982306 Bijlage 2a Ontwerp bestemmingsplan Hoofdstraat 212 Epe toelichting en regels
Tekst van het document
Situatie plangebied Binnen het plangebied worden 32 huurappartementen gerealiseerd met één ontsluitingsweg. Dit aantal woningen valt ruim binnen de grenswaarde van 3% en zal derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Naast de effecten van het voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op www.atlasleefomgeving.nl. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat de achtergrondconcentraties in 2019 aan fijn stof PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied respectievelijk 16 µg/m³, 9 µg/m³ en 15 µg/m³ bedraagt. De achtergrondbelastingen liggen ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en NO2 en ruimschoots onder de grenswaarde van 20 µg/m³ voor PM2,5. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 28 van 67
4.3.5
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG- tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6(één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 29 van 67
Beleidsvisie externe veiligheid In september 2013 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan indien het gaat op een verplaatsing van een bestaande risicobron naar een bedrijventerrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde. In de visie is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd. Situatie plangebied Binnen het plangebied worden woningen gerealiseerd, wat aangemerkt is als een kwetsbaar object (conform artikel 1, lid 1, sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen). In de omgeving van het plangebied liggen twee risicobronnen, te weten:
het LPG tankstation Broekhuis aan Hoofdstraat 204 met een LPG-vulpunt ten noorden van het plangebied; de N309 en Hoofdstraat waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 30 van 67
Afbeelding 7: externe veiligheid LPG-tankstation De doorzet van het LPG-tankstation is minder dan 1.000 m³. In de bij de Bevi behorende Regeling externe veiligheid inrichtingen zijn afstanden opgenomen, die ten opzichte van kwetsbare en beperkt-kwetsbare objecten (waaronder woningen en bedrijfsgebouwen, die niet tot de inrichting zelf behoren) in acht genomen moeten worden. Voor een LPG-tankstation met een doorzet tot 1.000 m³/jaar, gelden, in verband met het plaatsgebonden risico, de volgende afstanden: LPG-tankstations met een doorzet tot 1.000 m3 /jaar vulpunt
40 meter
ondergronds reservoir
25 meter
afleverzuil
15 meter
Het plangebied is buiten de bovengenoemde afstanden gelegen. Het plaatsgebonden risico van het LPG-tankstation vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 31 van 67
Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt een strook van 150 meter vanaf de locatie waar het vulpunt is gesitueerd. In afbeelding 7 is te zien dat het plangebied buiten het invloedsgebied is gesitueerd. Derhalve vormt dit tankstation geen directe belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en worden er geen aanvullende (veiligheids)eisen gesteld. Vervoer gevaarlijke stoffen over N309 en Hoofdstraat Conform de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Epe heeft de N309 geen PR10 -6 contour. Gelet op het beperkt aantal transporten over de Hoofdstraat zal ook hier geen sprake zijn van een PR10-6 contour. Het maatgevende invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 355 meter. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de Hoofdstraat en N309. Conform de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Epe wordt de oriëntatiewaarde van de N309 niet overschreden. Gelet op het beperkt aantal transporten van LPG over de Hoofdstraat en N309 kan op basis van de vuistregels uit de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met een beknopte verantwoording van het groepsrisico.
Beknopte verantwoording van het groepsrisico Mogelijkheden tot voorbereiding, bestrijding en beperking van gevolgen ramp De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van appartementen. De aanwezige personen zullen over het algemeen ook zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bestaat onder andere uit vluchten en uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. Het plangebied wordt goed ontsloten en de ontsluiting kan plaatsvinden door van de wegen af te keren. Tevens is het plangebied via deze wegen goed bereikbaar voor hulpdiensten.
De rijksoverheid heeft voor het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten een nagenoeg landelijk dekkend netwerk van WAS-palen neergezet. Waarschuwen bij een dreigende ramp is op die manier voldoende geborgd. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen binnen het bestemmingsplan kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de Hoofdstraat en N309. Door de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet relevant toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid van het plangebied als voldoende kan worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 32 van 67
4.4
Water
4.4.1
Waterbeleid
Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn:
We beschermen ons gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners.
Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Waterplan Epe De gemeente ligt op het overgangsgebied van de stuwwal van de Veluwe naar de IJssel. Het water van de Veluwe komt aan de flanken van de stuwwal aan de oppervlakte en watert af richting de lager gelegen IJssel. Op de Veluweflank loopt dit watersysteem van west naar oost. In de IJsselvallei loopt het watersysteem van zuid naar noord. Deze twee stroomgebieden hebben een grote invloed op de waterhuishouding in de gemeente Epe.
Het Waterplan Epe beschrijft hoe de gemeente Epe de komende jaren wil omgaan met het water in de gemeente. 4.4.2
Watertoets
Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden doorlopen. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 33 van 67
Op 25 november 2021 is het waterschap op de hoogte gesteld van de plannen. Hieruit is naar voren gekomen dat de normale procedure van toepassing is. Omdat er meer dan 1.500 m 2 toename van verhard oppervlak wordt gerealiseerd is ook het realiseren van waterberging een agendapunt. Aandachtspunten bij de voorgenomen ontwikkelingen zijn:
Vasthouden - bergen - afvoeren: een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen: om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken: om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.
Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Hemelwater en vuilwater Het hemelwater en vuilwater wordt gescheiden aangeboden op de hoofdaansluiting van de gemeente. Er is vanuit de gemeente Epe een bergingseis van 60 mm. Hoe het hemelwater op eigen terrein geborgen gaat worden, wordt in een later stadium verder uitgewerkt. Voor nu wordt er vanuit gegaan om infiltratiekratten van één laag hoog toe te passen. Grondwater In het ontwerp wordt er rekening gehouden met de grondwaterstanden door de gebouwen op een juiste hoogte te situeren. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Ecologie
Op 1 januari 2017 is de 'Wet natuurbescherming' in werking getreden. De 'Boswet', de 'Flora en faunawet' en de 'Natuurbeschermingswet 1998' zijn per die datum ingetrokken. De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming en gebiedsbescherming.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 34 van 67
4.5.1
Gebiedsbescherming
Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen die een hoge wettelijke bescherming kennen. Hiervoor zijn Natura 2000 en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangewezen. Situatie plangebied Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe. Het kerngebied van het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op ca. 3,5 km afstand van het onderzoeksgebied. Op ca. 250 meter afstand van het onderzoeksgebied ligt het deel van de Klaarbeek, die ook onderdeel is van het Natura 2000-gebied Veluwe. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Om de mogelijke effecten op het Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming en beschermde gebieden behorend tot het Gelders Natuurnetwerk in beeld te brengen, is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd: De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk.
Verdere toetsing in de vorm van een "Nee, tenzij-toets" is niet aan de orde. De voorgenomen herontwikkeling leidt – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De stikstofdepositie als gevolg van de toevoeging van de wooneenheden en de daarmee toenemende verkeersgeneratie is in beeld gebracht. Uit deze AERIUS-calculatie (bijlage 5) blijkt dat de stikstofemissie in de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). 4.5.2
Soortenbescherming
Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 35 van 67
Situatie plangebied Om de mogelijke effecten op beschermde soorten flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen, is een verkennend natuuronderzoek (bijlage 4) uitgevoerd. Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd: Het onderzoeksgebied bevat geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen, jaarrond beschermde vogelnesten, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van niet-vrijgestelde beschermde soorten flora en fauna. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden. Ondanks dat ten tijde van het uitgevoerde onderzoek het plangebied afweek van het huidige plangebied, zijn tijdens het veldonderzoek wel alle relevante deelgebieden en bomen geïnventariseerd. Gelet hierop wordt het onderzoek en de resultaten representatief geacht voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe worden doorgaans berekeningen uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. De gemeente Epe beschikt echter over een eigen nota parkeernormen (Nota Parkeernormen 2018). Voor de berekening van de parkeerbehoefte is hier bij aangesloten. Voor de berekening van de verkeersgeneratie geeft deze nota geen cijfers. Daarom is voor deze berekening aangesloten bij de CROW. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:
Functie: huur, etage, midden/goedkoop; Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom.
