Bijlage 23 - Aanmeldnotitie m.e.r
Tekst van het document
M.e.r.-beoordeling
Vaassen, Laan van Fasna - Pastoorsweg
NOTITIE
Onderwerp: Auteur: Datum: Status:
M.e.r.-beoordeling Vaassen, Laan van Fasna - Pastoorsweg BJZ.nu Maart 2025 Definitief
1. INLEIDING Voorliggende m.e.r-beoordeling heeft betrekking op de ontwikkeling op het gebied tussen de Laan van Fasna en de Pastoorsweg, in het noordoosten van Vaassen. De initiatiefnemers zijn voornemens om het gebied te transformeren naar een woongebied met maximaal 181 woningen, een en ander met bijbehorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen. Qua woningtypes gaat het om de volgende soorten: • • • • •
77 rijwoningen; 12 twee-onder-een-kapwoningen; 11 vrijstaande woningen; 60 appartementen; 21 zorgwoningen.
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage gegeven. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In afdeling 16.4 van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in de planmer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Bij een plan-mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van een aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (artikel 16.35 lid 5 Ow). Hiervoor worden de volgende instanties en bestuursorganen geraadpleegd: a. b.
de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Natuur en Stikstof, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
Inhoudelijk mag de plan-mer-beoordeling echter gelijk zijn aan de project-mer-beoordeling (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). In dit geval is sprake van een wijziging van het omgevingsplan. De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling. Voorliggende m.e.r.-beoordeling voorziet hierin. Inhoud en doel van de m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze aanzienlijke milieueffecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •
De kenmerken van het project; De plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de potentiele nadelige effecten voor het milieu die het project kan hebben.
Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken. De ontwikkeling is een particulier initiatief. Voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit is de gemeenteraad van Epe het bevoegd gezag. Daarnaast worden de provincie Gelderland, het waterschap Vallei en Veluwe en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het concept wijzigingsbesluit in het kader van vooroverleg naar deze partijen worden toegezonden. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voorgenomen project beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voorgenomen project. Hierin wordt tevens de conclusie van de m.e.r.-beoordeling beschreven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
2. KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PROJECT Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Het voornemen betreft de herontwikkeling van het projectgebied naar een woongebied met maximaal 181 woningen in verschillende segmenten. Hieronder worden deze segmenten benoemd: • • • • •
77 rijwoningen; 12 twee-onder-een-kapwoningen; 11 vrijstaande woningen; 60 appartementen; 21 zorgwoningen.
Daarnaast zullen in het projectgebied de benodigde parkeerplaatsen, ontsluitingen, groenvoorzieningen, waterbergingsmogelijkheden en speelplaatsen worden gerealiseerd.
Afbeelding 1: Verkavelingssituatie (Bron: Buro Ma.an)
Locatiekenmerken Het projectgebied betreft een gebied van ruim 6 hectare en wordt begrensd door Laan van Fasna aan de zuidzijde, de Pastoorsweg aan de oostzijde en de bebouwde kom van Vaassen aan de westelijke zijde. De ruimtelijke en functionele structuur van de directe omgeving bestaat voornamelijk uit woningbouw (o.a. woonwijk Heggerenk in het westen) en agrarische cultuurgronden. Daarnaast bevinden zich aan de zuidzijde van het projectgebied de brandweerkazerne van Vaassen, enkele tennisvelden en een tijdelijke supermarkt. In de huidige situatie is het projectgebied grotendeels ingericht als agrarische cultuurgrond met op enkele plekken opgaande beplanting. De gronden in het zuidoosten zijn verder verhard en ingericht als parkeerterrein en tijdelijk depot van het gemeentewerf. Daarnaast loopt er een watergang (een spreng) door het projectgebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Afbeelding 2: Ligging van het projectgebied (Bron: Plattekaart.nl)
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de sloopfase, het bouw- en woonrijp maken van de gronden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zullen elektriciteit en water nodig zijn. De nieuw te bouwen woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De woningen zullen in de gebruiksfase leiden tot afvalstoffen (huisvuil, snoeiafval e.d.). Deze afvalstoffen zullen op de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd. Verontreiniging en hinder Tijdens de sloop- en aanlegfase zal sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Vanwege de ligging is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Uit hoofdstuk 3 blijkt dat zowel de sloop-, bouw- en gebruiksactiviteiten geen nadelige gevolgen met zich meebrengen voor omliggende natuurgebieden.
Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
3. BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN Voor de m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voorgenomen project relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, gaat het om de realisatie van maximaal 181 woningen. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, ecologie, waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt aangesloten bij de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering)’ van het CROW'. Op basis van deze publicatie kan per functie de verkeersgeneratie als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling worden berekend. Bij iedere functie wordt in de CROW-publicatie een maximum en minimum genoemd. Dit is de bandbreedte. In voorliggend geval zal van het gemiddelde worden uitgegaan. Verder worden voor het projectgebied de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk / gemeente Epe (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom.
Op basis van deze uitgangspunten ontstaat voor het projectgebied de volgende verkeersgeneratie: Functie Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een kap Koop, huis, tussen/hoek Koop, appartement, <75 m2 bvo Huur, huis, sociale huur Huur, appartement, sociale huur <75 m2 bvo Aanleunwoning, serviceflat Totaal
Verkeersbewegingen per woning 8,2 7,8 7,4 5,6 4,8 3,3
Aantal
Totaal
11 12 67 24 10 36
90 94 496 134 48 119
2,6
21
55 1.036
Om het effect van het voornemen op de verkeerskundige situatie rondom het projectgebied te beoordelen, is door Movares een verkeersanalyse uitgevoerd1. Deze verkeersanalyse heeft als doel om te duiden wat de verkeerseffecten zijn van de woningbouwontwikkeling op het bestaande wegennet van Epe. Op basis van expert judgement zijn vier primaire herkomsten/bestemmingen bepaald die relevant zijn voor het projectgebied. Per richting is geduid welk aandeel van de voertuigbewegingen zich van/naar die richting begeeft.
Tabel 1: Duiding herkomst/bestemming verkeer woningbouwontwikkeling
Om de verkeerseffecten te bepalen wordt de autonome situatie in 2040 vergeleken met de situatie waarin de woningbouwontwikkeling is gerealiseerd (zie afbeelding 3). Het verschil tussen beide situaties is het verkeerseffect van de woningbouwontwikkeling.
1
Movares (2025). Ontwikkeling Baanwachter te Vaassen. Verkeersanalyse.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Afbeelding 3: Etmaalintensiteiten autonome situatie (links) en na realisatie woningbouwontwikkeling (rechts)
Als gevolg van de ontwikkeling neemt de etmaalintensiteit op de Laan van Fasna toe. De etmaalintensiteit toe van circa 9.400 (autonome situatie) naar circa 10.400 motorvoertuigbewegingen per etmaal (inclusief planontwikkeling). Met de toename van de verkeersdruk ontstaan er geen knelpunten ten aanzien van de doorstroming op wegvakniveau. In zowel de autonome situatie als in de plansituatie functioneren de kruispunten eveneens naar behoren. Er worden geen capaciteitsproblemen verwacht in 2040 in combinatie met de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Gemeente Epe en initiatiefnemer hebben in gezamenlijke afstemming een aangepaste voorrangskruising onderzocht en uitgewerkt voor het kruispunt Laan van Fasna – Pastoorsweg. In dit voorstel wordt voorzien in een middengeleider van 6 meter en een linksafstrook voor verkeer vanaf Vaassen. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering, omdat ze in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. In voorliggend geval zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden). Voor dergelijke geluiden gelden echter geen normen. Gelet op de afstand van het projectgebied ten opzichte van omliggende woningen zal dit verder niet voor belemmeringen zorgen. Daarnaast zal de aanlegfase (de bouw van de woningen) gepaard gaan met de productie van geluid.
