CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

982306 Bijlage 2h - Ontwerp bestemmingsplan Hoofdstraat 212 Epe toelichting - bijlage 6

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling ontwerp bestemmingsplan Hoofdstraat 212 Epe5.462 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Hoofdstraat 212, Epe

datum projectnummer

13 november 2023 201950

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling project projectnummer projectleider

opdrachtgever postadres

status versie auteur

RO Hoofdstraat 212, Epe 201950 Jeroen Hendriks Woonstichting Triada Postbus 56 8180 AB HEERDE Definitief 3 Thom Busschers

paraaf gecontroleerd

Jeroen Hendriks

Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 www.avecodebondt.nl

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding en doel Toetsingskader Leeswijzer

1 1 1 1

2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3 2.3.1 2.3.2

Procedurele en inhoudelijke aspecten Wet- en regelgeving Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Procedure en betrokken partijen Betrokken partijen Procedure

2 2 3 3 3 3 4 4 4

3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8 3.2.9 3.3

De vormvrije m.e.r.-beoordeling De plaats en kenmerken van het project Kenmerken van het potentiële effect Archeologie en cultuurhistorie Bodem Water Geluid Luchtkwaliteit Flora en Fauna Verkeer en parkeren Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Samenvatting milieueffecten

5 5 7 7 7 8 8 8 9 9 10 10 11

4 4.1 4.2

Beoordeling van de effecten en conclusies Conclusie t.a.v. mogelijke aanzienlijke milieueffecten Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling

13 13 13

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Woonstichting Triada is voornemens om op de locatie Hoofdstraat 212 te Epe een appartementengebouw te realiseren. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een appartementengebouw met 32 huurappartementen. Het plangebied is op grond van het bestemmingsplan 'Klaarbeek' bestemd als 'Woondoeleinden' en voor een klein gedeelte 'Groenvoorzieningen'. De voor woondoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Echter is hier enkel één woning met twee bouwlagen toegestaan. De voor groenvoorzieningen aangewezen gronden zijn bestemd voor plantsoenen, speelplekken, bermen, gemeenschappelijk moestuinen, andere groenvoorzieningen en water. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een appartementengebouw met 32 wooneenheden. Ook is de voorgenomen bouwhoogte hoger dan wat er in het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Het noordelijke deel van het plangebied kent op grond van het bestemmingsplan 'Eerbeek Zuid' de bestemming 'Agrarisch'. Op grond van deze bestemmingsplan zijn agrarische functies, infrastructurele voorzieningen, waterhuishouding en extensieve recreatie toegestaan. Het realiseren van een appartementencomplex inclusief bijbehorende (parkeer)functies zijn op grond van deze bestemming niet toegestaan.

Voor dit plan is momenteel een bestemmingsplan in voorbereiding, wat het juridisch-planologische kader vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. In deze notitie is de toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. 1.2 Toetsingskader In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Deze aanmeldnotitie betreft de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten of het mogelijk maken van de ontwikkeling al dan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure (waaronder het opstellen van een milieueffectrapportage). 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. In hoofdstuk 4 worden de conclusies van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 1/13

2

Procedurele en inhoudelijke aspecten

2.1 Wet- en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Onderstaande figuur geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn hiervoor.

Figuur 2.1: soorten milieueffectrapportage

Onderstaand zijn de drie vormen van een milieueffectrapportage nader toegelicht: •

•

•

m.e.r-plicht: voor activiteiten die zijn opgenomen op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde daarvan overschrijden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling1 opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapportage worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. m.e.r.-beoordelingsplicht of plan-m.e.r.: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde overschrijden geldt de (formele) m.e.r. beoordelingsplicht. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan (kolom 3), dan geldt altijd en direct de plan-m.e.r. vormvrije m.e.r.-beoordeling: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. maar niet de drempelwaarde overschrijden geldt de (vormvrije) m.e.r. beoordelingsplicht.

De procedure en inhoud van de ‘vormvrije’ versie is nagenoeg gelijk aan de (formele) m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het doorlopen van een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage) al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van

1 Op basis van artikel 3 lid 1 Besluit m.e.r. geldt voor onder meer bestemmingsplannen niet meer automatisch een m.e.r.-plicht als er

een passende beoordeling moet worden gemaakt. Het gaat om plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden (lid 1 sub a) en voor kleine wijzigingen (lid 1 sub b) van plannen. Voor die plannen kan in eerste instantie worden volstaan met een plan-m.e.r.beoordeling.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 2/13

een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese MER richtlijn’. 2.2

Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen

2.2.1 Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaats vinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst. Op basis daarvan is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Op basis van het onderzoek naar flora en fauna (soortenbescherming en gebiedsbescherming) blijkt dat het opstellen van een Passende Beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming niet benodigd is (zie paragraaf 3.2). Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht. 2.2.2 Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader. Toetsing aan D-lijst De beoogde ontwikkeling komt voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (zie tabel 2.1): •