De gemiddelde parkeerbehoefte en verkeersgeneratie zijn bij de te onderscheiden woningtypen als volgt: Huur, appartement, midden/goedkoop Parkeerbehoefte
1,4
Verkeersgeneratie
4,1
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 36 van 67
4.6.2
Verkeer
De beoogde ontwikkeling levert een gemiddelde verkeersgeneratie van 131,2 voertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten op de Glazenmaker ten noorden van het plangebied. De ontsluiting gaat vrijwel direct over in de Hoofdstraat en de N309. Het is dan ook zondermeer aannemelijk dat de verkeersgeneratie niet zal leiden tot verdere problemen. Als gevolg van het plan treden geen significant negatieve gevolgen op voor de verkeersafwikkeling in de wijk. 4.6.3
Parkeren
Voor een weinig stedelijk gebied geldt een minimum parkeernorm van 1 en een maximale parkeernorm van 1,8. Voor Epe is binnen de bandbreedte die het CROW hanteert de gemiddelde parkeernorm aangehouden. Dit is mede gebaseerd op het autobezit, fietsgebruik, de huidige praktijkervaringen en het parkeerbeleid. De parkeernorm bedraagt daarmee 1,4 parkeerplaatsen per appartement. Er worden 32 appartementen gerealiseerd, hetgeen betekent dat er 45 parkeerplaatsen in de openbare ruimte moeten worden gerealiseerd. In het plan is rekening gehouden met het realiseren van 45 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Deze worden op maaiveld ten noorden en westen van het appartementengebouw gerealiseerd. Er worden derhalve voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm.
4.7
Kabels en leidingen
Kabels en (buis)leidingen in de grond in of nabij het plangebied kunnen van belang zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling en dienen derhalve planologisch geregeld te worden. Het gaat dan om kabels en leidingen met een veiligheidsrisico of een belangrijke maatschappelijke functie, zoals (ondergrondse) hoogspanningskabels, gasleidingen of buisleidingen voor brandbare en vergiftigde stoffen. In en rondom het plangebied liggen geen belangrijke kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Wettelijk kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 37 van 67
onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in principe in directe eindbestemmingen voor de binnen de planonderdelen aanwezige activiteiten. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. De voorgenomen ontwikkeling maakt een toevoeging van 32 huurappartementen binnen de bebouwde kom mogelijk. Dat betekent, dat het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt, zoals dat is bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. 4.8.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Voor voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage 6) opgesteld. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Het voorstel is om de gemeente Epe op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen MER nodig is.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 38 van 67
Hoofdstuk 5 Juridische regeling In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende planregels van een nadere toelichting voorzien. Qua vormgeving en planregels is voor zover mogelijk aangesloten bij de SVBP2012 en de binnen de gemeente Epe gehanteerde bestemmingsplanregels en begripsbepalingen.
5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan 'Hoofdstraat 212 Epe’ dient te voldoen aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Daarnaast dient het bestemmingsplan te voldoen aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Deze ministeriële regeling heeft met name invloed op de vorm van het bestemmingsplan. Zo zijn in deze ministeriële regeling hoofdgroepen van bestemmingen opgenomen en worden er standaard regels voor de begrippen en de wijze van meten gegeven. In dit hoofdstuk worden de van het bestemmingsplan deel uitmakende voorschriften van een nadere toelichting voorzien. De bij dit plan behorende voorschriften zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels. Bestemmingsregels. Algemene regels. Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 worden de op de plankaart aangegeven gedetailleerde bestemmingen omschreven en worden per bestemming de bouwregels vermeld. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels die gelden voor het gehele bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels.
5.2
Plansystematiek
5.2.1
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis. 5.2.2
Regels
5.2.2.1 Inleidende regels Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 39 van 67
5.2.2.2 Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing worden deze één op één overgenomen. 5.2.2.3 Bestemmingsregels Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:
bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; specifieke gebruiksregels.
