CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Lbr-26-005-bijlage-3-model-toelichting-was-wordt-tabel-bij-model-raadsbesluit-wijziging-model-verordening-jeugdhulp-gewijzigd-model-februari-2026

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling lijst ingekomen stukken d.d. 21 mei 2026871 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 3: Model Toelichting was-wordt-tabel bij Model Raadsbesluit wijziging Model Verordening jeugdhulp (gewijzigd model, februari 2026) Leeswijzer Deze VNG modeltoelichting was-wordt-tabel bij wijzigingsbesluit sluit aan bij het Model Raadsbesluit wijziging Model Verordening jeugdhulp (gewijzigd model, februari 2026).

Artikel 7 komt te luiden (artikel I van het wijzigingsbesluit) Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 7. Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 7. Identificatie 1. Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 2. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is: a. gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp; b. ter voorkoming van fraude; of c. ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige. 3. Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit: a. vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. buitenlands paspoort; of d. vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Het college maakt op grond van de wet gebruik van het burgerservicenummer bij de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van jeugdhulp (artikel 7.4.0, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet). Op grond van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer is het college verplicht zich hierbij te vergewissen van het feit dat het burgerservicenummer betrekking heeft op de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. De wet kent in dit verband ook een verplichting tot het vaststellen van het burgerservicenummer van de jeugdige bij het eerste contact door raadpleging

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/2

van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, tenzij de gegevens zijn verkregen uit een betrouwbare bron waarbij mag worden aangenomen dat die deze controle al heeft uitgevoerd (artikelen 7.2.2 en 7.2.3 van de wet; en Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 210). De wet en de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer kennen geen identificatieplicht. Het is voor de vergewisplicht niet verplicht om een identiteitsbewijs op te vragen. Er moet een afweging worden gemaakt in hoeverre het noodzakelijk en evenredig is om een identiteitsbewijs te vragen of dat kan worden volstaan met een minder verstrekkende methode, zoals het stellen van een aantal controlevragen die middels het systeem gecontroleerd kunnen worden. Het is aan het college om deze afweging te maken. Met deze wijziging wordt hiervoor ruimte in de verordening geboden. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om deze ruimte te bieden, omdat een groot deel van de doelgroep jonger dan 14 jaar is en dus niet wettelijk verplicht is om over een identificatiemiddel te beschikken, en de risico’s klein worden geacht. Wel laat de wetgever in elk geval de optie open dat er een identiteitsbewijs wordt gevraagd als het college dit nodig acht, gelet op de aard en de zwaarte van de zorg.

Ook kunnen jeugdigen via hun ouders geïdentificeerd worden, doordat deze ouders wel over een identiteitsbewijs beschikken (Kamerstukken II 2012/13, 33 674, nr. 3, p. 7-8; en Kamerstukken II 2013/14, 33 674, nr. 6, p. 6-7). Van het college wordt verwacht dat het hier in de evenredigheidsbeoordeling rekening mee houdt. Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bevat de verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling voorziet hier mede in. Het tweede lid benoemt een aantal concrete zaken waarmee het college bij de afweging in elk geval rekening houdt, onverminderd de wettelijke vergewisplicht. Het gaat om de zwaarte van de voorziening, het belang van het voorkomen van fraude (misbruik of oneigenlijk gebruik) en de noodzaak van het vaststellen van het gezag over de jeugdige. Deze laatste categorie is van belang op het moment dat de voorziening bedoeld is ten behoeve van de jeugdige zelf en degene(n) met gezag hiervan op de hoogte moeten zijn en hiermee in moeten stemmen. Voor een voorziening ten behoeve van de ouder(s), zoals opvoedondersteuning, geldt dit onderdeel c niet.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16657502/2