CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

985030 BELEIDSPLAN 2024-2026

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken d.d. 20 juni 20247.572 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 alinea's met “opening”: 71

Beleidsplan Onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026

Beleidsplan voor- en vroegschoolse educatie in de gemeente Epe voor de periode 2024-2026

2

1. Inleiding Voor de uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) in de gemeente Epe wordt al vanaf 2002 vanuit een gezamenlijk plan gewerkt. In samenwerking tussen peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, basisscholen, gemeente Epe, CJG Epe, jeugdgezondheidszorg, bibliotheek en welzijnswerk is een groot aantal initiatieven ontplooid rondom voor- en vroegschoolse educatie 1. In het beleidsplan staan deze initiatieven genoemd, in het hierbij bijbehorende jaarlijkse activiteitenprogramma zijn de daadwerkelijke acties (uitvoeringsprogramma’s) beschreven. In dit beleidsplan wordt ingegaan op het beleid gedurende de periode 2024-2026. De gehele OAB periode loopt van januari 2023 tot en met december 2026. Dit sluit aan op de periode waarvoor de rijksbijdrage Onderwijsachterstandenbeleid is vanuit het Rijk is toegekend. Er is echter in 2023 geen beleidsplan opgesteld (alleen een activiteitenprogramma), waardoor dit beleidsplan de looptijd heeft van 2024-2026.

2. Kaders 2.1 Landelijke kaders 2.1 Wettelijk kader Het wettelijke kader voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt gevormd door: - Wet op het primair onderwijs (WPO) - Wet kinderopvang - besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie - Wet IKK (innovatie en kwaliteit kinderopvang) - Besluit kwaliteit kinderopvang Het toezicht door zowel GGD als Inspectie van het Onderwijs is gebaseerd op bovenstaande wetgeving en wordt dus bij wijzigingen van die wetten op haar beurt aangepast. 2.1.2 Onderwijsachterstandenbeleid (OAB) Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goab) heeft tot doel onderwijsachterstanden, waaronder taalachterstanden, van kinderen vroegtijdig te signaleren en te bestrijden zoals bedoeld in de artikelen 158-163 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Gemeenten spelen een belangrijke rol bij het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het realiseren van een aanbod van voorschoolse educatie en het inrichten van zomerscholen en schakelklassen ter voorkoming of bestrijding van onderwijsachterstanden. Het doel van deze maatregelen is om kinderen te ondersteunen die op basis van hun omgevingskenmerken een vergroot risico lopen op een onderwijsachterstand.

Gemeenten hebben op grond van de artikel 159 WPO een verplichting tot het aanbieden van voldoende voorzieningen met voorschoolse educatie in zowel aantal als spreiding voor kinderen met een risico op een onderwijsachterstand binnen de gemeente. Ter tegemoetkoming in de kosten van deze verplichtingen ontvangen gemeenten een specifieke uitkering op grond van artikel 163 WPO. Het aan gemeenten toegekende bedrag kan ook worden besteed aan zomerscholen en schakelklassen in het basisonderwijs, aan varianten daarvan of aan andere activiteiten die de beheersing van de Nederlandse taal van leerlingen in het basisonderwijs bevorderen.

Voorschoolse educatie: een programma dat door gekwalificeerd personeel wordt verzorgd in de kinderopvang voor doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar. Vroegschoolse educatie: een programma dat wordt verzorgd in groep 1 en 2, niet zijnde een schakelklas, van een basisschool voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar. 1

Beleidsplan OAB 2024-2026

3

De regering wil met de verdeling van de middelen bereiken dat gemeenten in staat zijn hun wettelijke opdracht voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid en de daaruit voortvloeiende verplichtingen te realiseren. Belangrijk onderdeel hiervan is het zorgdragen voor een voldoende aanbod van voorschoolse educatie dat voldoet aan de kwaliteitseisen. Ook basisscholen ontvangen middelen voor onderwijsachterstanden-beleid, zij ontvangen dit rechtstreeks van het Rijk. Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB).

2.1.3 harmonisatie peuterspeelzaal en kinderopvang Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderopvanglocaties. Dat is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Voormalige peuterspeelzalen moeten hiermee voldoen aan de hogere kwaliteitseisen die al golden voor kinderdagverblijven. Daarnaast is er ook een wijziging gekomen in financiering: ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag komen rechtstreeks onder de kinderopvang te vallen en hebben geen recht meer op een gemeentelijke bijdrage als ze naar de voorschool gaan. Ouders die geen gebruik kunnen maken van kinderopvangtoeslag ontvangen wel een gemeentelijke subsidie als hun kind naar de voorschool gaat. In Epe was dit al enige jaren eerder afgesproken en in werking getreden. Hoewel de eisen van de verschillende soorten opvang nu gelijk zijn getrokken, blijven we voor het overzicht toch praten over kinderdagopvang, peuteropvang en peuterspeelzaal om een onderscheid te kunnen maken tussen wijze van financiering en leeftijd. 2.2 Gemeentelijke kaders 2.2.1 Voorgaande Beleidsplannen OAB Het beleidsplan OAB 2019-2022 is een voortzetting van de voorgaande OAB-beleidsplannen; projecten en initiatieven die in het verleden op basis van OAB zijn opgezet en succesvol zijn gebleken, zullen worden voortgezet.

Eerdere beleidsplannen waren er in 2002-2005, 2006-2010, 2011-2018 en 2019-2022 2.2.2 Werkgroep VVE/doorgaande lijn De werkgroep VVE/doorgaande lijn bestaat uit vertegenwoordigers vanuit kinderopvang, onderwijs, CJG en gemeente. Zij adviseren op basis van hun ervaringen over de uitwerking en uitvoering van onderwijsachterstandenbeleid, geven knelpunten aan en werken ook concreet aan deze knelpunten om deze op te lossen. 2.2.3 Beleidskader Epe onderwijsperspectief De regiegroep Duurzame Kindvoorzieningen (met daarin vertegenwoordigd: voorscholen, welzijnswerk, basisscholen, speciaal basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, CJG en gemeente) hebben gezamenlijk een toekomstvisie ontwikkeld. In deze toekomstvisie worden met name de 2 deeltrajecten verder verdiept. Dit zijn ‘duurzame kind voorzieningen’ en ‘expertisecentrum’. Het doel is ‘Meer (kwaliteit en toekomst) in het onderwijs met minder (kinderen)’ ; realiseren van duurzaam, kwalitatief en goed onderwijs en zorg voor 0-23 jarigen in onze krimpregio en, met inachtneming van de diversiteit in het basisonderwijs wat betreft richting en identiteit, te komen tot meer schoolbestuurlijke samenwerking ter versterking van een stevig onderwijskundig netwerk.

