Bestemmingsplan e240022019
Tekst van het document
Er kan echter gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden. Allereerst betreft het plangebied en omgeving een gemengd gebied, waardoor de richtafstanden voor geur en geluid met 1 afstandsstap mogen worden verlaagd. Daarnaast betreft het een kampeerterrein zonder voorzieningen zoals een zwembad of restaurant (keuken), hetgeen wat geluidhinder, geurhinder of gevaar kan veroorzaken. Gezien deze voorzieningen niet aanwezig zijn op het kampeerterrein, kan het terrein in feite vergeleken worden met een woonwijk en is het niet noodzakelijk 30 meter afstand te houden tot het kampeerterrein. Een afstand van 10 meter is dan voldoende. Om die reden is ervoor gekozen om een groenstrook van 5 meter rondom het kampeerterrein aan te leggen en deze ook zodanig te bestemmen. Hierin is ruimte voor de fysieke landschappelijke inpassing van het terrein. Tevens is het bouwvlak gelegen op 10 meter afstand van de bestemmingsgrens van het kampeerterrein, waardoor woningen niet op een kortere afstand dan 10 meter kunnen worden gerealiseerd. Op deze manier kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden. Voor de locaties Buitenbrinkweg 32, Buitenbrinkweg 33, Buitenbrinkweg 41, Buitenbrinkweg 44a, Buitenbrinkweg 64 en Buitenbrinkweg 71 geldt een vaste afstandsnorm van 100 meter. Binnen 100 meter van de beoogde woningen zijn geen veehouderijen gelegen met een vaste afstandsnorm.
Hierdoor wordt er ruimschoots voldaan aan de afstandsnorm van 100 meter voor dieren zonder vastgestelde geuremissie. Voor varkenshouderijen en vleesrundveehouderijen gelden geen vaste afstandsnormen, maar zijn geurnormen vastgesteld. Deze geurnormen zijn vastgesteld op 3 ouE/m3. Het plangebied ligt in de buurt van meerdere varkenshouderijen en vleesrundveehouderijen, namelijk de locaties Slagsteeg 36, Buitenbrinkweg 32, Buitenbrinkweg 34, Buitenbrinkweg 52, Buitenbrinkweg 81. Om deze reden is een nader onderzoek uitgevoerd in de vorm van een onderzoek agrarische geurhinder. Zie voor het onderzoek en bijbehorende conclusies paragraaf 4.10. Warmtepompen
49
Binnen het plangebied zullen naar alle waarschijnlijkheid warmtepompen worden gerealiseerd. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepompen is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Bij de verlening van de Omgevingsvergunning Bouwen (voormalige bouwvergunning) moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de nieuwe eis van 40 dB(A) op de perceelsgrens bij de buren, afkomstig van de warmtepompen van de bestaande woningen. Dit betekent dat de installatie op voldoende afstand van de buren moet worden geplaatst of moet worden afgeschermd, zodat op de perceelsgrens de 40 dB(A) niet wordt overschreden. In de regels zijn eisen opgenomen betreffende de realisatie van warmtepompen. Hiermee vormen de warmtepompen geen nader aspect voor het bestemmingsplan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.10 Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij de verlening van een milieuvergunning voor een veehouderij. Hiervoor zijn in de Wgv zowel geurnormen als afstandsnormen vastgelegd ter bescherming van de omliggende geurgevoelige objecten, zoals woningen, rondom veehouderijen. De landelijke wetgever heeft door middel van de geurnormen en afstandsnormen vastgelegd welke geurhinder acceptabel is. De gemeente kan echter voor haar grondgebied afwijkende geurnormen vaststellen. Deze afwijkende geurnormen kunnen zowel hoger als lager zijn en deze worden vastgelegd in een gemeentelijke geurverordening. Zowel de Wgv en het gemeentelijke geurbeleid is primair bedoeld als toetsingskader bij de vergunningverlening bij veehouderijen. Daarnaast kan de Wgv en het gemeentelijke geurbeleid worden gebruikt bij de toetsing van de planologische aanvaardbaarheid van nieuwe geurgevoelige objecten nabij veehouderijen. Daarbij wordt gekeken of het aanvaardbaar is om een nieuw geurgevoelig object te realiseren nabij de bestaande veehouderijen. Deze omgekeerde toetsing wordt ook wel de omgekeerde werking genoemd. Door middel van de omgekeerde werking wordt voorkomen dat mensen worden blootgesteld aan overmatige geurhinder.
