921577 Nota strategische ontwerpkeuzes omgevingsplan
Tekst van het document
Nota strategische ontwerpkeuzes omgevingsplan December 2023
Inleiding Aanleiding In 2022 heeft het college de Rapportage implementatie Omgevingswet 2018 – (februari) 2022 vastgesteld en is de gemeenteraad hierover geïnformeerd. In deze rapportage is onder meer een aanzet gedaan voor een aantal strategische keuzes rondom het omgevingsplan en is aangegeven dat op een later moment concrete keuzes worden uitgewerkt. Met de voorliggende ‘strategische ontwerpkeuzes omgevingsplan’ geven we verder invulling aan een aantal strategische keuzes voor het omgevingsplan.
Doel Onder de Omgevingswet beschikt de gemeente over veel ruimte om naar eigen inzicht, binnen de kaders van de Omgevingswet, het omgevingsplan op te stellen. De ontwerpkeuzes die de gemeente daarbij maakt, hebben een weerslag op initiatiefnemers, inwoners en ondernemers, de financiën van de gemeente en ambtelijke organisatie. Daarom is het van belang om op voorhand strategische ontwerpkeuzes te maken, waarin de kaders worden bepaald voor wijzigingen van het omgevingsplan. Deze strategische ontwerpkeuzes bieden handvatten om het omgevingsplan verder consistent te kunnen wijzigen.
Leeswijzer Voor een goede leesbaarheid van voorliggend stuk wordt eerst kort ingegaan op een aantal belangrijke aspecten van het omgevingsplan. Daarna wordt de relatie van het omgevingsplan met de omgevingsvisie en de programma's uitgelegd. Vervolgens worden de gemaakte strategische ontwerpkeuzes uiteengezet. Eerst wordt de achtergrondinformatie ten aanzien van de keuzes gegeven met daarbij de aanzet die in de Rapportage implementatie Omgevingswet is gedaan. Hierna volgt de gemaakte keuze voorzien van een toelichting.
Het omgevingsplan in het kort Met inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente voor het gehele grondgebied één omgevingsplan. Het omgevingsplan omvat alle regels over de fysieke leefomgeving: alles wat je om je heen ziet, ruikt, voelt en hoort. Dus niet alleen wat je waar mag bouwen en waarvoor je gronden mag gebruiken, maar ook zaken als geur, geluidsoverlast, bomenkap en gezondheid worden in het omgevingsplan geregeld. Binnen het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is breder dan het criterium van een goede ruimtelijke ordening binnen de bestemmingsplannen en daarom kunnen er meer aspecten worden meegenomen in het omgevingsplan. Per 1 januari heeft iedere gemeente het zogeheten omgevingsplan van rechtswege, ofwel tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit omgevingsplan voldoet nog niet aan de eisen die de Omgevingswet aan het omgevingsplan stelt. Het tijdelijke deel bestaat uit alle ruimtelijke regels van vervallen instrumenten zoals bestemmingsplannen en regels over activiteiten die van de rijksoverheid overgeheveld zijn naar de gemeente (de bruidsschat). Het nieuwe deel van het omgevingsplan is in eerste instantie nog leeg. Tot 1 januari 2032 heeft de gemeente de tijd om het tijdelijke deel om te zetten naar het nieuwe deel om zo te komen tot een volwaardig omgevingsplan.
Ook moeten in het nieuwe deel de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving worden opgenomen.
2
Wijzigen van het omgevingsplan Om tot het volwaardig omgevingsplan te komen dat aan alle vereisten van de Omgevingswet voldoet of om bijvoorbeeld nieuwe ruimtelijke initiatieven in het omgevingsplan te verankeren, dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. De raad stelt dus niet steeds nieuwe omgevingsplannen vast, zoals bij bestemmingplannen het geval is. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt bij iedere wijziging kleiner en landt, samen met de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving uiteindelijk in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Na 1 januari zijn er meerdere aanleidingen om het omgevingsplan te wijzigen: - het mogelijk maken van ruimtelijke initiatieven via een wijziging omgevingsplan; - het wijzigen van het omgevingsplan om nieuw ruimtelijk beleid te verankeren, zoals de gebiedsgerichte thematische uitwerkingen van de omgevingsvisie; - de autonome uitrol, ofwel het wijzigen van de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan om ervoor te zorgen dat het omgevingsplan uiteindelijk voldoet aan alle wettelijke vereisten die de Omgevingswet aan het omgevingsplan stelt, zoals hiervoor beschreven; - (wets)technische redenen, zoals het verwerken van omgevingsvergunningen in het omgevingsplan, waarbij eerder is afgeweken van de regels in het omgevingsplan (de omgevingsvergunniningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ofwel BOPA's).
Vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan geschiedt door de raad. Eventueel is hierbij delegatie aan het college mogelijk voor specifieke wijzigingen van het omgevingsplan.
