtes specht/vleermuizen

Plukplaats roofvogel

Bewoonde dassenburcht + vraatsporen

Kookspullen en etensresten bos Bont zandoogje

Fopzwam Parasolzwam

Vliegroute en foerageergebied vleermuizen Mogelijke verblijfplaats vleermuizen - daklijsten

Vliegroute en foerageergebied vleermuizen

Verwilderde Pimpernoot

Bijlage 3 Wettelijk kader

Samenvatting Natuurwetgeving Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader en de toepassing op ruimtelijke ingrepen en beheer beschreven. Het geeft aan hoe de wettelijke toetsingskaders bij het opstellen van ecologische beoordelingen zijn toegepast. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland verankerd in de Flora- en faunawet, de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Tevens wordt kort ingegaan op de betekenis van Rode lijsten en de Ecologische Hoofdstructuur bij ecologische toetsingen. 1

Flora- en faunawet Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving, voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’ principe. Dat betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten in principe verboden zijn (zie kader). Verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet (verkort) Artikel 8: Het plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op een andere manier van de groeiplaats verwijderen van beschermde planten. Artikel 9: Het doden, verwonden, vangen of bemachtigen of met het oog daarop opsporen van bescherm de dieren. Artikel 10: Het opzettelijk verontrusten van beschermde dieren. Artikel 11: Het beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van beschermde dieren. Artikel 12: Het zoeken, beschadigen of uit het nest halen van eieren van beschermde dieren. Artikel 13: Het vervoeren en onder zich hebben (in verband met verplaatsen) van beschermde planten en dieren.

Artikel 75 bepaalt dat vrijstellingen en ontheffingen van deze verbodsbepalingen kunnen worden verleend. Het toetsingskader is begin 2005 gewijzigd door middel van een Algemene Maatregel van Bestuur, doorgaans aangeduid als de AMvB artikel 75. Er gelden verschillende regels voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ingrepen en die in het kader van bestendig gebruik en beheer. Er bestaan drie beschermingsregimes corresponderend met drie verschillende groepen beschermde soorten, opgenomen in drie bijbehorende tabellen in de LNV- brochure. Tabel 1. De algemene beschermde soorten Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig gebruik en beheer. Ontheffing ten behoeve van andere activiteiten kan worden verleend, mits de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is (‘lichte toetsing’). Tabel 2. De overige beschermde soorten Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en van bestendig gebruik en beheer, als op basis van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt. Anders is ontheffing noodzakelijk, na lichte toetsing. Tabel 3. De strikt beschermde soorten Dit zijn alle vogelsoorten en verder de planten- en diersoorten vermeld in Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn of in Bijlage 1 van de AMvB artikel 75.

Voor bestendig gebruik en beheer geldt ook voor deze soorten een vrijstelling, mits men werkt op basis van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Voor verstoring (met wezenlijke invloed) van deze soorten kan geen vrijstelling of ontheffing worden verkregen. Voor ruimtelijke ingrepen is altijd een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet noodzakelijk. Deze kan worden verleend na een uitgebreide toetsing. De uitgebreide toetsing houdt in dat ontheffing alleen kan worden verleend als: 1. Er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort; 2. Er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; 3. Er sprake is van een in de wet genoemde reden van openbaar belang; 4. Er zorgvuldig wordt gehandeld. 1

Deze paragraaf is in belangrijke mate ontleend aan de brochure ‘Buiten aan het werk?’ (LNV, 2005a).

Bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud in de bosbouw en landbouw en uitvoering in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling worden genoemd als openbaar belang. Zorgvuldig handelen betekent het actief optreden om alle mogelijke schade aan een soort te voorkomen, zodanig dat geen wezenlijke negatieve invloed op de relevante populatie van de soort optreedt. Mitigatie (het vermijden of verzachten van negatieve effecten) en compensatie (het aanbieden van vervangend leefgebied) kunnen deel uitmaken van het zorgvuldig handelen. Samenvatting toetsingskader Flora- en faunawet Het toetsingskader van de Flora- en faunawet voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig gebruik en beheer luidt dus: 1. Komen er soorten uit Tabel 1 voor? Hiervoor geldt een vrijstelling. Alleen de zorgplicht is van toepassing. 2. Komen er soorten uit Tabel 2 voor? Dan geldt een vrijstelling (mits gedragscode) of moet ontheffing worden aangevraagd (lichte toetsing). 3. Komen er soorten uit Tabel 3 voor? Er geldt een vrijstelling voor bestendig gebruik en beheer (mits gedragscode; niet voor art. 10). In overige gevallen is altijd ontheffing nodig (uitgebreide toetsing). 2

Natuurbeschermingswet 1998 De Natuurbeschermingswet 1998 (kortweg: Nbwet) vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Nbwet kent verschillende soorten beschermde gebieden. De belangrijkste zijn de Natura 2000-gebieden (oftewel Vogel- en Habitatrichtlijngebieden oftewel Speciale Beschermingszones) en de beschermde natuurmonumenten. De aanwijzingsbesluiten van deze gebieden bevatten een kaart en een toelichting, waarin de instandhoudingdoelstellingen staan verwoord (zie www.minlnv.nl). Voor Natura 2000-gebieden dient een beheersplan te worden opgesteld. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Projecten en handelingen, die negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen hebben en die niet nodig zijn voor of verband houden met het beheer, zijn verboden. Hiervoor kan door het bevoegd gezag (meestal Gedeputeerde Staten, soms de minister van LNV) vergunning worden verleend op grond van artikel 19d. Voor plannen (bij voorbeeld bestemmingsplannen, streekplannen, waterhuishoudingplannen) geldt dat goedkeuring van het bevoegd gezag op grond van artikel 19j nodig is.

Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn als er negatieve effecten door ‘externe werking’ kunnen optreden. De vergunning of goedkeuring kan pas worden afgegeven nadat een ‘habitattoets’ het bevoegd gezag de zekerheid heeft gegeven dat het gebied niet wordt aangetast. Habitattoets In de ‘oriëntatiefase’ – voorheen ook wel ‘voortoets’ genoemd – wordt onderzocht of een plan, project of handeling (kortweg: ‘activiteit’), gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied en zo ja of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is de kous daarmee af. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling’. In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en compensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider.

Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effecten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADC-criteria: -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11967829/2