CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

955272 Bijlage 4. Ecologische quickscan

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Bestemmingsplan Duisterestraat 1 Epe4.952 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

Duisterestraat 1, Epe

COLOFON OPDRACHT

Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming voor Duisterestraat 1 te Epe

OPDRACHTGEVER

OPDRACHTNEMER

Ds. J.A. Prins-Stichting Gagelstraat 12 8162VE Epe

LOO PLAN, voor bos, natuur en landschap Diepesteeg 4 6994 CD De Steeg tel.: 026 – 351 41 74 info@looplan.nl www.looplan.nl

Uw kenmerk

: Mail d.d. 18-02-2022

Contactpersoon

: de heer A. van den Hoorn

Ons kenmerk Datum

: 2022-101040-4622 : 2525 maart 2022

Contactpersoon Medewerking van

: Marko Sinke : Erika Loonen

© Loo Plan B.V. Dit rapport is vervaardigd op verzoek van en hiermee eigendom van de opdrachtgever. Loo Plan is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade voortvloeiende uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Loo Plan. De opdrachtgever vrijwaart Loo Plan voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

INHOUDSOPGAVE BEVINDINGEN 1 1.1 1.2

INLEIDING SCOPE KWALITEITSBORGING

2 3 5

2 2.1 2.2 2.3 2.4

WERKWIJZE LITERATUURSTUDIE (SOORTWAARNEMINGEN EN BIOTOOP) GEBIEDSBESCHERMING HOUTOPSTANDEN SOORTBESCHERMING

6 6 6 7 8

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

RESULTATEN HUIDIGE SITUATIE EN BIOTOOP GEBIEDSBESCHERMING HOUTOPSTANDEN OMGEVINGSCHECK SOORTBESCHERMING

9 9 9 10 10 11

4 4.1 4.2 4.3

EFFECTBEOORDELING EN CONCLUSIE GEBIEDSBESCHERMING HOUTOPSTANDEN SOORTBESCHERMING

14 14 14 14

ACHTERGRONDINFORMATIE

BIJLAGEN 1.

WETTELIJK KADER ALGEMEEN

2.

TOETSINGSCRITERIA QUICKSCAN

3.

FOTO’S

4.

BOUWJAREN PROJECTGEBOUWEN E.O.

5.

ENERGIELABELS PROJECTGEBOUWEN E.O.

6.

DETAILLERING VOORGENOMEN WERKZAAMHEDEN

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

Bevindingen Tabel 1: Beknopte conclusie. Onderdeel

Conclusie

Vervolgactie

Gebiedsbescherming

De voorgenomen werkzaamheden hebben

Raadpleeg een deskundige op het gebied van

mogelijk invloed op gebiedsbescherming door

vergunningsplicht bij stikstofuitstoot om te

stikstofdepositie.

bepalen welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.

Onder de nieuwe Wet Stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) geldt mogelijk een vrijstelling voor de tijdelijke stikstofdepositie van de geplande werkzaamheden. Voor de gebruiksfase van het project is het echter mogelijk dat er wel een AERIUSberekening noodzakelijk is om de effecten van stikstofdepositie vast te stellen. Overige negatieve effecten door bijvoorbeeld licht, geluid of trillingen zijn uitgesloten. Houtopstanden

Er is geen sprake van houtopstanden binnen de

Geen.

Wet natuurbescherming. Wél is mogelijk een gemeentelijke kapvergunning nodig indien bomen gekapt worden. Beschermde soorten

In het gebied zijn verschillende beschermde

Nader soortenonderzoek naar vleermuizen,

soorten aangetroffen of kunnen niet worden

kleine marterachtigen, das, vliegend hert en

uitgesloten.

hazelworm, eekhoorn, roofvogels; eekhoorn.

Dit zijn: 1. Gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis). 2. Boombewonende vleermuizen (rosse vleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis) 3. Kleine marterachtigen (boommarter, steenmarter, wezel, hermelijn) 4. Vliegend hert 5. Hazelworm 6. Roofvogels op horsten: Buizerd, havik, ransuil of sperwer 7. Eekhoorn Voorwaarden

Afhankelijk van het tijdstip waarop de

Geen verstorende werkzaamheden uitvoeren

werkzaamheden worden uitgevoerd, moet

tijdens het broedseizoen (indicatief van maart

rekening gehouden worden met broedende

tot half augustus).

vogels.