Deze geluidproductie is tijdelijk van aard en zal zoveel mogelijk worden beperkt. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid niet leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
Beoordeling Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
In voorliggend geval is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd 2. In dit onderzoek is vastgesteld wat de lokale luchtkwaliteit is en in welke mate de emissies ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling bijdragen. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Water De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan samengaan met effecten op de waterhuishouding. Hieronder worden de waterhuishoudkundige aspecten van het voornemen nader beschreven. Verhard oppervlak en bergingsopgave De gemeente Epe hanteert voor dit project een bergingseis van 66 mm (6,6 m³/100 m² toename van de verharding) ten opzichte van het aangesloten verharde oppervlak. Daarbij geldt voor hardverharde oppervlakten dat deze voor 50% meegenomen mogen worden in de watercompensatie. Hierna is een tabel opgenomen, waarin de benodigde watercompensatie is bepaald. Open verharding Halfverharding Daken Particuliere erven Totaal:
Totaal m2 12.500 1.750 * 0,5 = 875 7.385 12.910 * 0,25 = 3.228 23.988
Benodigde berging (m3) 825 58 487 213 1.583
In de toekomstige situatie is er sprake van circa 2,4 hectare verhard oppervlak. Daarbij zijn halfverhardingen voor 50% meegenomen. Afvoer hemelwater De gemeente Epe heeft als voorkeur dat het hemelwater zo dicht mogelijk bij de bron wordt geborgen. Door de indeling van het projectgebied zijn er twee hemelwatersystemen ontstaan. Eén aan de noordzijde van de A-watergang en één aan de zuidzijde van de A-watergang. Beide systemen zijn hetzelfde opgebouwd. Het hemelwater van daken, particuliere verhardingen en openbare verhardingen wordt bovengronds afgevoerd naar wadi’s. Uitzonderingen hierop zijn de twee ‘hofjes’ welke direct aansluiten op de Pastoorweg. Door het aanwezige hoogteverloop is het niet haalbaar het water bovengronds te laten afstromen naar de bergingsvoorzieningen. De hofjes krijgen een afwateringssysteem van kolken welke aansluiten op een Infiltratie riool. Het infiltratieriool kan weer overstorten op de wadi’s. De wadi’s zijn onderling met elkaar gekoppeld via slokops. Dit is noodzakelijk om een robuust systeem te maken en een evenredige verdeling van verharde oppervlakken en bergingsvoorzieningen te krijgen. De wadi’s
2
BJZ.nu (2025). Luchtkwalitetsonderzoek Vaassen, Pastoorsweg – Laan van Fasna.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
krijgen een overstort welke aangesloten zijn op een infiltratieriool. Het infiltratieriool krijgt een noodoverlaat op de A-watergang. Wadi’s De wadi’s zijn opgebouwd volgens de eisen in de HIOR. Dit betekend dat de wadi’s onderling gekoppeld zijn middels slokops. Ook is er een noodoverlaat welke zorgt voor, onder normale omstandigheden, een maximale waterdiepte van 30 cm in de wadi’s is. Het hemelwater wordt bovengronds afgevoerd naar de wadi’s. De beschikbare berging in de wadi’s is zo goed mogelijk afgestemd op het aangesloten verharde oppervlak. Infiltratieriool Het infiltratieriool heeft in het hemelwatersysteem twee functies. De eerste is berging om te kunnen voldoen aan de eis van de gemeente Epe. Daarnaast is het een overstortvoorziening voor de aanwezige wadi’s. Het infiltratieriool wordt in 1,0 m3/m drainzand gelegd. Dit is om de infiltrerende werking te verbeteren maar ook om meer berging te maken. Greppel Aan de oostzijde in het projectgebied is een greppel in het ontwerp opgenomen. Dit is gedaan omdat de breedte tussen de parkeervakken en de bestaande, particuliere percelen niet voldoende is voor een wadi en een groenzone. De greppel heeft een bodembreedte van 1,0 meter en taluds van 1,0 meter breed. De diepte is 0,75 meter en de maximale peilstijging is 0,60 meter. De greppel krijgt een overlaat die zorgt voor deze maximale peilstijging.
De overlaat sluit aan op het infiltratieriool. Wegen en parkeervakken Het hemelwater van de wegen stroomt bovengronds af via (mol)goten naar de wadi’s. Op de twee eerder genoemde locaties na, deze voeren via een afwateringssysteem (kolken) naar het infiltratieriool. Woningen Daken van woningen grenzend aan wadi’s voeren daar bovengronds op af. Daken van woningen bij woonstraten voeren bovengronds af op de aanliggende verhardingen (voetpaden of rijbaan). Tuinen De tuinen voeren, net als de woningen, af richting de wadi’s en de rijbaan. Hydraulische belasting Het hemelwatersysteem is gebaseerd op bovengrondse afstroming naar bergingsvoorzieningen. De voorzieningen hebben een berging van 66 mm ten opzichte van het aangesloten verharde oppervlak wat zeer robuust is. De overstort naar de A-watergang is na de waterbergende voorzieningen gesitueerd en zal beperkt in werking treden. Er is geen toets uitgevoerd op hydraulische belasting. Afvalwater De nieuwbouwwoningen krijgen een vuilwaterriool. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds aangeboden op de perceelgrens. De vuilwater aansluiting wordt ondergronds aangeboden op de erfgrens. Het vuilwatersysteem verzamelt het door de nieuwbouwwoningen aangeboden vuilwater en voert het, via een nieuw te plaatsen gemaal, af naar een persleiding van het Waterschap Vallei en Veluwe.
