CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 (aanvullend ecologisch onderzoek)

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Sprenghenparc, Vaassen7.584 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bedrijvenpark Twente 412 7602 KM Almelo Huismanstraat 6 6851 GT Huissen M 06 – 55 47 65 53 ecologie@grasadvies.nl www.grasadvies.nl

Rapportage aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Sprenghen Parc Vaassen

Opdrachtgever:

Buro Hoogstraat

Projectcode:

BHB00120

Project:

Sprenghen Parc Vaassen

Datum:

02-11-2020

Status:

Definitief

Auteur:

R.M. Smit

Gecontroleerd:

A.S.J. van Proosdij

Colofon Opdracht Rapportage betreft aanvullend soortenonderzoek naar kleine marterachtigen, steenmarter, huismus en vleermuizen conform de Wet natuurbescherming.

Opdrachtgever Buro Hoogstraat Kerkplein 5 8121 BM Olst Contactpersoon: Tel: Email:

F. Harbers 06 13949581 fabian.harbers@burohoogstraat.nl

Opdrachtnemer GRAS Advies Huismanstraat 6 6851 GT Huissen

Bedrijvenpark Twente 412 7602 KM Almelo

Ons kenmerk: Datum: Versie: Contactpersoon:

BHB00120 Sprenghen Parc Vaassen 02-11-2020 Definitief de heer A.S.J. van Proosdij

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ................................................................................................................................................................. 5

1.1

Inleiding ............................................................................................................................................................... 5

1.2

Samenvatting ...................................................................................................................................................... 6

1.3

Uitgangspunten ................................................................................................................................................... 7

1.4

Projectgebied ...................................................................................................................................................... 7

2.

Werkwijze .............................................................................................................................................................. 9

2.1

Kleine marterachtigen ......................................................................................................................................... 9

2.2

Steenmarter ...................................................................................................................................................... 12

2.3

Huismus ............................................................................................................................................................. 12

2.4

Vleermuizen....................................................................................................................................................... 12

2.5

Uitvoering locatieonderzoeken ......................................................................................................................... 13

3. Resultaten ............................................................................................................................................................... 14 3.1 Kleine marterachtigen .......................................................................................................................................... 14 3.2 Steenmarter .......................................................................................................................................................... 14 3.3 Huismussen ........................................................................................................................................................... 15 3.4 Vleermuizen .......................................................................................................................................................... 15 3.5 Overige waarnemingen ......................................................................................................................................... 16 4. Conclusies en advies ............................................................................................................................................... 18 5. Bronnen .................................................................................................................................................................. 19 6.

Woordenlijst ........................................................................................................................................................... 20 Bijlage 1 Luchtfoto inclusief projectgrenzen ............................................................................................................... 21 Bijlage 2 Wet natuurbescherming .............................................................................................................................. 22

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 3

Bijlage 3 Stappenplan Ministerie van Economische Zaken ...........................................25

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 4

1. Inleiding 1.1 Inleiding Het projectgebied bevindt zich aan de rand van Vaassen tussen de Woestijnweg en het Kouwenaarspad. Voor dit terrein/gebied bestaan herontwikkelingsplannen. Op het terrein staat een vrijstaande woning met een hellend pannendak, een houten schuurtje met een golfplaten dak en een grote bedrijfshal/tennishal die volledig uit plaatwerk bestaat. Het onderzoeksgebied bestaat verder grotendeels uit bouwland waarop in de zomermaanden mais wordt verbouwd. Verspreid in het gebied staan enkele bomen en er zijn enkele bosschages aanwezig. De eigenaar is voornemens de bebouwing in het onderzoeksgebied te slopen en op het terrein woningbouw te realiseren. Bij dergelijke ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met beschermde gebieden en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming omvat de regelgeving betreffende deze soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming is van kracht sinds januari 2017 en vervangt de drie oude wetten: ‘de Natuurbeschermingswet 1998’, ‘de Boswet’ en ‘de Flora- en Faunawet’. Doelstelling van de Wet natuurbescherming is bescherming van de biodiversiteit, decentralisatie verantwoordelijkheden en vereenvoudiging van regelgeving. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek (quickscan) flora & fauna (D. Tuitert & L.J.

de Haan, 2019) is geconcludeerd dat het projectgebied mogelijk een functie heeft voor kleine marterachtigen, steenmarter, huismus en vleermuizen. Op basis hiervan is besloten nader onderzoek naar deze soortgroepen uit te voeren. Doelstelling rapport Het doel van dit aanvullend onderzoek is om uitsluitsel te geven over de functie van het projectgebied voor kleine marterachtigen, steenmarter, huismus en vleermuizen en daarbij conclusies te kunnen trekken over welke soorten en met welke aantallen in het gebied voorkomen en welke specifieke functie(s) het projectgebied heeft voor deze soorten. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele noodzakelijke vervolgstappen. Dit rapport presenteert de uitkomsten van het aanvullend onderzoek. GRAS Advies GRAS Advies voert aanvullende soortonderzoeken uit volgens de voor die soortgroepen geldende protocollen en/of handreikingen. De heer Dr. Ir. A.S.J. van Proosdij, de heer L.J. de Haan (MSc), de heer B. van Eijk (MSc), de heer R.M. Smit (MSc), mevrouw R.H.A Janssen (BSc) van GRAS Advies en de heer A.H. Tuitert en de heer T. Douma van Tuitert Natuuronderzoek zijn allen middels opleiding en ervaring bevoegd voor de verrichtte werkzaamheden. Daarnaast is het project uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van GRAS Advies.

