T NL IMRO 0232 VAA032OosthofzUitw-OBP1
Tekst van het document
De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Rijksweg A50 (ter hoogte van het plangebied) bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool. De jaargemiddelde concen-
29
3
tratie NO2 bedraagt (voor 2020) maximaal 23,7 µg/m , voor PM10 bedraagt dit maxi3 maal 17,6 µg/m . In beide gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde van 40 3 µg/m niet overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt maximaal 3 10,2 µg/m en is daarmee ruimschoots lager dan de jaargemiddelde grenswaarde van 3 25 µg/m . Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen of stabiliseren, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is 10 de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied ligt direct ten zuiden van de woonwijk Oosterhof en ligt op de overgang van het stedelijk naar het landelijk gebied. Er zijn nauwelijks hinderveroorzakende functies aanwezig. Ook ligt het plangebied niet aan hoofdinfrastructuur. Zodoende is sprake van een rustige woonwijk. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het loonwerkbedrijf aan de Eierstreekweg 35a-37 reeds buiten beschouwing wordt gelaten. Voor deze gronden is een bestemmingsplanprocedure opgestart waarmee aan de gronden een woonbestemming wordt gegeven.
10
VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 30
Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Het loonwerkbedrijf aan de Eierstreekweg is hierbij buiten beschouwing gelaten, aangezien het bedrijf wordt geamoveerd en ter plaatse woningbouw wordt mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt in een separate procedure. Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Sportvelden
Zichtstede 16
Veldsportcomplex (met verlichting)
Grootste richtafstand (m) 50 (geluid)
Gemeten afstand (m) 125
Uit voorgaande tabel blijkt dat aan de richtafstand kan worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijvigheid niet onevenredig wordt geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Ten slotte bevindt zich aan de Jonas 16 een melkveebedrijf. Een dergelijke veehouderij kent vaste richtafstanden voor het aspect geur (50 meter buiten de bebouwde kom; 100 meter binnen de bebouwde kom), waaraan wordt voldaan met de voorgenomen ontwikkeling (circa 500 meter). Een nadere beschouwing is niet nodig. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn hoofdtransportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
31
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6(één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb).
Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Epe In september 2013 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan indien het gaat op een verplaatsing van een bestaande risicobron naar een bedrijventerrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
32
In de visie is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd. Toetsing De nieuw te bouwen woningen zijn een kwetsbaar object conform artikel 1, lid 1, sub l van het Bevi. Raadpleging van de provinciale risicokaart wijst uit dat rondom het plangebied één risicobron gesitueerd is, in de vorm van een LPG-tankstation. De risicobron bevindt zich op circa 370 meter ten zuidwesten van de planlocatie. In de navolgende afbeelding is een uitsnede van de digitale risicokaart weergegeven met daarop het plangebied globaal blauw aangeduid.
Uitsnede provinciale risicokaart met daarop het plangebied globaal blauw omlijnd (bron: www.risicokaart.nl).
Uit raadpleging van de gegevens van de digitale risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de PR-contour en/of het invloedsgebied van de risicobron ligt. Het LPGtankstation aan de Laan van Fasna valt onder het Bevi en onder de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations (Celt). Conform het bevi heeft een LPG-tankstation een invloedsgebied van 150 meter en conform de Celt heeft een LPG-tankstation een effectgebied van 160 meter. De effectafstanden van beide tankstations reiken niet over de planlocatie. Daarmee zijn ze niet relevant vanuit het oogpunt externe veiligheid. Daarnaast ligt op grotere afstand (circa 2 kilometer) de Rijksweg A50. Over de A50 (wegvak G3) worden brandbare gassen (GF3), brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) en toxische vloeistoffen (LT2) getransporteerd. Het invloedsgebied wordt bepaald door LT2, deze is 880 meter. Het invloedsgebied reikt niet over de planlocatie en is daarmee niet relevant vanuit het oogpunt externe veiligheid. Dit tezamen maakt dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
33
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
4.7
Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem
34
en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. En het is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en 3 industrie, groter dan 150.000 m /jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem.
Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe - Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn: We beschermen ons gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners.
Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit.