Uiteindelijk is het streven te komen tot ‘Epe als onderwijsdorp’, waarbij thuisnabij en passend onderwijs wordt geboden, onderwijs opvang welzijn en zorg samenwerken en ondernemen, waarbij ouders kunnen kiezen én waar expertise aanwezig is om een doorgaande leer- en ontwikkellijn te realiseren voor ieder kind. Beleidsplan OAB 2024-2026

4

2.2.4 Collegeprogramma 2022-2026 In het collegeprogramma 2022-2026 staat als ambitie beschreven dat de gemeente Epe een samenleving hoort te zijn waar iedereen, ongeacht achtergrond, zich thuis kan voelen en mee kan doen. Daarnaast moet er goed en toegankelijk onderwijs zijn met goede voorzieningen voor (kwetsbare) inwoners en ondersteuning voor wie dat nodig heeft (Raadsakkoord). Op deze manier kan iedereen meedoen. Er wordt ingezet op preventie omdat voorkomen beter is dan genezen. 2.2.5 Financiën Epe ontvangt voor een rijksbudget voor het uitvoeren van onderwijsachterstandenbeleid. Dit is een specifieke uitkering ten behoeve van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2023-2026. De hoogte van de door de gemeente te ontvangen rijksmiddelen worden jaarlijks bepaald. Indien de uitkering in een van de jaren 2023, 2024 en 2025 niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor deze is bestemd, mag het resterende bedrag worden besteed in een volgend jaar. Deze onderwijsachterstandenbeleidsperiode loopt tot eind 2026. Maximaal 50% van het budget van 2026 mag worden doorgeschoven naar de volgende OAB-periode en dus vanaf 2027 worden besteed. Jaarlijks dient de gemeente verantwoording af te leggen over de besteding van deze middelen via de jaarrekening van de gemeente volgens de SISA-methode (single information single audit).

In het jaarlijks op te stellen activiteitenprogramma onderwijsachterstandenbeleid zullen de bedragen worden opgenomen.

Beleidsplan OAB 2024-2026

5

3. Doelstellingen 2024-2026 De oorzaken van onderwijsachterstanden liggen niet zozeer in het kind zelf, maar in de minder gunstige thuisomstandigheden op sociaal, cultureel en economisch gebied, zoals een laag opleidingsniveau, gebrek aan een sociaal netwerk, gebrek aan kennis van de Nederlandse samenleving en armoede of schulden. Deze omstandigheden geven een groter risico op een achterstand in de Nederlandse taal. Het onderwijsachterstandenbeleid heeft daarmee als doel de school- en arbeidsloopbanen van leerlingen met een risico op onderwijsachterstanden te verbeteren. Vooral jonge kinderen met een risico op een leerachterstand in de Nederlandse taal hebben die goede voorbereiding nodig, voordat ze de stap maken naar de basisschool. Juist dán is extra aandacht nodig. Voor deze kinderen zijn verschillende maatregelen getroffen die allemaal moeten bijdragen aan het versterken van een rijke speelleeromgeving waarin deze kinderen opgroeien. We willen: • Alle kinderen bereiken (Aanbod, bereik en toeleiding) • Professionele begeleiders (Taalniveau 3F) • Samenwerken met ouders (Ouderbetrokkenheid) • Aansluiten op de basisschool (Doorgaande lijn) • Doelgericht werken aan resultaten (Resultaatafspraken) • Goede kwaliteit bieden (Kwaliteitszorg) Dit is vertaald in de volgende doelstellingen onderwijsachterstandenbeleid voor de gemeente Epe in de periode 2024-2026: 1.

Bepalen van de VVE doelgroep 2. Aanbod, bereik en toeleiding van de VVE doelgroep 3. Realiseren van kwalitatief volwaardig aanbod VVE 4. Doorgaande leerlijn VVE 5. Taalonderwijs aan niet-Nederlands sprekende leerlingen 6. Ouderbetrokkenheid 7. Resultaatafspraken 8. Kwaliteitszorg

Doelstelling 1: Bepalen VVE doelgroep De Wet Primair Onderwijs (WPO) bepaalt dat de gemeente in overleg met schoolbesturen en directies van peuter- en kinderopvang vaststellen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie (WPO artikel 160, lid 1a); dus welk kind tot de VVE doelgroep behoort. Door de doelgroep op lokaal niveau zo goed mogelijk te identificeren kan op maat gewerkt worden aan het bestrijden van onderwijsachterstanden. Doelgroepbepaling In de OAB 2019-2022 werd tot de doelgroep berekend: - Kinderen bij wie een achterstand in de taalontwikkeling wordt geconstateerd (erkende toets bij het consultatiebureau/JGZ); - kinderen van wie (een van) de ouders een inburgeringcursus of een andere NT2 taalcursus volgen. - Kinderen van arbeidsmigranten die niet inburgeringsplichtig zijn en korter dan 4 jaar in Nederland zijn. - Kinderen waarvan het CJG heeft gesignaleerd dat dit kind (tijdelijk) iets extra’s nodig heeft voor de ontwikkeling, waardoor of waarna dit kind aan de reguliere voor- en vroegschool deel kan nemen (dus geen kinderen met een medische oorzaak, ernstige achterstand of beperking, zoals een spraak- of taalontwikkelingsstoornis) - Kinderen die in een zeer taalarme omgeving opgroeien en hierdoor een grote kans hebben (in de toekomst) een taalachterstand te ontwikkelen. Deze bepaling wordt ook voor de OAB periode 2023-2026 aangehouden.

Beleidsplan OAB 2024-2026

6

Het opleidingsniveau van de ouders wordt niet gezien als een uniforme voorspeller voor een (risico op) taalachterstand, en is dus geen criteria. Wat als leidend moet worden gezien, is het feit of het kind een (Nederlandstalige) taalachterstand heeft. Dit bepaalt of een kind tot de doelgroep behoort of niet. Indicering taalachterstand De beoordeling (indicering) of een peuter tot de doelgroep behoort wordt gedaan door het consultatiebureau/JGZ; zij geven de VVE verklaring af. Dit houdt in dat alle kinderen én hun thuissituatie bij het CJG in beeld moeten zijn. Deze VVE verklaring is nodig om in aanmerking te komen voor een gesubsidieerde VVE-plek. Als een kind al naar een voorschool gaat, en de pedagogisch medewerkers vermoeden een taalachterstand, zou dit advies van de pedagogisch medewerkers ook mee moeten tellen in de beoordeling voor afgifte van een VVE verklaring door het CJG. Dit houdt in dat er een nauwe samenwerking tussen de voorscholen en CJG is, en er op meer gelijkwaardige basis gebruik wordt gemaakt van elkaars expertise in de beoordeling van taalachterstand. Tijdelijke VVE verklaring Om te beoordelen of het kind een taalachterstand heeft en wat hier de oorzaak van is, wordt soms ook gebruik gemaakt van externe organisaties of instellingen. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan een audiologisch centrum om te beoordelen of er sprake is van een gehoorschade.

