CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - Bijlagen bij de motivering Bijlage 6 Quickscan Flora en Fauna

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente EpeBij agendapunt: Hamerstuk: Wijzigen omgevingsplan Ledderweg 48, 8161SX Epe12.055 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

5 alinea's met “opening”: 145 146 147 160 164

Quickscan Natuur Ledderweg 48-50 te Epe Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2024-1033

Datum:

16 juli 2024 (revisie: 18 juli 2025)

Samensteller:

ing. J. van Hoorn

Collegiale toets:

drs. C.J. van Soolingen

Opdrachtgever:

Buro SRO Oost B.V.

Contactpersoon:

M. Schuijl

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

9

2 Methode

10

2.1

Uitvoering onderzoek

10

2.2

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

20

3.3

Gebiedsbescherming

21

3.4

Houtopstanden

23

4 Conclusie en vervolg

24

4.1

Conclusie

24

4.2

Effecten

24

4.3

Vervolgstappen en maatregelen

24

Samenvatting Aan de Ledderweg 48-50 te Epe is een bedrijfsperceel met twee woningen, een tuinhuis, een bedrijfsruimte en groenstructuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande tuinhuis en de bedrijfsruimte op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van drie nieuwe woningen. Ook wordt hiervoor een deel van de groenstructuren ten zuiden van de huidige bebouwing verwijderd. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep

Bescherming

Planten Grondgebonden zoogdieren Bunzing Wezel Steenmarter Vleermuizen

Mogelijke functie

Vervolgstap (H4.3)

Nee Rust- of verblijfplaats en foerageergebied

HR

Marteronderzoek

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Nee Nee

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Vervolgstap (H4.3)

Natura 2000 (stikstofgevoelig) Gelders Natuurnetwerk Groene Ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur

400 m 400 m 300 m 10 km 3,4 km 500 m

Stikstof Geen Geen Geen Geen Geen

Stikstofonderzoek

Onderdeel

Uitzondering

Vervolgstap (H4.3)

Afwezig Aanwezig

n.v.t. Ja

Houtopstanden Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2

Zorgplicht

Effecten

Vervolgstap (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja

Algemene maatregelen

4

1 Inleiding Aan de Ledderweg 48-50 te Epe is een bedrijfsperceel met twee woningen, een tuinhuis, een bedrijfsruimte en groenstructuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande tuinhuis en de bedrijfsruimte op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van drie nieuwe woningen. Ook wordt hiervoor een deel van de groenstructuren ten zuiden van de huidige bebouwing verwijderd. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art. 4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Ledderweg 48-50 te Epe.

5

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Ledderweg 48-50 te Epe (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel met twee woningen, een bedrijfspand, een aanbouw een tuinhuis en een terrein ten zuiden hiervan bestaande uit verschillende groenstructuren. Hieronder volgt een opsomming van de bebouwing: 1.

Dit betreft het bedrijfspand, welke is opgetrokken uit houten planken zonder luchtspouw. Het bedrijfspand is bekleed met een golfplaten dak zonder dakbeschot. Dit pand wordt gebruikt voor opslag van materialen en voor het uitvoeren van werkzaamheden. Het bedrijfspand wordt gesloopt in de beoogde ruimtelijke ingreep. 2. Dit betreft de aanbouw van de woning op nummer 50 (5). De aanbouw is opgetrokken uit baksteenmuren zonder (toegankelijke) luchtspouw en bevat een bitumen dak met dakbeschot. Het zuidelijke deel hiervan zal gesloopt worden in de beoogde ruimtelijke ingreep. 3. Dit betreft het tuinhuis behorend bij de woning op nummer 50 (5). Het tuinhuis is opgetrokken uit potdeksel- en glazen wanden zonder luchtspouw. Het dak is bekleed met dakshingles en bevat dakbeschot. Het tuinhuis zal gesloopt worden in de beoogde ruimtelijke ingreep. 4. Dit betreft de woning op nummer 48. De woning is opgetrokken uit baksteenmuren zonder luchtspouw en bevat een dakpannen dak met dakbeschot. Deze bedrijfswoning blijft behouden en wordt omgezet naar burgerwoning. 5. Dit betreft de woning op nummer 50, welke is opgebouwd uit baksteenmuren zonder luchtspouw. Het dak is bekleed met dakpannen en bevat dakbeschot. Deze woning blijft tevens behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep. Hieronder volgt een opsomming van de terreininrichting ten zuiden van de bebouwing: A.