Bij werkzaamheden binnen het broedseizoen moet voorafgaand een controle op broedvogels uitgevoerd worden door een ecoloog. Of Potentiële nestplaatsen moeten vóór het broedseizoen ongeschikt worden gemaakt.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

1

2

Inleiding

De Ds. J.A. Prins-Stichting is voornemens het gebouw op hun terrein aan de Duisterestraat te Epe te slopen en nieuwbouw te plegen. (zie figuur 1). Een van de aspecten waarop de voorgenomen werkzaamheden getoetst moet worden is de Wet natuurbescherming; soortbescherming (bijlage 1). Deze toetsing moet inzicht geven op de vraag of de geplande werkzaamheden uitvoerbaar zijn in het licht van deze wetgeving, en heeft de vorm van een quickscan. De aard van de werkzaamheden (en kennis hiervan) is hierbij essentieel. Mogelijke effecten die op kunnen treden zijn: ➢ Verstoring door aanwezigheid van mensen en (groot) materieel. ➢ Verstoring door geluid, licht en trillingen. ➢ Tijdelijk ongeschikt worden van leefgebied (door aanleg werkstroken, materiaalopslag e.d.). ➢ Doden of verwonden van individuen van een populatie. ➢ Verdwijnen van nestgelegenheid. ➢ Verlies van leefgebied (verblijfplaatsen, foerageergebied en essentiële verbindingszones) door verandering van grondgebruik. In de nu voorliggende rapportage zijn de resultaten van de uitgevoerde quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming opgenomen. Op basis van een bureaustudie en een veldbezoek door een ecoloog is de (kans op) aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten onderzocht. Aan de hand van de resultaten van de quickscan wordt getoetst welke effecten de geplande werkzaamheden op de beschermde soorten kunnen hebben.

Wanneer geen beschermde soorten aanwezig zijn (of verwacht worden), kan het project zonder aanvullende maatregelen doorgang vinden. Als het op basis van de quickscan aannemelijk is dat beschermde soorten aanwezig kunnen zijn én dat de voorgenomen werkzaamheden deze zouden kunnen beïnvloeden, zijn vervolgstappen nodig. In tabel 1 is de conclusie beknopt weergegeven. Achtergronden en details zijn opgenomen in de bijlagen.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

1.1

3

Scope

De quickscan Wet natuurbescherming moet antwoord geven op de onderstaande vragen. ➢ Wat is de kans op aanwezigheid van beschermde flora en fauna? ➢ Welke vervolgstappen (nader onderzoek) moeten genomen worden om de aanwezigheid van de beschermde flora en fauna vast te stellen? ➢ Welke effecten heeft het initiatief op de (potentieel) aanwezige beschermde flora en fauna? ➢ Is een ontheffing op het soortbeschermingsdeel vanuit de Wet natuurbescherming noodzakelijk, of kunnen negatieve effecten ondervangen worden door het werken met goedgekeurde gedragscodes? ➢ Zijn er negatieve effecten in het kader van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN)) te verwachten bij dit initiatief? ➢ Is de regelgeving Houtopstanden van de Wet natuurbescherming van toepassing?

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

Opdrachtgever

Ds. J.A. Prins-Stichting

Onderzoekslocatie

Duisterestraat 1

Plaats

Epe

Voorgenomen activiteit

Sloop en nieuwbouw

Bijzonderheden

Figuur 1: Ligging onderzoeksgebied in de regio en ten opzichte van beschermde natuurgebieden.

4

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

1.2

5

Kwaliteitsborging

Loo Plan is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Quickscans worden uitgevoerd door ecologen en getoetst door een ervaren ecoloog. Een quickscan is niet aan een bepaald seizoen gebonden en kan gedurende het gehele jaar plaatsvinden. Door te letten op habitatkenmerken en abiotische condities kan, ook voor soorten die op dat moment niet aanwezig zijn doordat zij bijvoorbeeld nachtactief zijn of zich in hun winterhabitat bevinden, worden vastgesteld of het plangebied een potentiële functie heeft. Voor een quickscan geldt geen vaste werkwijze; bij het onderzoek wordt, waar mogelijk, aangesloten op de geldende protocollen en Kennisdocumenten. De bij het onderzoek betrokken personen (tabel 2) zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen verrichte werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Loo Plan. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Loo Plan is ISO 9001:2015 gecertificeerd. Tabel 2: Bij onderzoek betrokken personen. Datum quickscan

1-3-2022

Ecoloog

E.E. Loonen BSc

Opleiding

Bos- en natuurbeheer Hogeschool Van Hall Larenstein Afstudeerrichting: Toegepaste ecologie