Het gebeurt echter regelmatig dat er een lange wachtlijst is. Om te voorkomen dat er nog meer taalachterstand ontstaat, moeten deze kinderen de mogelijkheid aangeboden worden om tijdelijk een VVE-indicatie te krijgen in afwachting van het vervolgonderzoek. Belangrijk hierbij is wel dat er duidelijk aan de ouders gecommuniceerd wordt dat dit een tijdelijke VVE verklaring is, en er geen rechten voor een eventueel vervolg aan verbonden kunnen worden. Het CJG kan deze tijdelijke VVE-indicatie afgeven. Voorwaarde is wel dat een kind ook baat moet hebben bij de VVE-indicatie; als de taalachterstand bijvoorbeeld ontstaan is wegens een lichamelijke beperking kan een uitbreiding van uren voorschoolse educatie hier niet altijd een oplossing voor zijn. Doelstelling 2: Aanbod, bereik en toeleiding van de VVE-doelgroep Aanbod voorschoolse educatie Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk (WPO, artikel 159) voor een voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod voorschoolse educatie voor peuters van 2,5 tot 4 jaar oud. De gemeente Epe streeft ernaar, samen met de aanbieders voorschoolse educatie, om iedere peuter met een VVE verklaring te kunnen plaatsen op een VVE-plek. Er moet dus een voldoende aanbod van VVE-plekken zijn om alle doelgroepkinderen een VVE-plek aan te bieden. Bij een beperkt aantal plekken heeft een doelgroepkind voorrang op een niet-doelgroepkind.

Aantal uren Sinds 1 augustus 2020 hebben gemeenten het gesubsidieerde aanbod van voorschoolse educatie (VE) moeten uitbreiden naar 960 uur voor alle peuters tussen 2,5 tot 4 jaar met een VVE-indicatie. Dit staat beschreven in het Wijzigingsbesluit urenuitbreiding voorschoolse educatie. Deze 960 uur houdt in dat gedurende 1,5 jaar (1 jaar is 40 weken, dus 1,5 jaar is 60 weken) 16 uur voorschoolse educatie wordt gevolgd. Daarbij tellen alle uren vóórdat het kind 2,5 jaar is, niet mee voor het behalen van de nieuwe urennorm. Er zijn voor deze uitbreiding extra rijksgelden beschikbaar gesteld. Het streven is om een kind op één locatie VVE aan te bieden, kinderen zullen dan ook zoveel mogelijk naar deze locaties worden doorverwezen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kan dit inhouden dat een kind mogelijk 1 of meerdere dagdelen VVE op een andere locatie moet volgen om aan de minimale aantal uren te kunnen voldoen. Het niet voldoende open zijn van een voorschoolse voorziening is geen reden voor het kind om minder uren VVE te mogen volgen.

Beleidsplan OAB 2024-2026

7

Per situatie moet bekeken worden of extra openstelling van de locatie wenselijk en/of financieel haalbaar is. Als een doelgroepkind gebruik maakt van gesubsidieerde VVE plek, is het ook verplicht om het hiervoor bestemde aantal uren VVE te volgen. Het (structureel) hiervan afwijken kan resulteren in het ontnemen van de VVE plek en de VVE subsidie. Bereik Het CJG (consultatiebureau en JGZ) is altijd al een belangrijke samenwerkingspartner geweest in signalering en toeleiding. Zij heeft de taak om te signaleren of een kind een (risico op een) taalachterstand heeft als gevolg van onvoldoende taalaanbod in de eigen omgeving. Vervolgens verwijzen zij indien nodig ouders naar een VVE-voorziening. Ouders worden middels een folder geïnformeerd over de voorschoolse voorzieningen; deze wordt door de gemeente verzonden op het moment het kind 2 jaar oud wordt. In deze OAB-periode krijgen de pedagogisch medewerkers dus ook een rol in het bereiken van de doelgroepkinderen, als deze als een niet-doelgroepkind naar de voorschool gaat. Zij hebben een rol in het signaleren, doorverwijzen naar het consultatiebureau en het toeleiden naar een VVE-plek. Uit landelijk onderzoek is gebleken dat de financiële bijdrage één van de grootste belemmeringen voor ouders is om hun kinderen deel te laten nemen aan een voorschool.

Om toch zoveel mogelijk doelgroepkinderen te bereiken is daarom besloten om de voornaamste obstakel voor ouders weg te nemen en het bereik onder doelgroepkinderen in de voorschoolse periode te verhogen door het verlagen van de ouderbijdrage. Toeleiding Met het consultatiebureau is de afspraak gemaakt dat de doelgroepkinderen die nog niet naar een voorschoolse voorziening gaan, extra aandacht zullen krijgen en er extra inspanningen zullen worden verricht om deze kinderen toch toe te leiden tot een voorschool. Dit zal onder andere gebeuren door extra aandacht op het consultatiebureaubezoek en een thuisbezoek door de jeugdverpleegkundige. Aanbod vroegschoolse educatie Scholen ontvangen zelf een eigen budget (lumpsum) vanuit het Rijk om basisschoolkinderen die moeite hebben met taal extra te ondersteunen, de hoogte is gebaseerd op de achterstandsscores per school en gemeente. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent deze scores (die de verwachte achterstandsproblematiek op scholen en gemeenten uitdrukken) met behulp van een onderwijsachterstandenindicator. De school bepaalt zelf waaraan zij het geld besteedt, bijvoorbeeld aan vroegschoolse educatie voor kleuters of kleinere klassen. Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht taalactiviteiten (mee) te financieren die bedoeld zijn om onderwijsachterstanden in het basisonderwijs te bestrijden.

Doelstelling 3: Realiseren van kwalitatief volwaardig aanbod voorschoolse educatie Om de effectiviteit voor doelgroepkinderen te optimaliseren, moet de kwaliteit van de voorschoolse educatie hoog zijn. Zo moet er worden voldaan aan de in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie genoemde voorwaarden én aan de wet IKK. 16 uur VVE per week Gemeenten hebben de wettelijke taak om per week 16 uur voorschoolse educatie aan te bieden aan peuters tussen de 2,5 en 4 jaar oud met een risico op een onderwijsachterstand. Dit zal worden gerealiseerd door per week 4 dagdelen van 4 uur aan te bieden. Afwijking van dit aantal uren kan alleen na overleg. De 16 uur VVE zijn niet bedoeld als opvang. Daarom hanteert het kabinet een maximum van 6 uur VVE per dag, ook als kinderen een hele dag naar de kinderopvang zouden gaan. Beleidsplan OAB 2024-2026

8

Pedagogisch medewerkers geven aan te weinig tijd te hebben om VVE goed uit te kunnen voeren omdat er voor doelgroepkinderen vaak extra werkzaamheden aan toegevoegd worden naast de tijd die zij aan voorschoolse educatie kwijt zijn. Zo zijn zij extra tijd kwijt aan voorbereiding, het houden van gesprekken met ouders, de toeleiding van het kind naar het basisonderwijs (warme overdracht), afstemming met het CJG/zorgaanbieders/vluchtelingenwerk/externe onderzoeksbureaus, het maken van een zorgplan etcetera. Per doelgroepkind zal 2 uur extra per maand worden gefinancierd voor de uitvoering van deze werkzaamheden. VVE programma Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. In de voorscholen wordt gewerkt met een landelijk erkend VVE-programma. Basisscholen zijn niet wettelijk verplicht om te werken met een VVE-erkend programma. De Rijksoverheid geeft scholen budget om kinderen met een (risico op) taalachterstand extra ondersteuning te bieden tijdens hun gehele schoolloopbaan. Scholen mogen zelf bepalen hoe zij dit budget besteden.

