Bijlage 5 - Gevraagd Advies Adviesraad Sociaal Domein concept verordeningen Wmo en Jeugdhulp 2026
Tekst van het document
Aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe Marktplein 1 8161 EE Epe
Betreft: Bijlage 1: Gevraagd advies concept Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2026 gemeente Epe en Bijlage 2:Gevraagd advies concept Verordening Jeugdhulp 2026 gemeente Epe.
Epe, 01-05-2026
Geacht College, De Adviesraad Sociaal Domein Gemeente Epe heeft zich naar aanleiding van uw verzoek van 20 maart jl. gebogen over de Concept Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2026 gemeente Epe en Concept Verordening Jeugdhulp 2026 gemeente Epe. Op dinsdag 24 maart jl. hebben wij over beide conceptverordeningen met betrokken beleidsmedewerkers en een jurist van gedachten gewisseld. De toelichting op de wijzigingen ten aanzien van de vorige verordening hebben wij zeer gewaardeerd. Wij geven in de bijlagen onze reactie per conceptverordening. Wij vragen het college om bij het toepassen van de verordeningen ervoor te zorgen dat onze inwoners ervaren dat hulp dichtbij, mensgericht en toegankelijk is en blijft. Ook blijven we graag vroegtijdig geïnformeerd over de beleidsregels aangaande deze twee verordeningen. Wij zijn graag bereid onze adviezen toe te lichten. Met vriendelijke groet, George Buiting (voorzitter) en Yolande Slagman (secretaris) Adviesraad Sociaal Domein gemeente Epe
Bijlage 1: Concept Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2026 gemeente Epe Algemeen Deze verordening maakt meer maatwerk mogelijk. Wij vinden dat positief en het sluit aan bij ons pleidooi om als lokale overheid de menselijke maat niet uit het oog te verliezen. Duidelijke juridische kaders geven helderheid, zowel voor de inwoners als voor degenen die belast zijn met de uitvoering, maar gaan vaak ten koste van duidelijkheid. Wij vinden de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de tekst van de verordening verbeterd, maar adviseren wel om in de communicatie met betrekking tot de verordening veel aandacht te geven aan de kwetsbare burger. De term ‘zorgverlener’ staat niet uitgelegd bij de begripsbepalingen. Artikelsgewijs art. 2.4 lid 9: het college kan de zorgverlener weigeren bij een gesprek. ● Nadere informatie in de toelichting staat bij het 10e lid. Advies: aanpassen. ● Ons is niet duidelijk wat de achterliggende reden van dit lid is. Als hier bedoeld wordt te voorkomen dat de zorgvrager zich onder druk voelt gezet, dan vinden we dit een goede aanvulling. art. 2.5 lid 1: het verslag wordt door het college zo spoedig mogelijk verstrekt. De inwoner dient binnen 7 dagen op het verslag te reageren. ● Om duidelijk naar de inwoner te zijn adviseren wij voor verstrekken van het verslag een maximale termijn te noemen. art.
3.8 lid 2.c: De inwoners moeten meehelpen aan het realiseren van een geschikte individuele of gemeenschappelijke stalling. ● Het is niet duidelijk voor de inwoners wat hiermee wordt bedoeld. Moet men misschien financieel meehelpen, of anderszins? Wij adviseren duidelijker te formuleren wat van de inwoners wordt verwacht. art. 4.1 lid 8: Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. ● Wij nemen aan dat in nadere beleidsregels wordt uitgewerkt wat hieronder wordt verstaan. art. 7.1 lid 3: het college kan op grond van art.2.3.10 lid 1 een beslissing intrekken of herzien. ● Dit artikel is niet terug te vinden. Advies: verwijzing aanpassen. art. 7.2 lid 2: het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van en PGB’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
● Onduidelijk is op welke wijze het college dit wil onderzoeken en welke periodes worden gehanteerd. Wij nemen aan dat in nadere beleidsregels wordt uitgewerkt wat hieronder wordt verstaan. art.9.2 lid 3: Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp 2023 en waarop nog geen beslissing is genomen bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. ● Indien dit nadelig is voor de inwoner dan adviseren wij hier maatwerk toe te passen zodat het nadeel wordt opgeheven.