Functie

Ecoloog Specifieke kennis op gebied van kleine zoogdieren

Interne collegiale toetsing

24-3-2022

rapportage

Ing. C.A. Sinke, senior projectleider ecologie

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

2

Werkwijze

2.1

Literatuurstudie (soortwaarnemingen en biotoop)

6

De mogelijkheden voor beschermde soorten lopen per locatie en per aanwezig biotoop sterk uiteen. Specifieke kennis van de beschermde soorten en hun habitateisen is daarom essentieel. Tijdens een quickscan wordt de geschiktheid van een plangebied zowel vanuit de biotoop als vanuit de beschermde soort beoordeeld op basis van beschikbare literatuur en kaartmateriaal. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) wordt geraadpleegd om een beeld te krijgen van de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in de directe omgeving van het plangebied (lit. 1).

2.2

Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden valt onder de Wet natuurbescherming. Met betrekking tot de Natura 2000-gebieden zijn de wettelijke verplichtingen om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor habitatten en soorten beschreven in de Natura 2000-beheerplannen. Via de Nota Ruimte is het toetsingskader voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geregeld. De ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland is in figuur 1 weergegeven. Er wordt een inschatting gemaakt of de voorgenomen ingreep mogelijk een negatief effect kan hebben op de beschermde natuurwaarden. Voor deze bepaling wordt de effectenindicator geraadpleegd (lit. 2). In of nabij de Natura 2000-gebieden wordt gekeken of er mogelijk effecten te verwachten zijn en dus de noodzaak voor een ‘voortoets’ bestaat. Voor de gronden in of nabij het Natuurnetwerk Gelders Natuurnetwerk wordt beoordeeld of de voorgenomen werkzaamheden invloed hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken. Voor plannen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland moet het ‘nee, tenzij …’-toetsingskader doorlopen worden.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

2.3

7

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden is opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De bescherming van houtopstanden geldt in principe overal buiten de bebouwde kom Boswet. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken die een oppervlakte van 10 are of meer bevatten. Tevens valt rijbeplanting van meer dan 20 bomen onder houtopstanden. Buiten bescherming houtopstanden vallen bomen die benoemd zijn in artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, te weten: • Houtopstanden binnen de bebouwde kom. • Houtopstanden op erven of in tuinen. • Fruitbomen en windschermen om boomgaarden. • Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen (niet ouder dan 20 jaar). • Kweekgoed. • Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit populieren of wilgen. • Het dunnen van een houtopstand. • Populieren, wilgen, essen of elzen bedoeld voor productie indien zij ten minste elke 10 jaar worden geoogst, bestaan uit minstens tienduizend stoven per ha per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter en zijn aangelegd na 1 januari 2013. Ingevolge artikel 4.2 is het verboden een houtopstand deels of geheel te vellen zonder hiervan een melding te maken bij Gedeputeerde Staten.

Voor griend- of hakhout is dit niet van toepassing. Binnen 3 jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Afhankelijk van de geplande werkzaamheden wordt door de ecoloog bepaald of een kapmelding van toepassing is.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

2.4

8

Soortbescherming

Omgang met artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming wordt tijdens een quickscan inzichtelijk gemaakt. Het gaat hierbij om: 1. Soorten van de Vogelrichtlijn. Artikel 3.1. 2. Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn. Artikel 3.5. 3. Overige beschermde soorten. Artikel 3.10 Op basis van één veldbezoek door een ecoloog wordt de (kans op) aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten onderzocht. Dit gebeurt aan de hand van de terreingesteldheid, een brede ecologische kennis en bekende literatuurgegevens. In bijlage 2 zijn de belangrijkste toetsingscriteria opgenomen waarop de geschiktheid van het terrein wordt beoordeeld. Gebouwen worden aan de buitenzijde en van binnen beoordeeld op hun geschiktheid. In het veld wordt ook gekeken naar de samenhang van het project met de omgeving. Zo wordt bepaald of de betreffende locatie onderdeel van een groter (landschappelijk) geheel is, of dat het geïsoleerd ligt, bijvoorbeeld een klein bosje in een intensief agrarische omgeving. Dit kan van betekenis zijn voor de waardetoekenning van het onderzoeksgebied voor eventueel aanwezige beschermde soorten. Binnen de opdracht wordt niet onderzocht of er andere initiatieven in de omgeving spelen en wordt niet getoetst op cumulatie van effecten.