Wanneer wordt voldaan aan de normen uit de Wgv of de gemeentelijke geurverordening dan is een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd en worden bestaande rechten van de omliggende veehouderijen niet aantast. Voor veehouderijen die meldingsplichtig zijn geldt de Wgv niet. Deze veehouderijen moeten voor geur worden getoetst aan de geurnormen uit het Activiteitenbesluit. De geurnormen uit het Activiteitenbesluit zijn echter gelijk aan de geurnormen uit de Wgv. Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) In de Wgv worden alleen normen genoemd voor de individuele veehouderijen. De geurnorm op basis van een individuele geurbelasting wordt de voorgrondbelasting genoemd. De hoogte van de normen voor de geurgevoelige objecten nabij het plangebied zijn bepaald op basis van de volgende kenmerken: De nieuwe woningen zijn geurgevoelige objecten, welke geen relatie hebben tot agrarisch bedrijf; De gemeente Ermelo ligt in een concentratiegebied I (Oost); Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van Ermelo. In de onderstaande tabel staan de normen uit de Wgv, welke gelden voor de nieuwe woningen, weergegeven. Overzicht van de normen uit de Wgv voor de nieuwe woningen Geurnorm voor dieren met vastgestelde geuremissie (voorgrondbelasting)
Afstandsnorm voor emissiepunt en GGO voor dieren zonder vastgestelde geuremissie
Afstandsnorm voor dierverblijf en GGO
50
Normen uit de Wgv
3,0 ouE/m3
100 meter
50 meter
De geurnorm afkomstig van alle veehouderijen te samen wordt de achtergrondbelasting genoemd. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Wgv geen normen opgenomen. De achtergrondbelasting kan dan ook alleen maar worden beoordeeld op basis van kwaliteit van het leefmilieu. Gemeentelijke geurbeleid De gemeente Ermelo heeft geen gemeentelijk geurbeleid vastgesteld. Doordat de gemeente geen afwijkend geurbeleid heeft vastgesteld, moet worden getoetst aan de normen uit de Wgv. Onderzoek Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juli 2022 een geuronderzoek agrarische geurhinder uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 19. Hieronder worden kort de conclusies van dit onderzoek behandeld. Nabij de ontwikkeling liggen zowel extensieve veehouderijen, zoals melkveehouderijen, als intensieve veehouderijen, zoals kippenhouderijen en varkenshouderijen. In de omliggende veehouderijen worden dieren zonder een vastgestelde geuremissie en dieren met een vastgestelde geuremissie gehouden. Hiervoor gelden geurafstanden respectievelijk geurnormen. In het kader van het geuronderzoek is het dan ook noodzakelijk om te toetsen aan de geurafstanden en aan de geurnormen.