Deze verordening krijgt na vaststelling een verdere uitwerking in de (bestaande) beleidsregels. Wij willen graag geïnformeerd worden wanneer daar sprake van is.Met
Bijlage 2: Concept Verordening Jeugdhulp 2026
De Adviesraad Sociaal Domein Gemeente Epe (ASDE) heeft de conceptverordening Jeugdhulp 2026 gelezen en waardeert dat de gemeente werkt aan een helder juridisch kader voor de toegang tot jeugdhulp, de rol van eigen kracht, de afbakening van voorzieningen en de kwaliteit van ondersteuning. Tegelijk ziet de ASDE op een aantal punten spanning tussen de juridische systematiek van de verordening en de bedoeling van passende, rechtvaardige en uitlegbare ondersteuning voor inwoners. Algemeen In algemene zin maakt de verordening de indruk van een strak normerend kader, waarin beheersing, afbakening en het beperken van risico’s voor de gemeente sterk zichtbaar zijn. Dat kan bestuurlijk verklaarbaar zijn, maar vraagt juist daarom om extra zorgvuldigheid, goede onderbouwing, heldere begrippen, navolgbare beoordeling en duidelijke en begrijpbare communicatie richting inwoners. Ook vraagt dit om een blijvende toets van de vraag of de regels daadwerkelijk aansluiten bij de leefwereld en ondersteuningsbehoefte van kinderen, jongeren en ouders. Hieronder geven wij onze opmerkingen en adviezen per artikel. Artikel 2.4 Toegang jeugdhulp via gemeente Voor het indienen van een hulpvraag verwijst u naar de url https://www.cjgepe.nl/pagina/over-centrum-voor-jeugd-en-gezin-epe/70174.
Wij adviseren u de structuur van de permalink te wijzigen, in een voor inwoners eenvoudiger te benaderen url (bijvoorbeeld www.cjgepe.nl/contact), die ook gebruikt kan worden in (marketing)communicatie. Artikel 3.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon In dit artikel spreekt u over het bieden van ‘hulp’ door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Wij vinden deze formulering te beperkt en niet passend bij de bredere rol die de vertrouwenspersoon heeft op grond van artikel 2.5 van de Jeugdwet. Een vertrouwenspersoon biedt niet alleen hulp, maar ondersteunt, adviseert en behartigt de belangen van jeugdigen en ouders, bijvoorbeeld bij vragen, klachten of in gesprekken met de gemeente of zorgaanbieders. Wij adviseren daarom om de term ‘hulp’ te vervangen door een bredere en meer passende omschrijving van deze rol, zodat voor inwoners duidelijk is wat zij daadwerkelijk van een vertrouwenspersoon mogen verwachten. In de titel van dit artikel benoemt u cliëntondersteuning, maar inhoudelijk gaat het artikel alleen in op de vertrouwenspersoon. Wij adviseren om cliëntondersteuning expliciet op te nemen in dit artikel, inclusief het recht op gratis en onafhankelijke ondersteuning, zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Dit vergroot de duidelijkheid voor inwoners en draagt bij aan een betere en tijdige toegang tot passende hulp.
De informatie over cliëntondersteuning is overigens momenteel niet vindbaar (via de zoekfunctie) op zowel de website van de gemeente Epe als die van het CJG Epe.
Artikel 3.2 Vooronderzoek De ASDE vraagt aandacht voor de toepassing van het persoonlijk plan zoals benoemd in artikel 3.2. Hoewel dit instrument bijdraagt aan regie voor jeugdigen en ouders, is in de praktijk vaak onvoldoende bekend dat deze mogelijkheid bestaat én hoe hier invulling aan kan worden gegeven. U geeft aan dat u jeugdigen, ouders en verzorgers op de hoogte stelt. Wij zouden graag vernemen hoe u dat wilt doen. Wij adviseren om het persoonlijk plan echt actief onder de aandacht te brengen en inwoners hierbij waar nodig te ondersteunen (en te verwijzen naar cliëntondersteuning), zodat zij daadwerkelijk in staat worden gesteld hun situatie, wensen en voorkeuren goed te verwoorden en deze mee te laten wegen in het vooronderzoek. Dit is in onze ogen een belangrijke stap in het “zelf verantwoordelijkheid nemen”. Artikel 3.3 Gesprek De ASDE adviseert om in artikel 3.3, lid 1 te verduidelijken in welke gevallen het onderzoek van de hulpvraag ook zonder aanwezigheid of betrokkenheid van de jeugdige zelf kan plaatsvinden. De formulering “in samenspraak met de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s)” laat nu ruimte voor een onderzoek zonder de jeugdige, maar maakt niet duidelijk wanneer dat gerechtvaardigd is.