Ontwerp DWA-stelsel De materialisatie is afgestemd op de HIOR. Het vuilwatersysteem is grotendeels in de rijbaan gesitueerd. Van een aantal nieuwe woningen is aan de voorzijde van de woning geen rijbaan. Daar is een verzamelleiding ontworpen welke aangesloten is op het vuilwatersysteem in de rijbaan. Het systeem van het nieuwbouwplan voert af naar het gemaal in de zuidoosthoek van het projectgebied. Vanuit het gemaal wordt het verpompt via een nieuw te leggen persleiding naar een persleiding van het waterschap Vallei en Veluwe. Het nieuwe persriool wordt ‘ingeprikt’ op de persleiding van het waterschap. Capaciteit systeem In het projectgebied worden 181 nieuwe woningen gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een maatgevende situatie van 12 l/inw per uur. Bij een gemiddelde woningbezetting van 3 personen per woning is de belasting
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
6516 l/uur. Dit is 1,81 l/s. Het aantal woningen is niet maatgevend voor het bepalen van de diameter van het riool. Dat is de minimale afmeting van vuilwater riool (Ø250 mm) zoals is voorgeschreven in de HIOR. Vanwege de te nemen maatregelen en inrichting van het projectgebied wordt het effect van het voornemen op de waterhuishouding op ‘neutraal’ ingeschaald. Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Beoordeling Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe” ligt op circa 100 meter afstand van het projectgebied. Gezien de afstand van het projectgebied tot Natura 2000 wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder. Wel is in het kader van Natura 2000 de stikstofdepositie van belang. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een AERIUS berekening uitgevoerd door BJZ.nu3. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit de rekenresultaten is gebleken dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het projectgebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief
3
BJZ.nu (2025). AERIUS-berekening. Vaassen, Pastoorsweg – Laan van Fasna.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Om de wettelijke consequenties van de voorliggende in beeld te brengen, is door De Slijpkruik een ecologische quickscan4 uitgevoerd. Daarnaast is soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de steenuil en marterachtigen 5. Hieronder worden de resultaten en conclusies nader toegelicht. Ecologische quickscan Vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4 De ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4. Voor steenuil is aanvullend onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 9.2.2.2). Vogelsoorten categorie 5 en overige broedvogels Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het nest beschermd is vanaf balts en nestbouw, in de periode dat de vogel broedt en het nest nodig heeft om jongen groot te brengen én de periode van verzorging van vliegvlugge jongen. Werkzaamheden mogen niet leiden tot negatieve effecten op het functioneren van deze nestplaatsen. Hier dient rekening mee worden gehouden, bij voorkeur door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het verwijderen van opgaand groen dient hoe dan ook buiten het broedseizoen plaats te vinden omdat vrijwel zeker broedgevallen aanwezig zullen zijn.
Voor de meeste soorten is het broedseizoen de periode half maart - half augustus, maar eerdere of latere broedgevallen van met name duiven zijn niet op voorhand uitgesloten. Indien dit niet mogelijk is, dient een broedvogeldeskundige ingeschakeld te worden. De deskundige bepaalt onder welke voorwaarden de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Vleermuizen Negatieve effecten op foerageergebied of vliegroutes zijn niet aan de orde, met mogelijke uitzondering van lichtverstoring van de vliegroute langs het fietspad en (niet-essentieel) foerageergebied. Uitstraling van verlichting richting de bomenrij langs het spoor en lichtverstoring van foerageergebied dient voorkomen te worden door spaarzaam om te gaan met (bouw-)verlichting nabij opgaand groen. Voer werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uit of neem maatregelen om uitstraling van kunstlicht richting bomen te voorkomen. Daarbij dient de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter beperkt te worden, gebruik gemaakt te worden van afgeschermde armaturen, amberkleurige ‘batlampen’ en er voor gezorgd te worden dat lampen niet op omliggende bomen gericht worden. Wanneer deze maatregelen in acht worden genomen is er geen aanvullend onderzoek nodig ten aanzien van deze gebiedsfuncties. Overige zoogdieren De groenstroken binnen het plangebied zijn mogelijk onderdeel van de functionele leefomgeving van steenmarter, bunzing en wezel.
Steenmarter en kleine marterachtigen Door aanwezigheid van beschadigingen/gaten aan de onderzijde van de gevelbekleding van het zuidelijke gebouw kan de ruimte onder het gebouw bereikt worden. Deze ruimte is mogelijk geschikt voor steenmarters als vaste rust- of voortplantingsplaats. Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor steenmarter is soortgericht vervolgonderzoek uitgevoerd.