Wel verwacht de Inspectie van het Onderwijs van de scholen met veel achterstandskinderen dat ze een beredeneerd aanbod doen voor onderwijsachterstandsbestrijding in de kleutergroepen. Beroepskrachten De pedagogisch medewerkers (PM’er) moeten een opleiding hebben gevolgd welke volgens de WEB (Wet educatie en beroepsonderwijs) specifiek gericht is op het opdoen van pedagogische vaardigheden of een erkenning van de beroepskwalificaties volgens de Algemene wet erkenning EUberoepskwalificaties ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden. Kortom; de opleiding moet aansluiten bij het werk. Daarnaast moeten pedagogisch medewerkers het 3F-niveau beheersen voor mondelinge taalvaardigheid en lezen en een VVE opleiding hebben afgerond. In de kinderopvang geldt sinds 1 januari 2019 geldt de wettelijk verplichte inzet (wet IKK) van de pedagogisch beleidsmedewerker. Elke organisatie in kinderopvang moet een pedagogisch beleidsmedewerker/coach hebben, zij bekostigen dit zelf. De pedagogisch beleidsmedewerker ontwikkelt het pedagogisch beleid. Het pedagogisch beleid kan breder zijn dan alleen het pedagogisch beleidsplan, het kan al het beleid omvatten dat raakt aan de pedagogische praktijk.

Daarnaast kan de pedagogisch beleidsmedewerker een taak hebben bij het bewaken en invoeren van pedagogische beleidsvoornemens, zodat iedere medewerker werkt volgens dezelfde pedagogische visie. Ze zijn dus belangrijk voor het versterken van de pedagogische kwaliteit. Naast het ontwikkelen van het pedagogisch beleid, zorgt de pedagogisch beleidsmedewerker als coach voor het verbeteren van de pedagogische kwaliteit van de werkzaamheden en professionele ontwikkeling van de pedagogisch medewerkers. Een coach begeleidt en traint de medewerker(s) bij de dagelijkse praktijkwerkzaamheden. Iedere pedagogisch medewerker ontvangt jaarlijks coaching, ook pedagogisch medewerkers met flexibele inzet. Sinds januari 2022 zijn alle kindcentra die voorschoolse educatie aanbieden verplicht om een pedagogisch beleidsmedewerker (PBM’er) in de voorschoolse educatie in te zetten. Het doel is de kwaliteit van de voorschoolse educatie op locatie te verhogen door de uitvoering van kwaliteitsverhogende maatregelen en/of het coachen van pedagogisch medewerkers. De inzet van de PBM’er wordt vergoed vanuit het onderwijsachterstandenbeleid. Dit besluit is een aanvulling op de hierboven genoemde maatregel uit de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) ter verhoging van de kwaliteit van de kinderopvang, welke ingegaan was per 1 januari 2019.

De aanbieder moet in het beleidsplan aangeven hoe de rol van de pedagogisch beleidsmedewerker wordt ingevuld en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van voorschoolse educatie. De door het rijk vastgestelde inzet van de pedagogisch beleidsmedewerk is 10 uur per doelgroepkind per jaar per locatie.

Beleidsplan OAB 2024-2026

9

Pedagogisch medewerkers zijn voor de doelgroepkinderen extra tijd kwijt aan o.a. de intake, warme overdracht, begeleiding, huisbezoek, afstemming. Hier is geen tijd voor binnen de reguliere uren; op die momenten zijn de kinderen immers aanwezig, die zij dan moeten begeleiden. Daarom worden er maandelijks extra uren gefinancierd om de pedagogisch medewerkers de gelegenheid te geven VVE goed vorm te geven en de kwaliteit van VVE te verbeteren. In bepaalde voorschoolse groepen zitten veel doelgroepkinderen. Dit vergt veel van de pedagogisch medewerkers, en zij hebben geen tijd om aan alle doelgroepkinderen extra aandacht te geven en hun te begeleiden omdat het er dan teveel zijn gelijkertijd. In die groepen met veel doelgroepkinderen (meer dan 60%) kan dan extra personele inzet op de desbetreffende groep komen. Doelstelling 4: Doorgaande (leer-)lijn VVE Bij een doorgaande lijn in de VVE gaat het om een ononderbroken ontwikkelingsgang van kinderen van de voorschoolse voorziening naar het basisonderwijs. Het is belangrijk dat het kind in zijn ontwikkel- en leerproces zo min mogelijk overlap, breuken of gaten ervaart. Van een doorgaande leerlijn wordt gesproken als de leerstof en het (onderwijs)resultaat van de voorschoolse voorziening en de basisschool naadloos op elkaar aansluiten.

Dit levert een betere startpositie op in groep 3 voor de kinderen en uiteindelijk gedurende de hele schoolloopbaan. Een doorgaande lijn heeft dan ook positieve effecten op kinderen, gezinnen (ouders) en personeel. Op dit moment zijn er al afspraken gemaakt en worden uitgevoerd op het gebied van afstemming, observatie (kind-volgsysteem), overdracht, zorgnetwerk en beleid (overlegstructuur). In deze beleidsperiode zullen de doorgaande lijnen op het gebied van inhoud (het is duidelijk waar in de voorschool aan gewerkt is, en de basisschool bouwt hierop voort) verder worden vormgegeven en zal de informatieoverdracht en samenwerking verder worden uitgebouwd. Gemeenten dienen minimaal afspraken te maken met houders van kinderopvang en schoolbesturen over de overdracht van kindgegevens van voor- naar vroegschool, waarbij gegevens over de ontwikkeling van het kind een onderdeel zijn van deze gegevens. Er is in de gemeente een (standaard) overdrachtsformulier in gebruik waar de belangrijkste gegevens met betrekking tot het kind zijn opgenomen. Hierdoor is er gegevensuitwisseling tussen de voor- en vroegschool over het desbetreffende kind en kunnen de kinderen gevolgd worden. Het overdrachtsformulier wordt verder geactualiseerd en wordt ingezet bij doelgroep- en nietdoelgroepkinderen.