Bestemmingsomschrijving: De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming en eventueel daaraan verbonden voorwaarden. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Niet hier genoemd gebruik is strijdig met de bestemming. Bouwregels: In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bij het afwijken van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken van hetgeen is geregeld. Bijvoorbeeld in het toestaan van een grotere hoogte of het uitbreiden van het bouwvlak. Specifieke gebruiksregels: In de specifieke gebruiksregels staat in aanvulling op de bestemmingsomschrijving expliciet beschreven wat wel of niet wordt toegestaan. Het gaat dan vaak om functies of activiteiten waarover onduidelijkheid kan bestaan. Ook hier kan onder voorwaarden van af worden geweken.
5.3
Bestemmingen
In het bestemmingsplan 'Hoofdstraat 212 Epe' komen de volgende bestemmingen voor: 5.3.1
Groen
In de bestemming ‘Groen’ zijn groenvoorzieningen toegestaan alsmede paden voor langzaam verkeer (wandel- en fietspaden) en een ontsluiting van het perceel. 5.3.2
Verkeer - Verblijfsgebied
De straten en parkeerplaatsen hebben de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen. Binnen de bestemming vallen fietspaden, voetgangersgebieden, pleinen, parkeerterreinen, wegen, alsmede groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 40 van 67
5.3.3
Wonen
De te realiseren gestapelde woningen hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. De woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De maximale bouwhoogte is de op de verbeelding aangegeven.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 41 van 67
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.
6.2
Exploitatie
De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) gaat ervan uit dat bij het bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld tenzij het kostenverhaal anders verzekerd is. De voor dit bouwplan en bestemmingsplan te maken kosten, waaronder eventuele tegemoetkoming in schade (inclusief planschade), zijn voor rekening van de betrokken initiatiefnemer. Met Woonstichting Triada zijn hierover bindende afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Om die reden maakt een exploitatieplan geen deel uit van dit bestemmingsplan.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 42 van 67
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Inleiding
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).
7.2
Participatie
Initiatiefnemer heeft op verschillende manieren omwonenden en belanghebbenden betrokken bij de voorbereiding van het bouwplan en het bestemmingsplan. Op 14 september 2022 is er een inloopbijeenkomst georganiseerd. In reactie op de gepresenteerde plannen zijn er naast vele postieve reacties, tevens verschillende negatieve reacties ontvangen. De negatieve reacties hadden met name betrekking op de hoogte van het gebouw, de groene aankleding en de ontsluiting. Gelet op deze reacties heeft Woonstichting Triada het ontwerp aangepast. Ondermeer is de bouwhoogte van het gebouw verlaagd, niet alleen van de hogere delen, maar ook van de lagere beuken. Daarnaast is de locatie van het parkeerterrein aangepast waardoor er een bredere groene zone aanwezig tussen het appartementengebouwen en de woonpercelen ten westen van het plangebied. Tevens is locatie van de ontsluiting van het parkeerterrein gewijzigd waardoor er niet langer sprake is van mogelijke inschijnende koplampen ter plaatse van de woningen aan de Glazenmaker. Naar aanleiding van de gewijzigde plannen is de initiatiefnemer bij verschillende omwonenden op gesprek geweest om te plannen nader toe te lichten. Daarnaast is er op 23 november 2023 opnieuw een informatiebijeenkomst georganiseerd waarbij de gewijzigde plannen zijn gepresenteerd.
In het aangepaste ontwerp is aan verschillende zorgen van omwonenden tegemoet gekomen, bij verschillende omwonenden blijven echter zorgen bestaan.
7.3
Overleg
Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is wordt het ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vaste overlegpartners. De reacties en de beantwoording daarvan zal in deze paragraaf worden opgenomen.