Het kwaliteit managementsysteem van GRAS Advies is ISO NEN-EN-ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Vaassen, provincie Gelderland

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 5

1.2 Samenvatting Kleine marterachtigen Er zijn geen exemplaren of sporen van kleine marterachtigen (wezel, bunzing en hermelijn) waargenomen in het projectgebied. De aanwezigheid van de wezel, hermelijn en bunzing in het projectgebied is uitgesloten. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soorten is derhalve geen sprake. Steenmarter De aanwezigheid van steenmarter is vastgelegd met een wildcamera. In de tennishal zijn keutels en prooiresten aangetroffen. Er zijn geen rust- of nestplaatsen in het projectgebied aanwezig. De hal wordt gebruikt als foerageergebied, maar van een functie als essentieel foerageergebied is geen sprake. Gelet op het ontbreken van rust- en/of verblijfplaatsen en een functie als essentieel foerageergebied is er geen sprake van een significant negatief effect op steenmarter. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor de steenmarter niet benodigd indien de zorgplicht bij het uitvoeren van de werkzaamheden in acht wordt genomen. Huismussen Er zijn geen exemplaren of sporen van huismus waargenomen in het projectgebied. De aanwezigheid van de huismus in het projectgebied is uitgesloten. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soort is derhalve geen sprake.

Vleermuizen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis in het onderzoeksgebied waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen in het projectgebied aanwezig. Er is geen sprake van een vliegroute voor vleermuizen in het projectgebied. Het projectgebied wordt als foerageergebied gebruikt door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis, maar voor geen van deze soorten is sprake van een functie als essentieel foerageergebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen negatief effect op vleermuizen. Overige waarnemingen: das en vos Das en vos foerageren incidenteel in het projectgebied, maar van een functie als essentieel foerageergebied is geen sprake. Er zijn geen rust- of nestplaatsen en verbindingsroutes van deze soorten aanwezig in het projectgebied of invloedsfeer van de werkzaamheden. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op das en/of vos is derhalve geen sprake. Wet natuurbescherming De voorgenomen ontwikkeling en geplande werkzaamheden resulteren niet in overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming voor beschermde soorten. Een ontheffing is derhalve niet benodigd. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij.

Advies Geadviseerd wordt deze rapportage bij te voegen bij een aanvraag voor bestemmingsplanwijziging en/of aanvraag Omgevingsvergunning. Zorgplicht De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, als mede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.”

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 6

1.3 Uitgangspunten Als uitgangspunt voor deze rapportage is de email van de heer F. Harbers van 30-01-2020 met kenmerk ‘FW: VAASSEN-SPRENGHEN PARC-Uitvoeren Onderzoeken’ en met verwijzing naar de offerte van 17-01-2020.

1.4 Projectgebied Het projectgebied bevindt zich aan de Woestijnweg en Kouwenaarspad te Vaassen (Afb. 1.4.1) en bestaat uit de percelen kadastraal bekend onder sectie D nummers 3801, 4788 en 5663. Op het terrein staat een vrijstaande woning met hellend pannendak, een houten schuurtje met een golfplaten dak en een grote bedrijfshal/tennishal die volledig uit plaatwerk bestaat. Het onderzoeksgebied bestaat verder grotendeels uit bouwland waarop in de zomermaanden mais wordt verbouwd. Verspreid in het gebied staan enkele bomen en er zijn enkele bosschages aanwezig (Afb. 1.4.2). De eigenaar is voornemens de bebouwing in het onderzoeksgebied te slopen en op het terrein woningbouw te realiseren. Mogelijk worden ook bomen gerooid. De exacte planning is nog niet bekend.

Afb. 1.4.1. Ligging van het projectgebied (rood kader).

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 7

Afb. 1.4.2. Luchtfoto van het projectgebied (binnen het rode kader).

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 8

2. Werkwijze 2.1 Kleine marterachtigen Onderzoek naar kleine marterachtigen is maatwerk en verschilt per projectgebied. De provincie Gelderland kent geen vrijstellingen voor de bunzing, hermelijn en wezel. Dit betekend dat er bij ruimtelijke ontwikkeling onderzoek gedaan moet worden naar de aanwezigheid en van deze soorten en de functie van het gebied. Er zijn geen landelijke of Gelderse soortenstandaarden die eisen stellen aan dit soort onderzoek. De provincies Noord-Holland, NoordBrabant en Overijssel hebben documenten uitgebracht die als handreiking kunnen fungeren. Het uit te voeren onderzoek is gebaseerd op deze documenten. De handreiking van Noord-Brabant kent een stappenplan dat doorlopen moet worden om de geschiktheid van het gebied te bepalen, veldonderzoek uit te voeren en een conclusie uit de opgedane gegevens te kunnen trekken. Van te voren wordt onderzocht met behulp van informatiebronnen en kaartmateriaal wat de geschikte plekken zijn voor de kleine marters. Tijdens het verkennend onderzoek (quickscan) is een inschatting gemaakt in hoeverre deze plekken echt geschikt zijn. Voor deze plekken wordt de inventarisatiemethode uitgewerkt. Onderzoeksmethoden De handreiking van Noord-Brabant geeft aan dat er vier geschikte onderzoeksmethoden zijn om de aanwezigheid van een of meer soorten kleine marterachtigen vast te stellen.

