CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlagen bij de motivering Bijlage 7 Nader onderzoek marterachtigen

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente EpeBij agendapunt: Hamerstuk: Wijzigen omgevingsplan Ledderweg 48, 8161SX Epe5.560 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK

MARTERACHTIGEN Locatie onderzoek:

Datum:

27 december 2024

Ledderweg 48-50, Epe

Project:

NOM52711

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Colofon Onderzoek

Nader onderzoek (kleine) marterachtigen

Document

NOM52711

Datum

27 december 2024

Locatie

Ledderweg 48-50; Epe

Opdrachtgever

Wilkon Watermanagement & Techniek

Opdrachtnemer

Ecofect B. V.

Ecoloog

Dhr. A. Van de Streek

Adres

Laan 21, 8071 JG Nunspeet

Telefoon

06-12918775

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

2

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

INHOUD Samenvatting

4

1. Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Planlocatie

6

1.3

Ontwikkelingen en effecten

7

2. Wettelijk kader

8

3. Ecologie

9

3.1

Grote marterachtigen

9

3.2

Kleine marterachtigen

10

4.Werkwijze

12

4.1

Verkennend onderzoek

12

4.2

Verdiepend onderzoek

12

Resultaten

15

5.1

Resultaten verkennend onderzoek

15

5.2

Resultaten verdiepend onderzoek

16

5.

6. Conclusie

17

Verantwoording

18

Bijlagen 19 Disclaimer

25

3

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Samenvatting Uit het nader onderzoek (Kleine) marterachtigen is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet te verwachten zijn. De resultaten van het nader onderzoek van marterachtigen in het plangebied: -

De planlocatie beoordeeld is als potentieel geschikt leefgebied

-

Tonen aan dat de steenmarter gebruikt maakt van de planlocatie.

-

Er gaan mogelijk verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep en mogelijk gaat essentieel leefgebied verloren.

-

Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt noodzakelijk geacht.

De specifieke zorgplicht is ten alle tijden van toepassing (zie bijlage). Bij het uitvoeren van flora- en faunaactiviteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Enkele maatregelen die van toepassing kunnen zijn: •

Eén kant op werken zodat aanwezige soorten tijdig kunnen vluchten

•

Rooien van beplanting uitvoeren buiten het broedseizoen van vogelsoorten

•

Graafwerkzaamheden uitvoeren buiten de winterperiode (rustplaats amfibieën)

4

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

1. Inleiding 1.1 Aanleiding

Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Ledderweg 48-50 te Epe heeft Wilkon Watermanagement & Techniek aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een nader onderzoek kleine marterachtigen uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Uit dit verkennende natuurwaardenonderzoek ter plaatse is gebleken dat het plangebied essentiële functies kan hebben voor (kleine) marterachtigen en dat de aanwezigheid van deze soortgroep aannemelijk is. Een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. ligt ten grondslag. De (kleine) marterachtigen zijn in Gelderland beschermd op basis van de Provinciaal beleid in de Omgevingswet. Dit betekent dat zonder vrijstelling, of d.m.v. een goedgekeurde gedragscode of vergunning deze soorten niet mogen worden verwond of gedood, en dat vaste rust- en verblijfplaatsen niet mogen worden beschadigd of vernield.

5

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

1.2 Planlocatie De planlocatie bestaat uit enkele opstallen, verhard opslagterrein, en onverhard terrein. De opstallen bestaan uit enkele woningen, een winkelpand, een werkplaats en enkele bergingen. Op het onverharde terrein bevinden zich enkele hagen, bomen, en struiken. Het onverharde terrein heeft diverse functies, zoals: parkeergelegenheid, speelplaats, houtopslag en als moestuin. De planlocatie is gelegen in een overwegend agrarisch gebied. Aan de oostzijde van de planlocatie is de snelweg A50 gelegen. De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Epe.

Figuur 1: Planlocatie en onderzoeksgebied

Epe is een plaats in de provincie Gelderland, in het noordoostelijke deel van de Veluwe. Het is de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente, Epe.

6

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

1.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie een aantal bijgebouwen te slopen, en de bouw van enkele woningen te realiseren. De bestaande hagen worden verwijderd. Een deel van het de planlocatie blijft intact. Voor inhoudelijke vragen met betrekking tot de ontwikkeling wordt verwezen naar de initiatiefnemer.

