CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

20230713 Concept PIP Windpark Horst en Telgt v2 0

Gemeenteraad 6 november 2023, gemeente Ermelo43.095 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

2 alinea's met “monumenten”: 689 707

De exacte voorwaarden (periode, tijdstip, weersomstandigheden etc.) waarbij deze stilstand voorziening moet gelden zal per turbine worden bepaald wanneer ook het handelingsperspectief bekend is en de resultaten van de cumulatietoets beschikbaar zijn. Voorlopig wordt uitgegaan van een conservatieve inschatting van de nodige mitigatie, waarbij alle turbines overdag stilstaan gedurende de maanden juli en augustus. Een stilstandvoorziening voor de periode juli én augustus, zorgt er naar verwachting voor dat het aantal aanvaringslachtoffers van het windpark teruggebracht wordt tot de helft (= nagenoeg 0). De bijdrage van dit windpark aan het cumulatieve effect van windprojecten rond de Veluwe op de hier aanwezige wespendiefpopulatie, wordt daarmee verwaarloosbaar geacht. PM <Vanuit het handelingsperspectief zullen tevens maatregelen worden opgelegd om deze aanvaringskans te beperken en mogelijk zijn er nog aanvullende mitigerende maatregelen nodig, zoals een optimalisatie van de locatie en het aantal windturbines. De benodigde mitigatie ten aanzien van wespendief wordt, zodra deze gegevens bekend zijn, hiermee aangevuld.> Gelders Natuurnetwerk In de omgeving van het projectgebied bevinden zich verschillende gebieden behorend tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het dichtstbijzijnde perceel van het GNN-netwerk is gelegen op een afstand van 200 meter ten oosten van het projectgebied.

Gezien het projectgebied echter buiten de grenzen van deze GNN zones ligt en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, zijn belemmeringen vanuit het provinciaal beleid niet aan de orde. Nader onderzoek is derhalve niet nodig.

Provincie Gelderland

83

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Groene Ontwikkelingszone De geplande windturbines bevinden zich, met uitzondering van windturbine 1 allen binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) van de provincie Gelderland (gebieden die nog niet als natuur zijn ingericht in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Door de samenhang met de aangrenzende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende bestaande en potentiële natuurwaarden. Om negatieve effecten op de Groene Ontwikkelingszone te voorkomen en het GO netto te versterken, zijn een aantal inrichtingsmaatregelen nodig. In bijlage VI van Bijlage 6, waarin de verliesfactor en de impactfactor voor de Groene Ontwikkelingszone is berekend, is ook een voorstel gedaan voor versterkingsmaatregelen. Het gaat hier om de volgende maatregelen: 1. inrichting van een corridor met stapstenen voor kamsalamander: ten zuiden van het projectgebied loopt een ecologische verbindingszone (EVZ) voor kamsalamander. Het voorstel is om deze zone te versterken door een corridor en stapstenen aan te leggen; 2.

realisatie van geleidende bomenrij voor vleermuizen: door in de omgeving, buiten de invloedsfeer van de windturbines hoog opgaande groene structuren te voorzien, die de groenstrook langs de Veluwerandmeren (ten westen van het projectgebied) verbinden met de groenstructuren in het agrarisch landschap en de achterliggende woonwijken (ten oosten van het projectgebied), worden soorten met een grote aanvaringskans (vogels en vleermuizen) weggeleid van het windpark; 3. natuurlijke inrichting (randen) projectgebied: in het projectgebied en de wijde omgeving hiervan is sprake van homogene akkerpercelen met een beperkte natuurwaarde. De waarde van deze akkers kan worden verhoogd, door deze (of de randen ervan) om te vormen tot kruiden- en faunrijke akkers (N12.05); 4. realisatie van takkenrillen in (buitenranden) projectgebied: in en aan de randen van het projectgebied kunnen ook een aantal kleinere inrichtingsmaatregelen worden genomen om de waarde van het gebied voor grondgebonden soorten van het kleinschalig landschap zoals egel en kleine marterachtigen (soorten die tevens niet gevoelig zijn voor verstoring door windturbines) te verhogen. Een voorbeeld is om wanneer houtwallen, singels of bosjes moeten worden gesnoeid, het snoeihout te verwerken in een takkenril; 5.

alternatieve verblijfplaatsen voor beschermde soorten bomen en huizen buiten de invloedssfeer van het windpark kunnen geschikt gemaakt worden al verblijfplaats voor vleermuizen en vogels door het realiseren van (ingebouwde) vleermuiskasten en vogelhuizen, vogelvides en/of andere maatregelen; 6. versterken van de beeklopen door het versterken van de beeklopen buiten het projectgebied, door middel van natuurvriendelijke oevers en begeleidende beplanting, worden deze geschikt(er) voor beschermde soorten als vogels, kleine zoogdieren. PM <compensatieplan en eventueel vertalen maatregelen in PIP> Provinciaal weidevogelgebied Het projectgebied voor het windpark was in het verleden tevens aangewezen als provinciaal weidevogelgebied. Dit is echter in de huidige situatie niet meer aan de orde; het gebied heeft sinds 2022 niet langer de status als weidevogelgebied, waardoor hier verder niet aan wordt getoetst. Overige natuurgebieden In de omgeving van het projectgebied liggen verschillende (overige) natuurgebieden. Het gaat in dit geval om:  het Groene Kruispunt op circa 150 meter afstand van het plangebied, aan de westzijde van de A28;  het natuurgebied Groot Dasselaar in Putten op circa 400 meter afstand;  de natuurgebieden nabij Horsterhoeve, Horst Noord in Ermelo op circa 1 kilometer afstand.

Het natuurgebied Groene Kruispunt ligt aan de westzijde van het plangebied, aan de andere zijde van de A28. Door de aanwezigheid van deze fysieke barrière, zullen veel beschermde soorten onder de Wnb en andere bijzondere soorten zich niet naar het plangebied begeven. Effecten op soorten die deze barrière wel over kunnen steken, zoals vleermuizen en vogels, zijn beoordeeld onder 'Natura 2000' en 'beschermde soorten' waardoor er hier geen aparte beoordeling noodzakelijk is.