35
Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Dit is het waterplein. Toetsing Voor de planontwikkeling als geheel is voorzien in een riolerings- en waterhuishoud11 kundig plan . In dit plan worden de mogelijkheden bekeken om op een duurzame wijze met het water om te gaan. De ambitie voor het omgaan met het hemelwater is om het binnen het plangebied vast te houden en te infiltreren. Het hemelwater, afkomstig van daken, wegen, parkeervakken en trottoirs wordt zoveel mogelijk bovengronds getransporteerd richting de in het ontwerp opgenomen wadi’s en infiltratiegreppels. Op locaties waar oppervlakkige afvoer niet mogelijk is worden HWA-leidingen opgenomen die afvoeren richting één van de wadi’s. De achterpaden die niet oppervlakkig tot afstroming kunnen komen, lozen middels een kolk op één van de wadi’s, infiltratiegreppels of HWA-leidingen.
Door het waterschap wordt er een berging geëist van 60 mm (T=100 + 10%), om zo een toekomstbestendig watersysteem te hebben. De wadi’s hebben voldoende capaciteit om minimaal 60 mm neerslag, afvloeiend van openbaar en uitgeefbaar terrein te bergen. Doordat de woningen minimaal 20 cm boven de as van de rijbaan liggen, zal het hemelwater eerder afstromen richting het HWA-riool en de watergangen dan dat het de woningen instroomt. Na afloop van de regenbui kan water dat geborgen is in de openbare ruimte via de wadi’s en infiltratiegreppels infiltreren naar de ondergrond. Navolgende afbeelding toont een vergelijking van de aanwezige en benodigde berging. Hieruit volgt dat kan worden voldaan aan het benodigde berging.
Vergelijking aanwezige en benodigde berging (bron: NTP)
Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
11
NTP (2021). Riolerings- en waterhuishoudkundig plan. Plan Oosterhof te Vaassen. kenmerk: 1201114-RAP-01-vA. 4 mei 2021. 36
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 12 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quick scan natuur uitgevoerd, waarmee onderzocht is of er beschermde natuurwaarden - volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving - aanwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Veluwe ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten.
13 Daarom is nader onderzoek in de vorm van een stikstofonderzoek uitgevoerd. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming nodig. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwik-
12
SAB (2021). Quick scan natuur. Vaassen, Oosterhof-Zuid. Projectnummer: 190600. 22 november 2021.
13
SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Vaassen, Oosterhof-Zuid. Projectnummer: 190600.01. 14 maart 2022. 37
keling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder zijn mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter, bunzing en wezel en essentieel leefgebied van de das aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is 14 nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de wezel en bunzing of andere essentiële elementen voor deze soorten zijn niet aanwezig in de bebouwing binnen het plangebied. Essentieel foerageergebied voor vleermuizen is ook niet in het plangebied aanwezig. Wel is een essentiële vliegroute voor vleermuizen aanwezig in het plangebied. Het is echter goed mogelijk om de aanwezige essentiële vliegroute te behouden en functioneel te houden.
De voorgenomen plannen houden hier dan ook rekening mee en er zal gezorgd worden dat de vliegroute functioneel blijft met behulp van een ecologisch werkprotocol. Verder is een bijburcht of vluchtpijp van de das in het plangebied aangetroffen. Vanwege de functie en de ligging is echter uit te sluiten dat deze zijn functie verliest door de voorgenomen plannen. Om met zekerheid verstoring van dit hol te voorkomen worden werkzaamheden conform protocollen uitgevoerd. Een ontheffing Wet natuurbescherming is dan bij een goede naleving niet noodzakelijk. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
14
SAB (2021). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600. 29 maart 2021. 38
Toetsing Ter plaatse van het plangebied is voorzien in een archeologisch bureau- en booron15 derzoek . Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er potentieel archeologische waarden worden verstoord door toedoen van de voorgenomen ontwikkeling. Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek uit te voeren, bestaande uit karterende en waarderende proefsleuven, in de noordelijke helft van het plangebied (zie navolgende afbeelding). De kans dat in de rest van het plangebied archeologische resten aanwezig zijn is laag.