Figuur 2. Inrichting planlocatie Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie en ecologie van het plangebied zal mogelijk veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •

Sloop- en bouwwerkzaamheden

•

Afvoer sloopmateriaal

•

Terrein bouwrijp maken

•

Verwijderen van hagen

•

Aan- en afvoer bouwmateriaal

•

Erf landschappelijk inpassen

Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.

7

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

2. Wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming marterachtigen. Opdrachtgever heeft voornemens een flora- en fauna-activiteit uit te voeren, daarom dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Om aan de voorgenoemde regels te voldoen is een Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat een nader onderzoek marterachtigen noodzakelijk werd geacht. De marterachtigen wordt landelijk beschermd onder het beschermingsregime van ‘Overige beschermde soorten’ (art. 11.54 Bal). Het is verboden marterachtigen te doden, te verwonden, en hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Voor een verdiepende uitwerking van het wettelijk kader wordt verwezen naar de bijlage.

8

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

3. Ecologie De in Nederland voorkomende marterachtigen zijn in grofweg op te delen in twee groepen, namelijk kleine en grote marterachtigen. Hieronder zijn de twee groepen nader toegelicht.

3.1 Grote marterachtigen Onder de in Nederland voorkomende grote marterachtigen vallen de boommarter (Martes martes), steenmarter (Martes fiona), das (Meles meles) en otter (Lutra lutra). Omdat de otter een watergebonden soort met afwijkend inventarisatieprotocol betreft wordt deze soort buiten beschouwing gehouden. Steenmarter (Martes fiona) De steenmarter heeft gelijkenissen met een huiskat, maar heeft kortere poten en komt slanker over. Deze soort is te vinden in de omgeving van dorpen, boerderijen en zelfs in grote steden. De voorkeur gaat uit naar gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang omdat hij zich hierlangs verplaatst en foerageert. Het leefgebied kan een grootte van 80 tot 700 ha. omvatten. Binnen het leefgebied heeft de steenmarter tientallen verblijfplaatsen die wisselend worden gebruikt. Van deze tientallen verblijfplaatsen zijn er enkele van groter belang, zoals een voortplantingsplaats. De steenmarter heeft verblijfplaatsen in boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren en ruimtes onder dakbedekking. De steenmarter is een echte opportunist en eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Op zijn menu staan o.a.

muizen, ratten, egels, jonge konijnen, vogels, eieren, kevers, rupsen, kikkers en regenwormen, bessen en fruit. Boommarter (Martes martes) De boommarter is een lang en slank zoogdier dat zich vlug en lenig door bomen verplaatst. De boommarter is qua formaat als een huiskat maar met veel kortere poten. De sterk behaarde, volle, pluimstaart neemt bijna een derde van de totale lengte in beslag. Hiermee kan de boommarter goed zijn evenwicht bewaren bij het achtervolgen van een prooi in de bomen. Door de relatief lange achterpoten is de rug bij het lopen licht naar voren gebogen. De kop is spits met vrij grote oren. Poten en snuit zijn bijna altijd donkerder dan de koffie- tot roodbruine vacht. Opvallend is de gele, soms bijna witte, bef waarvan het patroon met vlekken en vorm individueel verschilt. De boommarter heeft een voorkeur voor bosachtige gebieden, waar hij voornamelijk boomholten, takkenhopen, dassenburchten of konijnenholen bezet als vaste-/ rust en voortplantingsplaats. Het grootste gedeelte van het jaar leeft het dier solitair, waarbij het territorium van een man (tot 1000ha) met meerdere territoria van vrouwelijke overlapt. Net als de boommarter is deze soort een opportunist die zowel dierlijk als plantaardig voedsel eet. Das (Melis melis) De is te herkennen aan de brede zwart witte kop en grote gedrongen lichaam.

Dit nacht actieve dier leeft in familiegroepen in een zelf gegraven dassenburcht in diverse biotopen, waaronder kleinschalig akker- en weidelandschap, heiden en rivierdalen. Het zijn alleseters, maar het voedsel bestaat voor het grootste gedeelte uit regenwormen. De dieren verlaten ‘s nachts gezamenlijk de burcht om vervolgens individueel te foerageren.