Dit betreft een grasweide met verruigde vegetatie, enkele lage fruitbomen en meerdere hoge fijnsparren. Mogelijk worden hier enkele lage bomen gekapt en wordt de verruigde vegetatie verwijderd. De hoge fijnsparren aan de noordwestzijde van dit gebied blijven behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep. B. Dit betreft een braakliggend terrein met verruigde vegetatie, bestaande uit grassen en verschillende onkruiden, zoals grote brandnetel en gewone braam. Aan de noordoostzijde zijn tien jonge haagbeuken gesitueerd. Aan de zuidoostzijde is een bomenrij van fijnsparren gesitueerd. Aan de zuidwestzijde is een houtwal gelegen welke onder andere bestaat uit hazelaar, laurierkers en Spaanse aak. Ten oosten hiervan is een pad van houtsnippers gelegen, met op meerdere plaatsen houtstapels. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden de fijnsparren gekapt en wordt het verruigde terrein samen met de tien jonge haagbeuken verwijderd. Ook worden de houtstapels verwijderd. De houtwal aan de zuidwestzijde blijft behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep. C. Dit betreft een deel van een weide bestaande uit grassen, met in het midden één iep, welke behouden blijft in de beoogde ruimtelijke ingreep. Ten zuiden hiervan is een houtwal gelegen, welke tevens behouden blijft in de beoogde ruimtelijke ingreep. Een deel van de grasweide zal verwijderd worden.

De planlocatie betreft een bedrijfsperceel met ten zuiden hiervan verschillende groenstructuren gesitueerd. Het bedrijfsperceel wordt intensief gebruikt met zware machines. De groenstructuren worden op de meeste plaatsen onderhouden met een laag kwaliteitsbeeld. Ten noordoosten van de planlocatie is een niet waterhoudende greppel gelegen, waarvan een deel mogelijk gedempt wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep. In figuur 1.3 t/m 1.5 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

6

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Ledderweg 48-50 te Epe. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door groenstructuren zoals grasweides, houtwallen en groen ingerichte tuinen en bebouwing. De planlocatie is gelegen in het buurtschap Zuuk, ten zuidoosten van Epe. Op circa 860 m afstand ten zuiden van de planlocatie is een bosgebied gesitueerd. Het Apeldoornsch kanaal is gelegen op circa 780 m afstand ten oosten van de planlocatie. De A50 en N309 bevinden zich respectievelijk op circa 330 m afstand ten oosten en op circa 130 m afstand ten noorden van de planlocatie.

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de volgende gebouwen te slopen: 1: het bedrijfspand (1); 2: een deel van de aanbouw (2) ten zuiden van de woning op huisnummer 50; 3: het tuinhuis (3) behorend bij het huis op huisnummer 50. De twee woningen (4 & 5) blijven behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep.

7

Figuur 1.4 Op de planlocatie is men voornemens om een deel van de terreininrichting te verwijderen: 1: de grasweide (A) ten zuidwesten van de bebouwing; 2: het braakliggende terrein (B) met verruigde vegetatie ten zuidoosten van de bebouwing; 3: het pad met houtsnippers en houtstapels aan de zuidwestzijde van het braakliggend terrein (B) 4: de grasweide (C) met één iep en een houtwal ten zuidoosten hiervan. Hier zal enkel een deel van de grasweide verwijderd worden.

Figuur 1.5 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

8

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van het bedrijfspand (1), een deel van de aanbouw (2) en het tuinhuis (3) en het verwijderen van een deel van de terreininrichting, waaronder (verruigde) vegetatie, meerdere bomen en houtstapels ten behoeve van de realisatie van drie nieuwe woningen. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van het bedrijfspand, deel van de aanbouw en het tuinhuis: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van jonge haagbeuken, meerdere fijnsparren en mogelijk enkele lage fruitbomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • mogelijk deels dempen van de greppel aan de noordoostzijde van de planlocatie: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.6 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO).

9

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 juli 2024 en is uitgevoerd door ing. J. van Hoorn. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 1/8 bewolkt, 21 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d.

25 juli 2024. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de smalle raai (NDFF 20192024). De smalle raai is waargenomen op circa 1,5 km afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 20192024). De smalle raai groeit op zonnige, warme en open plaatsen, zoals langs graanakkers op kalkhellingen, op akkerranden en op stenige plaatsen (wilde-planten smalle raai, 2024). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel met bedrijfsruimte en ten zuiden hiervan verschillende groenstructuren. Geschikte groeiplaatsen zoals (graan)akkers en stenige plaatsen ontbreken. Daarnaast zijn de zonbeschenen terreindelen in een vergevorderd stadium van successie, gezien de overwoekering door grassen en grote brandnetel.