Advieskaart proefsleuvenonderzoek (bron: BvA)
De eventuele archeologische waarden binnen het plangebied zijn beschermd middels een archeologische dubbelbestemming. Het nader onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
15
Bureau voor Archeologie 2021 (2021). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Wanstede Zichtstede, Vaassen. Rapportnummer: 1039. 25 juni 2021. 39
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van plannen. Toetsing In of rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen c.q. monumenten aanwezig. De in Vaassen aanwezige monumenten zijn allen op enige afstand van onderhavig plangebied gelegen. Met voorliggend plan wordt de wegstructuur niet aangetast, waarmee eventuele waardevolle structuren niet worden aangetast. Eens temeer aangezien de belangrijke (groen)structuren zijn ingepast in het stedenbouwkundig plan, welke ten grondslag ligt aan voorliggend plan (zoals beschreven in paragraaf 2.1). De ontwikkeling van onderhavig plan leidt dan ook niet tot (in)directe schade aan cultuurhistorische waarden in of rondom het plangebied. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in een verkeerskundige 16 toetsing . In deze toetsing is een berekening gemaakt van de verkeersgeneratie op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’. Het ontwikkelgebied in Vaassen heeft een weinig stedelijk karakter en bevindt zich in de rest van de bebouwde kom (dat wil zeggen: niet in het centrum of in de centrumschil). Daarnaast is uitgegaan van de categorieën ‘Koop, huis, vrijstaand’, ‘Koop, huis, twee-onder-een-kap’, ‘Koop, huis, tussen/hoek’ en ‘Huur, huis, sociale huur’. Dit heeft tot de volgende verkeersgeneratie geleid, waarbij eveneens de drukste spitsuren zijn weergegeven:
Verkeersgeneratie ontwikkeling (bron: Mobycon)
Vervolgens is gekeken naar de verkeersafwikkeling, waaruit is geconstateerd dat de toename van de verkeersgeneratie op veel van de wegvakken niet zorgt voor door16
Mobycon (2022). Verkeerskundige toetsing Oosterhof Vaassen. Kenmerk: M07109-M-E6. 29 maart 2022. 40
stromings- of leefbaarheidsknelpunten voor de omgeving. De ontwikkeling staat de doorstroming en leefbaarheid op deze wegen dus niet in de weg. Op de Hommelbrinkstede wordt echter wel een knelpunt geconstateerd. Gezien de beperkte lengte van het wegvak is het vooral van belang dat de toekomstige intensiteiten goed afgewikkeld kunnen worden op het kruispunt tussen de Hommelbrinkstede en Laan van Fasna. Voor dit onderzochte kruispunt geldt dat er geen problemen zullen ontstaan met de afwikkeling. Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Parkeren Op het plangebied is het Parapluplan Parkeren (vastgesteld op 08-11-2018) van toepassing. Hierin is voorgeschreven dat bij bouwplannen de parkeernormen dienen te worden gevolgd uit de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Epe. Voor onderhavig plangebied geldt dat het gesitueerd is in de categorie ‘rest bebouwde kom’. In de navolgende tabel is de parkeerbehoefte berekend, op basis van het stedenbouwkundig plan.
Er bestaat een behoefte van 125 parkeerplaatsen. Er zijn 126 parkeerplaatsen voorzien in het stedenbouwkundig plan, waarmee wordt voldaan aan de behoefte. Volledigheidshalve is in de regels van dit uitwerkingsplan een regeling voor parkeren opgenomen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
41
5 5.1
Juridische toelichting Algemeen Het uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Opzet uitwerkingsplan Het voorliggende uitwerkingsplan voorziet in de ontwikkeling van 83 grondgebonden woningen. De beoogde woningen zijn voorzien van een (globale) eindbestemming. Op grond van deze bestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel.
De bestemming is inhoudelijk gestoeld op het stedenbouwkundig plan, maar biedt tegelijkertijd de nodige flexibiliteit. Aangezien de exacte situering en vorm van de woningen nog niet is uitgewerkt, zijn ruime bouwmogelijkheden opgenomen. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd, om te voorkomen dat later knelpunten ontstaan bij ondergeschikte wijzigingen in de bouwplannen.
