Lbr 25 065 bijlage 4 implementatiehandleiding bij model re-integratieverordening participatiewet gewijzigd model december 2025 0
Tekst van het document
Bijlage 4_Implementatiehandleiding bij de Re-integratieverordening Participatiewet (gewijzigd model, december 2025) Algemeen Op 1 januari 2026 treedt de Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter bevordering van de kansengelijkheid middels verbetering van de begeleiding naar duurzame economische zelfstandigheid van jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt (hierna: Wet van school naar duurzaam werk) in werking. De Wet van school naar duurzaam werk is bedoeld om de kansengelijkheid te vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. De doelgroep bestaat uit personen van wie het college oordeelt dat het volgen van uit ’s Rijkskas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is (artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Daarnaast bestaat de doelgroep uit personen voor wie de ondersteuning wordt verzocht door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (artikel 7a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet).
Ten slotte bestaat de doelgroep ook uit personen die initieel onderwijs volgen als bedoeld in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet). HBO- en WOstudenten, dus. De uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk ligt bij gemeenten en kan worden geregeld in de Re-integratieverordening. Gemeenten kunnen jongeren tot 27 jaar meer preventieve en passende ondersteuning bieden. Dit betekent dat gemeenten niet alleen kunnen reageren op problemen, maar actief kunnen zorgen voor begeleiding en ondersteuning die voorkomt dat jongeren uitvallen op de arbeidsmarkt. Voor sommige jongeren is extra ondersteuning nodig om succesvol onderwijs te volgen of werk te vinden. In die gevallen kunnen er, naast de in deze verordening genoemde voorzieningen, aanvullende trajecten worden ingezet waarin de gemeente een specifieke rol vervult. Bij Individuele Plaatsing en Steun (IPS-) en Ernstige Schoolbelemmerings (ESB-)trajecten, die dergelijke ondersteuning kunnen bieden aan bepaalde jongeren als bedoeld in artikel 7a, speelt de gemeente een belangrijke rol. Een IPS-traject ondersteunt jongeren met een psychische aandoening bij het vinden en behouden van werk. Een ESB-traject is een speciaal scholings- en begeleidingstraject voor jongeren met ernstige scholingsbelemmeringen.
Voor een IPS-traject geeft de gemeente een beschikking af en dient zij op verzoek van een ggz-instelling, die een jongere voordraagt, een subsidieaanvraag in bij het UWV. De subsidie voor het traject wordt vervolgens via het UWV aan de ggz-instelling verstrekt. Bij een ESB-traject vraagt de gemeente een beoordeling aan bij bijvoorbeeld het REA College of Eega Plus om te toetsen of de gewenste opleiding haalbaar is voor de jongere. Als het advies van de scholingsinstelling positief is, moet de gemeente expliciet toestemming geven voor het aanvragen van een indicatie Ernstige Schoolbelemmeringen bij het UWV. Voorts is van belang dat op grond van (nieuw) artikel 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs binnen elke arbeidsmarktregio een regionaal programma wordt ontwikkeld. In dit programma werken onderwijsinstellingen, gemeenten en andere relevante regionale partijen samen aan een gezamenlijke aanpak voor jongeren van 12 tot 27 jaar. Deze aanpak richt zich op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten én het bevorderen van een duurzame overgang naar werk. Een onderdeel van het regionaal programma betreft maatregelen die getroffen kunnen worden gericht op jongeren zonder werk of jongeren die geen opleiding volgen, of jongeren die een groot risico lopen daarop.