9

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

3

Resultaten

3.1

Huidige situatie en biotoop

Het projectgebied ligt bestaat uit een te slopen gebouw van ca. 1600 m2 en het omliggende terrein van een hectare groot. Het terrein is gelegen in een bosrijke wijk in de bebouwde kom van Epe. Tabel 3: Huidige situatie. Algemeen

Voormalig bejaardenhuis

Voorgenomen activiteit

Sloop en nieuwbouw

Omgeving

stedelijk bebouwde omgeving in een bosrijke omgeving

Bijzonderheden

-

Het terrein bestaat voor het grootste deel uit en kort gemaaid grasveld wat voor een deel omgewroet is door wilde zwijnen. Aan de rand van het terrein staan bomen en bosschages met, onder andere, hulst, taxus, douglas, beuk, braam en takkenhopen/-rillen. Andere beplanting bestaat uit rozenstruiken en andere besdragende struiken. Enkele bomen hebben holtes en loshangend schors die geschikt zijn voor vleermuizen of spechtengaten. Tenminste twee bomen hebben rottingen aan de onderstam. Tabel 4: Aanwezige biotopen. Biotoop

Aanwezig

Detail

Gebouwen

Ja

Gebouwen uit 1950 Pangedekt, zonder spouwmuur

Water

Nee

-

Beplanting houtachtig

Ja

Beplanting op het terrein met boomgroepjes

8, 10

Tuin/erf

Ja

-

2, 8, 10

Agrarisch gebied

Nee

3.2

Foto 1, 2

3, 4

Gebiedsbescherming

Het projectgebied ligt op 0.7 kilometer afstand (tabel 5) van Natura 2000-gebied de Veluwe en op 0.5 kilometer afstand van gebieden aangewezen binnen het Gelders Natuurnetwerk. Negatieve effecten van verstoring door bijvoorbeeld trillingen, licht of geluid zijn, gezien de afstand en het omliggende stedelijke gebied, op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten zonder een AERIUSberekening. Natura 2000-giebied de Veluwe bevat habitattypen die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Dit zijn onder andere; Stuifzanden met struikheide, Binnenlandse kraaiheibegroeiing, zandverstuivingen, zwakgebufferde vennen, zure vennen, vochtige heide, droge heide en oude eikenbossen.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

10

Tabel 5: Afstand projectgebied tot beschermde gebieden. Beschermde gebieden

Afstand

Effect

Vervolg

Natura 2000-gebied Veluwe

0.7 km

Mogelijk

Raadpleeg een deskundige op het gebied van vergunningsplicht bij stikstofuitstoot om te bepalen welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.

Natuurnetwerk Nederland

0.5 km

3.3

Geen

Geen toetsing aan het betreffende regime.

Houtopstanden

De beplanting in het gebied voldoet niet aan de eisen vanuit de Wet natuurbescherming, houtopstanden. Binnen de Gemeen te Epe is het kappen van bomen in bosrijke wijken echter wel vergunningplichtig (omgevingsvergunning).

3.4

Omgevingscheck

Het studiegebied ligt in de bebouwde kom van de gemeente Epe. Uit de omgevingscheck blijkt dat veel woningen in de directe omgeving in ongeveer dezelfde periode zijn gebouwd (bijlage 4). In grote lijnen geldt dat woningen die in een vergelijkbare periode zijn gebouwd dezelfde opbouw hebben (bijvoorbeeld spouwmuur) en materiaaltoepassing (baksteen, pangedekt). Hierdoor is er vaak een grote overeenkomst in de vestigingsmogelijkheden voor beschermde soorten. Over het algemeen geldt dat woningen gebouwd tussen 1920 en 1975 een niet-geïsoleerde spouwmuur hebben, die geschikt is voor vleermuisverblijfplaatsen. Woningen na 1975 hebben over het algemeen een geïsoleerde spouwmuur. Het projectpand stamt uit bouwjaar 1950, maar heeft desondanks geen spouw. Het projectpand heeft, net zoals veel gebouwen in de omgeving, geen energielabel. De overige woningen hebben gemiddeld een energielabel D, zijn gebouwd in de jaren 70. Vanwege het lage energielabel van deze woningen is het waarschijnlijk dat deze een ongeïsoleerde spouwmuur hebben en lijken dan ook voor vleermuizen aantrekkelijker dan het projectgebouw.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

3.5

11

Soortbescherming

De resultaten geven een overzicht van de aangetroffen soorten en de mogelijk aanwezige soorten in het gebied. De gegevens zijn zowel gebaseerd op literatuur als waarnemingen tijdens het veldbezoek. Hierna wordt per soortgroep enkel gekeken naar soorten die strikt beschermd zijn en niet naar de soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Als een biotoop niet geschikt is, wordt geen toelichting gegeven. Gedacht kan worden aan: geen water aanwezig in plangebied, dan is het evident dat de biotoop ongeschikt is voor vissen. Vanwege de strikte bescherming van alle soorten vleermuizen, en het verschil in handelen tussen nesten en jaarrond beschermde nesten van vogels, zijn deze groepen apart onderscheiden. VOGELS ALGEMEEN