Onderzoek naar de afstandsnormen (dieren zonder vastgestelde geuremissie) De nieuwe woningen kunnen niet binnen 100 meter (afstandsnorm) van een emissiepunt worden gebouwd van stallen waarin dieren zonder vastgestelde geuremissie worden gehouden, zoals melkrundvee. Stallen die natuurlijk geventileerd worden door de openingen in de stal, zoals open staande ramen en deuren of een open wand, wordt het emissiepunt verdeeld over de gehele stal. In het geuronderzoek is er vanuit gegaan dat de dierenverblijven zich kunnen bevinden op het gehele agrarisch bouwvlak. De agrarische bouwvlakken zijn overgenomen van de geldende bestemmingsplannen. Zoals beschreven in paragraaf 4.9 staan er binnen 100 meter van de beoogde woningen in het plangebied geen veehouderijen zonder vastgestelde geuremissie. Daarmee wordt voldaan aan de afstandsnormen uit de Wgv. De geplande woningen in het plangebied bevinden zich dus op een afstand die voldoet aan de afstandseis die is bepaald in de Wgv en onderhavig plan zorgt niet voor een (verdere) beperking van de bedrijfsvoering van veehouderijen zonder vastgestelde geuremissie in de omgeving. Onderzoek naar de geurnormen (dieren met vastgestelde geuremissie) Van alle veehouderijen in een straal van 3 km rondom de nieuwe woningen zijn de geuremissies geïnventariseerd.
De geuremissies van de veehouderijen uit de zijn afkomstig van de Gelderse omgevingsdiensten. Nabij de ontwikkeling liggen diverse veehouderijen die maatgevend zijn voor het geuremissie in het plangebied. In de onderstaande tabel worden de achtergrondbelastingen en de bijbehorende leefklimaat weergegeven. Zoals eerder benoemd zijn er voor de achtergrondbelasting geen normen vastgesteld in de Wgv. Achtergrondbelastingen bij de nieuwe woningen afkomstig van de omliggende veehouderijen Wnp.01 Wnp.02 Wnp.03 Wnp.04 Wnp.05 Wnp.06 Wnp.07
Achtergrondbelasting in ouE/m3 4,7 5,5 6,0 6,1 6,3 4,9 4,6
Milieukwaliteit Goed Goed Goed Goed Goed Goed Goed
51
Daarnaast is een schatting gemaakt van de voorgrondbelasting van de omliggende veehouderijen. Uit de geschatte voorgrondbelasting blijkt dat de veehouderijen Buitenbrinkweg 34 en 52 hebben het grootste aandeel heeft in de achtergrondbelasting. Deze veehouderijen zijn dan ook maatgevend voor de voorgrondbelasting. In de onderstaande tabel zijn de voorgrondbelastingen weergegeven. Voorgrondbelastingen bij de nieuwe woningen afkomstig van de omliggende veehouderijen Buitenbrinkweg 34 Wnp.01 Wnp.02 Wnp.03 Wnp.04 Wnp.05 Wnp.06 Wnp.07
1,2 1,5 1,7 2,2 2,7 1,9 1,8
Voorbelasting in ouE/m3 Buitenbrinkweg 52 Hoogste voorgrondbelasting 1,8 1,8 2,4 2,4 3,0 3,0 3,0 3,0 2,9 2,9 1,8 1,9 1,6 1,8
Milieukwaliteit
Goed Goed Goed Goed Goed Goed Goed
Uit het onderzoek naar de voorgrondbelasting (geurbelasting van de individuele veehouderijen) blijkt dat bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geurnorm van 3 ouE/m3 uit de Wgv. De optredende voorgrondbelasting bij de woningen komt overeen met de milieukwaliteit 'Goed'. Conclusie Uit bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.
4.11 Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
52
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb).
Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid, gemeenten in de regio Veluwe-Noord veiligheid opgesteld om de veiligheid in de omgeving te kunnen waarborgen en de inwoners een veilig leefgebied te bieden. Het beleidsstuk is gericht op het beperken van risico’s die ontstaan door vervoer, opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen. Er wordt gestreefd naar het optimaliseren van de veiligheid tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau. De beleidsvisie biedt gemeenten de mogelijkheid gestructureerd keuzes te maken met betrekking tot externe veiligheid, met name op het gebied van ruimtelijke ordening. Als onderdeel van de beleidsvisie worden beleidsuitgangspunten geformuleerd ten aanzien van de nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten nabij risicobronnen. De uitgangspunten zijn verschillend afhankelijk van de zone waar ze zich begeven; hoe dichter bij de risicobron en hoe kwetsbaarder het object, hoe zwaarder de verantwoordingsplicht wordt ingevuld. Onderzoek Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd, waarvan een fragment in onderstaande afbeelding is weergegeven. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van woningen.
