Bijlage vraag: Epe- Hoofdstraat 90-94 Toelichting
Tekst van het document
In noordelijke richting wordt het verkeer in de richting van de kruising Beekstraat, Willem Tellstraat en vervolgens op de Hoofdstraat ontsloten. In zuidelijke richting naar de kruising Emmastraat – Hoofdstraat – Korte Kuipersweg.
29/52
Met de beoogde ontwikkeling worden naast de 2 bestaande woningen 11 extra woningen mogelijk gemaakt, waardoor meer verkeersbewegingen ontstaan van en naar het projectgebied. De HEMA neemt met de beoogde ontwikkeling in bruto vloeroppervlak iets af (200m²) dan in de huidige situatie. Naar verwachting blijft daardoor het aantal verkeersbewegingen gelijk. Het aantal verkeersbewegingen is in onderstaande tabel op basis van de kengetallen van het CROW (publicatie 381) in beeld gebracht. Het CROW biedt een handreiking voor bijvoorbeeld het bepalen van het aantal verkeersbewegingen (de verkeersgeneratie) die een bepaalde functie genereert, maar ook voor de parkeernorm. In tabel 1 zijn alle verkeersbewegingen in beeld gebracht, daarnaast is er onderscheid gemaakt in bestaande en nieuwe functies. Functie
Aantal/ Norm mvt/etm oppervlak Koop, appartementen midden 6 5,1 per woning Koop, appartementen duur 7 6,8 per woning Detailhandel (NIEUW) 985m² 30,6 per 100 m² bvo Totaal verkeersgeneratie nieuwe ontwikkeling (afgerond) Tabel 1a: De totale verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling
verkeersgeneratie per etmaal 30,6 47,6 301,9 380
Functie
verkeersgeneratie per etmaal 30,6 47,6 -61,34 17
Aantal
Koop, appartementen midden 6 Koop, appartementen duur 7 Afname Detailhandel 200 ² totale toename verkeersgeneratie (afgerond) Tabel 1b: De (netto) toename van de verkeersgeneratie
Norm mvt/etm 5,1 per woning 6,8 per woning 30 ,6 per 100 m² bvo
Uit bovenstaande tabel (1a) blijkt dat door de beoogde ontwikkeling 380 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde werkdag wordt gegenereerd. Doordat de nieuwe HEMA 200 m² bvo kleiner wordt dan de huidige HEMA, zijn er per werkdag bijna 61 minder motorvoertuigbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. De afname van de verkeersbewegingen als gevolg minder m2 winkels verspreid zich over het gehele dorpscentrum. Door het toevoegen van 11 appartementen en de twee bestaande appartementen zorgen, door de parkeerkelder aan de achterzijde, voor een verkeerstoename van 78 verkeersbewegingen. Het projectgebied wordt aan de achterzijde ontsloten via de Beekstraat. Er is in tweerichtingen via de Beekstraat een aansluiting op de kruising Emmastraat – Hoofdstraat – Korte Kuipersweg. De meeste bestemmingen worden via deze route ontsloten (via N309/A50/A28). De centrumring geldt als ontsluitingsstructuur. Een secundaire ontsluiting naar het noorden loopt via de Willem Tellstraat-Pastoors Somstraat-Hoofdstraat. De verwachting is dat deze in beperkte mate zal worden gebruikt. Op voorhand wordt geconcludeerd dat de infrastructuur rondom het projectgebied over voldoende capaciteit beschikt om een dergelijke geringe aantal verkeersbewegingen te
30/52
kunnen afhandelen. In figuur 3.2 worden de mogelijke routes weergegeven.
Figuur 3.2
Ontsluiting projectgebied.
Parkeren De parkeernormen zijn vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren', dat is vastgesteld op 18 november 2018. In tabel 2 is op basis van parkeernormen uit het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren' de parkeerbehoefte van de totale ontwikkeling in beeld gebracht, daarbij is wederom onderscheid gemaakt tussen de bestaande en nieuwe functies. Functie aantal/oppervlak Koop, appartementen midden 6 Koop 7 , appartementen duur Detailhandel (NIEUW) 985 m2 bvo Totale toename in parkeerbehoefte nieuwe ontwikkeling (afgerond) Tabel 2a: de totale parkeerbehoefte.