Juist bij jeugdhulp is het van belang dat de stem en positie van de jeugdige zelf zo veel mogelijk expliciet worden meegenomen, passend bij leeftijd, ontwikkeling en situatie. Daarnaast adviseert de ASDE om nader te concretiseren hoe stap b, het zorgvuldig onderbouwen van de onderliggende problematiek en stap c, het vaststellen welke hulp in aard en omvang noodzakelijk is, in de praktijk worden uitgevoerd. Zonder nadere uitwerking bestaat het risico dat deze beoordeling te veel afhankelijk wordt van de individuele professional. Voor het voorkomen van willekeur is het belangrijk dat duidelijk is op basis van welke criteria, methoden, richtlijnen, professionele standaarden of instrumenten deze stappen plaatsvinden en hoe de gemeente zorgt voor een eenduidige, objectieve en navolgbare toepassing. We adviseren u om in lid 2 het woordje vooraf toe te voegen (als in vooraf informeren). Dit geeft jeugdigen, ouders en verzorgers de mogelijkheid om vooraf advies in te winnen of ondersteuning aan te vragen. Artikel 3.4 Eigen kracht De adviesraad constateert dat de invulling van het begrip “eigen kracht” in artikel 3.4 verder gaat dan de bedoeling van de Jeugdwet. Waar de wet uitgaat van eigen mogelijkheden en het netwerk als onderdeel van een brede afweging, wordt dit in de verordening meer als een verplichting geformuleerd.
Door de stellige bewoordingen, zoals het moeten aanpassen van werk of het overnemen van zorg, bestaat het risico dat de drempel tot jeugdhulp onbedoeld wordt verhoogd en dat gezinnen te lang zelf oplossingen moeten zoeken. We zien dat bijvoorbeeld terug in artikel 3.4 lid 4 waarin een sterke nadruk wordt gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van ouders bij afwezigheid door werk of andere verplichtingen. Wij wijzen erop dat werk een normaal en noodzakelijk onderdeel van het leven is en dat dit niet zonder meer als reden kan dienen om jeugdhulp te beperken. Wij adviseren om de formulering te nuanceren en explicieter te maken dat altijd een zorgvuldige afweging plaatsvindt, waarbij het belang van het kind leidend is en rekening
wordt gehouden met de feitelijke draagkracht en mogelijkheden van het gezin. Leg ook explicieter vast hoe objectief wordt beoordeeld, wat de mogelijkheden zijn en wie die afweging maakt De ASDE merkt op dat artikel 3.4 lid 4 uitgaat van het benutten van algemene voorzieningen, als onderdeel van de lijn van eigen kracht naar zwaardere vormen van ondersteuning. Dit veronderstelt twee dingen: 1) dat zulke voorzieningen niet alleen beschikbaar moeten zijn, maar ook passend en van voldoende kwaliteit. Een voorziening kan alleen als reëel alternatief gelden als deze in de praktijk ook werkelijk toereikend is voor de hulpvraag. 2) dat deze voorzieningen laagdrempelig, toegankelijk en goed vindbaar zijn voor inwoners. In de praktijk zien wij dat dit nog onvoldoende het geval is. Zo biedt de informatievoorziening op de website van de gemeente Epe (https://www.epe.nl/opvoeden-en-opgroeien) momenteel nog onvoldoende houvast voor inwoners om eenvoudig hun weg te vinden naar passende, lichte ondersteuning. Wij adviseren om de toegankelijkheid en vindbaarheid van het voorliggende veld te versterken en de ondersteuningsroute voor inwoners duidelijker en meer stapsgewijs inzichtelijk te maken, zodat de beoogde ‘trechter’ (van eigen kracht, naar voorliggend veld, naar maatwerk) in de praktijk daadwerkelijk werkt.