Wildcamera Een wildcamera maakt beelden (foto’s of video’s) van langslopende diersoorten, zonder zelf heel opvallend te zijn. Zo kan de camera ook schuwe en nacht-actieve diersoorten zoals de kleine marters op beeld krijgen. Er kan eventueel lokmiddel gebruikt worden om de trefkans te vergroten (jiggler-methode). Een voordeel van de camera is dat een diersoort op beeld staat. Een nadeel is dat een camera een relatief klein gebied in kaart brengt. De handreiking van Noord-Brabant geeft aan dat deze alleen voor de bunzing te gebruiken is. Sporenbuis Een sporenbuis is een buis met een inktmatje en een papieren afdrukdeel. Wanneer een wezel of hermelijn door de sporenbuis kruipt, loopt deze over het inktmatje en komen er pootafdrukken op het papier. Er kan eventueel lokmiddel gebruikt worden om de trefkans te vergroten. Een voordeel is dat de kosten van de buizen laag zijn, een nadeel is dat het papier aangevreten kan worden. De handreiking van Noord-Brabant geeft aan dat deze voor de wezel en hermelijn te gebruiken zijn. Marterbox De Marterbox of Mostela is een combinatie van de cameraval en de sporenbuis. Er loopt een sporenbuis door een houten doos. De buis is open aan de binnenkant van de doos. In de doos hangt een camera die foto of videobeelden maakt van de diersoort. Er kan eventueel lokmiddel gebruikt worden om de trefkans te vergroten.

De handreiking van Noord-Brabant geeft aan dat deze voor de wezel, hermelijn en vrouwelijke bunzing te gebruiken zijn. Nestkast De nestkast is een alternatieve schuilplaats van de kleine marter. De nestkast is een houten kastje met een sporenbuis naar de opening. Wanneer er een kleine marter de nestkast in gaat, loopt deze door de sporenbuis en laat deze pootafdrukken achter. Er kan eventueel lokmiddel gebruikt worden om de trefkans te vergroten. De handreiking van Noord-Brabant geeft aan dat deze voor alle drie de kleine marters te gebruiken zijn. Kansrijke gebieden De inventarisatiemiddelen worden geplaatst op de meest kansrijke gebieden. In de actieve periode, maart tot en met augustus, dienen de middelen minimaal zes weken in het gebied te liggen. Worden de middelen buiten deze periode geplaatst, dan is de trefkans minder en dienen de middelen minimaal twaalf weken in het gebied te liggen. Kansrijke gebieden zijn gebieden waar kans het grootst is om de dieren waar te nemen. Deze gebieden moeten aan een aantal eisen voldoen.  Foerageergebied met voldoende schuilmogelijkheden: Kleine marterachtigen hebben een voorkeur voor kleinschalig landschap waar genoeg schuilmogelijkheden te vinden zijn. Deze schuilmogelijkheden kunnen bestaan uit ruigtes, hagen, overhoeken, kleine bosschages en bosranden.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 9

Verbinding met andere gebieden: Verbindingen van gebieden zijn van essentieel belang voor de kleine marter. Het vergroot het voedselaanbod en het aantal rust- en verblijfplaatsen. Zoals hierboven beschreven houden kleine marterachtigen niet van open terrein, omdat ze dan makkelijk ten prooi vallen van bijvoorbeeld roofvogels. Verbindingen kunnen bestaan uit bosranden, takkenrillen, hagen, houtwallen, struweelvegetaties, hogere graslandvegetaties en greppels. Rust en voortplantingsplaatsen: Kleine marterachtigen maken gebruik van meerdere rust- en verblijfplaatsen verspreid over het territorium. dit wordt gedaan om zich te beschermen tegen predatoren. Rustplaatsen zijn vaak holen van andere (prooi)dieren zoals konijnen. Andere geschikte rustplaatsen zijn houtstapels, holle bomen, mollennesten, takkenrillen, hooi- en strobalen en bebouwing zoals schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders. Jongen worden opgevoed in een warme en beschutte ruimte.

Materiaal en uitvoering Binnen het projectgebied is ca. 7.000 m2 te beschouwen als kansrijk gebied (Afb 2.1.1, blauw kader). Gelet op de beperkte omvang van de kansrijke gebieden in het projectgebied en de mogelijke aanwezigheid van zowel hermelijn, wezel en bunzing is gekozen om gebruik te maken van drie sporenbuizen en één marterbox (Afb. 2.1.2). Deze zijn geplaatst op 12-03-2020 en weggehaald op 21-04-2020 en zijn daarmee 6 weken actief in het gebied aanwezig geweest. Tijdens een locatieonderzoek nadat de sporenbuizen en marterbox al weggehaald waren, is langs de houtsingel een keutel aangetroffen, mogelijk van een steenmarter of van een bunzing. Daarom is op 12-06-2020 op deze locatie een wildcamera geplaatst en deze is verwijderd op 13-08-2020, zodat deze 9 weken actief in het gebied aanwezig is geweest. De camera is opgehangen langs de houtsingel die gebruikt kan worden door marterachtigen. Er is gebruik gemaakt van een lokstof (pindakaas) op een pvc pijp om de trefkans te vergroten. Er zijn in totaal 6 locatiebezoeken uitgevoerd (Tabel 2.1).

Afb. 2.1.1. Projectgebied (binnen rode omkadering) en kansrijk gebied (binnen blauwe omkadering).

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 10

Hoeveelheid inventarisatiemiddelen Hoeveel inventarisatiemiddelen er gebruikt moeten worden hangt af van de grootte, de geschiktheid van het gebied en het aantal kansrijke gebieden. De onderstaande rekentool geeft een beeld wat de minimale inzet is volgens de handreiking van provincie Noord-Brabant. Rekentool inventarisatiemiddelen Cameraval Marterbox Sporenbuis Nestkast

Aantal hectare geschikt gebied / 4 + 1 Aantal hectare geschikt gebied / 2 + 1 Aantal hectare geschikt gebied x 4 + 1 1 per hectare geschikt gebied

Afb. 2.1.2. Projectgebied met locaties van sporenbuizen (blauwe cirkels) en marterbox (groen vierkant) voor het onderzoek naar kleine marterachtigen en de wildcamera (gele ster) voor het onderzoek naar kleine marterachtigen en steenmarter.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 11

