982306 Bijlage 2f - Ontwerp bestemmingsplan Hoofdstraat 212 Epe toelichting - bijlage 4
Tekst van het document
Verkennend natuuronderzoek Hoofdstraat 212 te Epe Onderzoek naar de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna en beschermde natuurgebieden
Datum: 09-03-2022 Auteur: A. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Rapportnummer: AT/2022/09.03 Versie: D2
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor een braakliggend terrein aan de Hoofdstraat 212 in Epe bestaan herontwikkelingsplannen. De plannen bestaan uit nieuwbouw van een appartementencomplex. In opdracht van Aveco de Bondt is hiervoor een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten op beschermde soorten flora en fauna en Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming en beschermde gebieden behorend tot het Gelders Natuurnetwerk in beeld te brengen. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van het verkennend natuuronderzoek.
Figuur 1.1: Inrichtingsplan.
1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna of Natura 2000-gebieden of uit de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten flora en fauna, dan is voor de ingreep mogelijk een ontheffing vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Indien sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000gebieden, dan is voor de ingreep mogelijk een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk is alleen onder voorwaarden toegestaan binnen de ruimtelijke procedures. 1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft het inmiddels braakliggende terrein van het perceel Hogeweg 212 in Epe. De voormalige bebouwing op het terrein is deels afgebrand volledig verwijderd. Het terrein bestaat uit een verruigd grasland met hier en daar enkele bomen. Op onderstaande figuur is het onderzoeksgebied weergegeven. Onderstaande foto’s geven een indruk van het onderzoeksgebied.
2
Figuur 1.3: Globale ligging onderzoeksgebied (rood omlijnd)
3
Foto 1 t/m 5: Indruk onderzoeksgebied.
4
2
Wettelijk kader
2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
5
onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing nodig. 2.3
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN/EHS in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. In Gelderland worden deze natuurgebieden het Gelders Natuurnetwerk genoemd.
6
3
Gebiedsbescherming
3.1 Natura 2000-gebieden Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe. Het kerngebied van het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op ca. 3,5 km afstand van het onderzoeksgebied. Op ca. 250 meter afstand van het onderzoeksgebied ligt de Klaarbeek, die ook onderdeel is van het Natura 2000-gebied Veluwe. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied.
Figuur 3.1: Ligging Natura 2000-gebieden (groen) ten opzichte van het onderzoeksgebied. Bron: Atlas van Gelderland.
Het onderzoeksgebied ligt aan de rand van het binnenstedelijk gebied van Epe en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied aan de rand van het stedelijk gebied van Epe en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. De kwalificerende habitatsoorten die leefgebied hebben in de relatief dichtbij gelegen Klaarbeek zijn beekprik, rivierdonderpad en drijvende waterweegbree. Deze soorten zijn niet gevoelig voor verstoring door licht of geluid. Bovendien ligt de drukke provinciale weg N309 tussen het onderzoeksgebied en de Klaarbeek, waardoor geluid wegvalt binnen de overheersende geluidcontour van de N309. Van een significante verstoring van kwalificerende soorten is geen sprake. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe en andere omliggende Natura 2000gebieden zijn stikstofgevoelige gebieden.
Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase komen extra stikstofemissies vrij die zouden kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Aan de hand van een stikstofberekening kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. In dat geval is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
7
3.2 Gelders Natuurnetwerk Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Aangezien het onderzoeksgebied buiten de begrenzing van het GNN ligt en de Omgevingsverordening van Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van Gelderland ten aanzien van het GNN niet noodzakelijk. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden aan de rand van het stedelijk gebied van Epe) wordt een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN overigens ook niet verwacht.
Figuur 3.2: Ligging GNN/GO ten opzichte van het onderzoeksgebied. Bron: Planviewer Atlas van Gelderland.
8
4
Soortenbescherming
4.1 Verkennend veldbezoek Op 22 januari 2021 heeft een verkennend veldbezoek in het onderzoeksgebied plaatsgevonden. Op basis van een expertoordeel is aan de hand van biotoopeisen van beschermde soorten en habitatkenmerken in het onderzoeksgebied beoordeeld welke beschermde soorten er in het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Het veldonderzoek heeft een verkennend karakter en kan niet worden gezien als uitputtende soorteninventarisatie. 4.2 Flora Er zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten bekend uit het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten. Het betreft een perceel waarop recent een woning en enkele schuren hebben gestaan aan de rand van het stedelijk gebied van Epe. De bebouwing is deels afgebrand en de restanten zijn volledig verwijderd. Het terrein ligt sinds die tijd braak. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte groeiplaatsen van beschermde plantensoorten aangetroffen in het onderzoeksgebied. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het onderzoeksgebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar planten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.3 Vogels In het onderzoeksgebied is geen bebouwing aanwezig waarin gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats kunnen broeden.