Wegens het ontbreken van geschikt habitat en de mate van successie kunnen negatieve effecten ten aanzien van de smalle raai uitgesloten worden. De planlocatie betreft een bedrijfsperceel met ten zuiden hiervan verschillende groenstructuren. Deze groenstructuren worden op de meeste plaatsen onderhouden met een laag kwaliteitsbeeld. Hierdoor is het terrein op veel plaatsen overwoekerd met grassen en grote brandnetel, wat duidt op een hoog stikstofgehalte in de bodem. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, gewone klit, grote brandnetel, grote klaver, hondsdraf, klimop, klein streepzaad, kruipende boterbloem, laurierkers, paardenbloem en taxus. De planlocatie is enkel betegeld rondom de woningen en het bedrijfspand. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De grasweide (A) ten zuidwesten van de bebouwing bestaat uit verruigde vegetatie, enkele lage fruitbomen, waaronder appel- en perenbomen en meerdere hoge fijnsparren welke zijn begroeid met klimop. In dit deel worden mogelijk enkele fruitbomen gekapt. Aan de zuidoostzijde van het braakliggende terrein (B) zijn circa 20 fijnsparren gesitueerd, welke gekapt worden in de beoogde ruimtelijke ingreep.

De houtwal aan de zuidwestzijde hiervan bestaat voornamelijk uit Canadese kornoelje, hazelaar, laurierkers en Spaanse aak. Deze houtwal blijft behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, edelhert, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, edelhert, otter, rode eekhoorn, steenmarter en wezel.

11

De bever en otter zijn waargenomen bij het Apeldoornsch kanaal op circa 750 m afstand ten oosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De bever en otter zijn beide gebonden aan water. Beide soorten leven in het overgangsgebied tussen water en land, waarbij natuurlijke oevers met genoeg bomen en bosschages van groot belang zijn. De bever knaagt bomen en bosjes om, om zo bij de jonge takken en bladeren te kunnen komen welke dienen als voedsel of voor het bouwen van een burcht. De otter is afhankelijk van dichte oevervegetaties en bosschages welke gebruikt worden als rustplaats (BIJ12 kennisdocument bever, 2017; zoogdiervereniging otter, 2024). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater gelegen. Er is enkel een ondiepe greppel ten noordoosten van de planlocatie gesitueerd (figuur 3.1). Echter is deze greppel niet waterhoudend en vormt het derhalve geen geschikt leefgebied of geschikte migratieroute voor bevers en otter. Daarnaast is de A50 als barrière gelegen tussen de planlocatie en locaties van bekende waarnemingen van de bever en de otter. Wegens het ontbreken van geschikt habitat en de A50 als tussenliggende barrière kunnen negatieve effecten ten aanzien van de bever en de otter uitgesloten worden.

Figuur 3.1 De greppel ten noordoosten van de planlocatie, welke weinig tot geen water bevat. De boommarter is waargenomen op circa 580 m afstand ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De boommarter komt voornamelijk voor in bosgebieden met genoeg oude bomen, maar ook regelmatig in (stads)parken. De soort gebruikt oude roofvogel- of eekhoornnesten in hoge boomtoppen van dennen en sparren als slaapplaats. Grote boomholtes worden vaak als kraamplaats gebruikt (zoogdiervereniging boommarter, 2024). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel met ten zuiden hiervan verschillende groenstructuren welke onder andere bestaan uit bosschages, verruigde vegetatie en grasland. Ook zijn er tussen locaties van bekende waarnemingen van de boommarter en de planlocatie verschillende groenstructuren met bosschages gelegen, waardoor de planlocatie te bereiken is door de boommarter. Op de planlocatie zijn echter geen nesten of holtes aangetroffen in de bomen en sporen zoals uitwerpselen, krabsporen en prooiresten zijn niet gevonden. Derhalve kunnen vaste rust- of verblijfplaatsen van de boommarter uitgesloten worden. Mogelijk wordt de planlocatie wel gebruikt als foerageergebied.

Echter zijn er in de directe omgeving veel vergelijkbare plaatsen aanwezig welke gebruikt kunnen worden als alternatief foerageergebied, waardoor er geen sprake is van aantasting van essentieel leefgebied. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de boommarter uitgesloten.