2.2 Steenmarter Onderzoek naar steenmarters is niet gebonden aan vaste periodes en er is geen voorgeschreven onderzoeksprotocol. Normaliter is minimaal één locatieonderzoek nodig om de aanwezigheid van nestplaatsen en functioneel leefgebied vast te stellen. Daarbij wordt gelet op aanwezigheid van exemplaren en sporen zoals keutels, pootafdrukken en prooiresten (veren, eierschalen). Daarnaast kan tevens onderzoek worden gedaan met wildcamera’s. Materiaal en uitvoering Voor het onderzoek van de steenmarter is gebruikt gemaakt van een wildcamera (Afb. 2.1.2) en van visuele inspecties. Op 12-06-2020 op een wildcamera geplaatst en deze is verwijderd op 13-08-2020, zodat deze 9 weken actief in het gebied aanwezig is geweest. De camera is opgehangen langs de houtsingel die gebruikt kan worden door marterachtigen en waar een keutel aangetroffen was van mogelijk een steenmarter of bunzing. Er is gebruik gemaakt van een lokstof (pindakaas) op een pvc pijp om de trefkans te vergroten. Daarnaast is een visuele inspectie uitgevoerd naar exemplaren en sporen van steenmarters zoals latrines en prooiresten in het woonhuis, de daarnaast gelegen schuur en de tennishal. Er zijn in totaal 4 locatieonderzoeken uitgevoerd (Tabel. 2.1).

2.3 Huismus Huismusonderzoek is gebonden aan vaste periodes en vereist meerdere locatieonderzoeken om het aantal huismussen en nestplaatsen in het projectgebied en de specifieke functies van het gebied voor huismussen vast te stellen. Het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017) beveelt aan om gebruik te maken van het Aanwezigheidsprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (2017). Het Aanwezigheidsprotocol schrijft voor om tijdens twee locatieonderzoeken in de periode 1 april – 20 juni te inventariseren op zingende dieren. Tussen de beide bezoeken dient 10 dagen te zitten. Tegelijkertijd schrijft zowel het Kennisdocument Huismus als de Soortenstandaard Huismus (RVO, 2014) voor om ofwel 2 veldbezoeken in de periode 1 april – 15 mei uit te voeren, dan wel vier bezoeken in de periode 10 maart – 20 juni uit te voeren. Tussen elk bezoek dient minimaal 10 dagen tijd te zitten. De inventarisaties van huismussen zijn uitgevoerd door te kijken naar nest-indicatief gedrag zoals de aanwezigheid van zingende mannetjes, bedelende jongen, voedselvluchten of transport van nestmateriaal wat duidt op de aanwezigheid van nesten. Daarnaast is gekeken naar foerageergedrag. Er zijn in totaal 2 locatieonderzoeken naar huismus uitgevoerd (Tabel 2.1.). Tijdens de overige locatiebezoeken is eveneens gelet op aanwezigheid van huismussen.

2.4 Vleermuizen Vleermuisonderzoek is gebonden aan vaste periodes en vereist meerdere locatieonderzoeken om het aantal en de soort(en) vleermuizen in het projectgebied vast te stellen en om inzicht te krijgen in welke functie(s) het gebied heeft (foerageergebied, vliegroute, verblijfplaats). Van een eventuele verblijfplaats kan worden vastgesteld welke functie(s) het heeft: zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijf. De beschikbare Kennisdocumenten Vleermuizen, waaronder bijvoorbeeld het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017) bevelen aan om gebruik te maken van het landelijke Vleermuisprotocol. Het vleermuisprotocol is in 2009 ontwikkeld door het Netwerk Groene Bureaus in overleg met de toenmalige Dienst Landelijk Gebied en Gegevensautoriteit Natuur en vastgesteld door de toenmalige Gegevensautoriteit Natuur. Het protocol wordt jaarlijks in het Vleermuisvakberaad geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). Het vleermuisprotocol voorziet in de volgende locatiebezoeken: • Een voorjaarsonderzoek om een mogelijke functie als zomer- en/of kraamverblijf te onderzoeken. Dit onderzoek bestaat uit 3 bezoeken die moeten plaatsvinden tussen 15 mei en 15 juli, waarvan minimaal 1 ’s ochtends. • Een najaarsonderzoek om een mogelijke functie als paar- en/of winterverblijf te onderzoeken.

Dit onderzoek bestaat uit 2 bezoeken die moeten plaatsvinden tussen 15 augustus en 1 oktober.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 12

Van een potentieel massawinterverblijf van vleermuizen is hier geen sprake. Het betreft laagbouw van een beperkte omvang waardoor de bebouwing een onvoldoende stabiel overwinteringsklimaat heeft om als massawinterverblijfplaats te kunnen fungeren. Er heeft daarom geen specifiek op massawinterverblijven gericht onderzoek plaatsgevonden. De vleermuisinventarisaties zijn uitgevoerd met een Pettersson D240x batdetector. Dit apparaat zet de ultrasone geluiden van vleermuizen om in voor mensen hoorbare tonen. Tevens kunnen de geluiden vertraagd (timeexpansion) worden opgenomen voor analyse achteraf, omdat sommige soorten moeilijk te determineren zijn in het veld. Het gebruik van een Pettersson D240x batdetector is conform de voorwaarden voor materiaalgebruik vanuit het Vleermuisprotocol. Daarnaast is een warmtebeeldkijker van het type Pulsar Helion XP28 ingezet om het plangebied nog beter te kunnen overzien. In totaal hebben vijf veldbezoeken plaatsgevonden waarvan drie in de kraamperiode en twee in het najaar van 2020 (Tabel 2.1.).