Onderdeel D.11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Tabel 2.1: D-lijst, bijlage, besluit Milieueffectrapportage

D11.2

Kolom 1 Activiteiten

Kolom 2 Gevallen

Kolom 3 Plannen

Kolom 4 Besluiten

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De drempelwaarden in kolom 2 worden door onderhavig plan niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. 2.2.3 Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden. De drempelwaarde gaat uit van 2.000 of meer woningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 32 huurappartementen en het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2.705 m2. Het te nemen besluit (partiële herziening bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 3/13

Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage moet het voornemen worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r. beoordeling wordt aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. 2.3 Procedure en betrokken partijen 2.3.1 Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. Woonstichting Triada is initiatiefnemer van onderhavig plan. De gemeente Epe treedt op als bevoegd gezag. De gemeente moet immers het bestemmingsplan vaststellen om dit plan mogelijk te maken. 2.3.2 Procedure De initiatiefnemer deelt aan het bevoegd gezag mede dat zij voornemens is een m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteit te realiseren. Dit doet de initiatiefnemer in deze aanmeldingsnotitie waarin zij de benodigde informatie opneemt op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen over de noodzakelijkheid tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al of niet een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Het (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: de vaststelling van het bestemmingsplan. Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het bestemmingsplan.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 4/13

3

De vormvrije m.e.r.-beoordeling

De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • • •

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

3.1 De plaats en kenmerken van het project Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. de omvang van het project Het plangebied is gelegen aan de Hoofdstraat 212 in Epe. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2.705 m2. Het plan voorziet in de realisatie 32 huurappartementen. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Epe en Oene, sectie T, nummers 4122, 4124 en 5928 gedeeltelijk. Op dit moment bestaat de locatie uit een braakliggend terrein. B. de cumulatie met andere projecten In de omgeving van het projectgebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Naast de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan. Woningen worden bovendien niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof) en kennen een hoge energieprestatie. Het gebruik van afvalstoffen vormt naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. D.

de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van onderhavig plan en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van de appartementen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. E. verontreiniging en hinder Voor verontreiniging en hinder kunnen diverse aspecten relevant zijn, te denken aan bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geluidhinder, verkeershinder, hinder in de vorm van verstoring van natuurwaarden door bijvoorbeeld stikstof, geluid en licht, etc. Ten aanzien van bovengenoemde aspecten wordt onder paragraaf 3.2, kenmerken van het mogelijke effect, beschreven wat de mogelijk effecten zijn. F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van de huurappartementen betreft geen risicovolle inrichting. Er liggen ook geen risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied (zie paragraaf 3.2).

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 5/13

Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In paragraaf 3.2 wordt daar verder op ingegaan als onderdeel van het aspect water. G. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling) Bij de functie welke mogelijk worden gemaakt bij voorgenomen ontwikkeling (wonen) ontstaat er geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Het plan voorziet niet in realisatie van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. H. het bestaande grondgebruik Het plangebied kent binnen het bestemmingsplan ‘Klaarbeek’ de bestemming ‘woondoeleinden’. De voormalige bebouwing binnen het plangebied is reeds gesloopt, het betreft nu een braakliggend terrein. I.

relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied is een beperkte aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen. Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein. In de huidige situatie is er geen sprake van rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. J.

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen − kustgebieden − berg- en bosgebieden − natuurreservaten en -parken − gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; − gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Het plangebied zelf is niet gelegen in een van bovenstaande gebieden. In de omgeving zijn dergelijke gebieden wel aanwezig. In de omgeving van Epe liggen verschillende natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is de Veluwe. Het kerngebied van het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op ca. 3,5 km afstand van het onderzoeksgebied. Op ca. 250 meter afstand van het onderzoeksgebied ligt de Klaarbeek, die ook onderdeel is van het Natura 2000-gebied Veluwe. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied. In paragraaf 3.2. wordt meer specifiek ingegaan op het opnamevermogen van het natuurlijke milieu indien effecten van het plan een plangrensoverschrijdend effect hebben.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 6/13

3.2 Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn onder paragraaf 3.1 (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • • • • • • • •

de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; de aard van het effect; het grensoverschrijdend karakter van het effect; de intensiteit en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Vanwege de veelal geringe aard en omvang van het effect worden niet alle criteria expliciet in overweging genomen. 3.2.1 Archeologie en cultuurhistorie Potentiële effecten ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn met name gerelateerd aan verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden en aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek en aanvullende veldonderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden adviseert Laagland Archeologie geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Dit advies is overgenomen door de regioarcheoloog. Binnen het plangebied en in de directe omgeving is er geen bebouwing aanwezig welke aangemerkt is als Rijks- of gemeentelijk monument of als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Tevens is het plangebied niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie geen belangrijke gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.2 Bodem Potentiële effecten ten aanzien van bodem zijn op voorhand niet te verwachten.