Deze maatregelen zijn aanvullend op de voorzieningen en ondersteuning die op grond van artikel 7a van de wet aan jongeren worden aangeboden. Het is daarom van belang dat gemeenten bij het bieden van ondersteuning aan jongeren rekening houden met deze aanvullende maatregelen uit het regionaal programma. Door de eigen inzet van voorzieningen af te stemmen op wat regionaal beschikbaar is, kunnen gemeenten bijdragen aan een samenhangende en doelgerichte aanpak binnen de arbeidsmarktregio, zonder onderscheid te maken naar woonplaats van de jongere . De voorliggende gewijzigde Model Re-integratieverordening bevat een aantal bepalingen om jongeren tot 27 jaar te ondersteunen. Ook is van de gelegenheid gebruik gemaakt enkele redactionele aanpassingen in de Model Re-integratieverordening door te voeren. Deze implementatiehandleiding is bedoeld als praktische toelichting hoe de voorgestelde wijzigingen per artikel kunnen worden doorgevoerd. Deze implementatiehandleiding volgt hierbij de volgorde van
Bijlage 4/4 bij VNG ledenbrief, december 2025
het Model Raadsbesluit wijziging Re-integratieverordening. Waar relevant is bij de diverse bepalingen aangegeven welke beleidsruimte gemeenten hebben en welke uitvoeringsaspecten mogelijkerwijs spelen. Gemeenten kunnen het Model Raadsbesluit, na verwerking in de juiste opmaak en met inachtneming van de diverse keuzeopties, direct overnemen of nader aanpassen aan lokale beleidsdoelen en uitvoeringspraktijk. Ook is een Was-wordt-tabel toegevoegd voor een overzichtelijke behandeling van de wijziging in de gemeenteraad. Totstandkoming Deze wijziging van de Model Re-integratieverordening is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het Team Inclusieve Samenleving, Wetgevingswerken en Team Recht van de VNG. Zij zijn de deelnemers aan de Klankbordgroep herziening Re-integratieverordening erkentelijk voor hun waardevolle bijdragen en inzichten vanuit de uitvoeringspraktijk. Het definitieve concept is ter advisering voorgelegd aan de VNG Adviescommissie Gemeenterecht. Hun permanente adviesfunctie is van groot belang om de wetgevingskwaliteit blijvend te kunnen borgen. Tot slot is de wijziging van de Model Re-integratieverordening ter kennisname aangeboden aan de bestuurlijke VNG-commissies Zorg, Jeugd en Onderwijs (ZJO), Participatie, Schuldhulpverlening en Integratie (PSI) en Bestuur en Veiligheid. Artikel 3.
Algemene bepalingen over voorzieningen De weigeringsgronden in het eerste lid, onder f en g, zijn als facultatief aangemerkt en hangen samen met de specifieke bepalingen voor ondersteuning van jongeren uit de doelgroep van artikel 7a, eerste lid, van de wet. De gemeente kan ervoor kiezen beide, één of geen van de facultatieve weigeringsgronden over te nemen. Gemeenten kunnen een voorziening weigeren op basis van de leeftijd van een persoon (onderdeel f), waarbij het aan gemeenten zelf is om de specifieke leeftijdsgrens te bepalen. Deze keuze laat echter de leerplicht en grenzen die de Arbowetgeving stelt aan werkzaamheden voor minderjarigen onverlet. Jongeren tot zestien jaar zijn leerplichtig en horen in hoofdzaak onderwijs te volgen. Daarnaast mogen personen van zestien en zeventien jaar geen werk verrichten dat hun gezondheid of veiligheid in gevaar brengt, zoals werkzaamheden met gevaarlijke machines, zwaar tillen of nachtdiensten. Voor personen jonger dan zestien jaar gelden daarnaast specifieke beperkingen met betrekking tot werktijden en werkzaamheden. Daarom wordt voorgesteld een leeftijdsgrens van zestien jaar te hanteren. Wanneer een school de gemeente om ondersteuning van een jongere verzoekt, is het de taak van de school om het overgangsdocument aan de gemeente te verstrekken.
Als het overgangsdocument ontbreekt, kunnen gemeenten bepalen dat dit een reden is om een voorziening te weigeren (onderdeel g). Artikel 7. Scholing In deze bepaling vervalt het facultatieve derde lid. Deze wijziging is alleen van belang voor gemeenten die het derde lid uit het oorspronkelijke model hebben overgenomen in hun lokale verordening. Met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk is de doelgroep uitgebreid en is deze eerder als facultatieve weigeringsgrond opgenomen bepaling niet langer passend. Artikel 8. Participatieplaats Met de Wet van school naar duurzaam werk wordt artikel 7 van de Participatiewet gewijzigd. Het achtste lid vervalt en uit het derde lid volgt nu dat jongeren onder de 27 jaar niet tot de doelgroep behoren van de participatieplaats, bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet. De toelichting bij het model is hierop aangepast, maar omdat de raad de toelichting niet vaststelt is die wijziging enkel relevant op het moment dat de verordening in zijn geheel opnieuw wordt vastgesteld, hetgeen niet wordt geadviseerd (de VNG adviseert een wijzigingsbesluit te nemen). Voor de uitvoeringspraktijk is het wel van belang om te weten dat er op dit punt een wijziging in de Participatiewet heeft plaatsgevonden waardoor de reden voor de opgenomen minimale leeftijd nu voortvloeit artikel 7, derde lid, van de Participatiewet. Artikel 10.