Met de ontwikkeling is sprake van nieuwe kwetsbare objecten. Het plangebied is met een blauwe stippellijn omkaderd.
53
Uitsnede risicokaart Nederland
Er liggen diverse risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Om deze reden is in oktober 2022 door SPA WNP een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 20. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld. Risico door inrichtingen Uit gegevens blijkt dat binnen het plangebied een propaantank aanwezig is. Deze is onderdeel van camping ‘De Horsterhoeve’. De propaantank vormt echter geen belemmering voor het initiatief aangezien de tank wordt verwijderd vóór de aanvang van bouwwerkzaamheden van het woningbouwplan. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vormen om die reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Risico's door vervoer over weg, water of spoor Aan de hand van de EV-signaleringskaart en de regeling Basisnet is gebleken dat in de omgeving van het plangebied: over de Rijksweg A28 gevaarlijke stoffen worden vervoerd met een relevante intensiteit; over de spoorlijn Zwolle-Amersfoort (traject 360G.1) gevaarlijke stoffen worden vervoerd met een relevante intensiteit; over de lokale wegen in de directe omgeving van het plangebied géén noemenswaardig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Rijksweg A28 Het plangebied ligt op circa 150 meter van de Rijksweg A28. Een klein deel van het plangebied ligt op kortere afstand, namelijk circa 60 meter.
Het deel op 60 meter betreft een smalle strook welke bij het perceel behoort van het plangebied, hier is een verbindingsweg beoogd waardoor er geen verblijfsmogelijkheden zijn. Dit deel is in die zin niet relevant. Voor de beoordeling van het groepsrisico is het invloedsgebied van de stofcategorie GF3 (brandbaar gas) maatgevend. Voor deze stofcategorie geldt voor de weg, een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied. Doordat het plangebied binnen de 200 meter zone ligt, dient formeel een berekening van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Echter vanwege het ontbreken van transporten met gevaarlijke stoffen van categorieën LT3, GT4 of GT5 is het groepsrisico beoordeeld op basis van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) van het RIVM. Plaatsgebonden risico Rijksweg A28 Op basis van het HART geldt de vuistregel, dat een autosnelweg met het aantal GF3 transporten hoger dan 4000 géén 10-6 contour heeft wanneer de volgende berekening onder de 1 uitkomt: 0,0001*(0.1*LF2+GF3+0.5*LT1+LT2+3*LT3+GT4+GT5). Voor de Rijksweg A28 komt dit uit op 0,986 waardoor er geen 10-6 contour aanwezig is. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee géén belemmering voor de gewenste
54
ontwikkeling. Groepsrisico Rijksweg A28 In het HART zijn vuistregels opgenomen om te bepalen of een risicoberekening noodzakelijk is. Voor de Rijksweg A28 geldt dat het een autosnelweg is waar een snelheid geldt van 100 km/uur of hoger. Op basis van de afstand van de plangrens tot aan de as van de rijksweg (circa 150 meter) en een dichtheid van 100 personen per hectare, geldt op basis van het HART een drempelwaarde van 24.310 GF3 transporten. De drempelwaarde bij 120 personen per hectare is niet bekend, doordat deze dichtheid niet is opgenomen in het HART. Het HART gaat boven de 100 personen per hectare uit van een stap van 100 personen per hectare. De drempelwaarde bij 200 personen per hectare bedraagt 6.080 GF3 transporten. Het aantal van 6902 GF3 transporten dat over de Rijksweg A28 vervoerd wordt, is hiermee net iets hoger dan de drempelwaarde bij 200 personen per hectare. Dit betekent in ieder geval dat het aantal personen per hectare (120) dat worstcase wordt aangehouden voor het plangebied en de omgeving, te laag is om 10% van de oriëntatiewaarde te overschrijden. Het groepsrisico bedraagt hiermee minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde van het groepsrisico. Als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de rijksweg een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd.