84

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Conclusie gebiedsbescherming PM <toe te voegen wanneer nadere onderzoeksinformatie beschikbaar is> 5.6.2.2 Soortenbescherming Het projectgebied en de omgeving hiervan vormt niet-essentieel leefgebied voor verschillende (algemeen voorkomende) grondgebonden zoogdiersoorten en amfibiesoorten. In het kader van de Zorgplicht wordt rekening gehouden met deze soorten (maatregelen uit te werken in ecologisch werkprotocol). Denk daarbij aan maatregelen zoals het niet uitvoeren van verstorende werkzaamheden in directe omgeving van dassenburchten/gekende verblijfplaatsen en/of in de kwetsbare periode van de betreffende soorten. Daarnaast vormt het projectgebied mogelijk wel een essentieel onderdeel van het leefgebied van vogels en vleermuizen, en kan sprake zijn van negatieve effecten van het windpark op de lokale populaties. Hierna worden de effecten van het windpark op vleermuizen en vogels in beeld gebracht (op basis van Bijlage 5en nader onderzoek in Bijlage 6) en op overige soorten (op basis van Bijlage 5). Vleermuizen Het bouwen van het windpark kan zorgen voor mogelijke vernietiging van verblijfplaatsen of verstoring van individuen of (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen tijdens de aanlegfase.

Het in werking treden van de windturbines kan in de gebruiksfase zorgen voor verstoring van individuen en (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen en voor een toename in sterfte van vleermuizen door aanvaring. Aanlegfase - vernietiging Op de locaties waar de windturbines worden geplaatst zijn geen bomen of gebouwen aanwezig, er is geen sprake van potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn wel aanwezig (aangetoond en/of te verwachten) in de bomenrijen en/of gebouwen vanaf een afstand van circa 175 meter van de windturbinelocaties. De werkzaamheden laten echter ook deze bomenrijen en gebouwen ongemoeid. Een directe beschadiging/vernietiging van verblijfplaatsen bij de plaatsing van windturbines is daarmee op voorhand uit te sluiten. Aanlegfase - Verstoring Op basis van het vleermuisonderzoek (bijlage II-II van Bijlage 6) is vastgesteld dat er (mogelijk) een aantal vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de (nabije) omgeving van de windturbinelocaties. Het gaat met name om een aantal zomer- en paarverblijfplaatsen in gebouwen en bomen van steeds 1 of enkele individuen van gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Verder bevinden zich in het gebied een aantal essentiële aanvliegroutes. De belangrijkste zijn daarbij deze voor rosse vleermuis.

Belangrijke routes, of beter ‘overvliegzones’, van deze soort zijn deze in het noordelijke deel van het plangebied tussen windturbines 1 en 2, alsook de bomenrijke zone richting landgoed Groot Dasselaar in het zuiden van het plangebied nabij windturbine 7. Deze overvliegzones vormen een essentiële schakel in het verbinden van verblijflocaties (onder andere 1 of meerder kraamkolonies verder ten oosten van het onderzoeksgebied) en foerageergebieden van rosse vleermuis. Het plangebied en haar directe omgeving biedt ook (essentieel) foerageergebied aan de verschillende hier aanwezige vleermuissoorten. De vleermuizen die gebruik maken van de genoemde verblijfplaatsen, vliegroutes (of overvliegzones) en foerageergebieden, kunnen als gevolg van de werkzaamheden voor de aanleg van het windpark worden verstoord door licht, geluid en trillingen. Wanneer verstoring optreedt in essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen, kan dit een significant negatief effect hebben op de kwaliteit van het leefgebied en daarmee goede instandhouding van de lokale vleermuispopulaties. Bij verstoring in niet-essentiële onderdelen van het leefgebied (bijvoorbeeld een enkele tuin/bosschage waar door enkele individuen gefoerageerd wordt), kunnen de hierbinnen aanwezige vleermuizen in principe uitwijken naar alternatief leefgebied in de directe omgeving.

Voor het windpark geldt dat gevolgen door verstoring in de aanlegfase zijn te voorkomen middels gepaste mitigatie (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6).

Provincie Gelderland

85

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Gebruiksfase - verstoring In de gebruiksfase zorgt de aanwezigheid van de windturbines voor verstoring van de directe omgeving. Mogelijke oorzaken van verstoring zijn onder andere obstructie van de doorgang, de ultrasone geluiden die windturbines produceren, en wervelingen de lucht direct nabij de windturbines. Het gebrek aan voldoende studies met eenduidige resultaten zorgt ervoor dat de verstorende effecten van windturbines op vleermuizen momenteel echter moeilijk zijn in te schatten. Zo is de verstoringsgraad onder andere afhankelijk van de afstand waarop vleermuizen nog ultrasone geluiden detecteren. Voor de meest gevoelige soort (rosse vleermuis) is dit maximaal 150 meter. Binnen een straal van 150 meter van de windturbines bevinden zich een aantal essentiële vliegroutes voor vleermuizen. Het gaat met name om de overvliegzones van rosse vleermuis zowel in het noorden van het gebied nabij windturbine 1 als in het uiterste zuiden direct ten zuiden van windturbine 7. Overige vastgestelde vliegroutes bevinden zich op grotere afstand van de windturbines en/of worden als niet-essentieel beschouwd. De in gebruik name van windturbine 1, voorzien binnen de noordelijke overvliegzone, zorgt voor een obstructie van deze druk bevlogen overvliegzone (wanneer de turbine draaiende is).

Dit kan een significant negatief effect hebben op de lokale (kraam)populatie van rosse vleermuis, doordat er sprake is van een afname van de binding tussen de bosgebieden rond Ermelo ten oosten van het windpark (waar de soort mogelijk een aantal grote kraamverblijven heeft) en geschikt foerageergebied in de omgeving (zoals de Veluwerandmeren ten westen). Verder zorgt de aanwezigheid en in gebruik name van de windturbines 1 en 7 voor een verstoring van de overvliegzones in het noorden en deze in het zuiden van het gebied (waardoor ook alternatieve route wordt aangetast). De genoemde vormen van verstoring, met mogelijk significante impact op de lokale (kraam)populatie van vleermuizen, zijn een overtreding van de verboden van de Wnb. Deze effecten (en zodoende overtreding Wnb) is voor het windpark te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6). Gebruiksfase - sterfte Op basis van het gericht vleermuisonderzoek (bijlage II-II van Bijlage 6) en verdere analyse betreffend overvlieggedrag, is in de concept Voortoets en Passende Beoordeling (zie bijlage IV van Bijlage 6) een inschatting gemaakt van het aanvaringsrisico onder vleermuizen.