9

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

3.2 Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen bestaan uit bunzing (Mustela putorius), Hermelijn (Mustela erminea) en (Mustela nivalis). Er zijn sterke aanwijzingen dat deze soorten in aantallen achteruitgaan, maar veel is nog onbekend over deze soorten. De oorzaak is complex, maar heeft in ieder geval te maken met de verandering van het agrarisch cultuurlandschap. Door de afname van kleinschaligheid en diversiteit en de toename van verkeersintensiteit komen populaties onder druk te staan. Als de soorten niet actiever worden beschermd bestaat de kans dat ze uitsterven. Dat zou nadelig zijn voor de biodiversiteit. Alle drie de soorten hebben een territoriumgrootte die afgestemd is op het voedselaanbod (figuur 3). Het leefgebied vervult de volgende ecologische functies: 1.

foerageergebied met voldoende dekking,

2.

verbindingen met andere leefgebieden en

3.

rust- en voortplantingsplaatsen. En voor de hermelijn en in mindere mate ook voor de bunzing is van belang:

4.

water.

Figuur 3. Behoeftes kleine marterachtigen. Bunzing (Mustela putorius) De bunzing is de grootste kleine marter. Het mannetje is met een kop- romp lengte van 33 tot 45 cm en een gewicht van 500 – 1800 gram duidelijke groter dan het vrouwtje, welke doorgaans een kop-romp- lengte heeft van 28 tot 38 cm en 300 tot 900 gram weegt. De bunzing is herkenbaar aan de donkerbruine vacht waarbij de geel of geelwitte ondervacht vaak duidelijk doorschijnt. Ook de witte snuit, witgerande oren en witte ‘halve maantjes’ boven de ogen zijn kenmerkend. De gedomesticeerde bunzing, de fret, komt soms verwilderd voor. De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen (Pertoldi et al., 2006). In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen (Birks, 1998) aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou.

10

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Hermelijn (Mustela erminea) De hermelijn lijkt erg op de wezel maar is duidelijk groter. Hij heeft een lange zware behaarde staart met een zwarte pluimpunt. De rug is grijs- of beigebruin en de buik wit. De demarcatielijn (scheidingslijn tussen de bruine rugkleur en de lichte buikkleur van de vacht) is strak en recht, in tegenstelling tot de wezel waarbij die kronkelig is. De hermelijn heeft geen donkere keelvlekken. De hermelijn heeft een zomer- en een wintervacht. In de zomer is de vacht roodbruin, in de winter is het soms wit. Het staartpuntje blijft echter altijd zwart. In het koudere deel van het verspreidingsgebied van de hermelijn wordt de vacht in de winter geheel wit. In warmere gebieden wordt de wintervacht slechts gedeeltelijk wit. Nederland ligt net op de grens tussen koud en niet koud: een deel van de hermelijnen veranderd van kleur, maar er worden elke winter ook bruine dieren waargenomen. Vroeger werden wintervachten van hermelijnen gebruikt voor het vervaardigen van koningsmantels. De kenmerkende witte bontkraag met zwarte stippen zijn typerend. De hermelijn leeft solitair in territoria van tussen de 4 en 50 ha groot. Het vrouwtje heeft een leefgebied dat drie- tot viermaal zo klein is als die van het mannetje. Een leefgebied van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes. Met geurklieren markeren ze hun territorium.

De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter Tijdens de route gaat de hermelijn op zijn achterpoten staan om de omgeving goed te kunnen overzien. Men noemt dit ook wel ‘kegelen’. Hermelijnen kunnen goed klimmen en jagen soms zwemmend (achter woelmuizen aan). Wezel (Mustela nivalis) De wezel is het kleinste roofdier van Europa en behoort tot de familie der marterachtigen. Een wezel lijkt wel wat op een slanke, lange, snelle muis die zich met golvende bewegingen met 30 cm verre sprongen verplaatst. Verwarring met andere marterachtigen kan optreden (hermelijn). De vrouwtjes zijn een stuk kleiner dan de mannetjes. Ze zijn zelfs zó klein, dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen. Ze kunnen door een opening van slechts 28 mm doorsnee. Een wezel lijkt wel wat op een slanke, lange, snelle muis die zich met golvende bewegingen met 30 cm verre sprongen verplaatst. Het lichaam is slank en langgerekt met korte poten en een korte staart.