Spoorlijn Zwolle-Amersfoort Het plangebied ligt op circa 2.350 meter van de spoorlijn Zwolle-Amersfoort en daarmee ruim buiten de 200 meter zone van de spoorlijn. Het groepsrisico hoeft om die reden niet nader beschouwd te worden. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van de stofcategorie D4 (toxisch). Voor deze stofcategorie geldt voor het spoor een invloedsgebied van 4.000 meter. Om die reden dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Beperkte verantwoording groepsrisico In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; 2. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Ad 1: De BLEVE treedt plots op als gevolg van bijvoorbeeld een mechanische beschadiging van de tankwagon (koude BLEVE) of brand in de tankwagen (warme BLEVE) en heeft een snelle ontwikkeltijd.
Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. In de regel zal de bestrijding bij een dreigende BLEVE bestaan uit het blussen van de brand die de LPG-tankwagen aanstraalt en het koelen van de aangestraalde tankwagen. Bij een plasbrand richt de inzet zich op het met schuim blussen van de plasbrand. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied als ook de risicobron is hierbij van essentieel belang. Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. De brandweerkazerne van Ermelo bevindt zich op circa 6 kilometer van het plangebied. Overige hulpdiensten kunnen de bron ook vanuit meerdere richtingen benaderen. Om bij een optredende BLEVE het risico voor de gebruikers te verkleinen, is het minimaliseren van de hoeveelheid glas aan de gevaarzijde een maatregel. Voornoemde wordt in deze rapportage ter advisering genoemd. Ad 2: Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de
55
bron, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan van uit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn en er voldoende volwassenen aanwezig zijn die voor begeleiding van de kinderen kunnen zorgen. Bij het scenario toxische wolk is het advies om binnen te schuilen en de ramen, deuren en ventilatiesystemen te sluiten. Toetsing aan lokaal beleid De beoogde woonontwikkeling is getoetst aan de lokale beleidsvisie ‘Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid, gemeenten in de regio Veluwe-Noord’. Het initiatief bevindt zich op een afstand van circa 150 meter van de Rijksweg A28 en op circa 2.350 meter van de spoorweg Zwolle-Amersfoort. Op basis van de uitgangspunten van de beleidsvisie plaatst dit het plangebied in ‘zone 2’. De woonontwikkeling omvat de realisatie van kwetsbare objecten waardoor, met inachtneming van de uitgangspunten en de afstand, een verantwoording van het groepsrisico benodigd is van ‘verantwoordingsniveau 1’ Binnen de beleidsvisie bestaan echter uitzonderingen op de verantwoordingsplicht. Zo geldt voor het plangebied dat deze zich bevindt op een afstand van circa 150 meter tot de vervoersas van de Rijksweg A28.
Voor gebieden tot 200 meter van de in het Basisnet aangewezen vervoersas geldt dat niet verantwoord hoeft te worden wanneer: sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en/of; wanneer het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt en tevens de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Zoals beschreven in de beoordeling van het groepsrisico blijkt dat het groepsrisico na realisatie van het initiatief lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Hierdoor geldt een uitzondering van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico op basis van de uitgangspunten van de beleidsvisie. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.12 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Door Goudappel is een onderzoek Uitwerking mobiliteit uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 21. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek behandeld. Verkeer Verkeersgeneratie Om deze toename te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van het volgend aantal functies: 32 huurwoningen in de vorm van appartementen; 48 koopwoningen in de vorm van appartementen; 40 huur/koopwoningen in de vorm van rug-aan-rug woningen, uitgevoerd als beneden-bovenwoning; 16 huur/koopwoning in de vorm van rug-aan-rug woningen; 19 midden huurwoningen in de vorm van rijwoningen; 54 koopwoningen in de vorm van rijwoningen; 38 koopwoningen in de vorm van twee-onder-een-kapwoningen; 19 koopwoningen in de vorm van vrijstaande woningen.