Op basis van deze resultaten kan worden gesteld dat in de gebruiksfase van het windpark er sprake is van (meer dan) incidentele sterfte van individuen van gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Ter beoordeling van het effect van de windturbines op de lokale vleermuispopulaties, zijn de inschattingen van de jaarlijkse slachtoffers vergeleken met de huidige staat van instandhouding van de relevante vleermuissoorten. Hiertoe is het aantal aanvaringsslachtoffers vergeleken met 1 % van de gemiddelde jaarlijkse sterfte van de lokale populatie (1 %-mortaliteitsnorm). Voor een uitgebreide beschrijving van de werkwijze en berekeningen wordt verwezen naar de notitie van het vleermuisonderzoek in bijlage II-II van Bijlage 6. Voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger is de incidentele sterfte door aanvaring lager dan de 1%-mortaliteitsnorm (bijlage II-II van Bijlage 6). Een effect van het windpark (op zichzelf, cumulatie daarbij nog niet in rekening gebracht) op de gunstige staat van instandhouding van de lokale en regionale populaties van deze soorten is daarmee op voorhand uit te sluiten. Voor rosse vleermuis ligt het te verwachten aantal aanvaringsslachtoffers boven deze normwaarde. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van de rosse vleermuis zijn niet uit te sluiten.

Mits het nemen van mitigerende maatregelen zijn deze effecten wel te beperken (zie ook hoofdstuk 6 van Bijlage 6). Het geheel voorkomen van aanvaringsslachtoffers is echter niet mogelijk. Cumulatie PM <toe te voegen wanneer beschikbaar> Vogels Het bouwen van het windpark kan zorgen voor verstoring van vogels tijdens de aanlegfase. Het in werking treden van de windturbines kan in de gebruiksfase zorgen voor verstoring en een toename in vogelsterfte.

86

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Aanlegfase - verstoring broedvogels De agrarische percelen binnen het projectgebied zijn geschikt voor verschillende weidevogels zoals kievit. Werkzaamheden in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels in de nabijheid van het projectgebied. Verstoring treedt op door aanwezigheid van mensen en materiaal, trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) en vernietigen van nesten verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing hiervoor is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb is te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6). Aanlegfase - aantasting jaarrond beschermd nesten In de nabijheid van de turbinelocaties zijn een aantal jaarrond beschermde nesten van buizerd, boomvalk en sperwer vastgesteld. Bij werkzaamheden in de directe omgeving van deze nesten (<75 meter) kan verstoring door geluid, licht, trillingen of optische verstoring indirect leiden tot een aantasting van het betreffend nest. Een dergelijke aantasting is echter voor het windpark te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6).

Gebruiksfase - sterfte door aanvaring Op basis van verspreidingsgegevens, habitatvoorkeur, vlieggedrag en monitoringsdata uit andere windparken is een lijst samengesteld van 161 soorten, waaronder potentiële aanvaringsslachtoffers kunnen vallen. Voor enkele soorten kan op basis van het voorkomen in en rond het windpark worden verwacht dat sprake zal zijn van meer structurele en jaarlijkse slachtoffers. Dit geldt onder meer voor broedvogels in de directe omgeving van de windturbines maar ook soorten die in de winter van het open grasland en akkergebied in het windpark gebruik maken. Op basis van de resultaten van het gericht vogelonderzoek (bijlage II-III van Bijlage 6) is het aanvaringsrisico onder vogels door het windpark berekend (bijlage V Bijlage 6). Bij 6 van de onderzochte vogelsoorten is sprake van meer dan 1 slachtoffer per jaar in het windpark, namelijk houtduif, kauw, koperwiek, spreeuw, veldleeuwerik en vink. Tezamen zijn deze 6 soorten verantwoordelijk voor circa 87-88 % van de totale mortaliteit in het windpark. De mortaliteit onder deze 6 soorten in windpark Horst en Telgt is getoetst aan de 1%-mortaliteitsnorm op provinciaal niveau. Bij geen van de 6 soorten is sprake van een overschrijding van de 1%-norm (bijlage V van Bijlage 6).

Het windpark op zich (zonder cumulatie met andere project ten in rekening te brengen) leidt daarmee niet tot negatieve effecten op deze vogelpopulaties. Voor de vogelsoorten waarvan er sprake is van minder dan 1 slachtoffer in het windpark geld dat deze zeer lage mortaliteit voor de meeste soorten als incidenteel kan worden beschouwd, met gemiddeld 1 slachtoffer per periode van >10 jaar (in sommige gevallen tientallen jaren). Deze mortaliteit is dusdanig laag dat negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding kan worden uitgesloten. Cumulatie PM <toe te voegen wanneer beschikbaar> Overige soorten Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde florasoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit een homogeen grasland (voornamelijk Engels raaigras en gestreepte witbol met her en der ridderzuring en klaversoorten) en maïsakkers. Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor kartuizeranjer of stofzaad. De akkers waar de windturbines zouden worden geplaatst, zijn te voedselrijk voor kartuizeranjer (soort van stikstofarme, kalkhoudende grond). Tevens ontbreekt het binnen het plangebied aan bossen of dicht strikgewas voor stofzaad. Ook overige onder de Wnb beschermde florasoorten worden, op basis van de ligging en de aard van het plangebied (homogene graslanden en akkers), niet verwacht.

Het is het aldus uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde florasoorten voorkomen.