P-norm 1,4 per woning 1,6 per woning
totaal 8,4 11,2
3,3 per 100 m² bvo
32,5 52
Functie Koop, appartementen duur Koop, appartementen midden Afname detailhandel
P-norm 1,6 per woning* 1,4 per woning* 3,3 per 100 m² bvo
totaal 11,2 8,4 -6,6
31/52
aantal 7 6 -200
Totale toename in parkeerbehoefte (afgerond) Tabel 2b: de (netto) toename van de parkeerbehoefte *waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers
13
Uit bovenstaande tabel 2a blijkt dat vanwege de beoogde ontwikkeling een parkeerbehoefte van 52 parkeerplaatsen wordt berekend. Uit bovenstaande tabel (2b) blijkt dat het een toename betreft van 13 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie moeten de bezoekers van de HEMA gebruik maken van de openbare parkeerplaatsen in het centrum. Dit blijft in de nieuwe situatie gelijk. Omdat het aantal bezoekers van de HEMA niet toeneemt, is er geen sprake van een toename van de parkeerbehoefte, er is zelfs sprake van een kleine afname in parkeerbehoefte (-6,6). Ten behoeve van de bovengelegen appartementen komt, zoals beschreven in paragraaf 2.2, onder het gebouw een parkeerkelder. In deze parkeerkelder worden 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze 13 parkeerplaatsen zijn voor de bewoners van de 13 appartementen. Voor de bezoekers van de woningen zijn 3,9 noodzakelijk (13*0,3=3,9); de bezoekers zullen moeten uitwijken naar parkeerplaatsen in de omgeving. Door de afname in detailhandel (-,6,6) neemt de parkeerdruk op de omgeving niet toe. Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
3.4
Conclusie
Gesteld kan worden dat de gewenste ontwikkeling, zoals beschreven in voorliggende onderbouwing, past in het beleid op zowel landelijk-, provinciaal- als gemeentelijk niveau.
32/52
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Archeologie en cultuurhistorie
4.1.1 Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden, zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. De gemeente Epe heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld. Waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Onderzoeksbureau Vestigia heeft in opdracht van de gemeente Epe onderzoek gedaan naar de archeologische verwachtingswaarde in het centrum van Epe.
Op basis van de Archeologische Verwachtingskaart zijn, ter bescherming van mogelijke archeologische resten, in het geldende bestemmingsplan 'Centrum Epe' dubbelbestemmingen opgenomen. 4.1.2 Toetsing Archeologie Zoals blijkt uit figuur 4.1 valt het projectgebied in de laag Historische nederzettingslocatie. Dit komt omdat de eerste bebouwing ontstond aanvankelijk langs de Dorpsstraat, oftewel de weg van Apeldoorn naar Zwolle (de huidige Hoofdstraat) en langs de Beekstraat. De eerste uitbreiding na 1887 vormde als het ware een verlenging van de bestaande lintbebouwing, Langs de Hoofdstraat en de Beekstraat.
33/52
Figuur 4.1 Uitsnede Archeologische verwachtingskaart Centrum Epe Toetsing Zoals aangegeven in paragraaf 1.3 heeft het projectgebied, op grond van het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. De voor 'Waarde - Archeologie-1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient, voor bouwwerken met een oppervlakte van groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. In onderhavige situatie is het gehele projectgebied bebouwd. De verwachting is dan ook dat de gronden tijdens de aanleg van de bestaande bebouwing reeds zijn verstoord. Aangezien met de beoogde ontwikkeling een parkeerkelder wordt gerealiseerd en dus dieper wordt gegraven dan de fundering van de huidige bebouwing is een archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4.