56
Op basis van gegevens van het CBS is de stedelijkheidsgraad van de gemeente Ermelo 'weinig stedelijk'. Daarnaast blijkt uit de gemeentelijke parkeernormen dat de locatie van De Horsterhoeve als stedelijke zone 'buitengebied' kan worden beschouwd. Rug-aan-rug-woningen zijn niet opgenomen als aparte categorie binnen de CROW-kencijfers. Voor deze woningen is de categorie 'huur, huis, sociale huur' gehanteerd. Onderstaande tabel toont zowel de totale verkeersgeneratie, als de verkeersgeneratie per blok.
Verkeersgeneratie totaal
De totale verkeersgeneratie komt uit op 1.700 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Dit komt neer op 1.900 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Afwikkeling autoverkeer
Verdeling verkeersstromen (intensiteiten in mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag en afgerond op honderdtallen)
In het stedenbouwkundige ontwerp wordt uitgegaan van een ontsluiting van het noordelijk deel van de woningen op de dekzandrug via de Horster Engweg (huidige ontsluiting recreatiepark). Dit betreft circa 300 mvt/etm. Vanaf de Horster Engweg zijn door een afsluiting voor het gemotoriseerde verkeer de overige woningen niet te bereiken (hulpdiensten en langzaam verkeer hebben wel toegang).
57
De overige woningen zijn te bereiken via een nieuwe ontsluiting via het westen op de Spijkweg. Dit zijn circa 1.600 mvt/etm op een gemiddelde werkdag. De huidige intensiteit van de Spijkweg is 3.800 mvt/etm (bron: telling begin maart 2020). Wanneer de verkeersgeneratie van De Horsterhoeve zich gelijk verdeelt over het zuiden en noorden van de Spijkweg, neemt de intensiteit met gemiddeld 800 mvt/etm toe. De totale verkeersintensiteit van de Spijkweg wordt daarmee ongeveer 4.600 mvt/etm. Ten opzichte van de toekomstige situatie verdwijnt de huidige verkeersgeneratie van het recreatiepark met ontsluiting op de Horster Engweg. Deze verkeersgeneratie betreft circa 700 mvt/etm (gebaseerd op 250 standplaatsen en de verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie 381). Netto betekent dit een afname van de verkeersintensiteit met 400 mvt/etm op de Horster Engweg (300-700 mvt/etm). Voor het gebouw op de 'Meent' wordt gedacht aan een maatschappelijke invulling. Deze invulling wordt nog verder uitgewerkt. De verkeersgeneratie is naar verwachting beperkt omdat het gebouw hoofdzakelijk een functie voor de wijk heeft. Dit betekent dat vooral bewoners van de wijk gebruik maken van de functie, dit valt onder de reeds meegenomen verkeersgeneratie van de woningen. Op de Spijkweg stijgt de verkeersintensiteit naar verwachting van een kleine 4.000 naar een kleine 5.000 mvt/etm.
De Spijkweg is een brede gebiedsontsluitingsweg en volledig gescheiden van het langzame verkeer, waardoor de weg ruim voldoende capaciteit heeft om deze stijging te verwerken. Op de Horster Engweg verdwijnt het huidige verkeer van en naar het recreatiepark. Netto daalt de intensiteit op de Horster Engweg naar verwachting met circa 400 mvt/etm. Aangezien fietsers en gemotoriseerd verkeer gemengd zijn, is deze daling positief voor de fietser. Minder gemotoriseerd verkeer zal minder mogelijke conflictsituaties tussen auto's en fietsers geven. Op de overige wegen worden geen significante verkeerseffecten verwacht. Na het uitrijden van de Spijkweg en de Groene Zoomweg zal het verkeer zich verder verspreiden over het wegennetwerk, waardoor zowel de absolute als relatieve stijging van de intensiteit op de wegen beperkt zal zijn en de effecten gering zijn. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen zijn de woningen opgedeeld in 7 woonvelden. De totale parkeervraag voor de gehele ontwikkeling betreft, afgerond, 487 parkeerplaatsen. Bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen is gerekend met de 'Nota Parkeernormen Ermelo'. Op navolgende afbeelding is de verdeling van de woonvelden zichtbaar.