Daarnaast is de afspraak dat bij doelgroepkinderen altijd een warme overdracht is tussen de voor- en de vroegschool. In het verleden waren ten behoeve van de doorgaande leerlijn ook afspraken gemaakt tussen de vooren vroegscholen voor de keuzes van de specifieke VVE-programma’s. In de praktijk werd met name door het basisonderwijs deze gemaakte keuze losgelaten en voor een ander programma gekozen. Het is niet noodzakelijk om eenzelfde programma te gebruiken om een doorgaande leerlijn te ontwikkelen, het maakt het echter wel wat gemakkelijker. Een hulpmiddel bij de doorgaande lijn is een observatie- of kindvolgsysteem. Alle voor- en vroegscholen gebruiken er al één, maar deze zijn onderling verschillend van elkaar en daardoor niet goed met elkaar te vergelijken. In de beleidsperiode 2024-2026 zal daarom nader onderzocht worden hoe de informatie uit de verschillende systemen zo goed mogelijk aan elkaar aan te passen. De ouders moeten al bij het aanmeldformulier voor de voorschoolse educatie toestemming geven dat gegevens uitgewisseld mogen worden. Het (mogen) uitwisselen van informatie zou een vanzelfsprekendheid moeten worden, en een verplichting voor kinderen met een VVE-indicatie. Scholen Ook basisscholen ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid.

Zowel basisscholen als gemeenten hebben dezelfde missie en dezelfde doelgroep: het bieden van kansen voor kinderen die vanwege hun achtergrond minder goed ‘presteren’ dan zij in gunstiger omstandigheden zouden doen. Beleidsplan OAB 2024-2026

10

Het doel is om hen een betere start te geven, zodat zij zonder achterstand in groep 3 van de basisschool komen. Scholen zijn primair verantwoordelijk voor het onderwijsachterstandenbeleid in het basisonderwijs en krijgen de OAB-middelen in de lumpsum. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de voorschoolse educatie en krijgen de middelen als geoormerkte subsidie waarover ze apart moeten verantwoorden. Voorheen werden deze middelen verdeeld op basis van de gewichtenregeling en de impulsregeling. Met ingang van 2019 verdeelt het rijk de middelen op basis van een nieuwe indicator. Er wordt echter ook voor het basisonderwijs een nieuwe verdeelsystematiek ontwikkeld, meer gelijk aan die van de voorschoolse opvang.

Doelstelling 5: Taalonderwijs aan niet-Nederlands sprekende leerlingen (NT2) NT2 klas Schakelklassen zijn klassen voor basisschoolleerlingen met een grote achterstand in de beheersing van de Nederlandse taal. Dit zijn kinderen die nog geen Nederlands begrijpen of spreken en sinds een beperkte tijd in Nederland zijn. In een schakelklas krijgen leerlingen van de basisschoolleeftijd met een grote taalachterstand gedurende een beperkte periode (bijvoorbeeld een heel schooljaar) extra taalonderwijs. Het gaat om kinderen van wie verwacht mag worden dat zij in een schooljaar zodanige vorderingen maken op taalgebied dat zij daarna in staat zijn met succes het reguliere onderwijs (op hun eigen niveau) te vervolgen. Als een kind langer dan één schooljaar nodig heeft om de taalachterstand in te halen, moet dit ook mogelijk zijn; het kind staat hierin centraal. Belangrijk uitgangspunt is dat schakelklassen gericht zijn op taalachterstanden, niet op ontwikkelingsachterstanden. - Basisschool groep 3 tot en met groep 8 Bovenschools zijn er afspraken gemaakt dat alle nieuwkomerskinderen eerst naar de NT2 klas gaan alvorens ze ingeschreven worden op de reguliere scholen. De NT2 klas richt zich alleen op kinderen uit de groepen 3 tot en met 8. De kinderen volgen in deze schakelklas voltijds taalonderwijs voor een periode van gemiddeld 1 jaar. De NT2 klassen worden georganiseerd door Procon.

Enkele jaren geleden heeft de gemeente Heerde zich aangesloten bij het NT2 onderwijs in Epe. De gemeente Epe heeft samen met de gemeente Heerde momenteel 3 NT2 klassen; een schakelklas gericht op nieuwkomerskinderen (Nederlands als 2e taal). Door de komst van een grote groep Oekraïense kinderen is er een groei geweest in het aantal NT2 klassen. Met het basisonderwijs is de afspraak gemaakt dat als er een nieuwkomerskind in de gemeente komt wonen, deze eerst taalonderwijs gaat volgen in de NT2 klas. Momenteel is er een onderzoek gaande naar de toekomstvisie van het NT2 onderwijs in de gemeente Epe. De verschillende opties zijn inzichtelijk naast elkaar gezet en het brengt daarmee alle te maken keuzes duidelijk in kaart. Het college, de raad en de schoolbesturen zullen hier een keuze in moeten maken, onder andere over het aantal basisklassen (en dus minimaal aantal kinderen), behoefte aan een flexibele schil, tijd dat kind in de NT2 klas blijft, inzet ambulante begeleiding. Iedere keuze heeft financiële consequenties, waar zo nodig een oplossing voor moet worden bedacht. Het onderzoek zal in 2024 afgerond worden, en de uitwerking hiervan heeft ook gevolgen voor de komende jaren. De voorkeur van de gemeente Epe is vooralsnog om, samen met Heerde, 2 basisklassen NT2 te behouden, en 1 klas flexibel in te zetten als dit qua aantallen nodig mocht zijn.

De bekostiging van het NT2 onderwijs komt vanuit 2 stromen: - Bekostiging vanuit het Rijk middels reguliere en de aanvullende bekostiging. De reguliere bekostiging wordt aangevraagd op de reguliere peildatum, leerlingen die op die datum zijn inschreven tellen mee. De aanvullende bekostiging kan 4x per jaar worden aangevraagd en is afhankelijk van de datum waarop nieuwkomers in Nederland aankomen (geregistreerd) en de Beleidsplan OAB 2024-2026

11

‘doelgroep’ waar een nieuwkomer onder valt: asielzoeker, vreemdeling of overig NT2. In het eerste jaar is de bekostiging voor een asielzoeker € 13.053,- en voor een vreemdeling € 4055,-. In het tweede jaar wordt dit veel lager, tot een kwart van de eerstejaarsbekostiging of zelfs niets. Dit zorgt voor onzekerheid over de hoogte van de rijksbekostiging en verandert dit regelmatig. - Bekostiging vanuit de gemeente: aanvullende bekostiging. Tot 2020 werd er een vast bedrag aan subsidie verstrekt voor één NT2 klas waar alle asielzoekers en statushouders in opgevangen werden. Door de komst van een grote groep Oekraïense vluchtelingen is de voorziening toen uitgebreid naar 5 NT2 klassen en was het vaste subsidiebedrag niet meer toereikend. Er is vervolgens in overleg tussen gemeenten en Procon de mondelinge afspraak gemaakt dat beide gemeenten het tekort op de begroting van Procon op het gebied van NT2 onderwijs zouden aanvullen middels een afrekening. Uit het onderzoek naar de toekomstvisie van het NT2 onderwijs moet ook meer duidelijkheid komen over de financiële situaties, waardoor er van tevoren meer duidelijkheid is over de te verwachte gemeentelijke financiële bijdrage. Voor de bekostiging van het NT2 onderwijs aan reguliere statushouders (met uitzondering van Oekraïners) is een verdeelsleutel tussen de gemeente Epe en Heerde afgesproken op basis van inwoneraantal.

