Bijlage 0.4 - Omgevingsplan gemeente Epe (geconsolideerd) - Wijziging omgevingsplan gemeente Epe 003 'Kerkenland'
Tekst van het document
Concept
Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening 1.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.
Artikel 22.255 Bodem: logboek Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde 1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.
2.
Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen 1.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3.
Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten Artikel 22.258 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.
3.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem 1.
99
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
Concept
(van 13-5-2026 16:41)
a.
Concept
b.
100
in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd; b. de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; c. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; d. een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; e. informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en f. de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
3.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en b. er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.
Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt; b. het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden; c. een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en d. de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.
Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank: 1. de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters; 2. de grootte in kubieke meters; en 3. een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank; b. als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3: 1. de jaarlijkse doorzet in kubieke meters; 2. als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank; 3. als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en 4. een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en c. als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen: 1. de gegevens en bescheiden, genoemd onder b; 2.
de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en
Concept
(van 13-5-2026 16:41)