7.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van ................ gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 43 van 67
Bijlagen toelichting
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 44 van 67
Bijlage 1 Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 45 van 67
Bijlage 2
planstatus ontwerp
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 46 van 67
Bijlage 3
planstatus ontwerp
Akoestisch onderzoek
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 47 van 67
Bijlage 4
planstatus ontwerp
Verkennend natuuronderzoek
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 48 van 67
Bijlage 5
planstatus ontwerp
AERIUS-berekening
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 49 van 67
Bijlage 6
planstatus ontwerp
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 50 van 67
Regels
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 51 van 67
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 1.1
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Hoofdstraat 212 Epe van de gemeente Epe; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0232.EPE052Hoofdstr212-OBP1 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen. 1.3
plankaart:
de analoge en digitale verbeelding van de bestemming(en) bij dit bestemmingsplan; 1.4
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6
aan huis verbonden beroep:
een dienstverlenend beroep en/of ambachtelijk beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.9
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.10
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk,
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 52 van 67
1.11
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.12
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; 1.13
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.14
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel; 1.15
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.16
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.17
bijbehorend bouwwerk:
de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak; 1.18
dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.19
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen, aan personen die die goederen kopen en/of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel vallen geen afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten; 1.20
dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:
een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 53 van 67
1.21
dienstverlening:
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.22
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.23
gestapelde woning:
een woning in een gebouw, dat meerdere geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat. 1.24
hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht; 1.25
huishouden:
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren; 1.26
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak; 1.27 a. b. c. 1.28
peil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; het door of namens burgemeester en wethouders bepaalde peil; prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding; 1.29
seksinrichting:
het bedrijfsmatig - of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt - gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of in een vaartuig, verrichten van seksuele handelingen of het vertonen van erotisch-pornografische aard. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar, alsmede thuisprostitutie met een uitstraling naar buiten;
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 54 van 67
1.30
uitbouw:
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.31
voorgevel:
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.32
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 55 van 67
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: 2.1 a. b. c. d.
e.
f.
g.
h.
Gebouwen en bouwwerken de breedte van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren; de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; de bruto vloeroppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, gemeten over alle bevloerde verdiepingen van het bouwwerk, inclusief onderkeldering; de afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse
perceelsgrens: vanaf de buitenwerkse gevelvlakken dan wel, indien sprake is van overstekende daken met een overstekend gedeelte van meer dan 0,75 m, respectievelijk overstekken van meer dan 0,75 m, vanaf de buitenrand van het overstekende dak/de overstek, neerwaarts geprojecteerd, tot de kadastrale zijgrens van het perceel.
Bij het meten op de kaart wordt gemeten uit het hart van de op de kaart aangegeven lijn. 2.2
Ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 56 van 67
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 3.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
groenvoorzieningen en beplantingen; wandel- en fietspaden; speel en nutsvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen; ontsluiting van (woon)percelen.
met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. b. 3.3
de bouwhoogte bij speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 m; de bouwhoogte bij overige bouwwerken bedraagt maximaal 3 m. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g.
het straat- en bebouwingsbeeld; een goede woonsituatie; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; de externe veiligheid.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 57 van 67
Artikel 4 4.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wegen en straten, met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van bestemmingsverkeer; wandel- en fietspaden; ontsluiting van (woon)percelen; parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen.
met daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Gebouwen
Voor een gebouw gelden de volgende regels: a.
nutsvoorzieningen mogen worden gebouwd met een maximale goot- en nokhoogte van 3 m.
4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: b. c. 4.3
de bouwhoogte bedraagt bij lichtmasten maximaal 8,5 m; de bouwhoogte bedraagt bij overige bouwwerken maximaal 3 m; Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g.
het straat- en bebouwingsbeeld; een goede woonsituatie; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; de externe veiligheid.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 58 van 67
Artikel 5 5.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep;
met daarbij behorende: b. c. d. e.
gebouwen; gemeenschappelijke ruimten; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, tuinen, erven, paden, water, groen- en parkeervoorzieningen.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Hoofdgebouwen
Binnen deze bestemming mogen hoofdgebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. b. c. d.
een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'. het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.