58
Parkeren
Veld A De parkeervraag op veld A komt neer op 68,4 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 68,8 parkeerplaatsen, wat neerkomt op een overschot van 0,4 parkeerplaats. Van het parkeeraanbod bevinden 28,8 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 40 in de openbare ruimte. Veld B De parkeervraag op veld B komt neer op 50,7 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 47,8 parkeerplaatsen, wat neerkomt op een tekort van 2,9 parkeerplaatsen. Van het parkeeraanbod bevinden 9,8 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 38 in de openbare ruimte. Het tekort van 2,9 parkeerplaatsen wordt gecompenseerd door het overschot in veld C. Veld C De parkeervraag op veld C komt neer op 69,1 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 75 parkeerplaatsen, wat neerkomt op een overschot van 5,9 parkeerplaatsen. Van het parkeeraanbod bevinden 15 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 60 in de openbare ruimte.
59
Veld D De parkeervraag op veld D komt neer op 85 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 85,4 parkeerplaatsen, wat neerkomt op een overschot van 0,4 parkeerplaats. Van het parkeeraanbod bevinden 18,4 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 67 in de openbare ruimte. Veld E De parkeervraag op veld E komt neer op 120 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 120 parkeerplaatsen, wat neerkomt op geen tekort of overschot. Van het parkeeraanbod bevinden 0 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 120 in de openbare ruimte. Veld F De parkeervraag op veld F komt neer op 34,6 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 34,6 parkeerplaatsen, wat neerkomt op geen tekort of overschot. Van het parkeeraanbod bevinden 23,6 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 11 in de openbare ruimte. Veld G De parkeervraag op veld G komt neer op 45,5 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod bestaat uit 47 parkeerplaatsen, wat neerkomt op een overschot van 1,5 parkeerplaats. Van het parkeeraanbod bevinden 29 parkeerplaatsen zich op eigen terrein en 18 in de openbare ruimte. De Meent De exacte invulling van het gebouw op de Meent moet nog nader worden uitgewerkt. Om die reden is ervoor gekozen een globale inschatting te maken van het aantal benodigde parkeerplaatsen.
Voor wat betreft de normeringen is voor de omvang van de functie uitgegaan van de omvang van het bouwvlak, circa 650 m2. De mogelijke invulling laat zich lastig vatten in een functie conform de Nota Parkeernormen van de gemeente Ermelo. Het gebouw zal een soort buurthuis worden, met mogelijk een kinderopvang, een post afhaalpunt, een prikpost, etc. De parkeernormen voor deze verschillende functies lopen behoorlijk uiteen. Om deze reden is gekozen voor een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Het aantal parkeerplaatsen dient conform deze norm (650/100*2 = ) 13 parkeerplaatsen. In het ontwerp zijn 14 parkeerplaatsen ingetekend, welke ook zijn vastgelegd op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. Hiermee zijn er voldoende parkeerplaatsen voor het gebouw op de Meent. Conclusie parkeren In elk veld, met uitzondering van veld B, is er voldoende parkeeraanbod om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Door het overschot in veld C is er ook voor veld B voldoende parkeergelegenheid. Tevens zijn er voor het gebouw op de Meent ook voldoende parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Hiermee is aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid is binnen de ontwikkeling om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.13 Kabels en leidingen Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen.