Wel staan er enkele bomen in het onderzoeksgebied. In deze bomen bevinden zich geen grotere nesten van roofvogels, ransuil of roek. Aanwezigheid van nesten van boombewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats kan op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar vogels of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Wel dient tijdens het broedseizoen rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke nesten kunnen in de bomen maar ook in de grazige ruigtes op het terrein broeden. 4.4
Zoogdieren
4.4.1 Vleermuizen In het onderzoeksgebied is geen bebouwing aanwezig waarin gebouwbewonende vleermuizen kunnen verblijven. Wel staan er enkele bomen in het onderzoeksgebied. In deze bomen bevinden zich geen holtes, scheuren of andere gaten die als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen kunnen dienen. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied kan op voorhand worden uitgesloten. Het onderzoeksgebied kan wel door vleermuizen worden gebruikt als foerageergebied, maar de waarde hiervan is beperkt omdat het aandeel aan opgaande begroeiing beperkt is ten opzichte van de directe en wijdere omgeving. Vanwege de ligging in het bebouwd gebied van Epe en het beperkte aandeel aan bomen, worden alleen algemeen in stedelijk gebied voorkomende soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger verwacht. Voor dergelijke algemeen in stedelijk gebied voorkomende vleermuissoorten is er in de directe omgeving voldoende ander geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van groene tuinen, parkjes en laanbeplanting langs wegen. Van een zodanige aantasting van foerageergebied dat daardoor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van deze soorten in het geding komt is geen sprake. Er bevinden zich in het
9
onderzoeksgebied geen doorgaande lijnvormige landschapselementen die als vliegroute voor vleermuizen kunnen dienen. Nader onderzoek naar vleermuizen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.4.2 Overige zoogdiersoorten Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor niet-vrijgestelde overige beschermde overige zoogdiersoorten zoals das, boommarter, eekhoorn en kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied en de ligging tussen het stedelijk gebied van Epe en de drukke provinciale weg N309. In het onderzoeksgebied staan geen bomen met grote holtes waarin boom- of steenmarter kunnen verblijven. Er zijn ook geen eekhoornnesten aanwezig in de bomen in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied staat geen bebouwing waarin steenmarter zou kunnen verblijven en er is geen dekking aanwezig voor kleine marterachtigen in de vorm van heggen, hagen, stobben of takken- en steenhopen. Er zijn tijdens het veldbezoek ook geen sporen (graafsporen, holen, wissel, uitwerpselen, etc.) van das of andere niet-vrijgestelde beschermde overige zoogdieren in het onderzoeksgebied aangetroffen. Nader onderzoek naar overige zoogdieren of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
4.5 Vissen, amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek is geen geschikt biotoop voor beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen aangetroffen in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied is geen oppervlaktewater aanwezig wat kan dienen als leefgebied voor beschermde vissen of als voortplantingsplaats voor beschermde amfibieën en ringslang. In het onderzoeksgebied zijn geen zandige plekken aanwezig en ontbreekt heide of andere schrale vegetaties als potentieel leefgebied voor rugstreeppad, hagedissen of slangen. Er ligt ook geen dood hout of ander organisch materiaal waar reptielen of amfibieën onder kunnen schuilen. Aanwezigheid van niet-vrijgestelde beschermde soorten amfibieën, reptielen en vissen kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar amfibieën, reptielen en vissen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.6 Ongewervelden Tijdens het verkennend veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden in het onderzoeksgebied aangetroffen. Het onderzoeksgebied ligt aan de rand van het stedelijk gebied van Epe en bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde soorten libellen, dagvlinders of andere soorten ongewervelden.
Er zijn geen voor beschermde vlindersoorten geschikte waardplanten in het onderzoeksgebied aanwezig en oppervlaktewater, moeras- en schrale vegetaties die geschikt leefgebied vormen voor beschermde soorten libellen en vlinders ontbreken. In het onderzoeksgebied staan ook geen oude eikenbomen/-stobben die geschikt zijn als leefgebied voor vliegend hert. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het onderzoeksgebied kan derhalve worden uitgesloten. Nader onderzoek naar ongewervelden of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
10
5
Conclusie
5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De voorgenomen herontwikkeling leidt – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Het onderzoeksgebied bevat geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen, jaarrond beschermde vogelnesten, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van niet-vrijgestelde beschermde soorten flora en fauna. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden.
5.3 Gelders Natuurnetwerk De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.
11