Archeologisch advies Op basis van het bureauonderzoek kunnen onder de huidige bebouwing nog resten van bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Resten van voor de Middeleeuwen zullen als gevolg van diverse bebouwingsfasen reeds vrijwel geheel verstoord zijn. Bovendien gold hiervoor een lage verwachting vanwege de ligging in een laaggelegen gebied. Gezien deze archeologische verwachting is verkennend booronderzoek
34/52
uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek zijn in de boringen 1-3 tot 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) humeuze, gevlekte lagen met hierin recent puin en mortel waargenomen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de bodem tot deze uit (sub-)recent verstoorde lagen bestaat. Mogelijk betreffen dit deels een pakket dat is opgebracht om een laagte langs de Dorpse Beek op te vullen. Hieronder bevinden zich eveneens antropogeen verstoorde lagen, maar hier kan sprake zijn van een oudere datering. In boring 3 zijn binnen dit traject baksteen- en houtskoolspikkels aangetroffen. Mogelijk betreffen dit ophogingslagen uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. De natuurlijke afzettingen bestaan uit matig grof, grindhoudend zand, geïnterpreteerd als smeltwaterafzettingen, waarin alleen een lichtgrijze C-horizont aanwezig is. Op basis van het booronderzoek kunnen vanaf 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd voorkomen. Geadviseerd om tijdens de graafwerkzaamheden in een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding te voorzien. Geadviseerd wordt om een bufferzone van 30 cm boven het mogelijke archeologische niveau te hanteren en de graafwerkzaamheden dieper dan 11,3 m NAP (1,2 à 1,5 m -mv) te begeleiden. Voor bovenstaande is door het archeologisch onderzoekbureau een programma van eisen opgesteld.
Dit programma van eisen is voorgelegd en goedgekeurd door de archeologisch adviseur van de gemeente Epe. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing In figuur 4.2 wordt een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Epe weergegeven. Uit dit figuur blijkt dat het projectgebied is gelegen in het gebied 'dorpskern 1832' en dat er in de omgeving meerdere cultuurhistorische objecten aanwezig zijn. Het projectgebied zelf is niet aangewezen als cultuurhistorische waardevol. De beoogde ontwikkeling is een perceelsgebonden ontwikkeling die geen negatieve invloed heeft op cultuurhistorische waarden. Zoals beschreven in paragraaf 2.2 versterkt de beoogde ontwikkeling juist de ruimtelijke kwaliteit van de hoofdstraat, wat ten goede komt aan de cultuurhistorie van het gebied. Het aspect cultuurhistorie vormt dat ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
35/52
Figuur 4.2 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart
4.2
Ecologie
4.2.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.2.2
Toetsing
Gebiedsbescherming Natura 2000 Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (in Gelderland: Gelders Natuurnetwerk GNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000 of Gelders Natuurnetwerk gebied. Gebiedsbescherming met betrekking tot GNN behoeft daarom geen bijzondere aandacht. Voor het aspect stikstofdepositie is via de AERIUS-calculator een berekening gemaakt. Deze berekening op opgenomen in bijlage 5. Hieronder worden de resultaten besproken.
36/52
Natura 2000-gebieden: impact stikstofdepositie Het projectgebied maakt geen deel uit van een natura 2000-gebied. Wel ligt het projectgebied op zeer korte afstand van de Veluwe. Gezien de afstand en de aard van de ingrepen is er geen sprake van directe aantasting, zoals effecten door geluid of optische verstoring van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Indirecte effecten door stikstofemissie in de realisatie of gebruikfase zijn mogelijk wel aan de orde. Om aantoonbaar te maken of er wel of geen sprake is van stikstofdepositie, is een stikstofberekening uitgevoerd waarvan de rapportage in bijlage 5 is opgenomen. Uit de berekening volgt dat voor de aanlegfase en de gebruiksfase geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
Figuur 4.3: Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling wordt een bestaand gebouw gesloopt. Met de sloop van dit gebouw kunnen beschermde soorten worden verstoord. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling in eerste een quickscan Ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Op basis van dit rapport kan wordt bepaald of er
37/52
eventueel aanvullend onderzoek nodig is, of dat de sloop en nieuwbouw kan worden uitgevoerd, zonder verdere maatregelen te treffen. Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat er mogelijk jaarrond beschermde nesten, algemene broedvogels en verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Voor jaarrond beschermde nesten en vleermuisverblijven dient nader onderzoek plaats te vinden. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen, dienen voor algemene broedvogels en vleermuizen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Voor vleermuizen die mogelijk een verblijfplaats in nabijgelegen boomholtes hebben, dient er verstoring door bouwverlichting voorkomen te worden. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin van het vogelbroedseizoen, dan dient het plangebied ruim voor aanvang van het broedseizoen preventief ongeschikt gemaakt te worden. Indien gestart wordt te midden van het vogelbroedseizoen, dient er eerst een controle plaats te vinden door een ter zake kundige ecoloog.
