CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

20230713 Concept PIP Windpark Horst en Telgt v2 0

Gemeenteraad 6 november 2023, gemeente Ermelo43.095 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving. De voorgenoemde voorwaarden zijn als planregels opgenomen in dit bestemmingsplan. Lokale normstelling plaatsgebonden risicocontour 10-5 en 10-6 Voor onderhavig plan wordt voor externe veiligheid voor wat betreft het plaatsgebonden risico getoetst aan de lokale normstelling van een plaatsgebonden risicocontour van 10 -5 per jaar voor beperkt kwetsbare objecten en 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten (zie ook paragraaf 5.1.2). Omdat in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevt) een aanvaardbare kans op overlijden is omschreven die niet afhankelijk is van het type inrichting wordt het niet nodig geacht voor windturbines afwijkende normen voor te schrijven. Met betrekking tot veiligheidsafstanden wordt in grote lijnen aangesloten op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)43 en daarmee dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-6-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico.

Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn. Een PR-norm van 10-5 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000, PR 10-6 een kans van 1 op 1.000.000. Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-5 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid. Een norm voor externe veiligheid van windturbines van PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar als toetsingskader voor de plaatsgebonden risicocontouren. De afstanden die bij deze normen worden gehanteerd, worden hierna geduid. Voor de bepaling van deze contouren wordt verwezen naar De 'Handreiking Risicozonering Windturbines' (v1.1, 20 mei 202044) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2019) (hierna: Handboek risicozonering), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014) (hierna afgekort als: HRW).

66

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Overige toetsingskaders Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)45. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. In tabel 5.7 staat het beoordelingskader voor veiligheid samengevat. Tabel 5.7 Beoordelingskader veiligheid

5.4.2

Onderzoek

Voor het plan is een risicoanalyse uitgevoerd (zie Bijlage 4). Het Handboek risicozonering adviseert een identificatieafstand waarbinnen het veiligheidsrisico voor objecten en infrastructuren onderzocht dient te worden. Deze afstand is gebaseerd op de maximale generieke werpafstand die plaatsvindt als windturbines tweemaal het nominale toerental draaien (ook wel 'overtoeren'). Objecten buiten deze afstand ondervinden geen risico en worden verder buiten beschouwing gelaten. De identificatieafstand (=maximale onderzoeksafstand) van het windpark is 471 meter (zie Figuur 5.4 en Figuur 5.5). Verdere bij het windpark behorende effectafstanden zijn:  maximale tiphoogte (generieke afstand PR10-06 HRW): 250 meter;  halve rotordiameter (generieke afstand PR10-05 HRW): 85 meter.

Provincie Gelderland

67

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Er zijn ook specifieke afstanden voor de windturbines te berekenen volgens het Handboek, die kleiner zijn. Als voldaan kan worden aan de generieke afstanden is het echter niet noodzakelijk de specifieke contouren te bepalen. In onderstaande figuur worden de (generieke) afstanden weergegeven. Figuur 5.4 Verdere relevante afstanden externe veiligheid voor het plan (noordelijk deel)

Figuur 5.5 Verdere relevante afstanden externe veiligheid voor het plan (zuidelijk deel)

68

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Er worden binnen de identificatieafstand van het windpark de volgende objecten geïdentificeerd (zie ook Figuur 5.3 en Figuur 5.4):  een industriefunctie (rood gearceerde vlak in Figuur 5.3);  de rijksweg A28 (grijs/zwarte lijnen ten westen van en parallel aan het windpark in Figuur 5.3);  een risicovolle installatie (propaantank binnen terreingrens van de industriefunctie). Bebouwing Voor de windturbines geldt een (generieke) contour van PR10-5 van 85 meter waarbinnen zich geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogen bevinden. Voor de windturbines geldt een (generieke) contour van PR10-6 van 250 meter waarbinnen zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden. Er liggen geen kwetsbare objecten binnen de PR10-05 contouren van de windturbines, er is één pand met industriefunctie binnen de PR10-06 contour van windturbine 1 te vinden. Dit pand is geen risicovolle inrichting en betreft een beperkt kwetsbaar object. Dit beperkt kwetsbare object is gelegen buiten de toetsafstand van een halve rotordiameter/generieke PR10 -06 contour van 85 meter en is daarom toegestaan. De windturbines zijn op voldoende grote afstand tot objecten geprojecteerd.

Wegen De A28 doorkruist de PR10-05 contouren (oftewel ½ keer de rotordiameter) van de windturbines niet en voldoet daarmee aan de eis van Rijkswaterstaat (RWS), die stelt dat de afstand tussen de windturbine en de verharding van de weg tenminste 1/2e rotordiameter moet bedragen. De tiphoogteafstand is gelijk aan de generieke PR10-06 contour en wordt doorkruist door de A28. Omdat de afstand tot de Rijksweg groter is dan de minimale afstand die Rijkswaterstaat voorschrijft is het echter niet strikt noodzakelijk om een studie uit te voeren naar het individueel passanten risico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR). Om toch de effecten inzichtelijk te maken wordt de methodiek van Rijkswaterstaat gehanteerd voor de beoordeling. Voor de berekening van het IPR en MR zijn de formules uit het HRW46 gebruikt De trefkans voor een passerend onbeschermd persoon bedraagt maximaal 8,8 x 10 -14 per passage bij de maatgevende windturbine. Dit leidt tot een IPR van 4,4 x 10-11 voor de maatgevende windturbine. Cumulatief gezien voor alle zeven windturbines bedraagt dit een totaal IPR voor de gehele snelweg A28 van 1,5 x 10-10 per jaar. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van een maximaal IPR van 1 x 10-06 per jaar. Het Maatschappelijk Risico (MR) is cumulatief bepaald op 1,0x 10-05 per jaar.