3
Relatie met omgevingsvisie en programma's De omgevingsvisie is, onder de Omgevingswet, een verplicht instrument voor het Rijk, provincies en gemeenten. Om de ambities uit de omgevingsvisie waar te maken, kunnen deze verder worden uitgewerkt in thematische en gebiedsgerichte programma's. Een programma is onder de Omgevingswet het instrument om te kunnen bepalen hoe, wanneer en met welke middelen bepaalde ambities behaald kunnen worden. De gebiedsgerichte programma’s noemen we in Epe de gebiedsgerichte uitwerkingen van de omgevingsvisie. Gemeente Epe heeft op 9 december 2021 de ‘Omgevingsvisie Epe 'Natuurlijk goed leven’’ vastgesteld. Dit is een integrale langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van gemeente Epe. De omgevingsvisie verdeelt de gemeente Epe op in een aantal gebieden, met ieder zijn eigen doelstellingen en uitdagingen: Veluwe, Veluweflank, IJsselvallei, Epe, Vaassen, Emst en Oene. Alle gebieden hebben andere eigenschappen en dit vraagt om een andere aanpak. We werken daarom de ambities uit de omgevingsvisie gebiedsgericht en thematisch uit in omgevingsprogramma’s.
4
Strategische ontwerpkeuzes De volgende strategische ontwerpkeuzes zijn gemaakt. Daarbij is een beleidsneutrale overgang als uitgangspositie aangehouden. 1.
Ruimte voor initiatief
Achtergrond Bestemmingsplannen bieden weinig ruimte voor nieuwe initiatieven. Dit komt omdat bij de vaststelling van een bestemmingsplan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond moet worden. Dit betekent dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan bekend moet zijn welke initiatieven mogelijk gemaakt worden en dat de uitvoerbaarheid dan volledig moet zijn onderzocht en aangetoond. Ruimte bieden voor nog niet bekende initiatieven is daarmee niet mogelijk. Dat heeft geresulteerd in een praktijk waarin onze bestemmingsplannen ‘dichtgetimmerd’ zijn en we via een wijziging van het bestemmingsplan initiatieven faciliteren. Onder de Omgevingswet verandert dit. In het omgevingsplan, dat een meer verordenend karakter heeft, mag op grote schaal ruimte worden geboden voor initiatieven. Vooraf hoeft nog niet bekend te zijn of bepaalde initiatieven zich zullen voordoen. De wettelijke eis die in dit kader aan het omgevingsplan gesteld wordt, is dat op voorhand wel duidelijk moet zijn dat het omgevingsplan niet evident onuitvoerbaar is. Dit betekent dat de gemeente, bij het toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan, moet kunnen aantonen dat de functie op de bepaalde locatie er ‘kan’ komen en dat de ontwikkeling in beginsel mogelijk is. De vraag is daarmee of en in welke mate we ruimte willen bieden voor nieuwe initiatieven in ons omgevingsplan.
Keuze In het kader van de gebiedsgerichte en thematische uitwerkingen van de omgevingsvisie bepalen we hoeveel ruimte we in het omgevingsplan willen bieden voor nieuwe initiatieven. Toelichting We werken de omgevingsvisie uit in een aantal thematische en gebiedsgerichte programma’s. Alle gebieden hebben andere eigenschappen en alle thema’s dienen andere doelen en dit vraagt om een andere aanpak. Daarbij kunnen we onderscheid maken in hoogdynamische en laagdynamische gebieden. In hoogdynamische gebieden, zoals bijvoorbeeld het buitengebied, willen we meer ruimte bieden voor nieuwe initiatieven dan in laagdynamische gebieden, zoals bijvoorbeeld een woonwijk of de Veluwe, waar het omgevingsplan meer gericht is op beheer. In het kader van de thematische en gebiedsgerichte programma’s bepalen we hoeveel ruimte we willen bieden voor nieuwe ruimtelijke initiatieven en hoe we daar in het omgevingsplan invulling aan willen geven. Zo kan per gebied goed ingespeeld worden op de daar geldende behoefte. Wanneer het omgevingsplan geen ruimte biedt voor een initiatief en het initiatief dus niet past binnen de kaders van het omgevingsplan, dan kunnen we deze initiatieven alsnog faciliteren door middel van een BOPA (vergelijkbaar met de huidige omgevingsvergunning strijdig gebruik) of een wijziging van het omgevingsplan.
Hiermee kunnen initiatieven die niet voorzien waren of een zodanig hoge impact hebben dat een aparte afweging nodig is, toch gefaciliteerd worden.
5
2.
Doel- of middelvoorschriften
Achtergrond In het omgevingsplan moeten regels worden opgenomen om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. Dit kan onder meer door het opnemen van doel- of middelvoorschriften. Doelvoorschriften zijn voorschriften met een bepaalde norm. Een voorbeeld van een doelvoorschrift is dat er maximaal aantal decibel aan geluid is toegestaan. Hierbij kan de initiatiefnemer zelf bepalen hoe aan de norm wordt voldaan. Het idee hierachter is dat innovatie wordt bevorderd en het omgevingsplan toekomstbestendig is. Het alternatief is het opnemen van een middelvoorschrift. Middelvoorschriften zijn voorschriften waarin bepaald is welke techniek of maatregel dient te worden toegepast. Aan deze techniek of maatregel is de initiatiefnemer gebonden. Een voorbeeld van een middelvoorschrift is de bepaling dat bebouwing enkel gerealiseerd mag worden als deze voorzien is van een dove gevel. Belangrijk hierbij is dat in de Omgevingswet is opgenomen dat er een gelijkwaardige maatregel genomen mag worden. Wanneer de initiatiefnemer kan aantonen dat een andere techniek of maatregel tot een gelijkwaardige oplossing leidt, dan is deze alternatieve maatregel ook mogelijk. In dat geval dient er voor het middelvoorschrift te zijn opgenomen met welk motief de regel is gesteld, zodat kan worden afgewogen of er sprake is van gelijkwaardigheid.