2.5 Uitvoering locatieonderzoeken De locatieonderzoeken zijn uitgevoerd door de heer L.J. de Haan (MSc), de heer B. van Eijk (MSc), de heer R.M. Smit (MSc) en mevrouw R.H.A Janssen (BSc) van GRAS Advies en de heer A.H. Tuitert en de heer T. Douma van Tuitert Natuuronderzoek in opdracht van GRAS Advies. Allen zijn middels opleiding en ervaring bevoegd voor de verrichtte werkzaamheden. In totaal zijn er 13 locatieonderzoeken uitgevoerd (Tabel 2.1). Tabel 2.1. Overzicht van alle uitgevoerde locatieonderzoeken. Datum

Controleur

Soortgroepen

12-03-2020

B. van Eijk

24-03-2020

B. van Eijk

08-04-2020

B. van Eijk

21-04-2020

B. van Eijk

27-05-2020

A.H. Tuitert T. Douma L.J. de Haan

Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen Huismus Kleine marterachtigen Huismus Kleine marterachtigen Vleermuizen

12-06-2020

26-06-2020 13-07-2020 03-08-2020 13-08-2020

02-09-2020

21-09-2020

22-09-2020

A.H. Tuitert T. Douma A.H. Tuitert T. Douma R.M. Smit R.H.A Janssen R.M. Smit

Zon op / onder 06:57 uur

Tijdstip

Weersomstandigheden

10:00-12:00 uur

Helder, droog, 5 °C, ZW wind 4 Bft.

06:29 uur

10:00-12:00 uur

Helder, droog, 9 °C, ZO wind 3 Bft.

06:54 uur

08:30-12:00 uur

Helder, droog, 18 °C, NO wind 2 Bft.

06:25 uur

08:00-12:00 uur

Helder, droog, 15 °C, O wind 4 Bft.

21:43 uur

21:00-23:30 uur

Kleine marterachtigen Steenmarter Vleermuizen

05:14 uur

11:00-12:00 uur

Half bewolkt, droog, 17 °C, ZO wind 2 Bft. Droog, 20 °C, NO wind 3 Bft.

22:02 uur

21:30-00:00 uur

Vleermuizen

05:31 uur

03:00-05:15 uur

Steenmarter

06:00 uur

15:30-16:30 uur

Kleine marterachtigen Steenmarter Vleermuizen

06:21 uur

12:00-13:00 uur

Bewolkt, droog, 25 °C, ZZO wind 2 Bft.

20:21 uur

21:15-23:30 uur

Bewolkt, droog, 16 °C, ZW wind 3 Bft.

07:21 uur

13:00-14:00 uur

Helder, droog, 23 °C, NO wind 2 Bft.

07:23 uur

05:10-07:10 uur

Helder, droog, 12 °C, ZO wind 2 Bft.

A.H. Tuitert T. Douma R.H.A. Janssen R.M. Smit Steenmarter (inpandige inspectie) A.H. Tuitert Vleermuizen T. Douma

Half bewolkt, droog, 21 °C, ZO wind 3 Bft. Helder, droog, 12 °C, ZW wind 2 Bft. Helder, droog, 14 °C, Z wind 1 Bft.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 13

3. Resultaten 3.1 Kleine marterachtigen Waarnemingen Tijdens het onderzoek zijn geen sporen van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) aangetroffen in de sporenbuizen. Er zijn geen beelden gemaakt van kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) tijdens het onderzoek met de marterbox. Ook met de wildcamera zijn geen exemplaren van kleine marterachtigen gefotografeerd. Op grond van deze resultaten is een functie van het projectgebied als nestplaats, rustplaats, verbindingsroute en/of foerageergebied voor kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) uitgesloten. Effectbeoordeling Gelet op het ontbreken van een functie van het projectgebied voor kleine marterachtigen is er geen sprake van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soorten. Nader onderzoek of een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor kleine marterachtigen niet benodigd.

3.2 Steenmarter Waarnemingen Met behulp van de wildcamera zijn 3 foto’s gemaakt van een steenmarter. Bij de visuele inspectie van het woonhuis en naastgelegen schuur zijn geen martersporen aangetroffen. In de tennishal (Afb. 3.2.1.) zijn keutels (kleine latrines verspreid over de hal), veren en een eierschaal aangetroffen. In de hal zijn geen (kleine) ruimtes stapels met puin, isolatiemateriaal of ander materiaal aanwezig die geschikt zijn als rustplaats en/of nestplaats. De aanwezigheid van rust- en/of nestplaatsen van steenmarter is derhalve uitgesloten. De hal wordt gebruikt als foerageergebied. Gelet op het beperkte aantal sporen en de weinige camera beelden wordt de hal waarschijnlijk door één exemplaar van de steenmarter gebruikt. Het foerageergebied omvat naar verwachting een groot deel van de omgeving, aangezien in de omgeving van het projectgebied geschikt foerageergebied in ruime mate aanwezig is.

Afb. 3.2.1. Het Projectgebied (binnen het rode kader) en de locatie van de tennishal (binnen het blauwe kader) waar keutels en prooiresten van steenmarter zijn aangetroffen.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 14

Effectbeoordeling Steenmarters hebben een groot foerageergebied en zijn goed in staat in hun omgeving andere alternatieve foerageergebieden vinden en deze in gebruik nemen. Gelet op de geringe oppervlakte foerageergebied binnen het projectgebied en de ruime aanwezigheid van alternatief, geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied, is van een functie als essentieel foerageergebied geen sprake. Verlies van dit niet-essentiële foerageergebied vormt derhalve geen significant negatief effect op de aanwezige steenmarter. Gelet op het ontbreken van rust- en/of verblijfplaatsen van steenmarter is een negatief effect op rust- en verblijfplaatsen uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor de steenmarter niet benodigd indien de zorgplicht bij het uitvoeren van de werkzaamheden in acht wordt genomen.