12

De bunzing en wezel zijn waargenomen op respectievelijk circa 180 m afstand ten zuidoosten en 750 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De bunzing en wezel zijn beide kleine marterachtigen, welke voornamelijk voor komen in kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden, zoals houtwallen, greppels, heggen en natuurlijke oevers. De bunzing en wezel maken gebruiken van verschillende typen rust- en verblijfplaatsen. Vaak zijn dit bestaande (muizen)holen, steen- of takkenhopen of dichte bosschage. De foerageergebieden zijn divers, waarbij de belangrijkste voorwaarde een hoge prooidichtheid en voldoende beschutting is. Vooral de wezel is erg gevoelig voor predatie en wijkt vaak niet verder dan 5 m af van beschutting. Hoewel bij de bunzing vaak sporen als prooiresten en uitwerpselen aangetroffen worden in het geval van een vaste rust- of verblijfplaats, is dit bij de wezel niet altijd het geval vanwege zijn kleine formaat (BIJ12 kennisdocument kleine marterachtigen, 2024; zoogdiervereniging bunzing en wezel, 2024). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel met ten zuiden hiervan verschillende groenstructuren, waaronder verruigde vegetatie en bosschage. Ook zijn er verspreid over het terrein meerder houtstapels gesitueerd, welke kunnen dienen als rust- of verblijfplaats voor kleine marterachtigen (figuur 3.2).

Rondom de planlocatie zijn meerdere percelen gelegen met structuurrijke randen en bosschages, welke gebruikt kunnen worden als foerageergebied (figuur 3.2). Tevens kunnen de verruigde delen op de planlocatie gebruikt worden als foerageergebied. Gezien er op de planlocatie een combinatie is van geschikt leefgebied, geschikte rust- en verblijfplaatsen en de afstand tot locaties van waarnemingen van de bunzing en wezel klein is, kunnen negatieve effecten ten aanzien van beide soorten niet met zekerheid uitgesloten worden. Derhalve dient met aanvullend onderzoek aangetoond te worden of de planlocatie een essentiële functie vervuld voor de bunzing en wezel (H4.3).

13

Figuur 3.2 1: zowel de grasweides als de delen met verruigde vegetatie vormen geschikt foerageergebied voor marterachtigen; 2: de houtstapels welke verspreid over het terrein liggen vormen geschikt rust- en verblijfplaatsen voor marterachtigen. De das is waargenomen op circa 280 m afstand ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De das komt voornamelijk voor in kleinschalige akker- en weidelandschappen waar voldoende beschutting aanwezig is, zoals houtwallen, bosjes, greppels en heggen. Hierbij is een hoge wormendichtheid van belang, aangezien dit het voornaamste voedsel is van de das. De das maakt gebruikt van een netwerk aan verblijfplaatsen, zoals hoofdburchten en vluchtpijpen (zoogdiervereniging das, 2024). De planlocatie bestaat onder andere uit bosschage, verruigde vegetatie en grasland. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen zoals neusputjes of wissels aangetroffen, welke duiden op de aanwezigheid van de das. Ook zijn er geen burchten of vluchtpijpen gevonden. Mogelijk vormt de grasweide (C) ten zuiden van de bebouwing geschikt foerageergebied voor de das. Echter zijn er in de directe omgeving genoeg alternatieve foerageergebieden voorhanden en heeft de planlocatie een relatief kleine omvang.

Tevens blijven eventuele migratieroutes behouden, gezien de planlocatie grenst aan structuurrijk agrarisch gebied wat niet wordt aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep. Wegens bovengenoemde reden essentiële functies voor de das uitgesloten worden op de planlocatie. Derhalve is er geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van de das.

14

Het edelhert is waargenomen op circa 175 m afstand ten oosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Het edelhert komt vooral voor in bosgebieden grenzend aan grasgebieden en in rivierdalen met ooibossen, waar een grote beschikbaarheid is aan plantaardig voedsel, zoals gras, zeggen, boomschors, zaden en jonge bladeren (zoogdiervereniging edelhert, 2024). De planlocatie bestaat onder andere uit een kleine bosschage, verruigde vegetatie en grasland. Mogelijk wordt de planlocatie incidenteel gebruikt als foerageergebied. Echter zijn er in de directe omgeving van de planlocatie veel grasweides, agrarische percelen en bosgebieden gelegen welke geschikt zijn als alternatief leefgebied. Gezien de beperkte omvang van de planlocatie en de grote hoeveelheid alternatieve leefgebieden in de directe omgeving hiervan, kunnen negatieve effecten ten aanzien van het edelhert uitgesloten worden. De rode eekhoorn is waargenomen op circa 750 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De rode eekhoorn komt voor in (gemengde) bossen, parken en regelmatig in groen ingerichte tuinen nabij bossen. De soort maakt grote slaapnesten op een hoogte van minimaal 5 m, of gebruikt oude spechtenholen als rust- of verblijfplaats (zoogdiervereniging eekhoorn, 2024). Op de planlocatie zijn geen nesten of spechtenholen aangetroffen.