In een bosrijke omgeving met bebouwing zijn vele algemene vogelsoorten te verwachten. Nestgelegenheden bevinden zich op het terrein voornamelijk rondom de bebouwing, in struiken, hagen, bomen en houtwallen. Tijdens het veldbezoek zijn op het gebouw poepsporen aangetroffen die wijzen op slaapplaatsen van, waarschijnlijk, boomkruiper.

VOGELS (JAARROND BESCHERMDE NESTEN)

In de bebouwde kom zijn twee vogelsoorten te verwachten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: de huismus en de gierzwaluw. De huismus is een soort die broedt in door mensen gecreëerde habitatten. Deze (semi)koloniebroeder broedt vaak in overstekken van woningen en gebouwen, onder dakpannen, maar natuurlijk ook in geschikte nestkasten. Gierzwaluwen broeden in door mensen gecreëerde habitatten. In Nederland wordt deze (semi)koloniebroeder vooral onder pannendaken en in overstekken aangetroffen. In verband met het uitvliegen (de vogels laten zich naar beneden vallen) oefenen huizen met steile daken of hoekwoningen met blinde muren een grote aantrekkingskracht op de soort uit. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen. Het gebouw is voorzien van vogelschroot en de kantpannen (foto 2) liggen in cement. Hierdoor zijn er voor zowel huismus als gierzwaluw geen geschikte nestlocaties aanwezig. Tijdens het veldbezoek is een groot takkennest (horst) aangetroffen in een lariks (foto 18 en 19). Deze kan wijzen op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van bijvoorbeeld buizerd, havik, sperwer of ransuil. Er zijn waarnemingen bekend van deze soorten in de buurt van het plangebied. Daarnaast is het terrein geschikt voor vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is wanneer er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden.

Dit zijn de: bonte vliegenvanger,

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

12

boomklever, boomkruiper, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop koolmees, pimpelmees, kleine bonte specht, grote bonte specht, zwarte mees en zwarte roodstaart. Van de genoemde soorten is de staat van instandhouding als zeer ongunstig beoordeeld voor de ekster. Eksters maken grote bolvormige nesten in bomen. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen eksternesten aangetroffen waardoor negatieve effecten op de soort uitgesloten kunnen worden. Voor de gekraagde roodstaart, glanskop en zwarte mees is de staat van instandhouding als matig ongunstig beoordeeld. De bosrijke omgeving rond het plangebied biedt voldoende alternatieven om negatieve effecten op deze soorten uit te kunnen sluiten. Voor de overige vogelsoorten is de staat van instandhouding beoordeeld als gunstig. Ook voor deze soorten geldt dat er in de bosrijke omgeving van het plangebied voldoende alternatieven zijn. ZOOGDIEREN

Uit de NDFF zijn waarnemingen bekend kleine marterachtigen zoals wezel, hermelijn, boommarter en steenmarter. Deze soorten kunnen gebruik maken van takkenhopen of takkenrillen. De boommarter heeft daarnaast verblijfplaatsen in boomholtes zoals spechtengaten. Langs de Duisterestraat en de Burg. Van Walsemlaan liggen takkenrillen en – hopen (foto 8). De aanwezigheid van deze kleine marterachtigen van daardoor niet uitgesloten worden. Daarnaast zijn er dassen nabij het plangebied bekend. Tijdens het veldbezoek zijn geen burchten of mestputjes aangetroffen, omdat het grasveld tevens omgewoeld is door wilde zwijnen kunnen sporen als mest/neusputjes gemist zijn. Verblijfplaatsen van de das op de planlocatie zijn uitgesloten vanwege de afwezigheid van burchten, maar de planlocatie vormt mogelijk wel (onder)deel van hun foerageergebied. Ook komt de eekhoorn voor in de buurt van het plangebied. De eekhoorn maakt nesten in bomen van oude, dichtbegroeide bossen of tuinen met veel boomopstand. Ze leven van zaden zoals eikels, noten en dennenappels (lit. 11 en 13). Eekhoorns zoeken in de directe omgeving van hun nesten naar voedsel, elk in hun eigen territoria waarbij de slaapnesten worden verdedigd. Soms kunnen meerdere nesten van een individu binnen één territorium aanwezig zijn, die afwisselend gebruikt worden.