Provincie Gelderland

87

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van haas en sporen van ree. Het plangebied biedt geschikt biotoop voor deze alsook verschillende andere algemeen voorkomende nationaal beschermde soorten van de Wnb zoals egel, mol, konijn, vos en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Damhert, boommarter of eekhoorn of sporen van deze bosgebonden soorten werden niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Het bosrijke gebied aan de overzijde van het Nuldernauw (op een afstand van circa 1 kilometer ten westen van het plangebied) biedt wel geschikt leefgebied voor deze soorten. Binnen de grenzen van het plangebied zelf, en met name rond de locaties voor de windturbines, ontbreekt het echter aan geschikt biotoop voor deze dieren. Het gebied is hier te open (te weinig beschutting). Ook de kleine bosschages in het agrarisch gebied net ten oosten van het plangebied zijn te klein en te geïsoleerd gelegen om deel uit te maken van essentieel leefgebied van deze soorten. Het incidenteel voorkomen van een passerend individu van bijvoorbeeld boommarter of eekhoorn binnen de grenzen van het plangebied kan niet worden uitgesloten. Soorten als bunzing, wezel en das werden niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Wel werd in een bosschage 700 meter ten oosten van de geplande locatie voor windturbine 2 een dassenburcht aangetroffen (afbeelding 5.4).

Het plangebied zelf, met name de locaties voor de windturbines, biedt echter onvoldoende dekking (te weinig schuilmogelijkheden in de vorm van houtwallen- of singels/bosschages) om deel uit te maken van essentieel leefgebied van das, bunzing of wezel. Wel is het plangebied en haar wijdere omgeving, als kleinschalig akker- en weidelandschap, geschikt als foerageergebied voor deze soorten. Het incidenteel voorkomen van een passerend individu van deze soorten kan daarom niet worden uitgesloten. Wat betreft de Habitatrichtlijnsoort bever is binnen het plangebied geen geschikt biotoop aanwezig. Bevers leven in en langs rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen. De Nuldernauw en haar oevers en zijlopen, vanaf 200 meter ten westen van het plangebied, vormen daarmee een geschikt biotoop voor de bever. Binnen het plangebied zelf zijn echter geen geschikte waterpartijen of oevers aanwezig voor deze soort. Het voorkomen van bever kan hier dan ook worden uitgesloten. Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende nationaal beschermde zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) in de wijdere omgeving van het plangebied, zoals veldmuis, egel, konijn, haas, vos en ree is op basis van het aanwezige biotoop niet uit te sluiten.

Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (verbod op doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.In de (wijdere) omgeving van het plangebied is ook geschikt leefgebied aanwezig voor de niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten das, damhert, boommarter, bunzing, wezel en eekhoorn. Het plangebied zelf, en met name de locaties waar de realisatie van de windturbines gepland staat, betreffen echter allen open, agrarische percelen met geen of een beperkte waarde voor deze soorten (enkel niet-essentieel foerageergebied). Van essentieel leefgebied van deze dieren is hier geen sprake. Een aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied van deze nationaal beschermde soorten als gevolg van het voornemen, en daarmee een overtreding van de verboden van de Wnb, is dan ook niet aan de orde. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde amfibiesoorten. Door de aanwezigheid van ondiepe sloten en (beperkt) begroeide oevers, is het plangebied wel geschikt voor een aantal algemeen voorkomende, beschermde amfibiesoorten zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander.

Door het ontbreken van poelen met rijke onderwatervegetatie in de nabijheid van bosbestanden, is het plangebied en haar directe omgeving niet geschikt voor kamsalamander. Gezien verder de afwezigheid van zandige terreinen met hoge dynamiek, structuurrijke oevers, flauwe, schrale taluds en plasdras situaties, is het plangebied ook niet geschikt voor overige niet-vrijgestelde amfibiesoorten zoals heikikker en poelkikker. Het voorkomen van deze soorten kan hier worden uitgesloten.

88

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende nationaal beschermde amfibiesoorten gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling. Het voorkomen van niet-vrijgestelde amfibiesoorten in en nabij het plangebied kan, gezien de afwezigheid van geschikt biotoop, worden uitgesloten. Reptielen Tijdens het veldbezoek werden geen reptielen aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde reptielsoorten. Het landschap is hier te open en te gecultiveerd, de aanwezige oevers van sloten te steil en onnatuurlijk voor deze soorten. Het voorkomen van de onder de Wnb beschermde reptielsoorten zoals zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang tot binnen de grenzen van het plangebied is daarmee uit te sluiten. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten.

Vissen Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde vissoorten in de sloten van het plangebied. Binnen het plangebied is tevens geen geschikt biotoop aanwezig voor onder de Wnb beschermde vissoorten (diep, open- of zuurstofrijk, stromend water). Door de afwezigheid van geschikt biotoop, kan worden uitgesloten dat beschermde vissoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vlinders, libellen en andere ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat het veldbezoek, met betrekking tot vlinders, libellen en ongewervelden, niet in de meest geschikte periode van het jaar heeft plaatsgevonden. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan vlindersoorten zoals de grote vos en grote weerschijnvlinder. Het ontbreekt er immers aan vochtige bossen. Het plangebied en de directe omgeving voldoen daarnaast niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van overige beschermde vlinders, libellen en ongewervelden. Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn.

Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Conclusie beschermde soorten De werkzaamheden voor de inrichting en in gebruik name van het windpark leiden mogelijk tot verstoring en sterfte (door aanvaring) van lokale vleermuis- en vogelpopulaties. Voor zowel vleermuizen als vogels geldt dat effecten van verstoring zijn te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen in de aanlegfase (zie ook Hoofdstuk 6 van Bijlage 6), waaronder:  werkzaamheden, met name in de overvliegzones van rosse vleermuis, worden uitgevoerd buiten de actieve periode van vleermuizen. Dit wil zeggen overdag (tussen 1 uur na zonsopgang en 1 uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot en met februari);  bij de overvliegzone voor rosse vleermuis in het uiterste noorden en het zuiden van het onderzoeksgebied, in de voor vleermuizen actieve periode (zie hierboven), geen verlichting wordt toegepast en waar verlichting toch nodig is, er gebruik wordt gemaakt van efficiënt (vleermuisvriendelijk) lichtbeheer;  werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels (periode half maart-half juli).