Artikel 3.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Artikel 3.5 bevat op zichzelf relevante beoordelingspunten, maar de ASDE ziet overlap met artikel 3.4. In het bijzonder geldt dat lid 2 onder g, over de mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende voorzieningen, in de praktijk dezelfde vragen oproept als artikel 3.4 lid 4. Ook hier adviseert de ASDE om duidelijk te maken dat een voorliggende voorziening alleen dan meegewogen kan worden als deze feitelijk beschikbaar, makkelijk toegankelijk, passend en kwalitatief voldoende is. Meer in algemene zin adviseert de ASDE om in deze bepaling te benadrukken dat de beoordeling van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zorgvuldig, objectief en navolgbaar moet plaatsvinden, zodat jeugdigen, ouders en verzorgers weten waarop zij worden beoordeeld en verschillen in interpretatie tussen professionals zoveel mogelijk worden beperkt. Artikel 3.6 Draagkracht, draaglast en overbelasting De ASDE adviseert om artikel 3.6 op meerdere punten te heroverwegen en te verduidelijken. In lid 1 staat dat ouders, voor zover dit van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort, hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden. De ASDE vindt deze formulering te smal én te zwaar op ouders gelegd. Jeugdhulp is breder dan persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.
Bovendien zijn ouders in de eerste plaats ouders en geen hulp- of zorgverleners. De verordening moet voorkomen dat verantwoordelijkheden van en professionele jeugdhulp te veel in elkaar schuiven. In lid 4 wordt gesproken over “algemeen aanvaarde maatstaven”. De ASDE adviseert om deze maatregelen te benoemen en daarbij aan te geven wat de objectieve en
wetenschappelijke onderbouwing hiervan is. Zonder nadere toelichting is het risico aanwezig dat deze term te open blijft en daardoor verschillend wordt toegepast.
Daarnaast merkt de ASDE op dat het accent in dit artikel sterk ligt op het vaststellen van overbelasting. Dat is belangrijk, maar komt laat in het proces. Alleen kijken naar overbelasting is in zekere zin de put dempen als het kalf al verdronken is. De ASDE adviseert daarom om niet alleen te redeneren vanuit draagkracht, draaglast en overbelasting, maar ook expliciet aandacht te hebben voor draagvlak: de steunstructuur rondom jeugdigen en gezinnen. De bredere landelijke lijn sluit daarop aan: gemeenten moeten de sociale en pedagogische basis versterken en preventief aanbod werkt beter in combinatie met zo’n sterke basis. Wij adviseren om deze samenhang explicieter te maken en te waarborgen dat deze algemene voorzieningen dekkend zijn ten aanzien van de vraag, toegankelijk en voldoende beschikbaar zijn, zodat de verwachtingen richting inwoners ook in de praktijk haalbaar zijn. Artikel 3.7 Criteria voor een individuele voorziening De ASDE adviseert om artikel 3.7 tekstueel en inhoudelijk te herordenen en te verduidelijken. Lid 1 lijkt in de verkeerde volgorde te staan en we hebben de indruk dat lid 2 onderdeel moet zijn van lid 1. Artikel 1 loopt qua leesbaarheid in ieder geval niet lekker en lijkt onvolledig.