Er wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die een mogelijk bodemrisico met zich mee brengt. Middels een verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek is de bodemkwaliteit binnen het plangebied in kaart gebracht. De eindconclusie van het rapport stelt dat gezien de vastgestelde bodemkwaliteit er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu zijn. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. De grond wordt vanuit milieuhygienisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige gebruik en de voorgenomen nieuwbouw. Wel dient er rekening mee te worden gehouden dat ter plaatse van de gedempte sloten mogelijk stukken asbesthoudende materialen in de bodem aanwezig zijn, geadviseerd wordt om bij toekomstige werkzaamheden deze grond separaat te ontgraven en af te voeren. Daarnaast dient, conform het beleid van de gemeente, een partijkeuring (inclusief arseen) uitgevoerd te worden indien oerhoudende bodemlagen afgevoerd worden.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 7/13

Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.3 Water Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In de huidige situatie is het plangebied braakliggend. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een toename van het verhard oppervlak. Het hemelwater en vuilwater wordt gescheiden aangeboden op de hoofdaansluiting van de gemeente. Er is vanuit de gemeente Epe een bergingseis van 60 mm. Hoe het hemelwater op eigen terrein geborgen gaat worden wordt in een later stadium verder uitgewerkt. Voor nu wordt er vanuit gegaan om infiltratiekratten van één laag hoog toe te passen. Door de bergingseis in acht te nemen wordt er ingespeeld op de extreme weeromstandigheden. In het ontwerp wordt er rekening gehouden met de grondwaterstanden door de gebouwen op een juiste hoogte te situeren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu. 3.2.4 Geluid Met voorgenomen ontwikkeling wordt er geen functie gerealiseerd welke geluidsoverlast veroorzaakt.

Met voorgenomen ontwikkeling treedt er geen hinder wat betreft geluid op voor de omgeving. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.5 Luchtkwaliteit Potentiële effecten ten aanzien van luchtkwaliteit zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen die het plan met zich mee brengt. Daarnaast dient de luchtkwaliteit in het gebied in beschouwing te worden genomen. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling een gevoelige functie betreft is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de NSL monitoringstool van het ministerie van Infrastructuur en Milieu gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. Uit die monitor blijkt dat nabij het plangebied in het peiljaar 2020 geen overschrijding van een grenswaarde bestaat. De waarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof blijven ruim onder de geldende normwaarden. Gebleken is dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt. Binnen het plangebied worden 32 huurappartementen gerealiseerd met één ontsluitingsweg. Dit aantal woningen valt ruim binnen de grenswaarde van 3% en zal derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

De bestaande luchtkwaliteit voldoet ruimschoots aan de normen in het kader van een goed woon- en leefklimaat.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 8/13

Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.6 Flora en Fauna Potentiële effecten ten aanzien van flora en fauna zijn met name gerelateerd aan soortenbescherming binnen en direct rondom het plangebied en gebiedsbescherming van natuurgebieden. Effecten ontwikkeling op gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe. Het kerngebied van het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op ca. 3,5 km afstand van het onderzoeksgebied. Op ca. 250 meter afstand van het onderzoeksgebied ligt de Klaarbeek, die ook onderdeel is van het Natura 2000-gebied Veluwe. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Uit een verkennend natuuronderzoek is het volgende gebleken: De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk. Verdere toetsing in de vorm van een "Nee, tenzij-toets" is niet aan de orde.

De voorgenomen herontwikkeling leidt – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De stikstofdepositie als gevolg van de toevoeging van de wooneenheden en de daarmee toenemende verkeersgeneratie is in beeld gebracht. Uit deze AERIUS-calculatie blijkt dat de stikstofemissie in de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Effecten ontwikkeling op soortenbescherming Het onderzoeksgebied bevat geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen, jaarrond beschermde vogelnesten, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van niet-vrijgestelde beschermde soorten flora en fauna.

Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en fauna geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.7 Verkeer en parkeren Potentiële milieueffecten ten aanzien van verkeer en parkeren zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen die het plan met zich mee brengt en de realisatie van voldoende