Nesten worden gebouwd van takken met mos en zijn bolvormig (voortplantingsnest) of platter (slaap-/speelnest). Ook kan er gebruik gemaakt worden van boomholtes. Tijdens het veldbezoek is een groot nest in een boom aangetroffen welke zou kunnen dienen als slaap-/speelnest (foto 17 en 18). Daarnaast zijn er holten in bomen aanwezig welke geschikt zijn.

VLEERMUIZEN

In dorpen en steden komen enkele algemene vleermuissoorten voor, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

13

De verblijfplaatsen hiervan zijn beschermd. Met name de gewone dwergvleermuis komt veel voor in gebouwen in steden en dorpen en heeft aan weinig ruimte voldoende. In bosrijke omgeving kunnen echter ook andere, boombewonende, vleermuissoorten verwacht worden, verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in boomholtes of achter loshangend schors. In de NDFF zijn waarnemingen bekend van gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en franjestaart. Op basis van de biotoopkenmerken (lit. 16) zijn verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart en watervleermuis niet uit te sluiten. Bij de voorbereiding van het Vleermuisprotocol 2017 is door Korsten, Bouman en Tuitert (lit. 15) een notitie opgesteld over (massa)winterverblijfplaatsen. Op basis van deze notitie wordt deze verblijfsfunctie verwacht bij steenachtige gebouwen met een groot volume en vaak afwijkend van de omgeving. Bijvoorbeeld een flat van vijf hoog in een gebied met laagbouwwoningen, maar ook een forse boerderij in het landelijk gebied. Het gebouw in het studiegebied voldoet hier niet aan. Het betreft hier een spouwloos gebouw. REPTIELEN

In de NDFF zijn waarnemingen van hazelworm uit de buurt van het plangebied bekend. De hazelworm heeft de voorkeur voor gebieden met dichte vegetatie, open bossen, bosranden en houtwallen met dood hout. Het projectgebied bevat dergelijke bosranden houtwallen en dood hout en vormt daardoor geschikt habitat voor de hazelworm.

INSECTEN

In de NDFF zijn waarnemingen bekend van vliegend hert in de omgeving van het plangebied. Deze keversoort is in het larvenstadium afhankelijk van dood loofhout dat aangetast is door witrot (zachtrot), de larve heeft een ontwikkelingsduur van ongeveer 3-4 jaar. Tijdens het veldbezoek zijn er meerdere bomen met rottingsverschijnselen en boomstobben aangetroffen (foto 13 t/m 17). Bij de meeste boomstobben betrof het naaldhout (douglas) welke niet geschikt zijn voor vliegend hert. Bij tenminste drie stobben was de boomsoort niet meer te herleiden en er is tenminste één boom aangetroffen met witrot aan de stam. Stammen met witrot zijn geschikt voor het vliegend hert.

OVERIGE SOORTEN

Andere beschermde soorten worden niet verwacht.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

4

Effectbeoordeling en conclusie

4.1

Gebiedsbescherming

14

Het projectgebied ligt op 0.7 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe (tabel 5). Effecten zoals trillingen, licht en geluid zijn op voorhand uitgesloten, maar een mogelijk effect door stikstofdepositie is niet uit te sluiten. Voor wat betreft de handelswijze omtrent extra stikstofdepositie is per 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking gegaan (lit. 17). In deze wet is een vrijstelling opgenomen voor de stikstofdepositie in de aanleg- en bouwfase in de bouwsector, omdat dit slechts tijdelijke (eenmalige) stikstofdepositie betreft. Voor de gebruiksfase van het project is mogelijk nog wel een AERIUS-berekening noodzakelijk. Er wordt geadviseerd om contact op te nemen met een specialist om te achterhalen of de bouwfase van het project binnen de huidige vrijstelling valt en of een AERIUS-berekening noodzakelijk is voor de gebruiksfase. Aangeraden wordt om te informeren naar de mogelijkheden om gebruik te maken van een vrijstelling en de noodzaak van een AERIUS-berekening. Er zijn geen effecten van de werkzaamheden op de natuurwaarden van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour.

4.2

Houtopstanden

In het projectgebied zijn geen bomen aanwezig die voldoen aan de definitie van ‘houtopstanden’. Toetsing aan de verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden is niet aan de orde. Wel is er in de gemeente Epe een kapvergunning nodig voor bomen in bosrijke wijken. Het onderzoeksgebied valt binnen de begrenzing van deze bosrijke wijken (lit. 18). Indien er bomen worden gekapt, is mogelijk een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.