4 De Slijpkruik (2024). Ecologische quickscan. Kerkenland te Vaassen.
5
De Slijpkruik (2024). Soortgericht onderzoek steenuil en marterachtigen Kerkenland te Vaassen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Overige zoogdieren Voor wat betreft overige soortgroepen (amfibieën, vissen, reptielen, ongewervelden en flora) heeft het plangebied geen functie voor beschermde soorten. Aanwezigheid van beschermde gebiedsfuncties in het plangebied van deze soortgroepen is uitgesloten. Soortgericht onderzoek steenuil en marterachtigen Steenuil Het plangebied is geen onderdeel van het leefgebied van steenuilen. Er is daarom geen sprake van overtreding van de omgevingswet ten aanzien van de steenuil. Voor steenuil zijn daarom geen vervolgacties zoals het aanvragen van een ‘omgevingsvergunning flora en fauna activiteit’ of het inrichten van alternatief leefgebied nodig. Kleine marterachtigen en steenmarter Van steenmarter is bekend dat deze in het plangebied en omgeving voorkomt. Ook tijdens het soortgericht onderzoek is de steenmarter vastgesteld op camera. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een voortplantingsplaats binnen het plangebied. Van aantasting van essentieel leefgebied van de steenmarter is geen sprake indien de noordelijke groenstrook met bomen en ondergroei behouden blijft. Voor de rest is er namelijk geschikt leefgebied in overvloed aanwezig, zo worden bijvoorbeeld zeer regelmatig steenmarters in de naastgelegen woonwijk gezien en zijn er ook vele geschikte erven, diepe tuinen en bomenrijen of andere groenstructuren met dekking in de omgeving van het plangebied aanwezig.
Het beoogde groene wijkje zal naar verwachting voor de steenmarter zelfs geschikter als jachtgebied zijn dan de huidige situatie waarbij het plangebied vooral uit open grasland of maïsakker bestaat. Er zijn geen vervolgstappen, zoals een activiteitenplan en omgevingsvergunning flora en fauna noodzakelijk ten aanzien van kleine marterachtigen en steenmarter. Het effect van het voorgenomen project op de natuur wordt op ‘neutraal’ ingeschat. Mitigerende maatregelen zullen, indien noodzakelijk, worden vastgelegd in een omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit. Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In voorliggend geval zijn in de directe omgeving geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die belangrijke milieueffecten met zich meebrengen. Cumulatie is daarom niet aan de orde.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
4. CONCLUSIE Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. 2. 3. 4.
De kenmerken van de activiteit; De plaats van de activiteit; De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); De kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten die het project kan hebben.
Kenmerken van de activiteit Het voorgenomen project betreft een woningbouwontwikkeling in het noordoosten van Vaassen. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder de omvang van het project en de hinder als gevolg van het project in overweging te worden genoemd. Omvang Met een omvang van maximaal 181 woningen betreft het een ontwikkeling die ruim beneden de gevallen/drempelwaarden van de project m.e.r.-plicht blijft. Hinder Tijdens de uitvoering van het voorgenomen project kunnen flora en fauna hinder ondervinden van de (bouw)werkzaamheden. Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden slechts tijdelijk is. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is gebleken dat de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Plaats van de activiteit Het projectgebied ligt geheel binnen het grondgebied van de gemeente Epe Gezien de definitie uit de Bkl kan worden geconcludeerd dat het projectgebied grenst aan het bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van natuur en er zijn geen waardevolle groenstructuren aanwezig. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het projectgebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waarmee rekening dient te worden gehouden.
Kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten Voor de beoordeling van eventuele aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: • • • •
Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); Het grensoverschrijdende karakter van het effect; De waarschijnlijkheid van het effect; De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.
Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten geluid, luchtkwaliteit, water en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Water (compenserend) Voor het project geldt een waterbergingsopgave van 1.583 m3. Door de maatregelen zoals beschreven in de paragraaf ‘afvoer hemelwater’, kan deze waterbergingsopgave worden gerealiseerd. Het effect van het voornemen op de waterhuishouding wordt daarom neutraal ingeschaald.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Ecologie (mitigerend) Tijdens de uitvoering van het voornemen kan flora en fauna hinder ondervinden. Hinder op natuur kan beperkt worden door: • • •
Geen werkzaamheden binnen invloedssfeer bezette vogelnesten uit te voeren. Lichtverstoring door uitstraling van kunstlicht richting bomen langs fietspad ten westen plangebied te voorkomen. Mogelijke voortplantings- en overwinteringslocaties van egel dienen te worden ontzien in de kwetsbare periodes. Verstorende werkzaamheden dienen buiten de voortplantingsperiode van haas te worden uitgevoerd waarbij eventueel aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten in een veilige richting, in dit geval de agrarische percelen ten oosten van de Pastoorsweg.
Met het nemen van deze maatregelen worden de effecten op beschermde soorten ingeschaald op neutraal. Conclusie m.e.r.-beoordeling De m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13