Tevens blijft een groot deel van de bomen op en rondom de planlocatie behouden. Mogelijk vormt de planlocatie geschikt leefgebied voor de rode eekhoorn. Echter zijn er in de directe omgeving genoeg bosgebieden en bosschages gesitueerd welke kunnen dienen als alternatief leefgebied. Tevens blijven er op de planlocatie veel bomen behouden. Wegens het ontbreken van rust- of verblijfplaatsen, de grote hoeveelheid alternatieve leefgebieden in de directe omgeving van de planlocatie en het grote aantal bomen dat op de planlocatie behouden blijft, is er geen sprake van aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied van de rode eekhoorn. De steenmarter is waargenomen op circa 150 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 20192024. De steenmarter komt vooral voor in kleinschalige landschappen, zoals parken of nabij steden, dorpen en boerderijen. Rust- en verblijfplaatsen worden vaak gevonden in steenachtige biotopen, zoals in rommelschuurtjes en gebouwen. Ook maakt de steenmarter gebruik van houtstapels als verblijfplaats. Hierbij is de aanwezigheid van structuurrijke elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang voor de migratie tussen gebieden (zoogdiervereniging steenmarter, 2024). De planlocatie betreft een bedrijfsperceel met bedrijfspand en ten zuiden hiervan groenstructuren bestaande uit bosschages, verruigde vegetatie en grasland.

Het bedrijfspand kent veel rommelhoekjes welke zouden kunnen dienen als verblijfplaats voor de steenmarter. Echter vindt hier veel verstoring plaats door de werkzaamheden die hier uitgevoerd worden. De groenstructuren ten zuiden hiervan kunnen echter ook geschikt leefgebied vormen. De houtstapels kunnen door de steenmarter gebruikt worden als rust- of verblijfplaats en de verruigde vegetatie en het grasland kan dienen als foerageergebied. Gezien de korte afstand tussen de locaties van bekende waarnemingen en de planlocatie kan niet met zekerheid uitgesloten worden dat de planlocatie essentiële functies vervult voor de steenmarter. Derhalve dient dit met aanvullend onderzoek aangetoond te worden (H4.3). Door voornoemde kan niet met zekerheid uitgesloten worden dat er sprake is van essentiële functies op de planlocatie voor bunzing, wezel en steenmarter. Derhalve dient dit met aanvullend onderzoek aangetoond te worden (H4.3). Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46).

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. 15

De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Hieronder volgt een beoordeling per bebouwing: 1: Het bedrijfspand is opgetrokken uit houten planken zonder luchtspouw en bevat een golfplaten dak zonder dakbeschot. Gezien een luchtspouw en open dakruimte hier ontbreekt, kunnen vleermuisverblijfplaatsen hier uitgesloten worden. 2: De aanbouw van de woning op nummer 50 is opgetrokken uit baksteenmuren zonder luchtspouw en bevat een bitumen dak met dakbeschot. Er zijn geen openingen aangetroffen in de dakrand, waardoor de ruimte tussen dak en dakbeschot niet toegankelijk is. Tevens zijn er geen andere wegkruipplekken aangetroffen, waardoor vleermuisverblijfplaatsen hier uitgesloten kunnen worden. 3: Het tuinhuis behorend bij de woning op nummer 50 is opgetrokken uit potdeksel- en glazen wanden zonder luchtspouw. Het dak is bekleed met dakshingles en bevat dakbeschot.

Er zijn echter geen openingen aangetroffen in de dakrand. Tevens ontbreekt een luchtspouw en zijn andere donkere wegkruipplekken niet gevonden. Derhalve zijn vleermuisverblijfplaatsen hier uitgesloten. 4 & 5: De twee woningen zijn opgetrokken uit baksteenmuren zonder luchtspouw (pers. communicatie met eigenaar) en bevatten een dakpannen dak met dakbeschot. Het dakpannen dak bevat scheefliggende dakpannen en ruimte tussen de muur en kantpannen. Hierdoor is de ruimte tussen dak en dakbeschot toegankelijk voor vleermuizen en zijn vleermuisverblijfplaatsen hier niet uit te sluiten. Echter wordt dit deel van de bebouwing niet aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep. Aangezien het te slopen bedrijfspand direct gelegen is aan de woningen, dienen er enkele algemene maatregelen getroffen te worden om verstoring van vleermuizen te voorkomen (H4.3). Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie bestaat onder andere uit bosschages, verruigde vegetatie en grasland. Hoewel dit geschikt is als foerageergebied en als vliegroute, resulteert de beoogde ruimtelijke ingreep niet in afname van essentieel leefgebied.