4.3

Soortbescherming

De geplande sloop van het gebouw heeft mogelijk effect op gebouwbewonende vleermuizen; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Er wordt geadviseerd onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen conform het vleermuisprotocol 2021. Het bouwrijp maken voor de geplande nieuwbouw heeft mogelijk effect op beschermde rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, kleine marterachtigen, hazelworm, vliegend hert, roofvogels of eekhoorn (§3.5).

15

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

Er wordt geadviseerd onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Onderzoek naar de aanwezigheid van het vliegend hert kan komen te vervallen als alle aanwezige stobben van eik worden gehandhaafd met in achtneming van een beschermingszone van 2 meter. Onderzoek naar de eekhoorn kan komen te vervallen als alle bomen worden gehandhaafd of de bomen die worden verwijderd zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten vlak voor het moment van vellen. Op het terrein kunnen algemene broedvogels broeden. Nesten van broedende vogels mogen niet verstoord worden. Er wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten potentiële nestplaatsen voor het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden óf moet voor aanvang van de werkzaamheden een controle uitgevoerd worden door een ecoloog. Tabel 6: Beoordeling soortbescherming. Soortgroep

Biotoop

Beschermde soort

geschikt

aanwezig

Planten

Ja

Nee

Nee

Vogels - algemeen

Ja

Mogelijk

Nee1

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Zoogdieren

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Vleermuizen

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Reptielen

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Insecten

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Overige soorten

Nee

Nee

Nee

1

Effect op soort

Mits werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Deze soorten zijn

buiten het broedseizoen niet beschermd.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

16

ACHTERGRONDINFORMATIE 1. 2.

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.

12.

13. 14. 15. 16. 17.

18.

Nationale Databank Flora en Fauna Geraadpleegd op 28-2-2022 Effectenindicator https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?su bj=effectenmatrix&tab=1 Geraadpleegd op 18-2-2022 Verspreiding & trends broedgevallen spreeuw https://www.sovon.nl/nl/soort/15820 Gegevensautoriteit Natuur (GaN) in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en de Zoogdiervereniging Vleermuisprotocol BIJ12, juli 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0 BIJ12, juli 2017, Kennisdocument ruige dwergvleermuis, Pipistrellus nathusii, versie 1.0 BIJ12, juli 2017, Kennisdocument gewone grootoorvleermuis, Plecotus auritus, versie 1.0 BIJ12, juli 2017, Kennisdocument rosse vleermuis, Nyctalus noctula, versie 1.0 BIJ12, juli 2017, Kennisdocument huismus, Passer domesticus, versie 1.0 BIJ12, juli 2017, Kennisdocument gierzwaluw, Apus apus, versie 1.0 Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997 Atlas van de Nederlandse vleermuizen Onderzoek naar verspreiding en ecologie KNNV Uitgeverij Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys, 2016 Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12 KNNV Uitgeverij Diepenbeek, A. van & P. Twisk, 2014 Veldgids Europese Zoogdieren KNNV-Uitgeverij Dietz, C., O. von Helversen en D.

Hill, april 2011 Vleermuizen - Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika Tirion-Natuur Korsten, Bouman en Tuitert (Massa)winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen : discussiestuk Vleermuisprotocol 2017 Limpens, H, J. Regelink en R. Koelman, 2010 Cursusmap Vleermuizen en planologie Eliasberg, F., 7 juli 2021 Partiële vrijstelling voor bouw (stikstof) niet geheel risicovrij Omgevingsweb https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/partielevrijstelling-voor-bouw-stikstof-niet-geheel-risicovrij/ Bosrijke Wijken, dorpskom Epe https://www.epe.nl/document.php?m=8&fileid=49333&f=0fcbc003e b76b13c5f8fdd5f6edbfd72&attachment=0&c=34540 Geraadpleegd op 28-2-2022

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

19.

17

J.T. Smit, 2021 Beoordelingskader doelrealisatie instandhoudingsdoelstelling van het vliegend hert in natura 2000-gebied Veluwe

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

BIJLAGEN

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

1.