Dit komt ongeveer neer op 2/3 voor Epe – 1/3 voor Heerde. - Basisschool groep 1 en 2 (vroegschoolse periode) Voor kinderen in de vroegschoolse periode (groep 1 en 2 basisonderwijs) wordt het niet nodig geacht om apart NT2 onderwijs aan te bieden, maar deze kinderen kunnen gelijk instromen in het regulier onderwijs. Voor deze kinderen is wel een rijke taalomgeving aan te bevelen. Dit hoeft niet apart georganiseerd worden binnen de scholen zelf, het kan binnen de reguliere kleutergroepen. Leerkrachten uit groep 1 en 2 geven over het algemeen aan dat deze kinderen vooral spelenderwijs leren en zij dus vooral veel leren van Nederlandstalige klasgenoten. Zij hebben daardoor meer baar om met kinderen van dezelfde leeftijd in één groep te zijn; dit blijkt ook uit de literatuur. Aansluiten van kinderen uit groep 1 en 2 bij de NT2 klas is vooralsnog dus nog niet nodig. Wel wordt opgemerkt dat in klassen waar veel NT2 kinderen zijn en/of kinderen met een extra zorgvraag, de handelingsverlegenheid van leerkrachten als gevolg van tijdgebrek groot is. Basisscholen met relatief veel nieuwkomerskinderen kunnen naast het inzetten van eigen ontvangen rijksmiddelen ook een onderbouwde aanvraag doen voor extra taalondersteuning van deze kinderen (schakelklas). Uitbreiden van professionaliseringsgelden voor onderwijzend personeel draagt bij aan het vergroten van het taalonderwijs.

- Voorschoolse periode In de voorschoolse periode is geen aparte NT2 klas; deze kinderen ontvangen op basis van hun taalachterstand een VVE verklaring, en kunnen daarmee 16 uur voorschool volgen. Ook in groep 1 en 2 is er nu geen apart taalonderwijs omdat uitgegaan wordt dat deze kinderen spelenderwijs de taal leren, en daardoor meer baat hebben om met kinderen van dezelfde leeftijd in één groep te zijn. In deze beleidsperiode zal dit laatste nogmaals worden bekeken. ISK ISK (internationale schakelklas) is grotendeels gelijk aan NT2, maar dan gericht op kinderen op de middelbare school. In de gemeente Epe zijn 2 ISK-klassen op de RSG. Er gaat geen gemeentelijke subsidie naar de ISK; de RSG kan dit binnen de reguliere en aanvullende rijksbekostiging financieren. Zomerschool Met ingang van de zomer 2018 is er een zomerschool in de gemeente Epe. Gedurende een drietal weken in de zomervakantie wordt er een taalprogramma aangeboden aan kinderen van 6 tot 12 jaar die maximaal 3 jaar in Nederland zijn. In 2019 heeft de gemeente Heerde zich hier ook bij aangesloten. Het belangrijkste doel van de Zomerschool is voorkomen dat leerlingen in de loop van de zomervakantie achteruitgaan in taalniveau. Uit verschillende studies blijkt dat lange zomervakanties negatieve effecten hebben op het leren van de Nederlandse taal, vooral omdat in deze periode weinig Nederlands wordt gesproken.

Anders gezegd: lange zomervakanties vergroten het (taal-)gat tussen kinderen uit Nederlandstalige gezinnen en nieuwkomerskinderen.

Beleidsplan OAB 2024-2026

12

In de zomerschool wordt de kans geboden aan nieuwkomerskinderen om hun kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen om op deze wijze sterker te staan bij de start van het nieuwe schooljaar. Ook NT1 kinderen die een taalachterstand hebben (al dan niet als gevolg van corona) zijn welkom op de zomerschool, evenals kinderen die wegens zeer beperkte financiële middelen niet op vakantie kunnen gaan.

Doelstelling 6: Ouderbetrokkenheid Ouderbetrokkenheid houdt activiteiten van ondersteuning van de ouders in die de resultaten van de ontwikkelingen van kinderen en het VVE-beleid versterken. Het doel van ouderbetrokkenheid is om te komen van curatief naar preventief; voorkomen is immers beter dan genezen. Daarbij is ouderbetrokkenheid een vindplaats voor achterstanden in vaardigheden bij ouders, waardoor zij ook het kind niet goed kunnen ondersteunen in de ontwikkeling. Ontwikkelingsstimulering en opvoedingsondersteuning staan centraal als het gaat om direct op het kind gerichte ondersteuning. Hiervoor kunnen diverse organisaties worden betrokken, zoals bijvoorbeeld het welzijnswerk, de bibliotheek en Vérian. Thuissituatie De thuissituatie is ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Kinderen die thuis onvoldoende uitgedaagd en gestimuleerd worden, komen op school vaak minder goed mee dan ze zouden kunnen. Voorschoolse instellingen en scholen kunnen het niet alleen; zij hebben de ouders keihard nodig als het gaat om het stimuleren van kansen voor kinderen. Alle reden dus om de samenwerking met ouders zo goed mogelijk vorm te geven. VVE-aanbieders en ouders kunnen samenwerken om optimale omstandigheden te creëren voor de ontwikkeling van peuters en kleuters; dit is positief voor alle kinderen, maar zeker voor kinderen met een taalachterstand.

Vanuit de thuissituatie kan er een positief effect uitgaan op de ontwikkeling en het leren van jonge kinderen. Ouders kunnen een thuissfeer creëren die de ontwikkeling van hun kind stimuleert, bijvoorbeeld door voor te lezen of samen te spelen. Het is voor ouders minstens zo belangrijk te weten wat hun kind in een voorschool of op school doet en hoe zij hun kind thuis het beste kunnen ondersteunen. Met deze informatie kan een ouder beter aansluiten bij de ontwikkelingswereld van het kind. Omgekeerd is het voor beroepskrachten ook relevant om te weten hoe het kind thuis functioneert en wat ouders met het kind ondernemen. Het is van belang dat de VVE-instelling en ouders met elkaar afspraken maken over een zo optimaal mogelijke samenwerking. Bredere aanpak Werken aan het verbeteren van ouderbetrokkenheid vereist echter een bredere kijk en aanpak dan alleen vanuit de pijler OAB/VVE in de gemeente Epe. De gemeente Epe hecht er veel belang aan dat kinderen in haar gemeente gezond en veilig opgroeien. De basis hiervoor wordt gevormd door de eigen kracht van het netwerk (gezin, familie, buren, vrienden) waarbinnen kinderen opgroeien. Vervolgens maken ook kinderopvang en onderwijs (scholen) als (voorliggende) voorziening al snel deel uit van het zich uitbreidende netwerk.