Afstemming Provincie Gelderland Om negatieve effecten voor de huismus, gierzwaluw, gewone vleermuis en ruige dwergvleermuis (verder) te voorkomen heeft de provincie Gelderland maatregelen voorgesteld: Plaatsen van acht vleermuis inbouwkasten in de nieuwbouw, deze vleermuiskasten moeten worden geplaatst conform de eisen uit het kennisdocument gewone dwergvleermuis van BIJ12. In de nieuwbouw worden acht huismusnestkasten en vijftien gierzwaluw inbouwenstenen gerealiseerd. De kasten worden geplaatst op de locaties van minimaal 3 meter hoogte en buiten bereik van predatoren, conform de kennisdocumenten Huismus en Gierzwaluw van BIJ12. De nog te slopen bebouwing wordt voorgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt. Er mag alleen ongeschikt worden gemaakt in het actieve seizoen van vleermuizen, lopend van 1 april tot 15 oktober en niet in de kwetsbare kraamperiode (tussen 1 mei en 15 juli) en buiten de broedperiode van de huismus en gierzwaluw. De meest geschikte periode voor het ongeschikt maken is dus tussen 1 september en 15 oktober. Het ongeschikt maken moet minimaal 2 weken voor de start van de werkzaamheden worden uitgevoerd. Echter tussen het ongeschikt maken en de start van de werkzaamheden moeten wel minimaal 3 dagen zitten waarop het weer bij zonsondergang geschikt is geweest voor vleermuizen.
Na deze drie dagen moet nogmaals met een avondcontrole, door een vleermuisdeskundige, en bij geschikt weer voor vleermuizen, gecontroleerd worden of de vleermuizen echt vertrokken zijn. Indien de werkzaamheden in de winterperiode moeten plaatsvinden, moet het ongeschikt maken en de controle tussen 15 september en 15 oktober plaatsvinden. Een deskundige op het gebied van vleermuizen dient de juiste methode van ongeschikt maken te bepalen. Aangezien het om sloop van de bebouwing gaat, worden bij voorkeur hoeken verwijderd en worden gaten van minimaal 0,75 meter bij 0,75 meter om de 4 meter in de spouw gemaakt. Dakbedekking, dakbeschot, gevelbetimmering, booiboorden, muurplaaten en kozijnen dienen zoveel mogelijk handmatig verwijderd te worden. Waar nodig kan de bebouwing met bouwlampen sterk verlicht worden.
38/52
Voor het ongeschikt maken voor vogels en vleermuizen mogen geen zelf expanderende vulmiddelen, netten of andere materialen worden gebruikt om gaten dicht te zetten. Indien bij de controleronde uitvliegende vleermuizen worden waargenomen, wordt in overleg met de ecologisch deskundige aanvullende maatregelen getroffen. Indien vleermuizen niet uit zichzelf vertrekken, moet contact worden opgenomen met de provincie Gelderland om toestemming te vragen voor aanvullende maatregelen. De voorgenomen werkzaamheden dien te worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis. De genoemde maatregelen worden onder begeleiding van een deskundige gecoördineerd en afgestemd.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1 Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.3.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling komt op de begane grond detailhandel en op de verdiepingen woningen, planologisch vindt er dus geen functiewijziging plaats. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen moet een recent (< 5 jaar) bodemonderzoek aangeleverd. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek (bijlage 7) uitgevoerd.
Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse, gezien de geringe mate van verontreiniging vooralsnog gezien geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Momenteel is het gehele plangebied bebouwd. Hierdoor is het niet mogelijk om een aanvullend onderzoek uit te voeren. Na de Sloop van het gebouw wordt het aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de in het verleden gesaneerde ondergrondse olietank.
39/52
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere: 1. woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; 2. kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.4.2 Toetsing Het project blijft ruim onder de grenswaarde van 1.500 woningen het plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Dit blijkt ook uit onderstaande berekening middels de NIBM-tool.