Voor de gebruiksfase kunnen ondermeer de volgende mitigerende maatregelen genomen (zie ook hoofdstuk 6 van Bijlage 6 voor compleet overzicht):  toepassen van een stilstandvoorziening om aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen (vooral rosse vleermuis, maar ook overige vleermuissoorten) te beperken. Als alternatief bestaat de mogelijkheid om een automatisch detectiesysteem in te bouwen in de gondel van de turbines;

Provincie Gelderland

89

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) 

een automatisch detectiesysteem om de aanvaringskans van vogels in de periode dat de windturbines wel draaien verder te verminderen (experimenteel) PM <cumulatie> Het aanvragen van een ontheffing Wnb in het kader van soortenbescherming is noodzakelijk. 5.6.3

Conclusie

PM <in te vullen wanneer ontbrekende gegevens beschikbaar zijn>

5.7

Cultuurhistorie

5.7.1

Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming was in Nederland geregeld in de Monumentenwet 198873. Vanaf 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet74, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Het beschermingsniveau van de oude wetgeving blijft gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt samen met de nog in te voeren Omgevingswet75 het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. 5.7.2

Onderzoek

5.7.2.1 Archeologie Door ArcheoPro een bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7) voor het plangebied. Volgens de gemeentelijke beleidskaart van Putten en de verwachtingskaart van Ermelo zijn de windturbines gepland in gebieden met een hoge archeologische verwachting en in gebieden met een lage archeologische verwachting (zie Figuur 5.7). Figuur 5.7 Uitsnede gemeentelijke beleidskaart van de gemeenten Putten en de verwachtingskaart van de gemeente Ermelo

90

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Figuur 5.8 Legenda gemeente Ermelo

Figuur 5.9 Legenda gemeente Putten

Volgens de gemeentelijke beleidskaarten liggen alleen de turbinelocaties 4 en 5 geheel of gedeeltelijk in een zone met een hoge archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek vereist voorafgaande aan bodemingrepen die dieper reiken dan 30 centimeter (windturbine 4 in de gemeente Ermelo) respectievelijk 40 cm (windturbine 5 in de gemeente Putten) en die meer dan 100 vierkante meter beslaan. Alle overige turbinelocaties liggen in zones met een lage archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek vereist voorafgaande aan bodemingrepen die dieper reiken dan 30 centimeter (windturbines 1 t/m 3 en 6, allen in de gemeente Ermelo) en die meer dan 2500 vierkante meter beslaan. In de zones met een hoge archeologische verwachting geldt een verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de steentijd. Deze zullen bestaan uit sporen en artefacten in de top van het dekzand en moeten met name worden verwacht in zones waarin nog resten van de oorspronkelijke podzolopbouw aanwezig zijn. Vergelijking door ArcheoPro van de ligging van de turbinelocaties met de resultaten van een in 1998 binnen het gehele onderzoeksgebied verricht bodemonderzoek, komt grotendeels overeen met het beeld op de gemeentelijke beleidskaarten maar nuanceert dit enigszins.

De uitwerking van deze resultaten laat zien dat mogelijk alleen de turbinelocatie 5 in een zone ligt met nog deels intacte podzolbodems. Op alle overige van de geplande turbinelocaties is de top van de oorspronkelijke dekzandbodem volgens de gegevens uit dit onderzoek door erosie verloren gegaan of heeft voorafgaande aan de vorming van veen, nooit podzolvorming plaatsgevonden.

Provincie Gelderland

91

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Uit gegevens op historische kaarten blijkt dat geen van de geplande turbinelocaties in de directe nabijheid van historische bebouwing heeft gelegen. Voor resten van bewoning uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt derhalve voor alle geplande turbinelocaties een lage verwachting. Wel geldt voor de turbinelocaties 2, 3 en 4, dat deze in een zone liggen waarin op historische kaarten op een langgerekte noord-zuid lopende hoogte wordt aangegeven die deels ook op het AHN herkenbaar is. Het kan hier gaan om een oude dijk of om een natuurlijk fenomeen zoals een strandwal die eventueel door de mens is versterkt. Hiervan zouden eventueel nog resten aanwezig kunnen zijn. Nader onderzoek ArcheoPro adviseert om te boren op locaties waar landschappelijke overgangen worden vermoed. Hiervoor worden drie boorraaien voorgesteld die het noorden, midden en zuiden doorsnijden. Voorgesteld wordt om een boorraai te zetten van turbinelocatie 3 naar turbinelocatie 1 in het tracé van de tijdelijke bouwweg. Daarnaast wordt voorgesteld om een boorraai te plaatsen van turbinelocatie 3 tot en met turbinelocatie 6 om inzicht te kunnen geven over de strandwal en directe overgang van het achterliggend gebied. Vervolgens wordt een boorraai voorgesteld van turbinelocatie 5 naar turbinelocatie 4 om de overgangen van het dekzand te onderzoeken.

Voor turbinelocatie 5 wordt direct karterend booronderzoek aangedragen. Dergelijk booronderzoek dient plaats te vinden in een dichtheid van tenminste twintig boringen per hectare en waar mogelijk te worden aangevuld met een oppervlaktekartering. Op locaties waarop het booronderzoek (deels) intacte podzolbodems oplevert en waarop geen oppervlaktekartering mogelijk is, dient het booronderzoek vervolgens verder te worden verdicht waarbij gebruik wordt gemaakt van een megaboor en het opgeboorde zand wordt gezeefd. Het zeefresidu moet vervolgens worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en verbrand bot. Door Gedeputeerde Staten is in het selectieadvies besloten om het advies van ArcheoPro over te nemen met als voorwaarde dat het verkennend landschappelijk onderzoek (boorraaien) eerst dient plaats te vinden. Als uit dit onderzoek blijkt dat meerdere delen intensiever onderzocht moeten worden dan kan karterend booronderzoek daar gelijktijdig met het karterende booronderzoek bij turbinelocatie 5 worden uitgevoerd. <resultaten van nader onderzoek worden verwerkt wanneer de beschikbaar zijn.