De rug is grijsbruin, de buik wit met een onregelmatige afscheidingslijn, in tegenstelling tot de hermelijn die een scherpe kleurlijn heeft tussen bruin (rug) en wit buik. Soms zijn de voetjes wit. Soms met een bruine keelvlek bij de mondhoeken. De staart van de wezel is kort en geheel bruin, in tegenstelling tot de staart van de hermelijn die langer is met een zwarte punt. In Nederland wordt de wezel in de winter niet (deels) wit; een andere ondersoort die voorkomt in Zweden en Rusland wel. In Nederland is de hermelijn dus het enige zoogdier dat 's winters wit kan worden. De wezel komt voor in heel Europa, behalve in Ierland. In Nederland komt hij nog overal voor, maar minder dan vroeger. Op de Waddeneilanden ontbreekt de soort. De soort leeft tot boven de boomgrens. Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt.

11

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

4.Werkwijze Om de aanwezigheid van marterachtigen uit te sluiten of aan te tonen, dient er in de juiste periode middels een geschikte methode onderzoek plaats te vinden. De gevolgde methodiek komt overeen met de methode beschreven in het Kennisdocument Kleine marterachtigen van BIJ12. Het onderzoek kent twee fases: een verkennend onderzoek en een verdiepend onderzoek. In dit door BIJ12 gepubliceerde kennisdocument is opgenomen dat de methodiek van verdiepend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) gecombineerd kan worden met nader onderzoek naar boom- of steenmarter waar geen kennisdocumenten van bestaan.

4.1 Verkennend onderzoek

Een verkennend onderzoek bestaat een bureauonderzoek, en een verkennend veldonderzoek. De conclusies van beide onderdelen vormen samen de basis voor de habitatsbeoordeling. Een bureauonderzoek betreft het vergaderen van bestaande verspreidingsgegevens die aan de criteria voldoen welke beschreven staan in het Kennisdocument Kleine marterachtigen van BIJ12. Bij het verkennende veldonderzoek worden onderzocht als de planlocatie potentieel leefgebied of biotoop kan zijn voor martachtigen. Daarbij wordt gekeken als voedsel, verbindingszones en veiligheid (drie V’s) aanwezig zijn. De aanwezigheid van de drie V’s zijn van sterk belang voor (kleine) marterachtigen om zich te kunnen vestigen en voort te planten in het betreffende gebied. Wanneer één of meerdere factoren ontbreken dan beïnvloedt dit het gedrag en/of functie van het gebied) afhankelijk van de soort (zie hoofdstuk 3). In tabel 1 is een versimpelde weergave van aanwezige factoren versus functie zichtbaar. Tabel 1: Aanwezige factoren versus functie gebied

3 v’s

Functie

Leefgebied

Foerageergebied

Voedsel

X

X

Verbinding(zones)

X

X

Veiligheid

X

Territorium

Rustgebied

X X

4.2 Verdiepend onderzoek

Op basis van het kennisdocument kan er worden gesteld dat verdiepend onderzoek uitgevoerd met inzet van de Struikrover® volledig is, mits deze is ingezet volgens de onderstaande eisen. •

Per 0.25 ha geschikt leefgebied 1 meetpunt is gehanteerd

•

Geschikt leefgebied: binnen de planlocatie enkel de gebieden waar de 3 v’s van toepassing zijn

•

1 meetpunt: minimaal 4 weken betreffende positie monitoren. Binnen een periode van 8 weken kunnen er dus maximaal 2 meetpunten per Struikrover® gecreëerd worden.

12

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

•

Lengte van monitoring plangebied bedraagt 8-12 weken

•

Uitgevoerd binnen de optimale onderzoeksperiode (juni tot 15 november)

•

Sardientjes eens per 3 weken ververst zijn

Bepaling omvang leefgebied en overzicht meetpunten

Struikrover

Figuur 4. Geschikt leefgebied (gele arcering) en overzicht meetpunten Het geel gemarkeerde oppervlakte betreft geschikt leefgebied voor marterachtigen. Deze gebieden bieden immers de 3 V’s aan en zijn relatief vrij van menselijke verstoring. De ontwikkelingen vinden plaatsen binnen de grenzen van het plangebied. Gezien de huidige functie van de omgeving, in relatie tot de toekomstige functie is het niet aannemelijk dat er in toenemende mate verstoring plaats gaat vinden. Het geschikte leefgebied nabij de ontwikkelingen bedraagt circa 0.4 hectare. Het onderzoeksgebied bestaat uit 2 meetpunten. Op figuur 4 is ook zichtbaar waar de meetpunten zich bevinden.