Lid 2 roept bij ons de vraag op wat precies wordt bedoeld met de passage dat gebruikmaken van een algemene of andere voorziening de noodzaak niet kan “verminderen of wegnemen”. Verminderen is immers niet hetzelfde als oplossen. De huidige tekst kan de indruk wekken dat de gemeente al voldoende heeft gedaan als een probleem slechts iets kleiner wordt, terwijl de vraag juist moet zijn of de hulpvraag daarmee afdoende en passend wordt beantwoord. In lid 2 wordt ook gesproken over goedkoopst en dichtstbijzijnde adequate voorziening”. Hoor gevolgtijdelijk lid 3 ‘doeltreffend’ niet voor te staan. Kortom: wij adviseren om eerst helder vast te leggen dat een individuele voorziening wordt toegekend als deze niet vanuit eigen kracht, netwerk of algemene voorziening kan worden opgelost. Dan wordt gekeken naar de doeltreffendheid (effectiviteit) van een individuele voorziening en dan zijn goedkoop en dichtbij onzes inziens pas aan de orde. Ten aanzien van lid 5 merkt de ASDE op dat het helder is dat niet iedere vraag van ouders automatisch een jeugd hulpvraag is. Tegelijk is het voor inwoners niet voldoende om alleen te horen wat niet onder deze verordening valt. De ASDE adviseert daarom -zoals ook eerder benoemd- om duidelijk te maken welke ondersteuning, doorverwijzing of andere passende route dan wél aan de orde is.
Niets doen is immers geen oplossing; het uitblijven van passende ondersteuning kan juist leiden tot verergering van problemen en uiteindelijk tot meer jeugdhulp. Over lid 7 is de ASDE positief. Het tijdig organiseren van afstemming richting 18-/18+ en het borgen van continuïteit van ondersteuning is belangrijk en verdient nadrukkelijk waardering.
Artikel 3.8 Medewerkingsplicht De ASDE adviseert om de formulering “binnen hun mogelijkheden” in artikel 3.8 nader te concretiseren. Nu blijft onduidelijk wie beoordeelt wat redelijkerwijs van jeugdigen en/of ouder(s)/verzorger(s) verwacht mag worden, op basis van welke criteria dat gebeurt en hoe deze afweging objectief en navolgbaar wordt gemaakt. Zonder nadere verduidelijking ontstaat het risico op verschillen in interpretatie en daarmee op willekeur in de uitvoering. De ASDE adviseert daarom om vast te leggen dat deze beoordeling zorgvuldig, gemotiveerd en op basis van duidelijke criteria plaatsvindt, met oog voor belastbaarheid, taalniveau, gezinsomstandigheden, begrijpelijkheid en de positie van zowel de jeugdige als de ouders. De ASDE merkt ook op dat artikel 3.8 een sterke nadruk legt op de medewerkingsplicht van jeugdigen en ouders, waarbij het niet voldoen hieraan kan leiden tot het weigeren of beëindigen van hulp. Hoewel het belang van medewerking door ons wordt onderschreven, wijzen wij erop dat het in de praktijk niet altijd gaat om onwil, maar soms ook door onvermogen, bijvoorbeeld door stress, beperkte vaardigheden of complexe problematiek.
We benadrukken dat het belang van het kind vraagt om een zelfstandige en expliciete afweging, los van het handelen of de medewerking van ouders/verzorgers, zodat wordt voorkomen dat kinderen soms indirect worden benadeeld door omstandigheden waar zij zelf geen invloed op hebben. Door in de formulering meer ruimte te bieden voor maatwerk en (cliënt)ondersteuning wordt voorkomen dat juist kwetsbare gezinnen door deze bepaling buiten de benodigde hulp vallen en het vertrouwen in de overheid bij hen nog meer onder druk kan komen te staan. Artikel 3.9 Beschikking De formele eisen aan de beschikking zijn helder beschreven, maar kan in de praktijk soms lastig te lezen zijn voor betrokkenen. Wij adviseren om expliciet aandacht te besteden aan begrijpelijke communicatie en het versterken van de uitlegbaarheid van de beschikking. In artikel 7 lid 1 wordt dit overigens wel omschreven. Wij adviseren om artikel 7, lid 1 toe te voegen aan 3.9 of hiernaar een verwijzing te maken. Artikel 4.1 Vormen van individuele voorzieningen Wij adviseren u om in artikel 4.1 lid 5 bovenaan in de rij te zetten, zodat eigen kracht altijd als eerste optie wordt genoemd en jeugdhulp soort van getrechterd wordt aangeboden. Zie onze toelichting bij artikel 3.4. Artikel 4.4 Dyslexie De ASDE ziet dat artikel 4.4 helder afbakent wanneer dyslexiezorg onder de Jeugdwet valt.