3.3 Huismussen Waarnemingen Tijdens de locatieonderzoeken zijn geen exemplaren of sporen van huismussen in het projectgebied waargenomen. Uit eerdere waarnemingen zijn ook geen huismussen in het projectgebied of directe omgeving bekend (NDFF; waarneming.nl). Gebruik van het projectgebied door huismussen is derhalve uitgesloten. Effectbeoordeling Gelet op het ontbreken van huismussen in het projectgebied is een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op huismussen uitgesloten.

3.4 Vleermuizen Waargenomen soorten Tijdens het vleermuisonderzoek zijn vier soorten vleermuizen foeragerend in het onderzoeksgebied waargenomen. Het betreft gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis. Ruige dwergvleermuis is alleen in het najaar twee keer kort passerend gehoord. Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld in de bebouwing of de boom met holtes in het onderzoeksgebied. Er is in het najaar wel territoriaal gedrag waargenomen van een mannetje gewone dwergvleermuis. Het dier vloog roepend boven het Kouwenaarspad en af en toe door de tuin van de woning in het onderzoeksgebied. Maar uiteindelijk is het dier ergens in de aangrenzende wijk ingevlogen. In deze wijk was tijdens de eerste twee veldbezoeken ook een kraamkolonie laatvliegers aanwezig. Vroeg op de avond vlogen meerdere dieren vanuit deze wijk door het onderzoeksgebied in westelijke richting. Vliegroutes Van een duidelijke vliegroute is geen sprake. De dieren vlogen zonder gebruik te maken van lijnvormige elementen over het onderzoeksgebied in de richting van het aangrenzende buitengebied van Vaassen. Foerageergebied Ruige dwergvleermuis is slechts incidenteel waargenomen en het onderzoeksgebied is voor deze soort daarmee geen essentieel foerageergebied.

Tweekleurige vleermuis is eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar waargenomen, foeragerend rond de hal in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied vormt geen essentieel foerageergebied voor tweekleurige vleermuis. Laatvliegers zijn tijdens alle veldbezoeken waargenomen, maar met een duidelijke piek tijdens de eerste twee veldbezoeken. Laatvliegers foerageren in het begin van de avond kort in het onderzoeksgebied en trekken dan snel door in westelijke richting naar het buitengebied van Vaassen. Het onderzoeksgebied vormt geen essentieel foerageergebied voor de laatvlieger. In de directe omgeving blijft voldoende geschikt foerageergebied voor laatvlieger aanwezig in het buitengebied van Vaassen. Gewone dwergvleermuizen zijn vrijwel overal langs begroeiing in het onderzoeksgebied foeragerend waargenomen. In totaal foerageren naar schatting 4-5 gewone dwergvleermuizen in het onderzoeksgebied, met een duidelijke piek aan het begin van de avond. Ook voor de gewone dwergvleermuis geldt dat het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied vormt aangezien in de directe omgeving veel groen en water aanwezig is waar gewone dwergvleermuizen kunnen foerageren. Het onderzoeksgebied bevat slechts een klein deel van het totaal aan geschikt foerageergebied voor de soort in de omgeving.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 15

Afb 3.4.1 Cumulatieve waarnemingen foeragerende gewone dwergvleermuis (rood), laatvlieger (blauw), ruige dwergvleermuis (groen) en tweekleurige vleermuis (geel). Effectbeoordeling De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen of van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute. Voor de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk ten aanzien van vleermuizen.

3.5 Overige waarnemingen Das De wildcamera heeft 9 foto’s gemaakt van dassen. De das gebruikt het gebied incidenteel als foerageergebied. In de directe omgeving is hoogwaardig foerageergebied in ruime mate aanwezig. Onder meer in natuurgebied Korte Broek rond de Egelbeek zijn veel geschikte natte graslanden en bosschages aanwezig waarin de das kan foerageren. Gelet op de geringe omvang van het projectgebied en de ruime aanwezigheid van hoogwaardig foerageergebied in de omgeving van het projectgebied, is van een functie als essentieel foerageergebied geen sprake. In het projectgebied of directe omgeving is geen dassenburcht aanwezig. Op ongeveer 800 m ten noordwesten van het projectgebied bevindt zich een bewoonde dassenburcht. Van deze locatie zijn ook meerdere waarnemingen bekend (NDFF, waarneming.nl). De gefotografeerde dassen komen waarschijnlijk vanuit deze burcht. Deze burcht zelf bevindt zich ruim buiten de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden. In het projectgebied zijn geen structuren aanwezig die door dassen gebruikt kunnen worden als verbindingsroute.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 16

Vos De wildcamera heeft 2 foto’s gemaakt van een vos. De vos gebruikt het projectgebied incidenteel als foerageergebied. Gelet op de ruime aanwezigheid van hoogwaardig foerageergebied in de omgeving van het projectgebied is er geen sprake van een functie als essentieel foerageergebied. In het projectgebied of directe omgeving zijn geen nestplaatsen van vos aanwezig. Effectbeoordeling Gelet op het ontbreken van nestplaatsen van das en vos binnen het projectgebied of invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden is van een negatief effect op rust- en nestplaatsen van deze soortend oor de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Gelet op het ontbreken van een functie als essentieel foerageergebied of vaste verbindingsroute voor das en vos is van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze diersoorten geen sprake. Een ontheffing op de wet natuurbescherming voor de das en vos is niet noodzakelijk.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 17