Ook dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal MR van 2 x 10-03. De jaarlijkse verkeersintensiteit op de Rijksweg zou moeten toenemen van tot 4,3 miljard voertuigen voordat het MR overschreden zou worden. Hiervan kan geen sprake zijn. De trefkans voor een enkel passerend voertuig (in plaats van een onbeschermd persoon) bedraagt maximaal 1,5 x 10-11 per passage en 5,2 x 10-11 voor passage van het gehele tracé. Voor lokale wegen zijn geen specifieke beleidsregels of eisen van toepassing. Indien de normen voor rijkswegen worden toegepast op de lokale wegen dan wordt aan deze normen voldaan door een beperktere hoeveelheid passanten. Een berekening heeft geen toegevoegde waarde. Op de A28 kunnen transporten van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De risico’s die dit vervoer met zich meebrengt zouden kunnen worden verhoogd door de aanwezigheid van een windturbine. Ter informatie is de trefkans berekend. Uit de berekeningen in Bijlage 4 blijkt dat het risico van de maatgevende windturbine voor een vrachtwagen per passage circa 1,5 x 10-11 bedraagt over een weglengte van 410 meter (binnen tiphoogteafstand). Conform de Handleiding risicoanalyse transport (HART) v1-2 is de huidige ongevalsfrequentie van een tankwagen onder druk op een autosnelweg gelijk aan 4,3 x 10-09 per kilometer. Dit betekent dat het extra risico van de windturbine 0,85% bedraagt.

Een dergelijke risicotoevoeging ruim onder de 10% kan als verwaarloosbaar worden gezien ten opzichte van het aanwezige risico. Het effect op eventuele aanwezige gevaarlijke transporten op de A28 is verwaarloosbaar klein. Risicovolle installatie Er ligt een propaantank binnen de identificatieafstand van de windturbines en heeft een bepaalde trefkans van windturbine 1. Deze trefkans is berekend op basis van een worst-case windturbine voor bladworp (Nordex N149/4.X). De propaantank ondervindt enkel effect van het faalscenario bladworp bij overtoeren en heeft daarmee een trefkans van 7,38 10-08. Bij een vergelijking met het eigen intrinsieke risico van de propaantank van PR10-06 zal dit leiden tot een maximale trefkanstoevoeging

Provincie Gelderland

69

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) van 0,74%. Dit is minder dan de geaccepteerde 10% risicotoevoeging en wordt derhalve als verwaarloosbaar geacht. Kwalitatieve analyse ijsworpscenario Op 1 tot 2 dagen per jaar kunnen de weeromstandigheden in Nederland zodanig zijn dat er sprake is van significante ijs aangroei aan de windturbinebladen. Bij het loskomen van deze ijsblokken kunnen gevaarlijke situaties ontstaan voor onbeschermde personen of door schrikreacties tijdens transport. Moderne windturbines zijn veelal voorzien van systemen die kunnen detecteren of er sprake is van aangroeiend ijs en/of weersomstandigheden waarbij ijsaangroei kan worden verwacht. Bij het merendeel van de aanwezige windturbines in Nederland hoeven geen specifieke maatregelen te worden genomen om ijsaangroei te voorkomen of het vallen van ijs te voorkomen doordat de meeste windturbines worden geplaatst in open agrarische gebieden waar weinig aanwezigheid van personen wordt verwacht. Indien ijsworp toch dient te worden voorkomen dient de windturbine te worden stilgezet indien significante ijsaangroei aanwezig is. Het voorkomen van gevaarlijke situaties en het verplicht moeten stilzetten van windturbines dient zo nodig te worden geregeld in de gebruiksregels van het inpassingsplan. Figuur 5.6 Gevoeligheid omgeving risico ijsafworp

Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval wordt gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte (250 meter). Er zijn binnen dat gebied terreinen en objecten aanwezig die gevoelig zijn voor ijsworp of ijsval (zie Figuur 5.6). Er wordt daarom geadviseerd om de desbetreffende windturbines (windturbine 1 tot en met 4) te voorzien van een ijsdetectiesysteem, wat ijsvorming aan de bladen detecteert en de windturbine stilzet bij significante aangroei aan de windturbines. Daarmee worden de risico's van ijsworp op de omgeving voorkomen. Een planregel hiervoor is opgenomen in de regels. Indien de rotor niet draait wordt ijsval verwacht tot een zone van circa een halve rotordiameter plus 11 meter als afglij-/dwarrelzone. Vanwege de beperkte aanwezigheid van personen binnen deze afstand is er niet sprake van een significant risico. Vanwege de nabijgelegen lokale wegen wordt wel geadviseerd om een ijsprotocol op te stellen. Hierin kan dan onder andere worden geregeld hoe de windturbine gepositioneerd moeten worden bij ijsaangroei zodat het afdwarrelende ijs geen gevaar voor de omgeving vormt. Ook het gecontroleerd afwerpen en weer opstarten kan daarin worden

70

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) beschreven. Met behulp van een dergelijk protocol is er geen sprake meer van significante veiligheidsrisico’s. Er is een planregel opgenomen in het inpassingsplan om veiligheid als gevolg van ijsafworp te borgen. 5.4.3

Conclusie

Een normstelling van een plaatsgebonden risicocontour van 10-05 per jaar voor beperkt kwetsbare objecten en 10-06 per jaar voor kwetsbare objecten turbines is ruimtelijk aanvaardbaar. Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-05 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -06 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's dat bovendien gelijk is aan andere risicobronnen. De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Omdat er geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare respectievelijk kwetsbare objecten aanwezig zijn binnen de PR10-05 en PR10-06 contour zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het windpark. De PR10 -05 en PR10-06 zijn ook vastgelegd op de verbeelding en met een passende regeling opgenomen in de planregels. De trefkansen voor voertuigen en gevaarlijke transporten zijn verwaarloosbaar klein. De trefkans van de risicovolle installatie is aanvaardbaar. Er is voor het aspect externe veiligheid sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.5

Gezondheid

5.5.1

Toetsingskader

Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. Uit ervaring bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van windenergie op de kwaliteit van de leefomgeving. In deze paragraaf wordt daarom het onderwerp windenergie in relatie tot gezondheid nader belicht. Windturbines worden regelmatig in verband gebracht met gezondheidsproblemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake is van gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen en als gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld hoge bloeddruk). Wanneer windturbines in of nabij bewoonde gebieden worden geplaatst, kunnen omwonenden hinder ondervinden van deze aspecten. De invloed van windturbines op omwonenden is globaal in drie aspecten te verdelen:  geluid en trillingen;  visuele aspecten (zichtbaarheid en slagschaduw);  veiligheid. Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van eerdere paragrafen in dit hoofdstuk, aangezien de normen die zijn opgesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid het doel hebben mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder.