5.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. b. 5.3
de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer dan 3 m bedragen; in overige gevallen mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 2 m bedragen. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g.
het straat- en bebouwingsbeeld; een goede woonsituatie; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid. de externe veiligheid;
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 59 van 67
5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1
Aan huis verbonden beroep
Een aan huis verbonden beroep is toegestaan, met dien verstande dat: a.
b. c. d. e.
ten hoogste 40% van de oppervlakte van de woning mag worden gebruikt ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep, met dien verstande dat nimmer meer dan 50 m² mag worden gebruikt ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep; de uitstraling als woning intact blijft; het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu; het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt; geen detailhandel is toegestaan.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 60 van 67
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 6
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 61 van 67
Artikel 7 7.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Onder een gebruik strijdig met alle bestemmingen wordt in ieder geval verstaan: a. b.
het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting; het gebruik van gronden voor de opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voertuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, vuil- en afvalstoffen, behoudens de opslag die geschiedt in het kader van het normale gebruik.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 62 van 67
Artikel 8 8.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijkingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a.
b.
c.
d. e.
f.
g.
h.
8.2
de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt voor de bouwhoogte; de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; de bestemmingsregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein mits de structuur van het plan niet wordt aangetast en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte wordt vergroot tot niet meer dan 10 m; de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m; de bestemmingsregels en worden toegestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door: 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen; 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; 3.
(hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden; het bepaalde over de afstand van uitbouwen tot aan de voorgevel en het verlengde daarvan voor het bouwen van (hoek)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1,50 m; het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen. Afwegingskader
Een in lid 8.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e. f. g.
het straat- en bebouwingsbeeld; een goede woonsituatie; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; de externe veiligheid.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 63 van 67
Artikel 9 9.1
Algemene procedureregels
Nadere eisen
Voor een besluit tot het stellen van een nadere eis geldt de volgende voorbereidingsprocedure: a. b. c. d.
een ontwerpbesluit ligt, met bijhorende stukken, gedurende twee weken ter inzage; de terinzagelegging wordt vooraf bekend gemaakt in één of meer dag-, nieuws of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze; de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden tot het naar voren brengen van zienswijzen gedurende de onder a genoemde termijn; burgemeester en wethouders delen aan hen die zienswijzen naar voren hebben gebracht de beslissing daaromtrent mede.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 64 van 67
Artikel 10 10.1
Overige regels
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 10.2
Parkeernormen
10.2.1
Parkeernormen
a.
b.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan pas worden verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode, nota parkeernormen 2018 gemeente Epe. indien gedurende de planperiode een nieuwe versie van de onder 10.2.1 a. bedoelde Nota parkeernormen wordt vastgesteld, wordt deze nieuwe versie in acht genomen.
Het aanleggen en / of instandhouden van voornoemde parkeergelegenheid geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. 10.2.2
Laden en lossen
Indien de bestemming van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen, moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, zijn verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen. Het aanleggen en / of instandhouden van voornoemde ruimte, met bijhorende voorzieningen, geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. 10.2.3
Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.1 en artikel 10.2.2 indien: a.
b.
het voldoen aan die bepalingen gezien het gebruik en/of het bouwplan van het betreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk is en/of op overwegende bezwaren stuit, en / of; op andere wijze of op een andere locatie wordt voorzien in de parkeerbehoefte.
10.2.4
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 10.2.1 en 10.2.2 ten behoeve van het verhogen van de parkeernormen en / of het aanleggen van voorzieningen voor het laden en lossen indien dat nodig is gelet op het gebruik en / of het bouwplan waarbij het (functioneren van) de omgeving mede betrokken wordt. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen. Een nadere eis kan tevens gesteld worden bij die (bouw)plannen waarvan de functie niet genoemd wordt in de tabel met parkeernormen zoals opgenomen in het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 65 van 67
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 11.1
Overgangsrecht
Bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a.
b.
c.
11.2
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan Gebruik
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. b.
c.
d.
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 66 van 67
Artikel 12
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Hoofdstraat 212 Epe'.
planstatus ontwerp
referentie EPE052Hoofdstr212 / 201950
pagina 67 van 67