13

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Periode inzet Struikrover® Tabel 2. Inzet Struikrover® Inzet aantal

Plaatsing

Struikrover®

Datum

2

04-10-2024

Verplaatsing

Verversing

Opgehaald en

(extra meetpunt)

sardientjes

uitgelezen

N.v.t.

01-11-2024

27-12-2024

29-11-2024

Wie

A. Van de Streek

A. Van de Streek

A. Van de Streek

A. Van de Streek

De eerste 6 weken van de onderzoeksperiode vonden plaats in de optimale onderzoeksperiode. Aangezien een deel van de onderzoeksperiode buiten de optimale periode ligt, is ervoor gekozen de planlocatie 12 weken te monitoren.

14

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

5. Resultaten In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het verkennende onderzoek en het verdiepende onderzoek beschreven.

5.1 Resultaten verkennend onderzoek

Dit verkennende onderzoek is al uitgevoerd en beschreven in een natuurwaardenonderzoek welke tevens is uitgevoerd door Blom Ecologie B.V in 2024. Bevindingen bureauonderzoek Bij het raadplegen van NDFF kwam naar voren dat steenmarter, boommarter, das, bunzing, en de wezel zijn waargenomen nabij de planlocatie. Bevindingen verkennend veldonderzoek Uit het verkennende veldonderzoek is gebleken dat de planlocatie potentieel geschikt is voor (kleine) marterachtigen vanwege de aanwezigheid van hagen, rommelhoekjes, muizenholen en verruigd grasland. Habitatsbeoordeling Op basis van het verkennende onderzoek kan worden geconcludeerd dat de planlocatie geschikt is als leefgebied voor met name de steenmarter (tabel 3). Er is sprake van menselijke verstoring waardoor het onwaarschijnlijker is dat de planlocatie ook voor andere (kleine) marterachtigen geschikt is. Tabel 3. Habitatsbeoordeling Voedsel (en water)

Aanwezig. Open veld is geschikt voor muizen en haasachtigen. (Drink)Water is niet aanwezig in de directe omgeving van de planlocatie.

Verbindingszones

In geringe mate aanwezig, maar het is aannemelijk dat de aanwezige hagen als dekking kunnen fungeren.

Veiligheid (dekking)

Er is voldoende dekking zoals hagen, houtstapels, hopen en opstallen.

15

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

5.2 Resultaten verdiepend onderzoek

Tijdens de veldbezoeken zijn geen sporen van marterachtigen in de vorm van poep, prooiresten en/of pootafdrukken waargenomen. De analyse van de beelden (zie figuur 5) heeft geleid tot waarnemingen van: -

Diverse steenmarters

-

egel

-

Huisspitsmuis, veldmuis

-

Algemene broedvogels zoals winterkoning op de camerabeelden

Er kan niet worden vastgesteld als de diverse waarnemingen van de steenmarter meerdere exemplaren, of meerdere waarnemingen van hetzelfde exemplaar betreffen. Aangezien de steenmarter zijn ‘eigen’ territorium heeft, is het aannemelijk dat dit om hetzelfde exemplaar gaat.

Figuur 5. Enkele vastgelegde beelden

16

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

6. Conclusie De resultaten van het nader onderzoek van marterachtigen in het plangebied: -

De planlocatie beoordeeld is als potentieel geschikt leefgebied

-

Tonen aan dat de steenmarter gebruikt maakt van de planlocatie.

-

Er gaan mogelijk verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep en mogelijk gaat essentieel leefgebied verloren.

-

Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt noodzakelijk geacht.