Bij het vaststellen van die normen speelden gezondheidsaspecten een rol. Voor het aspect gezondheid op zich bestaat er geen wettelijk toetsingskader. 5.5.2

Onderzoek

In paragraaf 5.2, 5.3 en 5.4 is al ingegaan op (hinder)aspecten die mede van belang kunnen zijn voor het effect op de gezondheid en bijbehorende (lokale) normen. Dit betreft de aspecten geluid, slagschaduw en veiligheid. In paragraaf 5.2 is ook al specifiek in gegaan op laagfrequent geluid, wat regelmatig wordt aangehaald als gezondheids- en hinder aspect in relatie tot windturbines. In paragraaf 4.3 is in gegaan op de toetsing van landschappelijke effecten en de zichtbaarheid en beleving van de windturbines. Voor deze aspecten is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening met de voor het windpark gekozen normering en onderbouwing.

Provincie Gelderland

71

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Wetenschappelijke studies Er zijn talrijke studies naar gezondheidseffecten van windturbines uitgevoerd. Juist omdat het om gezondheid gaat, wordt alleen gebruik gemaakt van die studies waaraan in belangrijke mate door onafhankelijke medici of gezondheidsinstituten is meegewerkt. Deze paragraaf bevat een uiteenzetting van de belangrijkste studies, waarbij allereerst de studie van de World Health Organization (WHO) en de literatuurstudies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) worden behandeld en vervolgens de belangrijkste individuele wetenschappelijke studies in chronologische volgorde. Daarnaast worden er frequent aangehaalde berichtgevingen in de maatschappelijke discussie rond windturbines en gezondheid geëvalueerd, te weten een onderzoek van N. Pierpont, van M. Alves-Pereira, een artikel van S. van Manen en een artikel van J. de Laat. Deze worden allen kort besproken in een kader.

WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region (2018) De WHO heeft richtlijnen voor milieugeluid ontwikkeld op basis van wetenschappelijk onderzoek, waaronder windturbinegeluid.47 De WHO geeft in het rapport een voorwaardelijk advies om de blootstelling van geluidniveaus van windturbines te reduceren tot 45 dB L den.48 Dit voorwaardelijke advies volgt uit de constatering dat er op basis van vier studies wordt gesteld dat 10 procent van de populatie sterk gehinderd is door blootstelling aan een geluidniveau van 45 dB L den. Omdat het beschikbare bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en gezondheid volgens de WHO van lage kwaliteit is, wordt het advies voor een normstelling van 45 dB L den door de WHO als conditioneel beschouwd. Verder komt uit het rapport van de WHO naar voren dat er geen statistisch significante relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschap uitkomsten en slaapstoornissen. De WHO vat het bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid als volgt samen: "as the foregoing overview has shown, very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise." (p.

84).Tot slot geeft het rapport aan dat contextuele factoren (zoals de opvatting ten opzichte van windturbines, direct zicht, economisch profijt) een belangrijke rol spelen in de effecten en de ervaring van windturbinegeluid. Het RIVM heeft aangegeven de richtlijnen te bestuderen. Onderzoek RIVM & GGD 201349, 201850 en 202051 Het informatieblad GGD 'Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden' is in 2013 opgesteld door het RIVM voor de GGD. De GGD 52 had behoefte aan concrete, objectieve en evenwichtige informatie om hun adviezen op te baseren. Het informatieblad diende als ondersteuning bij het beantwoorden van gezondheidsvragen van omwonenden van (geplande) windturbines. In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid en gezondheid. 32 (peer reviewed 53) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn onderzocht in de literatuurstudie. In 2020 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een update van het onderzoek uit 2017 gepubliceerd. Alle literatuurstudies concluderen dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Wel kunnen er indirecte effecten optreden. Mensen die in de nabijheid bij windturbines wonen, kunnen hinder door geluid ondervinden.

Slagschaduw, zichtbaarheid en knipperende lichten kunnen bijdragen aan de mate van hinder die wordt ondervonden. Het geluidniveau van windturbines is minder hoog dan van andere bronnen (verkeer en dergelijke), maar het karakter zorgt ervoor dat het windturbinegeluid bij lagere niveaus als hinderlijk wordt ervaren. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. Weinig data is beschikbaar om de invloed van windturbines op slaapoverlast te kunnen evalueren. In de onderzoeken is gevonden dat slaapoverlast en andere gezondheidseffecten van omwonenden van windparken gerelateerd kunnen zijn aan hinder, in plaats van directe blootstelling. Eveneens kunnen economische aspecten van invloed zijn op het ervaren van hinder van windturbines. In een Zweeds onderzoek54 is geconcludeerd dat mensen met een economisch belang bij windturbines geen hinder ondervonden van het windturbinegeluid, ondanks dat zij hetzelfde geluidniveau ondervinden als andere respondenten en dezelfde termen gebruikten om het geluid te karakteriseren. Tevens kunnen persoonlijke omstandigheden zoals gevoeligheid, privacy zaken en het planningsproces van het windpark van invloed zijn op de ervaren hinderen.

72

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Het informatieblad van 2013 adviseert om omwonenden zoveel mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van windenergie en waar mogelijk in de exploitatiefase, bijvoorbeeld in de vorm van (financiële) participatie. Hierdoor kan hinder mogelijk worden verminderd. Uit het onderzoek van 2020 blijkt dat er een duidelijke relatie is tussen geluid van windturbines en hinder: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, des te groter de hinder ervan. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder. Wind Turbine Health Impact Study: Report of Independent Expert Panel, Massachusetts (2012) Om meer overzicht te creëren in de wetenschappelijke literatuur over de gezondheidseffecten door windturbines, heeft een panel van zeven onafhankelijke deskundigen een studie van wetenschappelijke literatuur ondernomen om de zorgen en onzekerheden over gezondheidseffecten van windturbines te duiden. Het panel gebruikte onder andere peer reviewed literatuur van vier studies om de gedocumenteerde of potentiële gezondheidseffecten en -risico's van windturbines te identificeren. Kader 5.2 Onderzoek N. Pierpont (2019)55

Uit dit onderzoek komt naar voren dat een deel van de omwonenden het geluid door windturbines als hinderlijk ervaart. Ook het veranderde uitzicht en het waarnemen van de beweging van de rotorbladen wordt als hinderlijke factor benoemd. Onderzoek laat ook zien dat mensen die de windturbines vanuit hun woning kunnen zien, bij vergelijkbare geluidniveaus, eerder hinder rapporteren dan mensen die geen windturbines vanuit huis zien. Wanneer omwonenden economisch voordeel hebben van een windturbine rapporteren ze vrijwel geen hinder. De mate van ervaren hinder is een combinatie van de feitelijke geluidbelasting, zichtbaarheid van windturbine(s) vanuit de woning en of er sprake is van economisch gewin. Wanneer iemand hinder ondervindt, dan betekent dit nog niet dat er een effect is op de gezondheid van die persoon. In de studie worden de volgende conclusies ten aanzien van gezondheidseffecten getrokken:  Er is onvoldoende bewijs dat windturbinegeluid directe gezondheidsproblemen of ziektes veroorzaakt (dat wil zeggen, onafhankelijk van een effect op hinder of slaap);  Of ergernis over windturbines leidt tot slaapproblemen of stress is niet voldoende gekwantificeerd. Er is wel bewijs dat verstoring van de slaap een negatief effect kan hebben op stemming, cognitief functioneren en het algeheel gevoel van gezondheid en welzijn.