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 9/13

parkeergelegenheid binnen het plangebied. Eventuele gevolgen daarvan ten aanzien van natuur en luchtkwaliteit zijn reeds in eerdere paragrafen in beschouwing genomen. Daarbij is geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De beoogde ontwikkeling levert een gemiddelde verkeersgeneratie van 139,4 voertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten op de Glazenmaker ten noorden van het plangebied. De ontsluiting gaat vrijwel direct over in de Hoofdstraat en de N309. Het is dan ook aannemelijk dat de verkeersgeneratie niet zal leiden tot verdere problemen. Voor een weinig stedelijk gebied geldt een minimum parkeernorm van 1 en een maximale parkeernorm van 1,8. Voor Epe is binnen de bandbreedte die het CROW hanteert de gemiddelde parkeernorm aangehouden. Dit is mede gebaseerd op het autobezit, fietsgebruik, de huidige praktijkervaringen en het parkeerbeleid. De parkeernorm bedraagt daarmee 1,4 parkeerplaatsen per appartement. Er worden 32 appartementen gerealiseerd, hetgeen betekent dat er 45 parkeerplaatsen in de openbare ruimte moeten worden gerealiseerd. In het plan is rekening gehouden met het realiseren van 45 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Deze worden op maaiveld ten noorden, zuiden en westen van het appartementengebouw gerealiseerd.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van verkeer en parkeren geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.8 Bedrijven en milieuzonering Potentiële effecten ten aanzien van bedrijven en milieuzonering zijn met name gerelateerd aan de realisatie van milieubelastende activiteiten en de hinder die zij veroorzaken op de omgeving en vise versa. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit, welke hinder kan veroorzaken naar de omgeving. Wanneer gekeken wordt naar de omgeving van het plangebied dan wordt geconstateerd dat er sprake is van een overwegend woonomgeving. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid, garagebedrijf/LPG tankstation Broekhuis aan Hoofdstraat 204, bevindt zich ten noorden van het plangebied. Een LPG tankstation betreft een Bevi-inrichting, waar het aspect gevaar van belang is. Er is voldoende afstand tussen het garagebedrijven/LPG tankstation Broekhuis en de beoogde woningen. Het tankstation wordt niet belemmerd in de bedrijfsvoering en met het voornemen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Naast het tankstation zijn er verder geen milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bedrijven en milieuzonering geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

3.2.9 Externe veiligheid Potentiële effecten ten aanzien van externe veiligheid zijn met name gerelateerd aan de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van het gebied en/of de realisatie van risicovolle inrichtingen binnen het plan. Binnen het plangebied wordt geen risicovolle inrichting mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn 2 relevante risicobronnen gesitueerd die van invloed zouden kunnen zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Het betreffen de volgende risicobronnen •

Het LPG tankstation Broekhuis aan de Hoofdstraat 204 met een LPG-vulpunt ten noorden van het plangebied;

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 10/13

•

De N309 en de Hoofdstraat waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden.

De doorzet van het LPG-tankstation is minder dan 1.000 m³. In de bij de Bevi behorende Regeling externe veiligheid inrichtingen zijn afstanden opgenomen, die ten opzichte van kwetsbare en beperkt-kwetsbare objecten (waaronder woningen en bedrijfsgebouwen, die niet tot de inrichting zelf behoren) in acht genomen moeten worden. Het plangebied is buiten de afstanden gelegen. Derhalve vormt dit tankstation geen directe belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en worden er geen aanvullende (veiligheids)eisen gesteld. Conform de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Epe heeft de N309 geen PR10-6 contour. Gelet op het beperkt aantal transporten over de Hoofdstraat zal ook hier geen sprake zijn van een PR10 -6 contour. Het maatgevende invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 355 meter. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de Hoofdstraat en N309. Conform de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Epe wordt de oriëntatiewaarde van de N309 niet overschreden. Gelet op het beperkt aantal transporten van LPG over de Hoofdstraat en N309 kan op basis van de vuistregels uit de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met een beknopte verantwoording van het groepsrisico.

Conclusie Met de komst van 32 huurappartementen zal het risiconiveau niet relevant toenemen. De zelfredzaamheid van het plangebied kan als voldoende worden beschouwd. Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.3 Samenvatting milieueffecten In tabel 3.1 zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. (milieu)Thema

Conclusie beoordeling potentiële effecten Doorlopen m.e.r.-procedure noodzakelijk

Archeologie en cultuurhistorie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Nee

Bodem

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem Nee geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Water

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Nee

Bedrijven en milieuzonering

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bedrijven en milieuzonering geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Nee

Externe veiligheid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van externe Nee veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Geluid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Nee

Luchtkwaliteit

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen

Nee

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 11/13

(milieu)Thema

Conclusie beoordeling potentiële effecten Doorlopen m.e.r.-procedure noodzakelijk zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Flora en Fauna

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van Nee soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

Verkeer en parkeren

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van verkeer Nee en parkeren geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 12/13

4

Beoordeling van de effecten en conclusies

4.1 Conclusie t.a.v. mogelijke aanzienlijke milieueffecten Het voornemen om woningbouw te realiseren binnen het plangebied leidt in beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Voor alle onderzochte aspecten geldt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. 4.2 Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Geadviseerd wordt om de gemeente Epe op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

datum referentie

13 november 2023 201950_AdB_RAP_0002_v3

P 13/13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14182838/1