Dat geeft duidelijkheid, maar roept ook een belangrijke vraag op: wat betekent deze strakke afbakening voor kinderen en jongeren die wel beperkingen ervaren, maar buiten deze criteria vallen? De ASDE denkt daarbij aan leerlingen in het voortgezet onderwijs die pas later vastlopen door hun dyslexie, bijvoorbeeld doordat zij structureel extra tijd nodig hebben, of aan basisschoolkinderen die net niet voldoen aan de criteria voor Ernstige Dyslexie maar wel serieuze ondersteuning nodig hebben. De verordening maakt nu niet duidelijk welke passende route of voorziening voor deze groep wél beschikbaar is.
De ASDE adviseert daarom om in de toelichting of in de communicatie helder te maken waar deze kinderen en ouders terecht kunnen, welke rol het onderwijs hierin heeft, waar de verantwoordelijkheid van de gemeente eindigt en hoe wordt voorkomen dat gezinnen tussen wal en schip raken. Een strakke afbakening mag niet betekenen dat onduidelijk blijft wat dan het passende vervolg is. Artikel 5 Kwaliteitseisen Bij artikel 5, lid 7 vraagt de ASDE zich af of de daar genoemde vormen van toezicht voldoende zijn om gebrekkige kwaliteit tijdig en betrouwbaar in beeld te krijgen. Periodieke overleggen, cliëntervaringsonderzoek en controle ter plaatse kunnen waardevolle instrumenten zijn, maar roepen ook de vraag op of dit in de praktijk voldoende adequaat is, zeker wanneer cliëntervaringsonderzoeken een beperkte of selectieve respons opleveren. Dan bestaat het risico dat kwaliteitsproblemen, onveiligheid of onvoldoende passende hulp niet tijdig zichtbaar worden. De ASDE adviseert daarom om te verduidelijken hoe het college zich ervan vergewist dat het toezicht daadwerkelijk effectief is, welke aanvullende signalen en bronnen daarbij worden gebruikt en hoe wordt omgegaan met situaties waarin cliëntervaringsgegevens onvoldoende betrouwbaar of representatief zijn.
Artikel 6 Regels voor pgb Artikel 6.1 Algemene Regels voor een PGB In artikel 6.1 lid g wordt inkoop van zorg door ouder(s)/verzorger(s) uitgesloten. Dit roept bij ons vragen op in het licht van geldende jurisprudentie. Ons inziens blijkt uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep dat een persoonsgebonden budget voor zorg door ouders niet op voorhand categorisch mag worden uitgesloten, maar dat steeds een individuele afweging dient plaats te vinden. In sommige situaties kan inzet van ouder(s) juist de best passende oplossing zijn vanuit het uitgangspunt van maatwerk en het belang van het kind. Het volledig uitsluiten hiervan kan ertoe leiden dat ouders onevenredig worden belast en/of financiële problemen kan krijgen. Wij adviseren om deze bepaling te heroverwegen en expliciet ruimte te bieden voor een individuele beoordeling. In artikel 6.1, lid 5 onder h, staat dat een pgb niet wordt verstrekt voor zover de kosten hoger zijn dan de kosten van de door de gemeente ingekochte individuele voorziening, tenzij in overleg het overstijgende bedrag zelf betaald wordt. De ASDE adviseert om deze passage te heroverwegen. Passende jeugdhulp moet juist zoveel mogelijk gelijkwaardig en op behoefte gebaseerd moeten zijn. In de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio+ Midden IJssel/Oost Veluwe wordt ingezet op het borgen van een toereikend aanbod van jeugdhulp voor jeugdigen.
Wanneer het ingekochte aanbod echter niet toereikend is (lees: niet volledig aansluit bij de behoefte), kan de mogelijkheid tot bijbetaling ertoe leiden dat gezinnen met meer financiële ruimte beter passende zorg kunnen organiseren dan anderen. Wij adviseren om te waarborgen dat het basisaanbod daadwerkelijk toereikend is, zodat verschillen in financiële draagkracht niet leiden tot verschillen in passende ondersteuning en daarmee op kansenongelijkheid tussen kinderen.