Dit is niet gebaseerd op bewijs dat zich op windturbines richt;

Provincie Gelderland

73

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) 

Er is geen bewijs voor gezondheidseffecten door blootstelling aan windturbines dat gekarakteriseerd kan worden als het 'windturbinesyndroom' (dit wordt verder uitgelegd in Kader 5.2). Kader 5.3 Onderzoek van M. Alves-Pereira56

NHMRC Statement: Evidence on Wind Farms and Human Health (2015) Deze verklaring is op basis van een literatuurstudie opgesteld door de 'National Heath and Medical Research Council' (NHMRC) van de Australische nationale overheid. In deze verklaring wordt gesteld dat er geen direct bewijs is dat windturbines nadelige gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. De volgende conclusies worden gemaakt: 1. Blootstelling aan geluid kan gezondheidseffecten veroorzaken, maar deze gezondheidseffecten kunnen alleen voorkomen bij geluidsniveaus die veel hoger liggen dan het geluidniveau dat wordt ervaren door omwonenden van windparken. 2. Alhoewel individuen windturbinegeluid op grotere afstand kunnen waarnemen, is het onwaarschijnlijk dat windturbinegeluid als hinderlijk wordt ervaren op afstanden groter dan 1.500 meter. 3. Er is geen direct bewijs voor een verband tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidseffecten. Exposure to wind turbine noise: Perceptual responses and reported health effects, Health Canada (2016) Uit de studie van Health Canada, de federale gezondheidsinstantie van Canada, blijkt dat geluid van windturbines geen directe negatieve effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Er zijn geen meetbare effecten op (chronische) ziekten, stress en slaap, zo luidt de conclusie.

Vanaf 2012 zijn 1.238 volwassenen, woonachtig op verschillende woonafstanden van windturbines gevolgd. Voor het onderzoek zijn deze mensen meerdere keren lichamelijk onderzocht op bloeddruk, hartritme, slaap en stresshormonen. Ook moesten zij enquêtes invullen bestaande uit vragen over sociaal-demografische situaties, geluid en hinder, gezondheidseffecten, levensstijl en bestaande chronische ziektes. Tevens is tijdens het onderzoek 4.000 uur aan windturbinegeluid opgenomen om te kijken of er bij een hoger geluidniveau ook meer klachten zijn. Er zijn geen directe verbanden gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en klachten als migraine, diabetes, hoge bloeddruk en slapeloosheid. "While some people reported some of the health conditions above, their existence was not found to change in relation to exposure to wind turbine noise," aldus Health Canada. Wel ervaren omwonenden meer hinder van de luchtvaartlichten op de gondels en slagschaduw wanneer het geluidniveau hoger is. A nationwide cohort study, Denmark (2018)57 Tussen 1982 en 2013 zijn alle Deense huishoudens die worden blootgesteld aan windturbinegeluid geïdentificeerd. Deze huishoudens zijn onderzocht op het gebruik van antihypertensiva en ongunstige zwangerschapsuitkomsten. Structurele gebruikers van antihypertensiva binnen deze populatie zijn geïdentificeerd.

Antihypertensiva is een soort medicijn dat wordt gebruikt voor de behandeling van hoge bloeddruk. In deze studie is er geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en het gebruik van antihypertensiva. Verder zijn alle geboren baby's van moeders in deze populatie geïdentificeerd. In deze studie is geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en ongunstige zwangerschap uitkomsten.

74

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Kader 5.4 Artikel S. van Manen, Medisch Contact (2018)58

RIVM Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland (2021)59 Het RIVM heeft in mei 2021 een onderzoek gepubliceerd waarin zij de effecten (luchtverontreiniging (buiten), binnenmilieu, (laagfrequent) geluid en overige effecten, zoals elektromagnetische straling en geurhinder) van nieuwe energiebronnen op de gezondheid en veiligheid in Nederland heeft geanalyseerd. Het onderzoek gaat dus niet alleen over windturbines. Uit de geschatte gezondheidseffecten en veiligheidsrisico's volgt dat de impact van de meeste maatregelen uit het klimaatakkoord beperkt zal zijn. Wanneer het RIVM de effecten op hoofdlijnen naast de 'winst' op de gezondheid en veiligheid legt die het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen heeft, dan is het beeld dat het netto effect positief zal zijn voor de gezondheid en veiligheid. Wel kunnen enkele energiebronnen negatieve effecten op gezondheid en veiligheid veroorzaken. Zo kunnen windturbines hinder veroorzaken bij omwonenden en veroorzaken houtkachels en installaties om biomassa te verbranden luchtverontreiniging. Eventuele gezondheidseffecten op omwonenden van windmolenparken worden in relatie gebracht met ervaren hinder. De mate van hinder kan worden beperkt door in planvorming rekening te houden met gezondheidsaspecten door de optimalisering van locaties waar windturbines worden geplaatst.

Daarnaast is bekend dat wanneer omwonenden bij de besluitvorming over locaties en landschappelijke inpassing worden betrokken en ze daarbij van goede, betrouwbare informatie worden voorzien, eventuele hinder zo goed mogelijk preventief wordt aangepakt. Ook het inrichten van een klachtensysteem, het beschikbaar stellen van een knop om windturbines stil te zetten en economische incentives (door omwonenden mee te laten delen in de opbrengst van windturbines) kunnen bijdragen aan een preventieve aanpak van hinder. Andere maatregelen om de geluidsbelasting door windturbines te beperken zijn technische innovaties, zoals vermindering van het toerental, het toepassen van een andere bladvorm en het aanbrengen van structuren op de rotorbladen die het geluid verminderen. Het RIVM geeft aan dat er voor sommige maatregelen onvoldoende informatie is om een goede inschatting van de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico's te kunnen doen. Dit gaat vooral om de gezondheidseffecten door verbranding van biomassa en biobrandstoffen en de gevolgen van geluidhinder door windturbines.