Naast de steenmarter zijn andere (vrijgestelde) soorten waargenomen die gebruik maken van de planlocatie. De specifieke zorgplicht is ten alle tijden van toepassing (zie bijlage). Bij het uitvoeren van flora- en faunaactiviteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Enkele maatregelen die van toepassing kunnen zijn: •

Eén kant op werken zodat aanwezige soorten tijdig kunnen vluchten

•

Rooien van beplanting uitvoeren buiten het broedseizoen van vogelsoorten

•

Graafwerkzaamheden uitvoeren buiten de winterperiode (rustplaats amfibieën)

17

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Verantwoording Literatuur/bronnen •

Kennisdocument Das BIJ12 (Versie 1.0, juli 2017)

•

Kennisdocument Kleine Marterachtigen BIJ12 (Versie 1.1, juli 2024)

•

Fauna inventarisatie, Rik Schoon

Internet •

www.bij12.nl

•

www.verspreidingsatlas.nl

•

www.ndff.nl

•

www.netwerkgroenebureaus.nl

•

www.zoogdiervereniging.nl

18

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Bijlagen Verdieping wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming marterachtigen. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art.

11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.

Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning.

De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten

19

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.

Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven.

De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn

•

§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn

•

§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten

Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

20

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):

Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):

Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)

Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl

Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);

Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A

Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels

Het opzettelijk verstoren van dieren

Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren

Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels

Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren

Het opzettelijk storen van vogels*

Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren

Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B

Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied Tabel 1 – Beschermingsregimes schadelijke handelingen

De

Omgevingswet

onderscheidt

drie

verschillende

beschermingsregimes,

met

elk

hun

eigen

verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten). Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.

21

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Als door het tijdig nemen van (effectief bewezen) maatregelen een vaste rust- en verblijfplaats in stand blijft, en daardoor geen verbodsverboden uit de Wnb worden overtreden, is een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk. Wel is het dan van belang om een en ander onderbouwd vast te leggen in een mitigatieplan / projectplan, voor het geval er een handhavingsverzoek of toezicht aan de orde is kan ondanks het nemen van maatregelen niet worden voorkomen dat verbodsbepalingen/schadelijke handelingen worden overtreden, dan is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Vrijgestelde soorten per provincie Een provincie kan besluiten om een vrijstelling uit te geven van een bepaald soort. Deze vrijstellingen kunnen verschillen van provincie tot provincie (tabel 2). Wanneer er een vrijstelling geld voor een betreffend soort, dan geld er voor dit soort enkel een algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.

Bunzing

Mustela putorius

Hermelijn

Mustela erminea

Steenmarter

Martes foina

Wezel

Mustela nivalis

Ministerie EZ (AmvB art. RN 3.31)

Limburg

NoordHolland

x

x

x

x

x

x

x x

Zeeland

ZuidHolland

NoordBrabant

Gelderlan d Utrecht

Flevoland

Zoogdieren

Overijssel

Wetenschappelijke naam

Drenthe

per Friesland

Nederlandse naam

soorten

Groningen

Vrijgestelde provincie

x2 x

x

x

x1 = vrijstelling geldt in de periode maart- april en juli tot en met november x2 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari x3 = vrijstelling geldt in de periode juli, augustus en september x4 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober x5 = de vrijstelling voor deze soorten wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2022

Tabel 2 – Vrijgestelde marterachtigen per provincie

22

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht schrijft voor dat bij flora- en fauna-activiteiten extra maatregelen dienen te worden genomen indien er aanwijzingen zijn voor het alle in het wild voorkomende flora en fauna. Dit geldt voor zowel beschermde soorten (vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten, nationaal beschermde soorten), maar ook voor trekvogelsoorten (art. 4.2 van de vogelrichtlijn) en Rode Lijst-soorten, ongeacht vrijstellingen, gedragscode of vergunning. De specifieke zorgplicht is ook van kracht voor de leefgebieden of natuurlijke habitats van bovengenoemde soorten. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (in deze volgorde). Als er door de flora- en fauna-activiteit nadelige gevolgen optreden voor deze soorten, dienen preventief passende maatregelen te worden getroffen. Als de activiteit al is aangevangen en er blijken onvoorziene nadelige gevolgen voor één of meerdere soorten, moet de activiteit gestaakt worden. Als stoppen niet mogelijk is, dienen herstelmaatregelen getroffen te worden.

Of de getroffen maatregelen ook het beoogde effect hebben, dient tijdens en na uitvoer van de activiteit te worden nagegaan.

23

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

24

NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN –EPE

Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2024 Ecofect B.V.; Nunspeet

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16863567/1