In de directe omgeving van de planlocatie zijn veel vergelijkbare foerageergebieden gelegen, welke gebruikt kunnen worden als alternatief foerageergebied. Daarnaast blijft een groot deel van de bomen en bosschages behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een eventuele vliegroute blijft behouden. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden derhalve geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden aangetast. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibiesoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2019-2024). Voor de poelkikker geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De poelkikker is waargenomen op circa 750 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 20192024). De poelkikker komt voor in kleinschalige, schone, stilstaande wateren welke matig voedselrijk en zwak zuur zijn. Direct rond het voortplantingswater dient geschikt landhabitat aanwezig te zijn, zoals weilanden en (halfopen) bossen.

Overwintering vindt vaak plaats in muizenholletjes of onder stronken (BIJ12 kennisdocument poelkikker, 2017). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater gelegen. Er is enkel een ondiepe greppel gesitueerd ten noordoosten van de planlocatie. Deze greppel bevat echter weinig tot geen water en vormt derhalve geen geschikt voortplantingswater.

16

Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op de planlocatie kunnen negatieve effecten ten aanzien van de poelkikker uitgesloten worden. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de hazelworm (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De hazelworm is waargenomen langs de oevers van de Grift op circa 1 km afstand ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De hazelworm leeft over het algemeen in open bossen, bosranden, houtwallen, steenachtige biotopen en tuinen. Voor de hazelworm dient er genoeg beschutting te zijn, zoals een laag dood plantmateriaal of dood hout. De soort is erg gevoelig voor verstoring en versnippering (RAVON hazelworm, 2024). Mogelijk vormt de planlocatie geschikt leefgebied voor de hazelworm. Echter is de A50 gelegen tussen locaties van bekende waarnemingen en de planlocatie, waardoor de planlocatie onbereikbaar is voor de hazelworm. Daarnaast is er in de afgelopen vijf jaar één waarneming gedaan van de hazelworm. Wegens de versnippering door de A50 en het zeer beperkte aantal waarnemingen kunnen negatieve effecten ten aanzien van de hazelworm uitgesloten worden.

Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: beekprik en elrits (NDFF 2019-2024). De beekprik en elrits zijn waargenomen in de Klaarbeek en in de Grift op respectievelijk circa 470 m afstand ten zuiden en circa 780 m afstand ten oosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De beekprik en elrits zijn beide stromingsminnende soorten welke sterk afhankelijk zijn van een goede waterkwaliteit en natuurlijke waterlopen (RAVON beekprik en elrits, 2024). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater gesitueerd. Er is enkel een zeer kleine greppel ten noordoosten van de planlocatie gelegen. Echter bevat deze greppel weinig tot geen water en vormt dit derhalve geen geschikt leefgebied voor de beekprik en elrits. Ten aanzien van beide soorten zijn negatieve effecten uitgesloten. Gezien de greppel weinig tot geen water bevat, worden vissen hier in het algemeen niet verwacht. Derhalve hoeven er geen maatregelen getroffen te worden bij mogelijke dempwerkzaamheden. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en vliegend hert (NDFF 2019-2024). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De grote vos is waargenomen op circa 750 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 20192024). De grote vos is een zwervende dagvlinder welke voor komt in bosrijke omgevingen. Waardplanten van de grote vos zijn vaak iep, zoete kers of wilgensoorten, waarbij de ei-afzet plaats vindt in hoge, solitaire bomen (vlinderstichting grote vos, 2024). In de grasweide (C) ten zuiden van het braakliggende terrein (B) is één iep gesitueerd. Deze iep blijft echter behouden in de beoogde ruimtelijk ingreep, waardoor er geen sprake is van aantasting van waardplanten. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de grote vos uitgesloten.

De grote weerschijnvlinder is waargenomen op circa 750 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Komt vooral voor in vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of in beekdalen. 17

De waardplant van de grote weerschijnvlinder is voornamelijk boswilg, maar soms ook grauwe wilg (vlinderstichting grote weerschijnvlinder, 2024). Op de planlocatie zijn geen wilgen aangetroffen. Wegens het ontbreken van waardplanten van de grote weerschijnvlinder kunnen negatieve effecten ten aanzien van deze soort uitgesloten worden. De kleine ijsvogelvlinder is waargenomen op circa 1,3 km afstand ten westen van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De kleine ijsvogelvlinder is een standvlinder welke vooral voorkomt in gevarieerde, vochtige bossen zoals elzenbroekbos. De kleine ijsvogelvlinder gebruikt vooral wilde kamperfoelie, maar soms ook rode kamperfoelie als waardplant voor de ei-afzet (vlinderstichting kleine ijsvogelvlinder, 2024). Op de planlocatie is geen kamperfoelie aangetroffen, waardoor er dus geen sprake is van aantasting van waardplanten. Derhalve kunnen negatieve effecten ten aanzien van de kleine ijsvogelvlinder uitgesloten worden. De sleedoornpage is waargenomen op circa 1,1 km afstand ten noordwesten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De sleedoornpage komt voor op diverse plekken, zoals bij sleedoornstruwelen, houtwallen, bosranden, tuinen en parken in stedelijk gebied, waarbij de sleedoorn dient als waardplant. Ook worden vaak vrijstaande pruimensoorten gebruikt voor de ei-afzet.

