CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies e240042550 (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 12 februari 2025, gemeente ErmeloBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken raad 12 februari 20253.836 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

gemeente

harderwijk

ES

Zeewolde

Geschil Het op 2 juli 2024 de aanvraag

om

ingekomen

om

een

bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 19 juni 2024 waarbij is besloten vervoersvoorziening (mobiliteitspas regiotaxi) af te wijzen.

Zaaknr.

99990000041359

Documentnr.

99990000195297

Hoorzitting

22 augustus

2024

(geanonimiseerd) Bestuursorgaan Advies

uitgebracht

Het door

college

|De heer

burgemeester

V.L.S.

mr.

Mevrouw De heer

van

mr.

van

wethouders

Ermelo

van

Cruiijningen

den

Hartogh

J.F. Penning

de Vries

mr.

P.M.

en

Advies bezwaarschriftencommissie Inleiding Op 16 april

een aanvraag ingediend voor een mobiliteitspas voor de regiotaxi. Het vervoersvoorziening op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo). Bij brief van 19 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) besloten de aangevraagde vervoersvoorziening te weigeren. Op 2 juli 2024 heeft

gaat

het

om

2024 heeft bezwaarde

een

aanvraag

college hiertegen

2024 heeft bezwaarde

voor

een

bezwaarschrift ontvangen

een

het bezwaarschrift

bezwaarde.

van

Per brief

3 augustus

van

en

11 augustus

aangevuld.

Ontvankelijkheid Het bezwaarschrift is tijdig

ingediend

en

voldoet ook

voor

behandeld

ter

het overige

aan

de

ontvankelijkheidsvereisten.

Hoorzitting Het bezwaarschrift is door de commissie verschenen.

heeft zich

Het

college geluidsopname gemaakt. Hetgeen

laten

zitting van 22 augustus 2024

vertegenwoordigen tijdens de hoorzitting

waar

door de heer L. Röst. Van de

door partijen

naar

bezwaarde

is

hoorzitting

is een

is gebracht,

voren

is betrokken

bij

dit advies.

Gronden De

van

gronden e

bezwaar

van

bezwaar

komen, kort samengevat, op het volgende

_Bezwaarde voert hem

aan

is toegekend.

dat in het verleden

Toen bewaarde

een

onlangs

neer:

vervoersvoorziening

een

reis wilde boeken

vervoerder, Viave, bleek zijn pas geblokkeerd. Bezwaarde geeft vervoersvoorziening

niet op de

hoogte

voor

met

aan

dat

taxivervoer door

Valys

aan

de

huidige (gecontracteerde) hij van de intrekking van de

is gesteld;

Pagina 1/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

Meerinzicht>/

IJ

•

Bezwaarde geeft aan dat hij de vervoersvoorziening nodig heeft vanwege een neuromusculaire aandoening met uitvalverschijnselen veroorzaakt door de ziekte van Lyme en dat hij niet in staat is om de transfer van zijn rolstoel naar een auto te maken. Bezwaarde is dus aangewezen op een rolstoeltaxi. Bezwaarde maakt hier incidenteel gebruik van. Met name voor reizen buiten de woonplaats (bovenregionaal vervoer) bijvoorbeeld voor een bezoek aan de arts in het ziekenhuis. ,

Relevante bepalingen wet- en regelgeving De relevante bepalingen uit wet- en regelgeving zijn opgenomen in de bijlage bij dit advies. Overwegingen De commissie staat voor de vraag of het besluit tot weigering van de gevraagde vervoersvoorziening op goede gronden is genomen. De commissie komt tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven. In onderstaande overwegingen wordt uitgelegd hoe de commissie tot deze conclusie is gekomen. ,