Uit de NIBM-tool blijkt dat deze verkeerstoename niet zorgt voor een toename van het gehalte stikstof en van fijnstof. Aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Er zijn geen belemmeringen voor het project vanuit dit aspect. Aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Tabel 3: NIBM-tool
40/52
4.5
Geluid
4.5.1 Toetsingskader In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde is te verlenen tot 63 dB in de bebouwde kom. Wegen waarvoor de zoneplicht niet geldt, zijn woonerven en wegen waarop een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. 4.5.2 Toetsing Het projectgebied ligt binnen de wettelijke (Wet geluidhinder) geluidzone van de Hoofdstraat. Voor de weg grenzend aan het projectgebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur en daarvoor geldt formeel geen verplichte beoordeling op basis van de Wet geluidhinder. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe woningen aan het gebied toegevoegd. Woningen worden in het kader van de Wet geluidhinder gezien als geluidgevoelige objecten. In het kader van een goed woon- en leefklimaat moet worden beoordeeld of voor het aspect geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8 Uit dit onderzoek blijkt dat Het plan leggen is binnen de geluidzone van de Beekstraat/Emmastraat/Hoofdstraat (50 km-wegen). Overige wegen in de omgeving zijn 30 km-wegen. Uit de wegverkeerslawaai berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde vanwege de Beekstraat/Emmastraat/ Hoofdstraat Korte Dreef wordt overschreden, maar de maximale grenswaarde niet. Voor het plan dienen hogere waarden te worden vastgesteld in het kader van de Wgh van ten hoogste Lden = 51
41/52
dB op de westgevel. Voor de oostgevels (zijde Hoofdstraat 30 km-weg) wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Uit de berekeningen blijkt verder dat niet gezoneerde 30 km-wegen op de oostgevels een hogere geluidbelasting veroorzaken dan de in het kader van de Wgh gezoneerde wegen. Bij het vaststellen van de benodigde geluidwering in de gevels van de woningen dient rekening te worden gehouden met de totale cumulatieve geluidbelasting, inclusief de 30 km-wegen. Op basis van dit onderzoek kan worden bepaald of aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan of dat er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld. Op grond van het Bouwbesluit 2012 dient de karakteristieke geluidwering GA;k van een verblijfsgebied ten minste te voldoen aan de geluidbelasting minus 33 dB. Op grond van tabel 5 dient de GA;k ten minste 23-25 dB(A) te bedragen. Door voor het gehele appartementengebouw een generieke geluidwering van GA;k = 25 dB(A) te realiseren, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de woningen.
4.6
Water
4.6.1
Toetsingskader
Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn: We beschermen ons gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners. Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen.
Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit.
42/52
Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Waterplan Epe De gemeente ligt op het overgangsgebied van de stuwwal van de Veluwe naar de IJssel. Het water van de Veluwe komt aan de flanken van de stuwwal aan de oppervlakte en watert af richting de lager gelegen IJssel. Op de Veluweflank loopt dit watersysteem van west naar oost. In de IJsselvallei loopt het watersysteem van zuid naar noord. Deze twee stroomgebieden hebben een grote invloed op de waterhuishouding in de gemeente Epe. Het Waterplan Epe beschrijft hoe de gemeente Epe de komende jaren wil omgaan met het water in de gemeente. De gemeente stelt dat er op het eigen terrein 25 mm dynamische waterberging geborgen dient te worden.
4.6.2 Toetsing Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De ontwikkeling is aan het waterschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets. Uit deze digitale watertoets (zie bijlage 9), blijkt dat voor dit project de korte procedure gevolgd moet worden. In het projectgebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het projectgebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.
Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen
43/52
Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Gebiedsspecifieke aandachtspunten Grondwaterfluctuatiezone Het projectgebied ligt binnen de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om daarmee toekomstig grondwateroverlast te voorkomen.
Met de beoogde ontwikkeling is er geen toename in verharding, watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk. Met de verdere uitwerking van het plan, zoals hemelwater en de te realiseren parkeerkelder wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap.
4.7
Bedrijven- en milieuzonering
4.7.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor het bepalen van de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woonomgevingen en gemengde gebieden. 4.7.2 Toetsing Met dit project worden milieugevoelige functies toegevoegd, namelijk woningen. Gezien de ligging, nabij het centrum en belangrijke infrastructuren (spoor en weg) kan het gebied getypeerd worden als gemengd gebied. Hierdoor kan de richtafstand conform de VNG-publicatie een trede lager worden bijgesteld. In tabel 2 zijn de richtafstanden weergegeven. Tabel 2: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering
44/52
Op grond hiervan geldt het omgevingstype 'gemengd gebied' voor het projectgebied. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Met voorliggend plan wordt een woonfunctie mogelijk gemaakt. Wonen is geen milieubelastende functie. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. De HEMA is in de huidige situatie al aanwezig, daarnaast valt deze winkel in milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In voorliggende ontwikkeling wordt woningen mogelijk gemaakt. In de directe omgeving van het projectgebied liggen verschillende milieubelastende functies.