Door het opnemen van archeologische dubbelbestemmingen worden de waarden ook nu beschermd> Archeologische waarden in geldende bestemmingsplannen Voor windturbine 7 in de gemeente Putten geldt dat de ter plaatse aanwezige dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' eventueel aanwezige waarden zijn beschermd. Voor de plaatsing van de windturbine, waar een nieuwe bestemming wordt toegekend wordt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' overgenomen, voor het overige blijft de onderliggende dubbelbestemming gelden. De gemeente Ermelo heeft haar archeologische waarden niet vertaald in het onderliggende bestemmingsplan Buitengebied waardoor eventuele archeologische waarden niet juridisch-planologisch beschermd zijn, maar alleen door de algemene zorgplicht uit de Erfgoedwet worden beschermd. Omdat exacte uitvoering van werken bij het windpark nog niet duidelijk zijn, en nu ook geen onnodige onderzoekslast op te leggen wordt voorgesteld de waarden van de gemeentelijke beleidskaart voor het gehele plangebed in de gemeente Ermelo over te nemen als dubbelbestemming in dit inpassingsplan. Daarvoor zijn een dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie H' en 'Waarde - Archeologie L', zoals ook toegepast in andere bestemmingsplannen in de gemeente Ermelo opgenomen voor een hoge verwachtingswaarde (H) en lage verwachtingswaarde (L).

Gekozen is om in beide gemeente de daar toegepaste dubbelbestemmingen over te nemen om binnen die gemeenten zo veel mogelijk verschillende regelingen te voorkomen. <NB. waarden voor archeologie in Ermelo zijn nog handmatig ingetekend op de verbeelding op basis van de gemeentelijke (pdf) waardenkaart, er zit dus nog een onnauwkeurigheid in. In het ontwerpbestemmingsplan worden de waarden op basis van een digitaal bestand opgenomen> Het windpark doet zo geen afbreuk aan archeologische waarden. Eventuele archeologische waarden zijn beschermd door een dubbelbestemming. 5.7.2.2 Overige cultuurhistorie

92

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) De kern van de collectie erfgoed in Gelderland bestaat uit de objecten en ensembles die onder de Erfgoedwet en gemeentelijke monumentenverordeningen zijn aangewezen als beschermd monument of beschermd monumentaal ensemble. Deze staan weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland (zie Figuur 5.10). In de nabijheid van het plangebied, nabij windturbine 1, bevindt zich een bunker (schuilbunker-Schietbaan Horst). De Schietbaan Horst nabij Ermelo is in 1941 gebouwd en werd door de Duitsers gebruikt voor het oefenen met lichtgeschut. De Duitse soldaten konden vanaf deze locatie lichtgeschut afschieten richting het IJsselmeer. Ooit hebben hier meer bunkers en bouwwerken gestaan maar die zijn tijdens de bouw van de A28 verloren gegaan. De bunker wordt niet aangetast door realisatie van het windpark. In het noordoostelijk deel van het plangebied liggen twee bouwkundige monumenten met agrarische functie. In dit deel van het plangebied zijn geen windturbineposities voorzien. De dichtstbijzijnde windturbineposities liggen op ruim 400 meter van deze monumenten. Het dichtstbijzijnde stads- en dorpsgezicht ligt op circa 3 kilometer van de dichtstbijzijnde windturbines. Figuur 5.10 Beschermde monumenten (Rijk en provincie)

Er zijn verder geen cultuurhistorisch waardevolle objecten in de directe omgeving van het windpark gelegen. Het windpark doet geen afbreuk aan overige cultuurhistorische waarden. 5.7.3

Conclusie

Het windpark doet geen afbreuk aan archeologie en overige cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor archeologie geldt dat nader onderzoek wordt uitgevoerd, aanwezige waarden worden beschermd door het opnemen van dubbelbestemmingen voor archeologie. Voor het aspect cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Provincie Gelderland

93

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

5.8

Water

5.8.1

Toetsingskader

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1. en 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen bevoegd gezag, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' moet worden gehanteerd. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd.

De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Omgevingsverordening Gelderland De provincie legt provinciaal waterbeleid vast ter bescherming van de provinciale belangen. In de Omgevingsverordening Gelderland worden er geen aandachtspunten voor water gegeven aan het plangebied en directe omgeving. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe Het vigerende waterschap voor het plangebied van Windpark Horst en Telgt is waterschap Vallei en Veluwe. Aansluitend bij de Europese, nationale en provinciale wetgeving, is er door het waterschap een waterbeheerprogramma opgesteld - 'Blauw Omgevingsprogramma' - voor de periode 2022 2027. In dit waterbeheerprogramma staan de doelen en middelen beschreven hoe het waterschap in deze periode blijft zorgen voor haar drie hoofdtaken: waterveiligheid, schoon water en voldoende water. Voor meer praktische en algemene aangelegenheden, waaronder aanpassingen in het watersysteem of bemalingen, zijn de Keur en Legger van het waterschap Vallei en Veluwe de wettelijke regeling.

94

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) De Keur van het Waterschap Vallei en Veluwe beschrijft wat wel en niet mag vanwege onder ander oppervlaktewaterlichamen (watergangen, onder ander hoofdwatergangen en schouwsloten). In de keur is een belangrijk onderdeel van oppervlaktewaterlichamen omschreven: de beschermingszone. De beschermingszone is een zone met een breedte van 5 meter, aan beide zijden van een oppervlaktewaterlichaam (type A), gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Deze strook grond is bedoeld om ervoor te zorgen dat de watergang stabiel en toegankelijk voor onderhoud blijft. Deze zone is niet op de legger vermeld. Binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen is het volgens de Keur verboden om zonder watervergunning in de bodem te graven. Ook het dempen van oppervlaktewaterlichamen is zonder vergunning verboden. Daarnaast is het volgens de Keur verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. In de Keur van het waterschap Vallei en Veluwe is opgenomen dat de versnelde afvoer van neerslag, afkomstig van verhard oppervlak, te beperken. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal plaatsvinden.