Het is een voor de hand liggende aanname dat de (voor-, vroeg- en basis-) school een behoorlijke invloed heeft op kinderen en vervolgens op hun ouders. Het contact verloopt veelal laagdrempelig en ouders komen makkelijker met vragen naar de professionals binnen de scholen en kinderopvang, en omgekeerd kunnen professionals als er problemen zijn met het kind in contact treden met de ouders. Op deze manier ontstaat er een netwerk van vroegsignalering tussen ouder en leerkracht/pedagogisch medewerker waarbij het van essentieel belang is de samenwerking met de overige professionals binnen de scholen en kinderopvang goed verloopt. Kortom: ouderbetrokkenheid binnen de (voor)school is heel belangrijk voor het gezond en veilig opgroeien van kinderen. Niet alleen in de preventieve sfeer maar ook als zich problemen voordoen en er meer inzet nodig is voor alle gezinsleden. Te denken valt dan onder andere aan ontwikkelingsstimulering, opvoedingsondersteuning en de schakelklas. Projecten ouderbetrokkenheid Er zijn al diverse projecten die gericht zijn op ouderbetrokkenheid. Te denken valt bijvoorbeeld aan Boekstart, het project Steunouder en de Voorleesexpres. Ook hebben de voorschoolse voorzieningen diverse projecten opgezet in het kader van ouderbetrokkenheid. Zo krijgen (doelgroep-)kinderen een Beleidsplan OAB 2024-2026

13

oudermap (VVE thuis) mee; de ouder kan hierin de woorden lezen waarmee geoefend dient te worden, diverse tips vinden voor het voorlezen en ondersteuning voor de ouders. Succesvolle projecten met ouderbetrokkenheid moeten zoveel mogelijk worden voortgezet en waar mogelijk uitgebreid. Sinds 2017 is voorschools maatschappelijk werk beschikbaar in de gemeente; in het voorschoolse veld was er ook behoefte om mogelijke signalen van hulp/zorg/begeleiding voor kinderen op te vangen en hierop in te spelen middels een laagdrempelige vorm van preventieve ondersteuning. Aan ouders en aan professionals wordt ondersteuning geboden bij de algehele ontwikkeling van het kind en kan hiermee de doorstroming naar het basisonderwijs bevorderen. Ouderbetrokkenheid is hierbij een belangrijk onderdeel. In de voorschool zijn ook pedagogisch coaches verplicht: zij coachen de pedagogisch medewerkers op de locaties. Opbrengstgericht werken en het vergroten van de ouderbetrokkenheid zijn hierbij belangrijke aandachtspunten. Een pedagogisch coach vertaalt het pedagogisch beleid naar de groepen en is een sparringpartner voor de praktische uitvoering van het pedagogisch beleid. De kwaliteit van het aanbod en het individueel pedagogisch handelen gaat hiermee omhoog. Het doel van ouderbetrokkenheid is om te komen van curatief naar preventief; voorkomen is immers beter dan genezen.

Daar is meer voor nodig dan het organiseren van verschillende vrijblijvend te bezoeken voorlichtende bijeenkomsten over dit onderwerp. Ouderbetrokkenheid is een onderwerp dat vaak maatwerk vergt; daarom moet er niet gebruik worden gemaakt van één uniforme methode voor ouderbetrokkenheid, maar kijken naar de beste aansluiting passend bij de vraag van de ouders. Zoveel mogelijk collectief en daar waar niet anders kan individueel. Aansluiten bij de behoefte en de vraag betekent dat je uitgaat van de kracht van de ouder, maar ook daar ondersteuning biedt waar het beste resultaat te behalen valt. Doelstelling 7 Resultaatafspraken Het Rijk investeert veel geld in het verminderen van taalachterstand bij jonge kinderen en vindt het van belang dat op lokaal niveau de discussie over de opbrengsten van VVE besproken worden. Daarom is een wettelijke verplichting opgenomen (WPO artikel 160) dat gemeenten en schoolbesturen jaarlijks resultaatafspraken voor vroegschoolse educatie maken in relatie tot de ontwikkeling van kinderen. Resultaten gaan over de gewenste invloed van vroegschoolse educatie op de ontwikkeling van jongere kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal. Welke resultaten dit zijn, verschilt per school en per gemeente.

Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken en de scholen leveren concrete gegevens aan zodat voor de gemeente duidelijk is in hoeverre de resultaatafspraken bereikt worden. De meerwaarde van het maken van resultaatafspraken is dat hiermee de dialoog over de opbrengsten van VVE gevoerd kan worden. Gemeenten ontvangen de middelen voor voorschoolse educatie en de schoolbesturen die voor vroegschoolse educatie. De resultaatafspraken bieden de mogelijkheid voor gemeenten om een gesprek aan te gaan over de invulling van de vroegschoolse educatie. De afspraken op het gebied van vroegschoolse educatie gaan over de resultaten die scholen bereiken op het terrein van vroegschoolse educatie. Het kan dan bijvoorbeeld gaan of kinderen voldoende groei laten zien binnen hun eigen specifieke groeilijn. Het is aan de scholen om voor het bereiken van die resultaten de weg daarnaar toe te kiezen. Afspraken over resultaten zijn verplicht; afspraken over het “hoe” dus niet. Eerder gemaakte resultaatafspraken In 2019 is in het LEJA de wijze van meten van de resultaatafspraken besproken. Geconstateerd is dat veel peuters steeds later naar de voorschool gaan waardoor een toets een vertekend beeld kan geven. Ook hoeven scholen geen vroegschoolse toetsen meer af te nemen in leerjaar 1 en 2.

We willen daarnaast breder kijken dan naar taal alleen (bv ook sociaal-emotionele ontwikkelingen, en rekenen). Op basis hiervan is besloten om voor de resultaatafspraken te kijken naar de ontwikkellijn van het individuele kind. Iedereen maakt gebruik van een kind-volgsysteem. De minimale groei per ontwikkellijn wordt vastgesteld. Er is sprake van een leeftijds-adequate groei als een kind voldoet aan Beleidsplan OAB 2024-2026

14

de ‘ontwikkellijn’. Scholen kunnen hun eigen systemen gebruiken om een kind tegen de richtlijnen aan te meten. Omdat we in de gemeente Epe willen werken met eenduidige resultaatafspraken zijn de ambitie en deze resultaatafspraken voor de voorschool en de basisschool op een zelfde manier beschreven. De ontwikkeling van jonge kinderen verloopt vaak grillig en met sprongen. De ontwikkeling bestaat uit meerdere ontwikkelingsgebieden waarvoor een ontwikkellijn is beschreven of observatie- of toets onderdelen. Binnen een ontwikkellijn spreekt men vaak van mijlpalen, elk kind bereikt op zijn eigen tempo deze mijlpalen. Een kindvolgsysteem heeft meestal een minimale groei vastgesteld per ontwikkellijn. Dit kan verschillen per systeem hoe dit wordt benoemd en vastgesteld. Als een doelgroepkind deze minimale groei behaald, spreken wij in de gemeente Epe van een leeftijdsadequate groei. Het maakt niet uit met welk volgsysteem er gewerkt wordt omdat met alle erkende volgsystemen het mogelijk is om vast te stellen of een kind een leeftijdsadequate groei laat zien. Per jaar werden de individuele groeilijnen per school beschreven en werd hieruit bekeken of de resultaatafspraken behaald waren. Hoewel dit wettelijk niet verplicht is, werden de jaarlijkse resultaatafspraken ook worden gemaakt voor de voorschoolse periode.