Het betreft centrum- horeca- en maatschappelijke bestemmingen. De richtafstand voor een gemengd gebied zijn voor de verschillende functies als volgt: Centrum: De dichtstbijzijnde centrumbestemming grenst aan het projectgebied (0 meter) bevindt zich op circa 20 meter afstand (panden aan de Hoofdstraat 84-86 en Hoofdstraat 96). In de huidige situatie zijn hier een kledingwinkels gevestigd. Hiervoor geldt maximaal milieucategorie 1 (richtafstand van 0 meter bij gemengd gebied). Horeca: Op 17 meter, tegen over het projectgebied, bevindt zicht de dichtstbijzijnde horecabestemming, hier zijn horecabedrijven met milieucategorie 1 en 2 toegestaan (maximale richtafstand van 10 meter bij gemengd gebied). Maatschappelijk: de dichtstbijzijnde maatschappelijke bestemming bevindt zich, aan de westzijde van het projectgebied (geen adres), op 3 meter. In de huidige situatie bevindt zich hier een museum/ atelier. Hiervoor geldt maximaal milieucategorie 1 (richtafstand van 0 meter bij gemengd gebied).
45/52
Aan alle richtafstanden conform de VNG-publicatie van de verschillende functies wordt (ruimschoots) voldaan. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt voorkomen dat bedrijven worden belemmerd in de mogelijkheden.
4.8
Kabels en leidingen
4.8.1 Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor de afweging van de aanvaardbaarheid van ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht. 4.8.2 Toetsing In of nabij het projectgebied liggen geen ruimtelijk relevante kabels en/of leidingen die invloed hebben op de beoogde ontwikkeling. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (een op de miljoen) bedraagt.
46/52
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Beleidsvisie gemeente Epe In september 2013 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan indien het gaat op een verplaatsing van een bestaande risicobron naar een bedrijventerrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde. In de visie is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd. 4.9.2
Toetsing
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied en omgeving weergegeven. Het projectgebied is met een blauwe lijn indicatief aangegeven.
47/52
Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl) Uit figuur 4.4 blijkt dat er een lpg-tankstation op circa 500 meter van het projectgebied ligt. Het LPG-tankstation heeft een doorzet van maximaal 1.000 m3 per jaar en kent een plaatsgebondenrisicocontour van 35 meter en een groepsrisicocontour van 150 meter. Het projectgebied valt buiten deze risicocontouren, waardoor een nadere verantwoording van het plaatsgebondenrisico en groepsrisico achterwege kan blijven. Op 470 meter is dat een bedrijf met ammoniakinstallatie aanwezig. Het plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van de ammoniakinstallatie op deze inrichting is beperkt en blijft binnen de inrichtingsgrens. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
48/52
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijk uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Belanghebbende Voor de direct omwonenden en andere belanghebbende is op 20 september 2020. Tevens is het plan aan de ondernemersvereniging gepresenteerd. De reacties zijn overwegend positief, zo blijkt ook uit de brief van de ondernemersvereniging (bijlage 2). Tijdens de informatieavond werden het ontwerp gepresenteerd en zijn de aanwezigen in 3 groepen verdeel. De genodigden kregen vervolgens de mogelijkheid te reageren op het ontwerp. Naar aanleiding van de opmerkingen en aandachtspunten vanuit de omwonenden overwegen we bij het indienen van de vergunning enkele ramen in de zijgevel aan te passen vanwege de privacy. Met het ontwerp van het woongebouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met bestaande ramen in de aangrenzende panden. Daarnaast is er voldoende afstand tussen de ramen waardoor naar verwachting dat de privacy niet geschaad zal worden. Ook werden er ideeën geopperd voor het gebruik van het Kunsthuis/ Kek-huisje aan de achterzijde van het projectgebied in het park en de geschikte combinatie ervan met de horeca van de HEMA. De initiatiefnemer heeft echter geen invloed op de invulling of het gebruik van het Kunsthuis. Dus hieraan zal verder geen vervolg worden gegeven. Bij de aan de overzijde gelegen horecagelegenheid zijn zorgen over schaduwhinder die ontstaat door de toename in bouwhoogte.