Verder mag het afstromende hemelwater niet worden vervuild, dit kan worden voorkomen door het gebruik van niet-uitlogende (bouw)materialen. Als het af te voeren water wel is vervuild, dient het gezuiverd te worden voordat lozing op het wateroppervlak plaatsvindt. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn regels beschreven voor het lozen op het oppervlaktewater. 5.8.2

Onderzoek

Watersysteem - oppervlaktewater Het plangebied voor Windpark Horst en Telgt valt in zijn geheel onder het beheer van waterschap Vallei en Veluwe. Het maaiveld van het plangebied ligt tussen circa 0 tot 2 meter boven NAP. Ten westen van het plangebied ligt het Veluwerandmeer Nuldernauw. In en om het plangebied lopen verschillende categorie A-watergangen, waarvan het Groenebeekje en de Krakenburgbeek ook een natuurfunctie hebben. Daarnaast liggen er ook verscheidene B- en C-oppervlaktewateren in het plangebied die een belangrijke landbouwkundige functie hebben; ze zorgen voor voldoende drooglegging in zomer en winter. Het plangebied ligt buiten het sleutelgebied voor de regio Noord-Veluwe dat is bepaald in het Blauw Omgevingsprogramma. Voor de instandhouding van een goede waterkwaliteit, grondgebruik en een veilige afwatering speelt het oppervlaktewater een cruciale rol. De fundatiediameter van windturbines is niet alleen afhankelijk van het type windturbine, maar wordt doorgaans tevens sterk bepaald door de eigenschappen van de bodem. Voor het bepalen van de minimaal aan te houden afstand tot watergangen is uitgegaan van een fundatiediameter van 30 meter. Dit betekent dat voor windturbines een minimale afstand tot watergangen van het watersysteem geadviseerd wordt van 15 meter (gerekend vanaf het centrum van de windturbine).

Op deze wijze overlapt het fundatieoppervlak van de windturbine niet met de watergang, waardoor het watersysteem naar verwachting niet op een negatieve wijze beïnvloed wordt. Bovendien hanteert het Waterschap Vallei en Veluwe een beschermingszone van 5 meter voor oppervlaktewateren type A, gerekend vanaf de insteek. De minimaal aan te houden afstand voor windturbines tot deze wateren is daarom 20 meter (halve fundatiediameter + 5 meter beschermingszone). Windturbines die op meer dan 20 meter van de primaire watergang staan hebben naar verwachting geen negatieve invloed. De positionering van de windturbines heeft geen invloed op de watergangen in het plangebied.

Provincie Gelderland

95

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Figuur 5.11 Watergangen plangebied

Waterkeringen Er liggen geen waterkeringen in het plangebied. Grondwater De Noord-Veluwe(flank) is gevoelig voor verdroging. Diverse beken voeren het water snel af naar de randmeren. Binnen het plangebied komt volgens de bodemkaart van Nederland een aantal grondwatertrappen voor. Grondwatertrappen zijn klassen waarin aangegeven wordt waar de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zich bevindt. Tabel 5.8 geeft een overzicht over de grondwaterstanden in de grondwatertrap die voorkomt binnen het plangebied. Een uitsnede van de bodemkaart is zichtbaar in Figuur 5.10. De gemiddeld laagste grondwaterstand van deze bodem is voor een groot deel van het plangebied minder dan 50 centimeter onder maaiveldniveau. Voor een korte strook langs de A28 geldt dat de GLG tussen de 120 en 180 centimeter onder maaiveld (-mv) ligt. De gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert van minder dan 25 centimeter onder maaiveld tot maximaal 140 centimeter diepte. Tabel 5.8 Grondwatertrappen

96

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Figuur 5.12 Grondwatertrappen plangebied [bron: BRO Nederland]

De windturbines krijgen waarschijnlijk een betonnen fundering krijgen en zullen op (een aantal) heipalen geplaatst worden. De fundatie heeft een dikte van circa 3,5 tot 4 meter. In het worst case-scenario is deze dikte ook de begraafdiepte van de fundatie. Daarnaast bestaat er ook de mogelijkheid om de fundatie deels bovengronds (op grondniveau) te plaatsen of kan er voor een monopile (innovatieve fundatie) worden gekozen. Door gebruik te maken van niet-uitlogende bouwmaterialen, wordt uitspoelen van stoffen voorkomen. Om tijdens het bouwproces activiteiten uit te kunnen voeren in een droge bouwput, is tijdelijke bemaling van het grondwater nodig, aangezien de grondwaterstand in het plangebied gemiddeld tussen minder dan 25 centimeter en 180 centimeter diepte ligt. Dit geldt met name voor aanleg van funderingen en bekabeling. Informatie over de aard en omvang van de bemaling dient te worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling van eventuele effecten in het kader van de watervergunning. Uitspoelen van stoffen, en daarmee veranderingen van de grondwaterkwaliteit, wordt niet verwacht. Na afronding van het bouwproces zal de normale grondwaterstand hersteld worden, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet binnen de verwachting liggen.

Tijdens de operationele fase, dus als de windturbines in werking zijn, is er geen effect op het grondwater. Hemelwaterafvoer Door de plaatsing van de windturbines en de eventuele aanleg van ontsluitingswegen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe. Dit verharde oppervlak bestaat uit de fundering van de windturbine, wegen en bij elke windturbine een opstelplaats. Deze werken zijn permanent aanwezig tijdens de gehele exploitatiefase van het windpark. Windturbines met een fundatiediameter van circa 30 meter hebben een verhard oppervlak van ongeveer 707 m2 tot gevolg. Voor kraanopstelplaatsen bedraagt dit circa 5.200 m 2. Het totale verhard oppervlak per windturbine bedraagt in dit geval naar verwachting circa 5.907 vierkante meter, pus circa 6.050 m2 voor de ontsluitingswegen en het inkoopstation. Het totale oppervlak aan verharding in het windpark is 47.400 m2.

Provincie Gelderland

97

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Door een toegenomen hoeveelheid verhard oppervlak stroomt hemelwater sneller af. Wanneer dit direct versneld in het bestaande oppervlaktewatersysteem terecht komt, kan dit problemen veroorzaken voor de instandhouding van een bepaald peilbeheer. En dit kan vervolgens weer potentieel negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit, de bodemfunctie en een veilige afwatering. Indien negatieve effecten plaatsvinden, dient vertraagde afvoer gerealiseerd te worden. Compensatie verhard oppervlak Voor de uitbreiding van verhard oppervlak geldt in beginsel een compensatieplicht in de vorm van bergings- of infiltratievoorzieningen, waarbij niet meer water uit het gebied mag worden afgevoerd dan in de huidige situatie. Voor wat betreft het compenseren van verhard oppervlak is compensatie van versnelde afvoer niet nodig zolang het water afstroomt op de berm of op omliggend maaiveld. Het water van de toegangswegen stroomt af op de berm, alwaar het kan wegzakken/infiltreren. Het water van de verharding nabij de windturbines stroomt af op naast gelegen percelen. Het water kan daar wegzakken/infiltreren. Om te voorkomen dat het rondom deze verharding in langdurig natte perioden drassig wordt, wordt rondom de verharding eventueel een drain of grindkoffer aangelegd.