60
Onderzoek In en om het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het plangebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding. Om de overige kabels en leidingen in het plangebied te inventariseren wordt voor de werkzaamheden een zogenaamde KLIC-melding verricht. Aan de hand van deze KLIC-melding wordt met de betreffende kabels- en leidingenbeheerders afspraken gemaakt voor eventuele aanpassingen mocht dat nodig blijken. Conclusie In en nabij het plangebied van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Bij toekomstige graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.14 MER-toets Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen. Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). De voornoemde drempelwaarden hebben een indicatief karakter, hetgeen inhoudt dat ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden een (vormvrije) beoordeling dient plaats te vinden of het planvoornemen kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Hierin worden drie hoofdthema's genoemd 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten': kenmerk van het project; plaats van het project; kenmerken van het potentiële effect. Onderzoek Voor de activiteiten en functies die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt geldt geen directe MER-plicht. Wel geldt er een m.e.r.-beoordelingsplicht, maar omdat de activiteit onder de relevante drempelwaarde blijft is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat er een vormvrije m.e.r-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. Om die reden is een Aanmeldingsnotitie M.E.R.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 22 bij de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Op basis van deze aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen, risico's of negatieve effecten voor gevoelige gebieden te verwachten zijn. Er kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage. Besluit Het besluit om in de stemmen met de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt door het college tegelijkertijd genomen met het besluit om het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Op 28-11-2023 heeft het bevoegd gezag (het college van B&W) op basis van de aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen, inhoudende geen milieueffectrapportage op te stellen voor voorliggend bestemmingsplan.
61
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Juridische aspecten
Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Daarom stelt onder andere de Wro eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Opbouw regels De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De inleidende regels vormen Hoofdstuk 1 en bevatten de begrippen en de wijze van meten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hierin zijn de regels bij de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder algemene regels, Hoofdstuk 3, zijn regels opgenomen die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. Tot slot zijn in Hoofdstuk 4 de overgangsregels en de slotregel opgenomen.
Verbeelding In deze paragraaf worden de op de verbeelding voorkomende bestemmingen benoemd en wordt kort toegelicht wat hiervoor in de regels vastgelegd is. 'Artikel 3 Bos' In het geldende bestemmingsplan 'Recreatieterreinen', dat op 4 juli 2013 is vastgesteld door de raad van de gemeente Ermelo, is per abuis een deel van het perceel Ermelo, sectie I, 6134 als 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1' bestemd. Dit perceel is geen onderdeel van het huidige recreatiepark en zal ook geen onderdeel worden van de nieuwe woonwijk. Om deze reden is ervoor gekozen om in dit bestemmingsplan de aangrenzende bestemming 'Bos' op dit perceel op te nemen. 'Artikel 4 Groen' De bestemming Groen is opgenomen voor het groene raamwerk dat rondom de woonvelden in het nieuwe woongebied De Horsterhoeve is gelegen. Hierbinnen zitten de voornaamste groen- en waterstructuren in de vorm van bijvoorbeeld boomstructuren maar ook wadi's. Ook een aantal belangrijke ontsluitingsstructuren voor fietsers en wandelaars zijn binnen de bestemming mogelijk. Binnen de bestemming zijn parkeervoorzieningen ten behoeve van de aanliggende woningen toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat overal parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd en het groene karakter daarmee onder druk komt te staan. Verder is binnen de bestemming de aanduiding 'openheid' opgenomen voor de ligging van de centrale Meent.
Hiermee wordt voorkomend dat er bouwwerken, dan wel bouwwerken geen gebouwen zijnde kunnen worden opgericht. 'Artikel 5 Maatschappelijk' De bestemming Maatschappelijk is opgenomen voor het nieuw op te richten maatschappelijk gebouw nabij de voormalige entree van het recreatiepark. Het specifieke gebruik zal nog nader bepaald dienen te worden, echter
62