5.2
Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het uitwerkingsplan gebruikte begrippen, alsmede hoe dit zich verhoudt tot de begripsbepaling in het moederplan. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
42
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals ‘Wonen’ en ‘Groen’. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan burgemeester en wethouders ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die vormen van gebruik waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In dit onderdeel zijn voor bepaalde (grond)werkzaamheden verbodsbepalingen opgenomen, om te voorkomen dat specifieke landschappelijke kwaliteiten of mogelijk aanwezige waarden (in de bodem) verstoord of vernietigd worden.
5.3.2
Bestemmingen In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De structurele groene plandelen zijn bestemd als ‘Groen’. De gronden zijn zodoende bestemd voor beplantingen, groenvoorzieningen, (fiets)paden, speel-, nuts- en waterhuishoudkundige voorzieningen, evenementen en verhardingen. Parkeervoorzieningen zijn enkel toegestaan ter plaatse van de bijbehorende aanduiding, Ter plaatse van de aanduiding ‘langzaam verkeer’ zijn de gronden tevens bestemd voor in- en uitritten, 43
bestemmingsverkeer en calamiteitenverkeer. Er mogen allen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m. Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, paden en bijbehorende parkeer-, nuts- en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede andere werken en groenvoorzieningen. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 8,5 meter Wonen De beoogde woningbouw, tuinen en erven kennen de bestemming ‘Wonen’, waarmee de gronden zijn bestemd voor wonen (al dan niet in combinatie met aan-huisverbonden beroepen) met daarbij behorende bouwwerken, erven, tuinen, paden, parkeer-, waterhuishoudkundige, nuts- en groenvoorzieningen. Er gelden separate bouwregels voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels. Ten slotte gelden specifieke gebruiksregels met betrekking tot strijdig gebruik en aan-huis-verbonden beroepen. Waarde - Archeologie De dubbelbestemming gelden voor de gebieden waarvoor archeologische verwachting geldt. De artikelen bevatten een aantal naast de andere bestemmingsbepalingen geldende beschermende bouwregels en nadere eisen. De zones waarbinnen sprake is van bovengenoemde archeologische verwachtingen zijn op de planverbeelding nader aangeduid.
Daarnaast is in de regels geregeld dat ter plaatse van de op de planverbeelding aangegeven zone een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden alleen mag worden afgegeven wanneer blijkt dat hierbij geen archeologische waarden worden geroerd. Daartoe geldt een onderzoeksplicht. De uitkomst van dit onderzoek is dat, voordat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt afgegeven, het inzichtelijk moet zijn dat hierbij geen archeologische waarden worden geroerd.
5.4
Algemene regels De algemene regels uit het moederplan zijn grotendeels van toepassing verklaard. In afwijking hiervan zijn algemene gebruiksregels en overige regels opgenomen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot strijdig gebruik. Overige regels In de overige regels is een regeling opgenomen met betrekking tot parkeren en laaden losmogelijkheden.
44
5.5
Overgangs- en slotregels De overgangsregeling uit het moederplan is van toepassing verklaard. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het uitwerkingsplan worden aangehaald.
5.6
De verbeelding Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RDcoördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
45
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een uitwerkingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het uitwerkingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit uitwerkingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Vooroverleg Op grond van ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een uitwerkingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het uitwerkingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit uitwerkingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. Voortraject In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door de initiatiefnemer een website aangemaakt (www.oosterhofzuid.nl) op basis waarvan omwonenden inspraak kunnen hebben. Naar aanleiding van ingekomen vragen is een persoonlijk gesprek aangegaan met enkele omwonenden. De ingekomen vragen/opmerkingen, alsmede de re17 actie van de initiatiefnemer, zijn verwerkt in een verslag . 17
BNC Ontwikkeling (2021). Overzicht inzendingen. 23 november 2021. 46
Naast de participatie door initiatiefnemer is ook door de gemeente diverse malen overleg gevoerd met omwonenden. Dit overleg richtte zich met name op de ontsluiting van Oosterhof Zuid via de Zichtstede. Hierbij is met name uitgelegd dat op basis van de uitwerkingsregels de ontsluiting voor autoverkeer via de Zichtstede moet plaats vinden. Daarnaast is uitgelegd dat de (verkeers)veiligheid als gevolg van deze ontsluiting niet in het geding is. 6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpuitwerkingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit uitwerkingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
47