Het water dat van deze verhardingen afstroomt wordt echter niet middels kolken en riolering geloosd op oppervlaktewater. Het water stroomt af op de berm en/of naast gelegen maaiveld. Er is daarom geen watercompensatie benodigd voor de toename aan verhard oppervlak. Watertoets De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van water huishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de water huishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om water huishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het concept ontwerpinpassingsplan wordt in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap tijdens het wettelijk Bro-overleg met instanties. De resultaten van deze afstemming worden verwerkt in deze paragraaf. De eventueel benodigde watervergunningen voor de uitvoering en eventuele afstemming daarover volgen hun eigen procedure. 5.8.3

Conclusie

De windturbines hebben geen negatief effect op de waterhuishouding. Een watervergunning is mogelijk nodig voor grondwateronttrekking, voor waterberging en kruising van een watergang. De vergunningen zijn niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure. Rekening houdend met de (eventueel) benodigde vergunningen is er voor het aspect water sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.9

Bodemkwaliteit

5.9.1

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient een bodemonderzoek verricht te worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Het bevoegd gezag moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. De Wet bodembescherming (Wbb) is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat eenieder die de bodem verontreinigd verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Daarnaast staat ook beschreven op welke manier te handelen indien het een historische bodemverontreiniging betreft. Als instrument omvat de Wbb bodemkwaliteitseisen voor verschillende type bodems en gebruiksfuncties. Wanneer sprake is van een te hoge concentratie van een bepaalde stof (bodemverontreiniging) en de kans op directe verspreiding aanwezig is, dient bodemsanering uitgevoerd te worden. Verspreiding van een verontreiniging kan bijvoorbeeld plaatsvinden via stroming van grond- en oppervlaktewater. Wanneer sprake is van een te hoge concentratie van een bepaalde stof, maar niet aangetoond kan worden dat het risico van verspreiding aanwezig is, dient sanering uitgevoerd te worden ten tijde van nieuwe ontwikkelingen in het gebied. De bouw van een windpark is een voorbeeld van zo'n nieuwe ontwikkeling, ook wel een natuurlijk moment genoemd.

98

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Voor de realisatie van het windpark zal grondverzet plaatsvinden, waarbij grond (en mogelijk ook asfalt en onderliggend funderingsmateriaal) wordt ontgraven, hergebruikt, toegepast en/of afgevoerd. Bij dergelijke werkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) 76 van toepassing. Het Bbk bevat algemene regels voor het toepassen van grond (en bouwstoffen) en de kwaliteit van toe te passen grond (en bouwstoffen). Regels voor het graven in de bodem wordt geregeld door de Ontgrondingenwet. In principe is voor het graven in de grond een vergunning nodig. Voor een ontgronding in de landbodem verleent de provincie de vergunning. In afdeling 3.3 van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland staat beschreven wanneer een ontgrondingsvergunning of melding benodigd is. In een aantal gevallen geldt een vrijstelling voor de ontgrondingsvergunning, deze staan beschreven in artikel 3.48 (vrijstelling vergunningplicht). Op grond van de Omgevingsverordening is geen ontgrondingenvergunning nodig bij ontgrondingen van ten hoogste drie meter diep en ten hoogste 3.000 kubieke meter die noodzakelijk zijn voor het realiseren van het geldende bestemmingsplan, inpassingsplan of ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

Beleid Bodembeheer regio Noord Veluwe De gemeenten Ermelo, Putten, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek hebben gezamenlijk een Nota Bodembeheer opgesteld. Deze Nota is op dit moment nog niet formeel vastgesteld door de gemeenten Ermelo en Putten. De Nota is een instrument gericht op duurzaam omgaan met grond. De basis voor dit document ligt in het Besluit bodemkwaliteit en de voor de regio Noord-Veluwe opgestelde bodemkwaliteitskaart en beleidsregel PFAS. In de Nota zijn de voorschriften opgenomen voor het grondverzet waarbij zoveel mogelijk wordt ingezet op het hergebruik van grond binnen de regio zonder afbreuk te doen aan de bestaande bodemkwaliteit. Op basis van dit beleid is het mogelijk om tijdens aanleg van het windpark zoveel mogelijk met een gesloten grond balans te werken. Dit bespaart energie en uitstoot van schadelijke stoffen door onnodig vervoer van overtollige grond. 5.9.2

Onderzoek

Volgens de regionale bodemkwaliteitskaart77 ligt het plangebied van Windpark Horst en Telgt in een gebied met bodemfunctieklasse overig en ontgravingsklasse 'gebiedsspecifiek'. De regio heeft ervoor gekozen om gebiedsspecifiek beleid te voeren, met name vanwege de aanwezigheid van arseen van natuurlijke oorsprong. In het verleden is arseenhoudend kwelwater neergeslagen bij het in contact komen met zuurstofrijker water. Arseen komt van nature voor in gebieden waar veel ijzeroer in de grond aanwezig is, aangezien het hier goed aan bindt.

Provincie Gelderland

99

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Figuur 5.13 Bodemopbouw ontgravingen [bron: Bodemnota provincie Gelderland (2014)]

In het gebied zijn een aantal verdachte locaties. Onderzoek kan later plaatsvinden. Het toekomstige gebruik van de gronden voor een windturbinepark is niet van gevoelige aard in relatie tot bodemkwaliteit waardoor de bodemkwaliteit in voldoende mate bekend is en geen belemmering betekent voor realisatie van het windpark. Verder worden windturbines in het algemeen niet beschouwd als gevoelige objecten die van nature een negatieve invloed hebben op de bodemkwaliteit, mits gebruik wordt gemaakt van niet-uitlogende (bouw)materialen.

100

Provincie Gelderland

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13418001/1