Om dit inzichtelijke te maken is voor onderhavige ontwikkeling een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze studie is opgenomen in bijlage 3. Hieruit blijkt dat de zon vanuit het oosten en zuiden niet leidt tot belemmering van de nieuwbouw, aangezien de terrassen zich ten oosten van de nieuwbouw bevinden. Uit de studie blijkt dat het verschil (worst case) maximaal 1 uur zon per dag is door de nieuwbouw, veelal echter minder dan dat. Daarnaast zorgen de aanwezigheid van de leibomen langs beide zijden van de weg voor meer schaduw dan de nieuwbouw. De bezoningsstudie is besproken met de desbetreffende belanghebbende. Tijdens dit overleg zijn tussen de iniatiefnemer en belanghebbende tot de conclusie gekomen dat de vermindering van de bezonning van de terrassen dermate klein dat de belanghebbenden besloten hebben het bezwaar in trekken. In de verdere planvorming komen momenten dat belanghebbende op hoogte worden gesteld van de planontwikkeling.
49/52
Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal 6 weken ter visie worden gelegd. In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van de procedure opgenomen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Voorliggend project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten die gepaard gaan met het project en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het besluitgebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal is geregeld in een ontwikkelingsovereenkomst tussen de gemeente Epe en de initiatiefnemer. Ook is er een overeenkomst voor de verrekening van planschade afgesloten tussen beide partijen. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.
50/52
Hoofdstuk 6
Afweging en conclusie
Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo. Onderwerp van deze aanvraag is de realisatie van 10 extra woningen en het veranderen van de situering van de detailhandelfunctie. Door de realisatie van de parkeerkelder, is het gebouw aan de Hoofdstraatzijde voor een klein deel in de bestemming 'Verkeer' gelegen. Binnen deze bestemming is wonen en detailhandel niet toegestaan, waardoor de ontwikkeling in strijdig is met de bestemming. Met de ontwikkeling worden 13 appartementen op de verdiepingen mogelijk gemaakt. De functie wonen is niet strijdig, echter in de huidige situatie zijn slechts twee appartementen aanwezig. Aangezien op basis van de geldende regeling het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het bestaande, ontstaat er strijdigheid met het geldende bestemmingplan Tot slot krijgt de nieuwbouw een bouwhoogte van 11 meter. Op basis van het huidige bestemmingsplan is aan de Hoofdstraat zijde een bouwhoogte van 10 meter toegestaan, aan de parkzijde is een maximale bouwhoogte van 7 meter toegestaan. De beoogde ontwikkeling is daarmee in strijd met de bouwregels uit het geldende bestemmingsplan. Afweging Het project is getoetst aan het bestemmingsplan. Er is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3).
Het project is in overeenstemming met overige relevante beleidskaders op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau (Hoofdstuk 3). Vervolgens is het project getoetst aan milieu- en omgevingsaspecten (Hoofdstuk 4). Voor diverse aspecten is onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het kader van de Wet geluidhinder een hogere grenswaarde moet worden aangevraagd. Uit het bodemonderzoek blijkt dat milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Na de sloop van het gebouw dient nog wel aanvullend onderzoek plaats te vinden, waarbij rekening gehouden moet worden met de in het verleden gesaneerde ondergrondse olietank. Voor het aspect archeologie wordt geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren. Het onderzoek is voor advies voorgelegd aan de archeologisch adviseur van de gemeente Epe en de provincie Gelderland, zie hiervoor paragraaf 4.2.2. Ten aanzien van de overige omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen geconstateerd. Tot slot wordt de uitvoerbaarheid van het plan beoordeeld (Hoofdstuk 5). De aanvraag inclusief relevante stukken wordt ter inzage gelegd. Eventuele zienswijzen worden meegewogen bij het besluit tot het verlenen van de vergunning. Het kostenverhaal is geregeld in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Epe en de initiatiefnemer.
Met het bovenstaande in acht genomen, is het project in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten op alle niveaus en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving.
51/52
Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
52/52