Provincie Gelderland

75

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Kader 5.5 Artikel J. de Laat, Nederlands Tijdschrift voor Gezondheid (2021)60

The Health Effects of 72 hours of Simulated Wind Turbine Infrasound: A Double-Blind Randomized Crossover Study in Noise-Sensitive Healthy Adults (2023)61 In maart 2023 is in het internationale tijdschrift Environmental Health Perspectives een onderzoek naar de gezondheidseffecten van windturbinegeluid en dan specifiek infrageluid 62 gepubliceerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bezorgdheid van sommige omwonenden van windparken. Deze omwonenden melden hoofdpijn, duizeligheid en slaapstoornissen te ervaren die ze aan de turbines toeschrijven. De symptomen, die ook misselijkheid, tinnitus en prikkelbaarheid omvatten, worden gezamenlijk aangeduid als 'windturbinesyndroom', zie ook Kader 5.2. In het kader van het onderzoek is met behulp van een innovatief aangepast audiosysteem de mogelijke aanwezigheid van het syndroom in het laboratorium onderzocht. Het infrageluid dat door het audiosysteem is gegenereerd, komt overeen met het audiopatroon dat is opgenomen van werkende windturbines en wordt opnieuw afgespeeld op een conservatief hoog niveau dat overeenkomt met een windturbine op ongeveer 390 meter afstand, zonder toepassing van gevelwering. De onderzoekers betrokken 37 gezonde maar voor geluid gevoelige volwassenen (18-72 jaar oud; 51% vrouw) in het onderzoek. De volwassenen hebben drie verblijven van drie nachten doorgebracht in het geluiddichte slaaplaboratorium.

Deelnemers werden willekeurig blootgesteld aan gesimuleerd infrageluid van windturbines, geen geluid of verkeerslawaai. De deelnemers wisten niet of er wel of geen geluid werd afgespeeld, omdat infrageluid onhoorbaar is. Tijdens het onderzoek werden testen uitgevoerd om de slaapkwaliteit en -duur van de vrijwilligers, hersenactiviteit, symptomen, cardiovasculaire veranderingen en neurogedragsprestaties te controleren. Uit de onderzoeken blijkt dat bij geen van de mensen die werden blootgesteld aan infrageluid effecten optreden die kunnen worden omschreven als het windturbinesyndroom. Er was geen impact op slaap, hersenfunctie of cardiovasculaire of psychologische gezondheid. Daarom denken de onderzoekers dat het onwaarschijnlijk is dat infrageluid van windturbines een slechte gezondheid of slaapverstoring veroorzaakt. De bevindingen uit onderzoek bevestigen de theorie dat het windturbinesyndroom wordt veroorzaakt door nocebo-effecten, dat wil zeggen de overtuiging van een persoon dat de blootstelling hen schade zal berokkenen (populair gezegd: 'angst maakt ziek'). Het nocebo-effect is een negatief verwachtingseffect en de tegenhanger van het positieve verwachtingseffect dat bekend is als het placebo-effect. Economische aspecten Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines.

76

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Omwonenden met een economisch voordeel van de windturbines ervaren over het algemeen minder hinder63. Lichtschitteringen Wanneer de zon op de turbine schijnt, kan het zonlicht reflecteren op de rotorbladen in de richting van de beschouwer. Tegenwoordig worden windturbines uitgevoerd met een anti-reflecterende coating, zodat lichtschittering niet optreedt. RIVM (2013) bevestigt dit ook in haar informatieblad. 64 Elektromagnetische velden Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspannings-verbindingen). De sterkte van elektromagnetische velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Ook rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Het Landelijke Centrum Medische Milieukunde (LCM)65 adviseert situaties te voorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla.

Dit advies richt zich op alle bronnen van magnetische velden die samenhangen met de elektriciteitsvoorziening. Een windturbinegondel (boven op de mast) kan een hoge veldsterkte hebben, maar deze bevindt zich op een grote verticale afstand van plekken waar mensen langdurig verblijven (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen). Recht boven kabels is de veldsterkte in de regel niet hoger dan 1 microtesla, maar deze kabels liggen nooit onder gebouwen waar mensen langdurig verblijven. Het is dan ook niet aan de orde dat de windturbine en de daarbij behorende kabels veldsterkten veroorzaken boven 0,4 microtesla op plaatsen waar mensen langdurig verblijven. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van windturbines en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. Het Kennisplatform EMV bevestigt deze conclusie ook in een hun memo.66 Op grond van de normen die gehanteerd worden voor windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt reeds een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van elektromagnetische hinder van de windturbines dat er geen sprake is van effecten voor omwonenden door eventuele elektromagnetische velden van het windpark.

Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines, mits goed gedimensioneerd, geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013) 67: "de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines". Het Geo-Consultancy bureau Fugro heeft in het verleden bij een aantal windturbines verspreid over Nederland trillingsmetingen uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de optredende trillingsintensiteiten tijdens de regulier in bedrijf zijn van de windturbine. Over de bevindingen van destijds heeft Furgo in briefrapportage gerapporteerd. Fugro heeft metingen verricht bij de volgende locaties:  Afrikahaven te Amsterdam. In oktober/november 2008 zijn metingen bij een drietal opgestelde 3 MW windturbines uitgevoerd;  Noordland (eiland Neeltje Jans/ Roompot). In januari/februari 2009 zijn metingen bij een tweetal 3 MW turbines uitgevoerd;  Eemshaven. In de periode januari - mei 2013 uitgebreide metingen (25 meetlocaties) bij een opgestelde 6 MW windturbine uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van de hierboven beschreven metingen concludeert Fugro dat de invloed van trillingen bij het in gebruik zijn van de windturbines binnen een afstand van circa 15 tot 20 meter uit de windturbine nog enige invloed kan hebben, daarbuiten is deze invloed verwaarloosbaar. Fijnstof

Provincie Gelderland

77

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Windturbines stoten uiteraard zelf geen fijnstof uit. Fijnstof is vooral afkomstig van wegverkeer en industrie. Windturbines hebben (mogelijk) een effect op de verspreiding van fijnstof doordat de wind in het zog achter de windmolen een hogere mate van turbulentie bevat, waardoor het verspreidingsgebied vergroot kan worden. Voor windpark Horst en Telgt is er gezien de afstand tot luchtverontreinigende bronnen zoals verkeer en industrie en de afstand tot woningen geen sprake van een significant effect door windturbines op de verspreiding van uitstoot van fijnstof. Neodymium Er wordt ook regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast). In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal.

SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride - SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald. Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF 6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten. Onderzoek van WindEurope68 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2.

Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF 6 vormt dan ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO 2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF 6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF 6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen. Bisphenol A en bladerosie In zienswijzen wordt ook regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van de stof Bisphenol-A in de bladen van windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Bisphenol-A (ook bekend onder de afgekorte naam BPA) is een weekmaker die veel gebruikt wordt in de productie van polycarbonaat plastic, epoxyhars en veel andere algemene producten zoals speelgoed, drinkflessen en contactlenzen. BPA veel wordt gebruikt in de (voedsel)verpakkingsindustrie.

In 2015 is het product door de Europese Voedselveiligheidsorganisatie (EFSA) aangemerkt als ongevaarlijk voor de volksgezondheid en bruikbaar voor direct contact met voedsel. 69 Bij de productie van windturbines wordt BPA niet gebruikt. Het wordt gebruikt bij de bereiding van epoxyhars, die weer gebruikt wordt om windturbinebladen te maken. De windturbinebladen bestaan uit glasvezel, epoxyhars en soms koolstofvezels. In de productie van de windturbinebladen zelf wordt geen BPA gebruikt, dit gebeurt alleen in het proces van het produceren van de hars voor de windturbinebladen. De bladen worden uiteindelijk ook nog geschilderd met een speciale

78

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) beschermende coating. Als gevolg van erosie (die optreedt bij ieder object waarop verf aanwezig is, zoals een huis of auto) zal jaarlijks ongeveer 1.000 gram van deze beschermende coating van de bladen per windturbine eroderen.70 Dit betreft chemisch inactieve polymeerdeeltjes. Ter vergelijking: een recent rapport van TNO schat dat de totale jaarlijkse emissie van alle microplastics in Nederland naar het milieu ongeveer 5000 ton bedraagt, waarbij autobanden (~2000 ton), verpakkingen (~1500 ton), en landbouwplastics (~800 ton) de grootste bronnen zijn. De geschatte bijdrage van windturbines op land aan de totale landelijke emissie van microplastics is zeer klein en minder dan 0,0002% tot 0,8%, waarbij het laatste getal een worst-case inschatting betreft. Het is overigens nadrukkelijk ook een belang van de initiatiefnemer van een windpark zelf om erosie aan de windturbinebladen zoveel mogelijk te voorkomen omdat imperfecties aan het rotorblad ook voor een verlies van energieopbrengst zorgen, doordat het rotorblad minder soepel door de lucht heen beweegt. 5.5.3

Conclusie

Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving (zoals geluid en slagschaduw) kan geconcludeerd worden dat het windpark gerealiseerd kan worden binnen de gekozen normstelling waardoor er blijvend sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij de realisatie van windpark Horst en Telgt. Het aspect gezondheid geeft geen reden hieraan te twijfelen. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Natuur

5.6.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 201771. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in of nabij Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve gevolgen op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen (IHD) zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid.

Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen nadelige gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang in van deze gebieden, of als er:  sprake is van een groot openbaar belang;  er geen reële alternatieven zijn;  en de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor Natuurnetwerk Nederland wordt in Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN) gebruikt. De begrenzing en het beschermingsregime van het GNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. De provincie heeft daarnaast ook zogenoemde Groene Ontwikkelingszones aangewezen (GO).

Provincie Gelderland

79

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën:  beschermde soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1)  beschermde soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5);  overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 6. 5.6.2

Onderzoek

5.6.2.1 Gebiedsbescherming Hierna wordt een beschouwing gegeven ten aanzien van de effecten van het plan op de beschermde gebieden: Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Natura 2000 Windpark Horst en Telgt maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Wl liggen er Natura 2000-gebieden in de omgeving van het windpark. Op circa 200 meter van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Op grotere afstand (respectievelijk 3 en 3,7 kilometer), bevinden zich de Natura 2000-gebieden ‘Veluwe’ en ‘Arkemheen’ (Vogelrichtlijngebied). Het is aannemelijk dat een aantal van de aangewezen vogelsoorten van deze gebieden ook gebruik maken van het plangebied en haar omgeving als onderdeel van hun leefgebied. Het plangebied kan namelijk gebruikt worden door (niet-)broedvogelsoorten van deze Natura 2000-gebieden wanneer de vogels hier overheen vliegen. De Veluwe is daarnaast ook een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Voor de relevante Natura 2000-gebieden nabij het plangebied zijn gevolgen door stikstofdepositie, verstoring door geluid, licht en trillen en verandering in populatiedynamiek (aanvaringsslachtoffers) niet op voorhand uit te sluiten. De gevolgen van deze effecttypen worden hierna beoordeeld.

Stikstofdepositie In het kader van Natura 2000-gebieden zijn de effecttypen verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie relevant. De werkzaamheden voor de aanleg van het windpark worden uitgevoerd met (zwaar) materieel dat stikstofemissies veroorzaakt. De emissies leiden mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie. Ook in de gebruiksfase kan sprake zijn van een beperkte bijkomende depositie als gevolg van onderhoudswerkzaamheden aan de turbines (materieel). Aanlegfase Aan de hand van de AERIUS-berekening voor het windpark72 (bijlage III van Bijlage 6), inclusief de bijbehorende uitgangspunten, is geconcludeerd dat het windpark - zonder maatregelen om stikstofuitstoot te beperken - leidt tot een kleine en tijdelijke (één jaar) projectbijdrage van maximaal 0,05 mol N/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van de Veluwe. Gebruiksfase In de voortoets (bijlage IV bij Bijlage 6) is geconcludeerd dat hoewel er in de gebruiksfase incidenteel een aantal voertuigen/werktuigen ingezet worden voor het nodige onderhoud en eventuele herstel van (delen van) de windturbines, dit zeer kortstondige werkzaamheden zijn met een minimale inzet aan materieel en daarom niet relevant zijn voor verdere beoordeling. Deze bewegingen kunnen echter wel voor stikstofdepositie zorgen.