Ondersteuning bij leer-werktraject Dit betreft een facultatieve bepaling. De voorziening voor een leer-werktraject volgt reeds uit artikel 7a, derde lid, en is bedoeld als voorliggende voorziening voor personen zonder startkwalificatie. Met deze bepaling kunnen gemeenten ervoor kiezen om aanvullende ondersteuning bij een leer-werktraject aan
Bijlage 4/4 bij VNG ledenbrief, december 2025
te bieden. De Participatiewet stelt hierin geen beperking, waardoor gemeenten zelf kunnen bepalen hoe zij deze ondersteuning vormgeven. Deze bepaling is van belang voor gemeenten die deze bepaling willen overnemen of de bepaling op basis van het vorige model in hun lokale verordening hebben opgenomen. Artikel 14a. Proefplaats In deze bepaling wijzigt het facultatieve zesde lid. Deze wijziging is alleen van belang voor gemeenten die het zesde lid uit het oorspronkelijke model hebben overgenomen in hun lokale verordening of dat nu willen. Artikel 14c. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen In het tweede lid, onderdeel c, moeten gemeenten de leeftijdsgrens bepalen als onderdeel van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Het staat gemeenten vrij om deze leeftijdsgrens te bepalen, maar zij moeten hierbij rekening houden met de leerplicht en de grenzen die de Arbowetgeving stelt aan werkzaamheden voor minderjarigen. Een suggestie daarbij is om achttien jaar als grens te hanteren. In dat geval is er geen sprake van een wijziging ten opzichte van het bestaande model. Het is ook denkbaar om zestien jaar als minimumleeftijd te kiezen.
Om verwarring met betrekking tot de voorwaarden voor deze voorziening te voorkomen, is gekozen voor een alternatieve opsomming van de voorwaarden. Die opsomming brengt op zichzelf geen inhoudelijk wijziging met zich mee, maar slechts een verduidelijking van de oorspronkelijke bepaling. Artikel 14p. Specifieke ondersteuning Dit betreft een facultatieve bepaling. Voor de doelgroep uit artikel 7a, eerste lid, kan specifieke ondersteuning worden aangeboden, bijvoorbeeld door het organiseren van een inloopspreekuur, workshops of netwerkbijeenkomsten. Het staat gemeenten vrij om te bepalen op welke wijze zij deze ondersteuning vormgeven. Artikel 14q. Verzoeken van scholen en onderwijsinstellingen In het eerste en tweede lid moeten gemeenten een keuze maken voor de termijn waarbinnen de gemeente een verzoek om een voorziening moet bevestigen of er een beslissing over moet nemen. In het eerste lid kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een termijn van twee weken voor een ontvangstbevestiging. Dit zorgt voor snelle terugkoppeling en transparantie richting de scholen. Denkbaar is dat in het tweede lid voor een langere termijn wordt gekozen om op het verzoek te beslissen. Zo kan een termijn van zes weken voldoende ruimte bieden voor een zorgvuldige beoordeling, inclusief eventuele afstemming met betrokken partijen, zonder onnodige vertraging voor verzoek tot ondersteuning.
Inwerkingtreding De wijzigingen als gevolg van de Wet van school naar duurzaam werk treden in werking met ingang van 1 januari 2026. Omdat deze wijzigingen begunstigend zijn, kan terugwerkende kracht worden verleend aan deze wijziging van de Verordening als deze later dan 1 januari 2026 wordt vastgesteld door de raad.
Bijlage 4/4 bij VNG ledenbrief, december 2025