Door de komst van corona (scholensluiting, thuisonderwijs etc) is geen uitvraag van de resultaatafspraken geweest; de vraag was in hoeverre de resultaten geïnterpreteerd kunnen worden als ze vertekend zijn als gevolg van corona. Om die reden (plus het feit dat het onderwijs druk is geweest met het vormgeven van onderwijs in coronatijd) is over het jaar 2020, 2021, 2022 en 2023 geen uitvraag geweest. Nu verwacht wordt dat de corona effecten (ook als gevolg van inzet NPO gelden) voor een groot deel weer verminderd zijn, zal in 2024 de monitor naar de resultaatafspraken weer worden uitgevoerd.

Doelstelling 8 Kwaliteitszorg De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van het VVE-beleid en daarmee voor het verzorgen en bewaken van een goede kwaliteit. Hiervoor is inzicht nodig in de uitvoering van dit beleid, zoals het bereik, de kwaliteit en de effecten. Daarbij gaat het om het monitoren van het proces en ook van de opbrengsten van het VVE-beleid. Kwaliteitszorg VVE is het systematisch en cyclisch werken aan het meten, borgen en verbeteren van de kwaliteit van VVE. Altijd gaat het erom dat de kinderen in de gemeente Epe zoveel mogelijk profiteren van de deelname aan VVE. Kwaliteitszorg VVE wordt niet voorgeschreven vanuit wet- of regelgeving, het wordt wel beoordeeld door de inspectie. Daarbij gaat het om het totale VVE-beleid en de afspraken die er zijn gemaakt, van signalering en toeleiding (bereik) tot aan de resultaatafspraken en alles wat daar tussen zit: uitvoering, subsidieverordening en het verantwoordingsproces. Dit vraagt om goede kwaliteitszorg. Dat betekent regelmatige evaluatie samen met de betrokken instellingen, opsporen van knelpunten, nagaan of alles werkt en loopt zoals het bedoeld is en of er zaken verbeterd kunnen worden. Zo’n evaluatie hoeft niet heel zwaar te zijn, maar kan met korte vragenlijstjes, checklists, evaluatiemomenten tijdens reguliere overleggen of een kleine inspectie.

Bij kwaliteitszorg gaat het om al datgene wat VVE-locaties en gemeente doen om de gewenste kwaliteit ook daadwerkelijk zeker te stellen. Goede kwaliteitszorg voldoet aan drie uitgangspunten: 1. Kwaliteitszorg richt zich op de processen en op de resultaten waar die processen toe leiden. Voor kwaliteitszorg is de vraag hoe deze resultaten tot stand komen zeker zo interessant als de vraag naar de resultaten zelf. 2. Kwaliteitszorg kenmerkt zich door een systematische aanpak. Het bereiken van kwaliteit moet geen toevalstreffer zijn; VVE-locaties en de gemeente willen er grip op krijgen. Dit houdt in dat zij aan anderen uit moeten kunnen leggen wat ze wanneer, hoe en waarom hebben gedaan. 3. Kwaliteitszorg is niet alleen het vaststellen van de huidige kwaliteit, maar ook het bewaken en verbeteren ervan. Met andere woorden, kwaliteitszorg is een voortdurend cyclisch proces. Op basis van bovenstaande omschrijven we kwaliteitszorg als volgt. Kwaliteitszorg VVE is het systematisch en cyclisch werken aan het meten, borgen en verbeteren van de kwaliteit van VVE

Beleidsplan OAB 2024-2026

15

Het is belangrijk te zorgen voor goede kwaliteit VVE zodat alle kinderen in de gemeente zoveel mogelijk kunnen profiteren van het aanbod. Om dit te bereiken is kwaliteitszorg, zowel vanuit de gemeente als vanuit aanbieders van VVE, essentieel. Kwaliteitszorg omvat alles wat aanbieders en gemeenten doen om gewenste kwaliteit zeker te stellen. Voor goede kwaliteitszorg worden drie uitgangspunten aangehouden: - Er wordt gekeken naar de resultaten, maar zeker ook naar de processen die hieraan ten grondslag liggen - Er is sprake van een systematische aanpak - Er wordt niet enkel gefocust op het vaststellen van de huidige kwaliteit, maar er wordt ook ingezet op het bewaken en verbeteren daarvan Er zijn twee organisaties als toezichthouder betrokken bij het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang en VVE. De GGD, die verantwoordelijk is voor het directe en jaarlijkse toezicht, en de Inspectie van het Onderwijs, die meer op de achtergrond actief is en zogeheten ‘risico gestuurd toezicht’ houdt. De Inspectie gaat af op signalen die zij krijgt en doet op basis daarvan gericht onderzoek. De GGD bezoekt elk jaar onaangekondigd alle instellingen voor kinderopvang en een selectie van de gastouders die vermeld staan in het Landelijk Register Kinderopvang. Ook bezoekt zij nieuwe organisaties voor de opening.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op voor- en vroegschoolse educatie (vve) en op de uitvoering van de wettelijke taken van gemeenten voor de kinderopvang. Het toezicht is risico gestuurd. De gemeente is eindverantwoordelijk voor het toezicht en handhaving op de geregistreerde locaties en voor een juist, actueel en volledig register (LRK). De gemeente geeft de GGD opdracht tot het houden van toezicht en zorgt voor handhaving. Als de GGD tekortkomingen constateert in de basiskwaliteit van de voorschoolse educatie, stuurt zij een afschrift van haar rapport aan de gemeente en naar de onderwijsinspectie. De gemeente is ervoor verantwoordelijk om deze tekortkomingen op te lossen. Zij kan ook besluiten om op basis van deze signalen de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek naar de vve-kwaliteit te laten uitvoeren. Dus: - Het VVE-beleid en/of de afspraken met partners over de uitvoering van VVE worden jaarlijks geëvalueerd. Dit kan bijvoorbeeld door het inzetten van een monitor om het VVE-beleid, het bereik en de resultaten in kaart te brengen. Deze monitor mag zelf worden uitgevoerd of door een onafhankelijk extern bureau. - Over de bevindingen uit de evaluatie wordt gerapporteerd; - Verbeterpunten worden benoemd en opgenomen in plannen voor komende jaren.

Om goed te kunnen evalueren is het belangrijk dat voor- en vroegscholen hun administratie goed bijhouden en resultaatafspraken gemonitord worden.

Beleidsplan OAB 2024-2026

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14260239/1