4. Conclusies en advies Kleine marterachtigen Er zijn geen exemplaren of sporen van kleine marterachtigen (wezel, bunzing en hermelijn) waargenomen in het projectgebied. De aanwezigheid van de wezel, hermelijn en bunzing in het projectgebied is uitgesloten. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soorten is derhalve geen sprake. Steenmarter De aanwezigheid van steenmarter is vastgelegd met een wildcamera. In de tennishal zijn keutels en prooiresten aangetroffen. Er zijn geen rust- of nestplaatsen in het projectgebied aanwezig. De hal wordt gebruikt als foerageergebied, maar van een functie als essentieel foerageergebied is geen sprake. Gelet op het ontbreken van rust- en/of verblijfplaatsen en een functie als essentieel foerageergebied is er geen sprake van een significant negatief effect op steenmarter. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor de steenmarter niet benodigd indien de zorgplicht bij het uitvoeren van de werkzaamheden in acht wordt genomen. Huismussen Er zijn geen exemplaren of sporen van huismus waargenomen in het projectgebied. De aanwezigheid van de huismus in het projectgebied is uitgesloten. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soort is derhalve geen sprake.

Vleermuizen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis in het onderzoeksgebied waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen in het projectgebied aanwezig. Er is geen sprake van een vliegroute voor vleermuizen in het projectgebied. Het projectgebied wordt als foerageergebied gebruikt door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis, maar voor geen van deze soorten is sprake van een functie als essentieel foerageergebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen negatief effect op vleermuizen. Overige waarnemingen: das en vos Das en vos foerageren incidenteel in het projectgebied, maar van een functie als essentieel foerageergebied is geen sprake. Er zijn geen rust- of nestplaatsen en verbindingsroutes van deze soorten aanwezig in het projectgebied of invloedsfeer van de werkzaamheden. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op das en/of vos is derhalve geen sprake. Wet natuurbescherming De voorgenomen ontwikkeling en geplande werkzaamheden resulteren niet in overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming voor beschermde soorten. Een ontheffing is derhalve niet benodigd. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij.

Advies Geadviseerd wordt deze rapportage bij te voegen bij een aanvraag voor bestemmingsplanwijziging en/of aanvraag Omgevingsvergunning. Zorgplicht De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, als mede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.”

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 18

5. Bronnen Literatuur  A.H. Tuitert & L.J. de Haan Rapportage quickscan flora en fauna Sprenghenparc Vaassen, 2020.  S. Brouwens, Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming, Provincie Noord-Brabant, 2017.  Jonkers. Handreiking Noord-Holland, 2016.  Vleermuisprotocol, 2017, Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus 2017.  Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12, 2017  Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis, RVO, 2014  Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, BIJ12, 2017  Soortenstandaard Ruige dwergvleermuis, RVO, 2014  Kennisdocument Laatvlieger, BIJ12, 2017  Soortenstandaard Laatvlieger, RVO, 2014  Kennisdocument Huismus, BIJ12, 2017  Soortenstandaard Huismus, RVO, 2014  Kennisdocument Das, BIJ12, 2017 Internet  Kadviewer Kadviewer is een online kaartendienst waarmee geografische locaties opgezocht kunnen worden. Geraadpleegd op 28-10-2020 http://kadviewer.map5.nl  Overheid Provinciale verordening m.b.t. de Wet natuurbescherming en vrijgestelde soorten. Geraadpleegd op 28-10-2020 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/  Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In de NDFF zijn waarnemingen beschikbaar met exacte locatiegegevens. Geraadpleegd op 28-10-2020  https://www.waarneming.nl Database van voorkomen van flora- en fauna in Nederland. Geraadpleegd op 28-10-2020  https://www.telmee.nl Database van voorkomen van flora- en fauna in Nederland.

Geraadpleegd op 28-10-2020  https://www.vleermuis.net Vleermuis.net is een kenniswebsite met informatie over het Vleermuisprotocol. Geraadpleegd op 28-10-2020  https://www.zoogdiervereniging.nl Zoogdiervereniging Geraadpleegd op 28-10-2020  https://www.vogelbescherming.nl/ Vogelbescherming Geraadpleegd op 28-10-2020  https://www.sovon.nl/ Sovon Vogelonderzoek Nederland Geraadpleegd op 28-10-2020

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 19

6. Woordenlijst Geldigheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens hebben een beperkte geldigheidstermijn. Voor vogels en soorten genoemd op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn hanteren we daarom een geldigheidstermijn van maximaal 3 jaar. Voor soorten genoemd op de bijlage bij de wet natuurbescherming is deze periode 5 jaar.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in de aanleiding van het onderzoek. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden. Zorgplicht ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, als mede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. In de praktijk betekend dit: 1. Voorkomen dat er schade wordt toegebracht aan flora en fauna 2. Beperken dat er schade wordt toegebracht aan flora en fauna 3.

Ongedaan maken van toegebrachte schade Een voorbeeld van invulling geven aan de zorgplicht:  Bij het kappen van bomen controleren op mogelijke broedgevallen buiten het broedseizoen om. Passende gedragscode Een gedragscode is een ontheffing voor de beschreven maatregelen in bepaalde werken. De gedragscode geeft invulling aan de zorgplicht en het zorgvuldig handelen. Er zijn diverse gedragscodes, afhankelijk van het type werk: besteding beheer en onderhoud of ruimtelijke ingrepen. Gedragscode worden goedgekeurd door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en hebben een geldigheidsduur van 5 jaar. Vervolgens dienen deze opnieuw gekeurd te worden. **De Gedragscode dient nog te worden herschreven / aangepast t.o.v. de Wet natuurbescherming 2017

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 20

Bijlage 1 Luchtfoto inclusief projectgrenzen

Projectgebied met grenzen (rode lijnen).

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 21

Bijlage 2 Wet natuurbescherming De oude natuurwetgeving met ‘de Natuurbeschermingswet 1998’ en ‘de Flora- en Faunawet’ is per januari 2017 veranderd in de Wet natuurbescherming. Hieronder wordt de inhoud van de Wet natuurbescherming toegelicht.