80

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) <PM. nieuwe berekeningen voor aanleg en gebruiksfase worden uitgevoerd in AERIUS in het kader van de passende beoordeling, dit dient hier vervolgens, voorzien van een nadere ecologische beoordeling, te worden opgenomen> Verstoring door geluid, licht, en trillingen Verstoring door licht, geluid en trillingen treedt voornamelijk op in de aanlegfase van het project. Het gaat dan om verstoring door de aanwezigheid van mensen in het gebied, verlichting van het werkterrein en het gebruik van (zwaar) materieel voor de aan- en afvoer alsook de uitvoer van de aanlegwerkzaamheden. Verstoring door licht en trillingen treedt lokaal op. Lichtverstrooiing beperkt zich tot enkele tientallen meters rond de lichtbron (afhankelijk van type verlichting, richting, armaturen, etcetera). Ook trillingen reiken doorgaans slechts tot enkele tientallen meters van de trillingsbron. Geluiden, en met name piekgeluiden, kunnen verder reiken. De meest verstorende (piekgeluid veroorzakende) werkzaamheden zijn het heien van steunpalen, wat geluid veroorzaakt en waarvan de effecten tot 1.500 meter van de heilocatie kunnen reiken (zie toelichting in concept voortoets bijlage IV bij Bijlage 6).

Habitattypen en -soorten Het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren is aangewezen voor 3 habitatrichtlijnsoorten, namelijk kleine modderkruiper, rivierdonderpad en meervleermuis. Ook het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor rivierdonderpad en meervleermuis. Daarnaast is dit Natura 2000-gebied aangewezen voor 6 andere soorten, namelijk gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, drijvende waterweegbree, beekprik en kamsalamander. In de concept voortoets is voor habitattypen, inclusief typische soorten, geconcludeerd dat negatieve effecten als gevolg van verstoring niet optreden. Dit op basis van de afstand tussen het projectgebied en de ligging van de habitattypen (allen gelegen buiten verstoringscontour van windpark). Voor habitatsoorten die aangewezen zijn voor de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Veluwe geldt dat vaatplanten, dagvlinder en libellen niet gevoelig zijn voor verstoring. Effecten op drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel en vliegend hert zijn daarmee op voorhand uitgesloten. Voor de vissoorten (kleine modderkruiper, rivierdonderpad en beekprik) geldt dat deze onderwaterleefgebied hebben, waardoor individuen zich buiten de verstoringscontouren van licht en trillingen bevinden.

Daarnaast geldt voor deze soorten, dat er nauwelijks geluidsoverdracht van lucht naar water plaatsvindt, en dat er daarom geen sprake is van verstoring tot in het onderwaterleefgebied van deze vissoorten. Voor kamsalamander geldt dat de afstand van het projectgebied tot de Veluwe te groot is, waardoor het uitgesloten is dat individuen van de populatie in de Veluwe voorkomen binnen de verstoringscontour van het voornemen. Ook voor bovengenoemde soorten is daarom geconcludeerd dat negatieve effecten als gevolg van verstoring niet optreden. De meervleermuis maakt gebruik van het Natura 2000-gebied Veluwe als overwinteringsgebied (verblijfplaatsen) en als vliegroute tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. De meervleermuis maakt gebruik van het Veluwerandmeergebied als foerageergebied. Het is deze foerageerfunctie waarvoor een behoudsdoelstelling (zowel omvang als kwaliteit van het leefgebied) geldt binnen dit Natura 2000-gebied. In de zomer en het najaar van 2020 is een vleermuisonderzoek (bijlage II-II van Bijlage 6) uitgevoerd om na te gaan wat de functie van (de omgeving van) het projectgebied voor het windpark is voor vleermuizen. Hierbij is vastgesteld dat de vleermuisactiviteit van deze soort zich boven en dicht bij het water (Nuldernauw) concentreert.

De soort wijkt nauwelijks uit naar het oosten van het water (zelfs in het aangrenzend recreatiegebied nauwelijks te horen, enkel direct langs het water). Binnen het projectgebied zelf is de meervleermuis slechts zeer sporadisch waargenomen. Gezien het beperkt aantal waarnemingen kan worden gesteld dat het projectgebied zelf in ieder geval geen onderdeel uitmaakt van leefgebied (foerageergebied of migratieroute) dat van belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoudsdoelstelling) van deze soort binnen Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Het leefgebied van de meervleermuis bevindt zich daarmee in ieder geval buiten de verstoringscontour van eventuele verlichting. Verstoring door trilling speelt niet in de lucht, en is voor overvliegende en/of foeragerende vleermuizen dan ook niet relevant. Het leefgebied van de meervleermuis bevindt zich verder ook buiten de verstoringscontour van (piek)geluiden geproduceerd door de werkzaamheden. Voor vleermuizen wordt voor verstoring door geluid doorgaans een grens van 80 dB(A) gehanteerd. Dergelijke hoge geluidbelasting treedt bij de werkzaamheden aan het windpark enkel lokaal, binnen 50 meter van de heilocatie op en zodoende niet binnen het essentieel leefgebied van deze soort. Significante gevolgen door verstoring door geluid, licht en trillingen zijn daarom op voorhand uit te sluiten.

Provincie Gelderland

81

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Broedvogelsoorten Het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor 10 verschillende broedvogelsoorten, waaronder wespendief, ijsvogel en duinpieper. De broedbiotoop van deze Veluwe-populaties bevindt zich weliswaar op een minimale afstand van 2,5 kilometer (rand van Veluwe gebied) van het plangebied en daarmee ruim buiten de verstoringscontour van het windpark. Hierdoor zijn significant negatieve gevolgen en negatieve gevolgen door verstoring door geluid, licht en/of trillingen op de aangewezen broedpopulaties van de Veluwe op voorhand uit te sluiten. Voor broedvogelsoorten geldt dat het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren enkel is aangewezen voor roerdomp en grote karekiet. Deze soorten zijn beide sterk gebonden aan rietmoeras. Binnen de verstoringscontour van heien (de meest verstorende activiteit van het voornemen in de aanlegfase) is matig geschikt broedbiotoop van deze broedvogelsoorten aanwezig. Hoewel roerdomp en grote karekiet in de huidige situatie beide niet broedend voorkomen binnen dit deel van het Veluwerandmeergebied, is het niet uit te sluiten dat deze zich hier in de komende jaren wel gaan vestigen. Als broedparen zich hierdoor in de komende jaren (tussen nu en 2025, waarin de aanleg van het park is voorzien) vestigen, kunnen deze worden verstoord door heiwerkzaamheden.