,

Feiten Op 16 april 2024 heeft bezwaarde een melding gedaan in het kader van de Wmo dat zijn vervoerspas voor Viave is geblokkeerd. Naar aanleiding van deze melding blijkt dat deze mobiliteitspas voor de regiotaxi eind 2022 al is geblokkeerd naar aanleiding van de intrekking van de vervoersvoorziening. Op 13 juni 2024 doet bezwaarde een nieuwe aanvraag voor deze vervoersvoorziening. Bij besluit van 19 juni 2024 wordt deze aanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat bezwaarde al beschikt over een andere vervoersvoorziening op basis van de Wmo namelijk een scootmobiel. En bezwaarde met inzet van eigen kracht een reguliere rolstoeltaxi kan inschakelen. In de rapportage die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit wordt met name gewezen op het incidentele karakter (één à twee keer per jaar) dat bezwaarde gebruik wil maken van deze vervoersvoorziening. ,

Wettelijk kader Naar aanleiding van de melding van bezwaarde dat hij graag opnieuw in aanmerking wil komen voor een mobiliteitspas voor de rolstoeltaxi is er door het college een onderzoek gestart. Het gaat om een melding en onderzoek op basis van artikel 2. 3. 2 van de Wmo. Volgens artikel 2. 3. 5 van de Wmo beslist het college op een aanvraag van ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt gekeken of de gevraagde maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin aanvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. In de Integrale verordening sociaal domein gemeente Ermelo Harderwijk en Zeewolde 2021 (hierna: de Verordening) is dit ook genoemd in artikel 3. 9. Ook wordt in dit artikel bepaald dat het ondersteuningsplan als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. ,

In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeenten Ermelo Harderwijk en Zeewolde 2023 (hierna: de Beleidsregels) is nader uitgewerkt welke criteria bepalend zijn bij de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening op basis van de Wmo. Voor vervoersvoorzieningen is artikel 3. 8 van de Beleidsregels van toepassing. In dit geval is met name het vierde lid en het achtste lid van dit artikel relevant. In het vierde lid wordt genoemd dat om de vervoersbehoefte van belanghebbende (of in casu bezwaarde) te bepalen het er niet om gaat hoe vaak belanghebbende een bestemming wil bereiken maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan maatschappelijk verkeer. De vervoersondersteuning moet leiden tot aanvaardbare maatschappelijke participatie. Dit houdt in dat belanghebbende moet kunnen deelnemen aan het leven van alledag en de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten moet kunnen onderhouden. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen. In het achtste lid wordt aangegeven dat bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte er wordt gekeken naar de vervoersdoelen de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin deze doelen worden bezocht.

Deze aspecten zijn van belang om enerzijds te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot ,

,

,

Pagina 2/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo valt. Anderzijds wordt gekeken naar deze aspecten om te bepalen of de vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is. Inhoudelijke beoordeling Hierboven is genoemd met welke redenen het college de aanvraag van bezwaarde heeft afgewezen in het bestreden besluit. Het college heeft deze redenen in de standpuntbepaling en op de hoorzitting nader toegelicht. Zo is uitgelegd dat bezwaarde in 2015 een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) toegekend heeft gekregen voor de aanschaf van een scootmobiel voor een periode van vijf jaar. In 2020 heeft bezwaarde vervolgens een pgb toegekend gekregen voor het gebruik van een scootmobiel. Voor zijn vervoersbehoefte maakt bezwaarde gebruik van deze scootmobiel. Ook is in december 2022 een handbewogen rolstoel met zitondersteuning toegekend voor verplaatsingen in zijn woning. Bezwaarde heeft bij de aanvraag aangegeven dat hij aanvullend op deze voorzieningen ook graag in incidentele gevallen over een mobiliteitspas voor de rolstoeltaxi wil beschikken omdat hij met zijn scootmobiel niet op alle plaatsen kan komen en het bezwaarlijk vindt om – in het geval van slecht weer – met regenkleding en druipend van het water te verschijnen bij afspraken.