De ASDE adviseert het college daarom om expliciet te motiveren waarom deze bepaling rechtvaardig wordt geacht, of om deze passage te schrappen als zij in de praktijk leidt tot ongelijke toegang tot passende ondersteuning. Artikel 6.2 Hoogte pgb en onderscheid formele en informele zorg De ASDE constateert een spanning tussen artikel 6.2 en de daaropvolgende uitsluitingsgronden in artikel 6.1. Waar artikel 6.2 uitgaat van een individuele beoordeling of een persoonsgebonden budget passend en verantwoord is, worden in artikel 6 bepaalde situaties, zoals zorg door ouders, op voorhand uitgesloten. Wij adviseren om deze bepalingen beter met elkaar in lijn te brengen en zoals hiervoor aangegeven ruimte te laten voor een individuele beoordeling. Artikel 7 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Zie onze eerdere opmerking over begrijpelijke bewoordingen bij artikel 3.9 Artikel 9 Klachtenregeling De ASDE adviseert om in artikel 9 een verwijzing op te nemen naar de onafhankelijke vertrouwenspersoon. Juist omdat deze belangrijke rol speelt bij het ondersteunen van jeugdigen en ouders bij klachten. Zie artikel 3.1 van deze verordening. Wij adviseren om deze koppeling expliciet te maken, zodat inwoners beter worden ondersteund en de toegankelijkheid wordt vergroot.
Wij adviseren u hier een verwijzing op te nemen naar artikel 3.1 ten aanzien van de onafhankelijke vertrouwenspersoon (artikel 2.5 Jeugdwet). Artikel 11 Betrekken van ingezetenen bij beleid Allereerst: de nummering is niet juist. Verder adviseren wij om artikel 11 sterker en concreter uit te werken, juist in het licht van de gemeentelijke visie op samenwerking met inwoners. Op papier staat dat ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij voorbereiding en uitvoering van beleid en vroegtijdig advies kunnen geven. Tegelijk constateren wij dat inwoners en in het bijzonder kinderen, jongeren en ouders bij deze verordening niet zichtbaar en intensief aan de voorkant betrokken zijn geweest. De participatie lijkt in de praktijk nu vooral plaats te vinden in de consultatiefase en in het beter toegankelijk maken van regels. Daarmee blijft participatie te veel beperkt tot reageren op een al grotendeels uitgewerkt juridisch kader. Daardoor ontstaat de vraag of de regels wel voldoende aansluiten bij wat inwoners en potentiële hulpvragers daadwerkelijk nodig hebben. De verordening wekt nu vooral de indruk van een juridisch strak kader, gericht op begrenzing, kostenbeheersing en risicoreductie voor de gemeente.
Dat mag een bestuurlijk belang zijn, maar vraagt dan wel om open en eerlijke communicatie richting inwoners over de gemaakte keuzes, de achterliggende afwegingen en de gevolgen daarvan. De ASDE adviseert daarom: ● om participatie van kinderen, jongeren en ouders structureel en aantoonbaar aan de voorkant van beleidsvorming te organiseren;
● om expliciet te toetsen of de regels aansluiten bij de leefwereld en behoeften van (potentiële) hulpvragers; ● om inwoners helder, begrijpelijk en goed onderbouwd te informeren over de bedoeling, grenzen en gevolgen van deze verordening; ● de nadere regels benoemd in lid 5, naast het tweede en derde lid, ook te betrekken op het vierde lid. Dat sluit ook aan bij de gemeentelijke visie om eerder samen op te trekken, de leefwereld centraal te zetten, transparant te zijn over keuzes en de menselijke maat leidend te laten zijn. Afsluitend Samenvattend adviseert de ASD het college om deze verordening op een aantal punten te verduidelijken, beter te onderbouwen en sterker te verbinden aan de leefwereld van jeugdigen, ouders en gezinnen. Het gaat daarbij niet alleen om juridische houdbaarheid, maar ook om rechtvaardigheid, navolgbaarheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen. Wij worden graag verder geïnformeerd over de uitwerking van de verordening in de beleidsregels.