Natura 2000 De bescherming van de ca. 164 Natura 2000-gebieden in Nederland blijft behouden in de Wet natuurbescherming. In Natura 2000-gebieden zijn de Europese richtlijnen van kracht. De Europese Unie (EU) heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote waarde is. Om deze natuur te behouden, heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Nederland telt ruim 160 Natura 2000-gebieden, welke onderdeel uitmaken van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie. Aanwijzingsprocedure Natura 2000-gebieden worden formeel aangewezen. Per gebied is er een aanwijzingsdocument gemaakt door het ministerie met daarin:  Instandhoudingsdoelen; welke doelsoorten en habitats gaat het, en wat is de doelstelling ten aanzien van die soorten en/of habitats;  Begrenzing; welk areaal is beschermd. Beheerplannen Voor ieder gebied moet binnen drie jaar een beheerplan worden vastgesteld. In het beheerplan staat welke natuurwaarden er zijn of deze moeten worden beschermd en/of ontwikkeld. Er staat ook in hoe het gerealiseerd moet worden. Verder wordt er in aangegeven welke externe facturen de instandhoudingsdoelen mogelijk negatief kunnen beïnvloeden. Deze beheerplannen worden vastgesteld door het Rijk of door de Provincie.

Vergunning Voor de uitvoering van werkzaamheden welke mogelijk schade toebrengen aan een door Natuurbeschermingswet beschermd gebied, geldt dat deze acties in principe verboden zijn. Indien een groter maatschappelijk belang aanwezig is, dient er een vergunningsprocedure te worden doorlopen. Hierbij geldt de volgende regel: ‘activiteiten mogen in principe alleen worden uitgevoerd wanneer er geen significante schade aan beschermde natuurwaarde ontstaat’. Beschermde Natuurmonumenten Voorheen waren naast Natura 2000-gebieden ook Beschermde Natuurmonumenten beschermd conform de gebiedsbescherming. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is vervallen. Provincies kunnen wel besluiten om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt de gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

Natuurnetwerk Nederland Aanvullend op de natuurwetgeving is er natuurbeleid. Natuurbeleid is een zachter kader dan de natuurwetgeving, maar is eveneens van belang voor ruimtelijke plannen. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Via de Nota Ruimte is het toetsingskader voor het Natuurnetwerk Nederland geregeld. In Natuurnetwerk Nederland liggen de volgende natuurgebieden:  Bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken)  Gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd  Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer  Ca. 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, het Nederlandse deel van de Noordzee en de Waddenzee  Alle Natura 2000-gebieden Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 22

Houtopstanden De Wet natuurbescherming spreekt over een houtopstand indien sprake is van een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen De Wet natuurbescherming heeft geen betrekking op: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten (Artikel 4.2).

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming benoemt niet welke concrete activiteiten wel of niet zijn toegestaan. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Er is een stappenplan opgesteld door Ministerie van Economische Zaken (Bijlage 4). Met dit stappenplan kan worden bepaald of een ontheffing nodig is of dat er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstelling. Bevoegdheid De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen ligt bij de provincies. Enkel bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk het bevoegd gezag. Beschermingsregime De Wet Natuurbescherming kent de onderstaande beschermingsregimes. Elk van deze beschermingsregime kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor een vrijstelling of ontheffing van de verboden.  Soorten van de Vogelrichtlijn  Soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn  Andere soorten (bescherming vanuit nationaal oogpunt) Om te mogen afwijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan de volgende criteria zijn voldaan.  Er mag worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is  Tegenover de afwijking van het verbod moet een in de wet genoemd belang staan (bijv.

volksgezondheid of openbare veiligheid)  De ingreep mag geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van een soort De verbodsbepalingen voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten zijn gericht op bescherming van de individuen van de soorten. De verbodsbepalingen mogen enkel overtreden worden met een ontheffing (het ‘nee, tenzij-principe’). Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt niet gekeken naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 23

Zorgplicht Iedereen dient voldoende rekening te houden met in het wild levende dieren en planten en de directe leefomgeving. ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving In veel gevallen is er geen ontheffing nodig, maar kan er gebruik worden gemaakt van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod. Er zijn diverse vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Bekende voorbeelden van vrijstellingen zijn onder meer het toepassen van de gedragscode of wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van een Programmatische Aanpak of een Provinciale verordening. Verbodsbepalingen De verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten Vogelrichtlijn, artikel 3.1 lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. De verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten Habitatrichtlijn, artikel 3.2 Lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De verbodsbepalingen betreffende andere soorten, artikel 3.3 lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Gedragscodes In de Wet natuurbescherming is de mogelijkheid opgenomen om een vrijstelling te verkrijgen indien wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode (art 3.31). In de mogelijkheid die de wet biedt, wordt ook aangegeven dat er met betrekking tot de Europees beschermde soorten een gedragscode kan worden goedgekeurd voor ruimtelijke ontwikkelingen (naast beheer en onderhoud, waarvoor in de Flora- en Faunawet reeds een vrijstelling gold als werd gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode).

Hoewel de mogelijkheid wel wordt geboden, zijn er bij het opstellen van het stappenplan nog géén gedragscodes goedgekeurd voor de nieuwe beschermde soorten of voor de Europees beschermde soorten voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij de bepaling of een gedragscode van toepassing is voor de type ingreep en de voorkomende beschermde soorten.

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 24

Bijlage 3 Stappenplan Ministerie van Economische Zaken

Naam: Rapportage aanvullend soortenonderzoek (Wet natuurbescherming) Project: Sprenghen Parc Vaassen Projectnummer:BHB00120 Blad 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12085310/1