Wettelijk kader algemeen

De bescherming van inheemse (van nature in Nederland voorkomende) in het wild levende plantenen diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet en de Boswet. Doelstelling van de Wet natuurbescherming is de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten en dieren te waarborgen. De wet gaat uit van het ‘nee, tenzij …’-principe. Beschermen staat voorop en ingrijpen is een uitzondering. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingscategorieën: • Soorten van de Europese Vogelrichtlijn. • Soorten van de Europese Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. • Nationaal beschermde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt de zorgplicht. Toetsing van projecten bij ruimtelijke ingrepen vindt plaats volgens het stroomschema op de volgende pagina. Een vrijstelling van de ontheffingsplicht (stap 3 in het stroomschema) kan van toepassing zijn mits gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes zijn geldig in het kader van bestendig beheer en onderhoud dat geen wezenlijke invloed heeft op beschermde soorten.

In het geval van ruimtelijke ingrepen kan voor matig soorten, indien de werkzaamheden niet conform een goedgekeurde gedragscode worden uitgevoerd, een ontheffing aangevraagd worden als de activiteit de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar brengt. De activiteit dient een in de wet gedefinieerd belang te dienen.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

Stappenplan soortenbescherming (uit Brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken)

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

2.

Toetsingscriteria quickscan

Zowel voor beschermde planten als voor beschermde dieren zijn hieronder de belangrijkste toetsingscriteria opgenomen waarop de geschiktheid van het terrein (biotoop) wordt beoordeeld. De lijst is niet uitputtend; dit betekent dat de waarnemer te allen tijde kritisch blijft kijken naar de potenties, omgeving en mogelijkheden van de locatie. 1. Groeiplaatsen van beschermde plantensoorten

• • • •

Voedselrijkdom Bijzonder biotoop aanwezig (bijvoorbeeld heide, vennen) Landgebruik (intensief, erf, tuin, bos) Mogelijk dat soort is aangeplant

2. Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten

• • • • • • • • • •

Nesten Soort biotoop Aanwezigheid water Voedselrijkdom biotoop Landgebruik (extensief, verwaarloosd, erf, tuin) Holten, spleten, scheuren in bomen Sporen, zowel wissels als uitwerpselen en prooiresten Specifieke indicatiesoorten (bijvoorbeeld zoetwatermossel voor bittervoorn) Verstoringsbronnen in de omgeving (licht, geluid, barrières) Geschiktheid gebouwen • Gebruik (leegstaand, continue in gebruik, seizoensgebonden) • Type dakbedekking (pangedekt, ruimte bij daktrim platte daken etc.) • Materiaalgebruik (isolatie, hout, metaal) • Bouwwijze (spouwmuur, enkelsteens, open stootvoegen) • Onderhoudstoestand (nieuwbouw, verwaarloosd, gerenoveerd) • Afwerking/toegankelijkheid (o.a. scheuren / stootvoegen / ventilatieroosters) • Aanwezigheid en type zonneschermen • Aanwezigheid en onderhoudsstaat van vogelschroot / gootdrains / dakramen / dakkapellen / kilgoten / loodslabben en dergelijke

Ook andere delen van het leefgebied die onlosmakelijk met het functioneren van de nest-/verblijfplaats verbonden zijn: • Essentieel foerageergebied • Vliegroutes/verbindingszones • Landhabitat van amfibieën

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

3.

Foto’s

1 Het te slopen gebouw.

2 Éen van de zijgevels, de vogelschroot is zichtbaar (met de verrekijker).

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

3 Zolder, deels in gebruik als opslag en een beschoten dak.

4 (Ongebruikte) zolder met cv-ketel en isolatiemateriaal op de vloer (onbevloerd).

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

5 Isolatie tussen dakbeschot op gebruikte zolder.

6 Gat in bakgoot, mogelijkheid voor vleermuizen.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

7 Ruimte achter loodslab, een potentiele verblijfplaats voor vleermuizen.

8 Takkenhoop met op de voorgrond wroetsporen van wilde zwijnen.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

9 Spechtengaten in bomen.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

10 Boomgroepje met douglas en beuk.

11 Wroetsporen van wild zwijn.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

12 Holte in stobbe, geschikt voor hazelworm of kleine marterachtigen.

13 Holte in boom.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

14 Ingerotte boomstobbe (douglas), geschikt voor hazelworm.

15 Boomstobben.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

16 Boomstobbe.

17 Rot in boom.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

18 Groot nest in boom, mogelijk in gebruik door eekhoorn of roofvogel.

19 Groot nest in boom, mogelijk in gebruik door eekhoorn of roofvogel.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

4.

Bouwjaren projectgebouwen e.o.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

5.

Energielabels projectgebouwen e.o.

BIJLAGEN QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING

6.

Detaillering voorgenomen werkzaamheden

Diepesteeg 4 6994 CD De Steeg

telefoon 026 3514174

info@looplan.nl

www.looplan.nl

KvK 61001015

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13978288/1