Dit heeft negatieve gevolgen voor het broedsucces van de hier aanwezige dieren. Gezien de doelstellingen voor het aantal broedparen in de huidige situatie nog niet worden behaald, kan dit -zonder het nemen van maatregelen- leiden tot (significant) negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling (IHD) voor beide soorten in het gebied. In de concept Passende beoordeling zijn mitigerende maatregelen opgelegd (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6) waarmee deze gevolgen worden voorkomen. Aalscholver De aalscholver is regelmatig waargenomen tijdens de tellingen in het kader van het vogelonderzoek waarbij de soort dagelijkse vliegbewegingen maakt tussen de foerageergebieden en de slaapplaatsen, ten noorden en ten zuiden van het projectgebied. Op basis van de resultaten van het gericht vogelonderzoek (bijlage II-III van Bijlage 6), zijn modelberekeningen uitgevoerd van de aanvaringsslachtoffers voor het windpark. Hier blijkt dat de verwachte mortaliteit van aalscholver lager is dan de 1 %-mortaliteitsnorm, namelijk <1 slachtoffer per jaar. De reden voor de lage mortaliteit is dat veel vliegbewegingen onder of boven rotorhoogte plaatsvinden. Om te beoordelen of en in hoeverre het berekend aanvaringsrisico een significant negatief gevolg heeft voor dit IHD van aalscholver, is een vergelijking gemaakt met de 1 %-norm.

Deze is voor aalscholver berekend op 40 individuen per jaar. Het verwacht aantal aanvaringslachtoffers voor een windpark zoals Horst en Telgt, valt daarmee (ver) onder de 1 %-norm. Omdat de 1 %-norm niet wordt overschreden kunnen ook significant negatieve effecten op het instandhoudingsdoel van de aalscholver als gevolg van enkel het windpark Horst en Telgt worden uitgesloten. Wespendief Uit onderzoek blijkt dat de wespendief vooral in het bos en directe omgeving foerageert en dat de wespendieven van de Veluwe de open gebieden om de Veluwe heen grotendeels vermijden. Het open grasland van het projectgebied zal daarom naar verwachting hooguit incidenteel gebruikt worden door foeragerende wespendieven afkomstig van de Veluwe. Toch kan ook dit incidentele voorkomen in het projectgebied relevant zijn voor het behalen van de IHD. De wespendief is immers een soort met een hoge gevoeligheid voor windturbines. Uit studies van Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof (2019) en Klop et al (2020) blijkt ook dat vooral de wespendief relevant is bij de ontwikkeling van windenergie rond de Veluwe. Daarnaast is voor deze soort een gezamenlijke bovenregionale aanpak in ontwikkeling en is het de meest beperkende soort met een instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied Veluwe.

Op basis van de resultaten van het gericht vogelonderzoek (bijlage II-III van Bijlage 6) en rekening houdend met de afstand van de verschillende turbines tot de Veluwe (in welke kilometer-ring rond de Veluwe bevinden de turbines zich), zijn ook voor wespendief modelberekeningen uitgevoerd van de aanvaringsslachtoffers door het windpark. De mortaliteit onder wespendief vanuit het Natura 2000-gebied Veluwe bedraagt 0,12 slachtoffers per jaar (bijlage V van Bijlage 6).

82

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Om te beoordelen of en in hoeverre het berekend aanvaringsrisico een significant negatief gevolg heeft voor dit IHD van wespendief, is een vergelijking gemaakt met de 1 %-norm. Gebaseerd op een natuurlijke sterfte van 14 % en een populatie van 94 broedparen op de Veluwe, bedraagt de 1 %-norm 0,26 slachtoffers per jaar. Dit is ongeveer het dubbele van de mortaliteit bij windpark Horst en Telgt. Omdat de 1 %-norm niet wordt overschreden kunnen significant negatieve effecten op het instandhoudingsdoel van de wespendief als gevolg van enkel het windpark Horst en Telgt worden uitgesloten. Cumulatie Een belangrijk punt aspect is cumulatie met andere (windpark) initiatieven. Behalve windpark Horst en Telgt spelen er in de omgeving meerdere (windpark) initiatieven. Deze initiatieven kunnen tezamen een cumulatief effect op vogels, zoals aalscholver en de wespendief, hebben waardoor de 1 %-norm mogelijk wel wordt overschreden. De exacte cumulatieve mortaliteit is afhankelijk van het aantal initiatieven en turbines, de afmetingen en de locatie en afstand tot de Veluwe. PM <cumulatie wordt nog nader uitgewerkt. Zodra de gegevens betreffend de relevante projecten rond de Veluwe bekend zijn, wordt een indicatieve berekening gemaakt van de cumulatieve impact op aalscholver en wespendief (totaal aantal verwachte slachtoffers per jaar).

Op basis hiervan wordt opnieuw een vergelijking gemaakt met de 1% mortaliteitsnorm. De verwachting is dat met inachtneming van cumulatie de norm voor aalscholver (40 individuen per jaar) nog steeds niet wordt overschreden. Voor wespendief, waarbij de 1% mortaliteitsnorm veel lager is (0,26 individuen per jaar), is de verwachting dat deze in cumulatie wel wordt overschreden. Mitigerende maatregelen zijn dan nodig om significant negatieve gevolgen voor de IHD van wespendief te voorkomen (zie ook hoofdstuk 6 van bijlage 5). Wanneer het handelingsperspectief voor de wespendief is vertaald in beleid, of wanneer de Gedeputeerde Staten een beslissing hierover genomen heeft, kunnen uitgangspunten die in het handelingsperspectief opgenomen zijn over cumulatie worden betrokken> Stilstandvoorziening voor de wespendief Gezien nu al de verwachting is dat met inachtneming van cumulatieve effecten, het aanvaringsrisico voor wespendief boven de normwaarde zal uitkomen, wordt hier reeds rekening gehouden met de noodzaak voor mitigerende maatregelen ten aanzien van deze soort. Om het aantal aanvaringsslachtoffers, specifiek voor wespendief (maar ook effectief voor andere soorten), als gevolg van de windprojecten rond de Veluwe (in cumulatie) te beperken wordt in ieder geval reeds rekening gehouden met het toepassen van een stilstand voorziening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13418001/1