De commissie stelt vast dat deze omstandigheden ook zijn opgenomen in het ondersteuningsplan dat is gemaakt naar aanleiding van de aanvraag om een vervoersvoorziening. Het college heeft aangegeven de wensen van bezwaarde begrijpelijk te vinden maar beoordeelt de vervoersbehoefte op basis van deze omstandigheden niet als voldoende zwaarwegend om de gevraagde voorziening in het kader van de Wmo toe te kennen. Daarbij heeft het college tijdens de hoorzitting nog te kennen gegeven dat de eerder toegekende vervoersvoorziening eind 2022 is beëindigd vanwege het feit dat hier ook onvoldoende gebruik van werd gemaakt. ,

,

De commissie kan het college volgen in de afwijzing van de gevraagde vervoersvoorziening. Voor het toekennen van een maatwerk- dan wel vervoersvoorziening op basis van de Wmo is bepalend of bezwaarde deze voorziening nodig heeft om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en om sociaal isolement te voorkomen. In geval van bezwaarde is de commissie van mening dat ook zonder mobiliteitspas voor de rolstoeltaxi er sprake is van een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie. Hiervoor is bepalend dat uit het ondersteuningsplan blijkt dat bezwaarde de scootmobiel gebruikt voor het reguliere vervoer en slechts uiterst incidenteel voor zijn vervoer de rolstoeltaxi nodig heeft dan wel wenselijk acht in geval van slecht weer. Dit is door bezwaarde ook bevestigd tijdens de hoorzitting. Door zijn scootmobiel kan bezwaarde deelnemen aan het leven van alledag en de nodige wezenlijke sociale contacten onderhouden. Gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden brengt het toekennen van een mobiliteitspas voor de rolstoeltaxi hier volgens de commissie geen wezenlijke verandering in. De commissie is daarom van oordeel dat het college de aanvraag voor een mobiliteitspas voor de rolstoeltaxi op basis van de Wmo terecht heeft afgewezen.

Advies De Bezwaarschriftencommissie adviseert om het bestreden besluit in stand te laten.

Ermelo 16 september 2024 ,

secretaris

plaatsvervangend voorzitter

,

mr. F. T. J. van

Veluw

Pagina 3/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

mr. V. L. S. van

Cruijningen

,

Bijlage – relevante bepalingen wet- en regelgeving Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Artikel 2. 3. 2 1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen zes weken een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. 2. Voordat het onderzoek van start gaat kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden bedoeld in het vierde lid onderdelen a tot en met g beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding bedoeld in het eerste lid in de gelegenheid het plan te overhandigen. 3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 4. Het college onderzoekt: a. de behoeften persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b.

de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

opvang;

de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid jeugdhulp onderwijs welzijn wonen werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2. 1. 4 en 2.1.4a verschuldigd zal zijn.

Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid onderdelen c.

,

,

,

,

,

,

,

,

,

5.

,

,

a tot en met g.

6.

7.

Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Pagina 4/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

8. 9.

Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2. 3. 5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn. ,

Artikel 2. 3. 5 1. Het college beslist op een aanvraag: a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie; b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen. 2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht met een algemeen gebruikelijke voorziening met gebruikelijke hulp met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2. 3. 2 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 4.

Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht met gebruikelijke hulp met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2. 3. 2 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 5. De maatwerkvoorziening is voor zover daartoe aanleiding bestaat afgestemd op: a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen e. betaalde werkzaamheden f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen g.

ondersteuning ingevolge de Participatiewet h. de godsdienstige gezindheid de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. 6. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. 7. Het zesde lid geldt niet voor verzekerden als bedoeld in artikel 11.1.1 derde lid van de Wet langdurige zorg. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Pagina 5/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

,

8.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het college bij de beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening bedoeld in het derde lid. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd. ,

9.

Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo Harderwijk en Zeewolde 2021 ,

Artikel 3. 9 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. De belanghebbende komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die hij ondervindt voor zover hij deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht met gebruikelijke hulp met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3. 4van deze verordening en artikel 2. 3. 2 Wmo 2015 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven en b.

ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de belanghebbende met psychische of psychosociale problemen en de belanghebbende die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld voor zover de belanghebbende deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht met gebruikelijke hulp met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3. 4 en artikel 2. 3. 2 Wmo 2015 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een belanghebbende hiervoor niet in aanmerking komt indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de ingezetene redelijkerwijs vermijdbaar was en b. de voorziening voorzienbaar was tenzij van de belanghebbende redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. 4.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven tenzij: a. de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen; b. de belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten of c. de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de belanghebbende aan maatschappelijke ondersteuning. 5. Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6. In spoedeisende gevallen daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang of beschermd wonen nodig is al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Pagina 6/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 3. 2 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 3. 4 en artikel 2. 3. 2 Wmo 2015 en de aanvraag van de belanghebbende. ,

,

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeenten Ermelo Harderwijk en Zeewolde 2023 ,

Artikel 3. 8 Vervoersvoorzieningen (Art. 3. 4 en art. 3. 9 Verordening) 1. Het zich kunnen verplaatsen in de directe woon- of leefomgeving is van belang bij zelfstandige maatschappelijke participatie. Dit wil zeggen dat iemand ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen op gelijke voet met anderen in redelijke mate zelfstandig kan functioneren in zijn woning mensen kan ontmoeten contacten kan onderhouden boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Hiervoor is het een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. 2. Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen zal het college bij het onderzoek allereerst beoordelen of het verplaatsingsprobleem op eigen kracht met een algemeen gebruikelijke voorziening met gebruikelijke hulp met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen opgelost kan worden. Lukt dit niet dan biedt het college een hulpmiddel (of pgb) in de vorm van een rolstoel of een vervoersvoorziening. 3. Voorliggende oplossingen zijn andere wet- en regelgevingen oplossingen die belanghebbende zelf zonder meerkosten kan bewerkstelligen zoals algemeen gebruikelijke voorzieningen waarvan in ieder geval het openbaar vervoer.

Van verwijzing naar andere wet en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte geen betrekking heeft op sociaal vervoer. Voorbeelden hiervan zijn woon-werk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer) of vervoer naar dagbesteding (Wlz of Wmo). Als na de weging van voorliggende oplossingen een sociale vervoersbehoefte resteert waarin niet wordt voorzien dan biedt het college hiervoor compensatie door het verstrekken van de goedkoopst adequate voorziening. 4. Om de vervoersbehoefte van belanghebbende te bepalen gaat het er niet om hoe vaak de belanghebbende een bestemming wil bereiken maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De vervoersondersteuning moet leiden tot aanvaardbare maatschappelijke participatie. Dit houdt in dat een belanghebbende moet kunnen deelnemen aan het leven van alledag en de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten moet kunnen onderhouden. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen. 5. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoersmogelijkheid aangeboden. Immers ook een persoon zonder beperkingen moet vervoerskosten maken. De bijdrage beperkt zich tot het verplaatsen in de eigen woon- en leefomgeving. 6.

De eigen woon- of leefomgeving is de buurt wijk of het stadsdeel waarin een persoon met beperkingen woont. Sociale bestemmingen buiten het eigen wijk- of stadsdeel maar binnen de eigen woonplaats kunnen ook in de directe woon- of leefomgeving vallen als bestemmingen dichterbij niet voorkomen en voor belanghebbende aantoonbaar van belang zijn voor het leven van alledag. 7. Er wordt enkel gecompenseerd voor het lokaal verplaatsen. Dat betreft verplaatsingen in een straal tot 25 kilometer rond de woning tot maximaal 2000 kilometer per jaar. De maximale omvang van 2000 kilometer per jaar kan ook bereikt worden met meerdere vervoersvoorzieningen gezamenlijk. 8. Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar vervoersdoelen de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Pagina 7/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo valt; anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is. 9. Wanneer er een grotere vervoersbehoefte is dan 2000 kilometer per jaar is het aan de belanghebbende om dit met concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Als het van essentieel belang is voor de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de belanghebbende er geen andere oplossingen beschikbaar zijn en de grotere vervoersbehoefte door de belanghebbende is aangetoond dient het college meer kilometers per jaar toe te wijzen. 10. Bij het vaststellen van de voorziening wordt gekeken naar de mogelijkheid van de belanghebbende om van de beoogde voorziening op een verantwoorde wijze gebruik te maken. Problemen in bijvoorbeeld de waarneming en/of de motoriek kunnen dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid dat toekenning van een voorziening niet verantwoord is. ,

,

,

,

,

Pagina 8/8 Zaaknummer 99990000041359 / 99990000195297

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15053453/1