Tijdens het veldbezoek zijn er geen sleedoorns aangetroffen tijdens het veldbezoek. Door het ontbreken van geschikte waardplanten op de planlocatie kunnen negatieve effecten ten aanzien van de sleedoornpage uitgesloten worden. De teunisbloempijlstaart is een pionierssoort welke vooral voor komt op open, warme plaatsen, zoals op braakliggende of ruderale terreinen. De ei-afzet vindt vooral plaats op teunisbloemen, maar ook op basterdwederiken, (harig) wilgenroosje en grote kattenstaart (vlinderstichting teunisbloempijlstaart, 2024). Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van de teunisbloempijlstaart aangetroffen. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart uitgesloten. Het vliegend hert is waargenomen op circa 750 m afstand ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De soort is, voor de ontwikkeling van haar larven, afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout. De aanwezigheid van oude, rottende eiken is daardoor belangrijk voor de soort (vlinderstichting vliegend hert, 2024). Op de planlocatie zijn geen oude eiken aanwezig en kunnen negatieve effecten ten aanzien van het vliegend hert derhalve uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: groene specht, huismus, koolmees, merel, putter, tjiftjaf en vink. Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20192024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied.

Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing.

18

De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Hieronder volgt een beoordeling voor huismus en gierzwaluw per gebouw: 1: Het bedrijfspand bevat een golfplaten dak zonder dakbeschot. De openingen tussen de houten wanden en het golfplaten dak zijn opgevuld met purschuim, waardoor deze openingen niet toegankelijk zijn voor huismussen en gierzwaluw (figuur 3.3). Het is voor huismussen onmogelijk om in het bedrijfspand een geschikt nestlocatie te vinden. Derhalve kan de aanwezigheid van huismus en gierzwaluw nestlocaties hier uitgesloten worden. 2: De aanbouw bevat een bitumen dak met dakbeschot. In de dakrand zijn geen openingen aangetroffen, waardoor dit dak voor huismus en gierzwaluw geen geschikte nestlocaties vormt.

Derhalve kunnen huismus en gierzwaluw nestlocaties hier uitgesloten worden. 3: Het tuinhuis is bekleed met dakshingles en bevat dakbeschot. Echter zijn er geen toegankelijke ruimtes aangetroffen in het dak, waardoor huismus en gierzwaluw nestlocaties hier uitgesloten zijn. 4 & 5: De woningen zijn bekleed met een dakpannen dak en bevatten dakbeschot. De daken bevatten scheefliggende dakpannen en er is ruimte aanwezig tussen de nok- en kantpannen en de muur, waardoor nestlocaties van huismus en gierzwaluw hier niet uitgesloten kunnen worden. Echter worden de woningen niet aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor er geen sprake is van het wegnemen van nestlocaties. Echter dienen er algemene maatregelen genomen te worden om verstoring zo veel mogelijk te voorkomen (H4.3). Mogelijk worden de groenstructuren ten zuiden van de bebouwing gebruikt als foerageergebied door huismussen. Echter blijft een groot deel van de groenstructuren behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep en zijn er in de directe omgeving van de planlocatie veel alternatieve foerageergebieden gelegen. Van aantasting van nestlocaties en essentieel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Het te slopen bedrijfspand is toegankelijk voor uilen, echter vindt hier zeer veel verstoring plaats en zijn er geen sporen aangetroffen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil).

Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Mogelijk wordt de planlocatie gebruikt als foerageergebied door uilen en roofvogelsoorten. Echter zijn er in de directe omgeving van de planlocatie veel vergelijkbare gebieden gelegen, welke als alternatief foerageergebied gebruikt kunnen worden. Derhalve is er op de planlocatie geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.

19

Figuur 3.3 Openingen tussen de houten wanden en het golfplaten dak zijn opgevuld met purschuim en derhalve niet toegankelijk voor huismussen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten.

Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn geen waarnemingen bekend van Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten (NDFF 2019-2024). Tijdens het veldbezoek is gezocht naar deze soorten, maar er zijn geen aanwijzingen van de aanwezigheid hiervan aangetroffen. Er is geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

20

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 400 m ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 3.4).

Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot het stikstofgevoelige Natura 2000gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van het bedrijfspand, een deel van de aanbouw, het tuinhuis en het verwijderen van een deel van de terreininrichting ten behoeve van de realisatie van drie nieuwe woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden klein genoeg is om te resulteren in negatieve effecten. Echter kan op voorhand uitgesloten worden dat de beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot significant negatieve effecten (trillingen, geluid, licht, optische verstoring etc.) op het Natura 2000gebied ‘Veluwe’. De planlocatie heeft een bedrijfsfunctie, waardoor er in de huidige situatie veel verstoring (trillingen, geluid, licht etc.) optreedt op en rondom het perceel. Rondom de planlocatie zijn bebouwing, infrastructuur, agrarisch gebied en groenstructuren gesitueerd. Op circa 200 m afstand ten zuiden van de planlocatie, tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied in, is een geasfalteerde, veelgebruikte weg gelegen.

Gezien de huidige functie van het perceel én de geasfalteerde weg tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied, vindt er in de huidige situatie al aanzienlijk veel verstoring plaats. Het slopen van de bebouwing en de realisatie van drie woningen zal gepaard gaan met (tijdelijke) verstoringen zoals trillingen, geluid en licht. Echter zijn deze verstoringen niet significant ten opzichte van de huidige verstoring. Dieren in het Natura 2000-gebied zullen zich reeds verplaatst hebben naar een plek buiten de verstoringsafstand. Eventueel aanwezige dieren binnen de verstoringsafstand hebben daarnaast ruim voldoende uitwijkmogelijkheden naar een plaats buiten de verstoringsafstand. Permanente verstoringen, zoals optische verstoring, zullen tevens niet tot significant negatieve effecten leiden aangezien het perceel in de huidige situatie al vergelijkbare objecten bevat. Bovendien zal de bedrijfsfunctie plaatsmaken voor een woonfunctie, waardoor er in de gebruiksfase significant minder verstoringen optreden, zoals trillingen en geluid.

21

Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gezien de geringe afstand (400 m) tussen het plangebied en het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 400 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 300 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.5).

Op een afstand van circa 10 km ligt Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 3,4 km van de planlocatie (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 500 m ligt de Beschermingszone natte landnatuur (figuur 3.6). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op circa 300 m afstand tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).

22

Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot de Beschermingszone natte landnatuur (bron: gldanders.planoview.nl).

3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Echter vallen deze onder één van uitzonderingen (Bal art. 11.111 lid 2). Derhalve hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. De planlocatie valt buiten de aanwijzing voor beschermde houtopstanden en is geen oude bosgroeiplaats zoals aangewezen op de Omgevingsverordening van provincie Gelderland. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid.

Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

23

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie In de beoogde sloop van het bedrijfspand, een deel van de aanbouw, het tuinhuis en het verwijderen van een deel van de terreininrichting ten behoeve van de realisatie van drie nieuwe woningen aan de Ledderweg 48-50 te Epe moeten de vervolgstappen uitwijzen of er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of planlocatie een relevante functie heeft voor bunzing, wezel en steenmarter (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden.

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing en wezel) en steenmarter uitgevoerd te worden. Dit kan middels het plaatsen van inventarisatiemiddelen zoals wildcamera’s, struikrovers, marterboxen en/of sporenbuizen. De exacte invulling van deze inventarisatiemiddelen betreft maatwerk afhankelijk van de verwachte soorten, functies en oppervlakte. Het onderzoek dient gedurende 8 weken plaats te vinden in de (actieve) periode van kleine marterachtigen, namelijk juni t/m half november, conform het Kennisdocument Kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. 24

• Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

25

Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) (2017) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) (2017) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2017) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl/ bij12.nl gldanders.planoview.nl/planoview/ nationaalgeoregister.nl ndff.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Fotografische impressie Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming

26

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Ledderweg 48-50 te Epe en bestaat uit twee woningen, een bedrijfspand, een aanbouw, een tuinhuis en groenstructuren. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van het bedrijfspand, een deel van de aanbouw, het tuinhuis en het verwijderen van een deel van de groenstructuren.

Figuur 2

De te slopen bebouwing bestaat uit het bedrijfspand (hier afgebeeld), een deel van de aanbouw en het tuinhuis.

27

Figuur 3

Eén van de groenstructuren op de planlocatie, waarvan de verruigde vegetatie en de fijnsparren verwijderd zullen worden in de beoogde ruimtelijke ingreep. De houtwal op de achtergrond blijft behouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16863571/1