Door het gebruik van een doelvoorschrift hoeft het omgevingsplan niet aangepast te worden wanneer er op een andere wijze, bijvoorbeeld door toepassing van een geluidscherm, aan de norm van het doelvoorschrift kan worden voldaan. Het uitgangspunt van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk te werken met doelvoorschriften in het kader van flexibiliteit. Niettemin is hierin als gemeente een keuze te maken. In de Rapportage implementatie Omgevingswet is over het gebruik van doel- of middelvoorschriften als uitgangspunt bepaald dat dit samenhangt met de normstelling. In de gebieden waar we ons richten op rechtszekerheid en duidelijkheid, ligt het gebruik van middelvoorschriften voor de hand. In de gebieden waar we ons richten op flexibiliteit ligt het meer voor de hand om te kiezen voor doelvoorschriften. Keuze We werken in beginsel met doelvoorschriften. In laagdynamische gebieden kan het werken met middelvoorschriften wenselijk zijn. Dat bepalen we bij het voorbereiden van de betreffende wijziging van het omgevingsplan. Toelichting De Omgevingswet geeft als uitgangspunt om zoveel mogelijk te werken met doelvoorschriften in het kader van flexibiliteit. Wij kiezen ervoor om dit ook als grondhouding aan te nemen. In meer laagdynamische gebieden kan het in voorkomende gevallen wenselijk zijn om gebruik te maken van middelvoorschriften.
Bijvoorbeeld als flexibiliteit en ruimte voor initiatief niet noodzakelijk of niet gewenst is, zoals in een woonwijk of de Veluwe waar het omgevingsplan zich meer richt op beheer. De keuze om in laagdynamische gebieden meer te werken met middelvoorschriften maken we niet generiek. De keuze maken we voor concrete situaties die we tegenkomen bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan van het desbetreffende gebied.
6
3.
Open- of gesloten normen
Achtergrond In huidige bestemmingsplannen wordt grotendeels gewerkt met ‘gesloten normen’. Hiermee is direct duidelijk wat er met een regel wordt bedoeld. Bijvoorbeeld: ‘de afstand van bijgebouwen tot de woning mag niet meer dan 30m bedragen’. De Omgevingswet biedt ook de mogelijkheid om op grotere schaal te werken met open normen. Open normen zijn kwalitatieve beschrijvingen zoals ‘er wordt in voldoende mate in parkeergelegenheid voorzien’. Deze norm dient vervolgens te worden ingevuld aan de hand van een beleidsregel. Hiermee biedt het omgevingsplan meer mogelijkheden tot flexibiliteit en geeft het afwegingsruimte. Anderzijds bieden open normen minder rechtszekerheid voor burgers. Tegen de beleidsregel zelf staat geen bezwaar en beroep open en de regel biedt ruimte voor interpretatie, waardoor het lastiger kan zijn om te beoordelen of een initiatief binnen de gestelde norm past. Ook heeft de afwegingsruimte die een open norm biedt tot gevolg dat dit gepaard dient te gaan met een vergunningplicht, omdat getoetst moet worden of een bepaald initiatief binnen de beleidsregel van de open norm past. In de Rapportage implementatie Omgevingswet is als uitgangspunt opgenomen dat het gebruik van open of gesloten normen afhankelijk is van de doelstelling per gebied. Keuze In bestemmingsplannen en verordeningen gebruiken we in enkele gevallen al open normen.
Deze open normen blijven we ook in het omgevingsplan gebruiken. In hoogdynamische gebieden breiden we het gebruik van open normen uit. In laagdynamische gebieden kan het werken met extra open normen wenselijk zijn. Dat bepalen we bij het voorbereiden van de betreffende wijziging van het omgevingsplan. Toelichting Momenteel maken we in enkele gevallen al gebruik van open normen en dit werkt in de praktijk goed. Een voorbeeld daarvan is het zorgdragen voor voldoende parkeergelegenheid bij nieuwe ontwikkelingen. In hoogdynamische gebieden waar we meer of veel ruimte willen bieden voor initiatieven, heeft het gebruik van open normen de voorkeur. Daarmee bieden we de flexibiliteit die in hoogdynamische gebieden zo gewenst is. Ook in laagdynamische gebieden kan het gebruik van open normen in voorkomende gevallen wenselijk zijn. Die keuze maken we opnieuw niet generiek, maar voor concrete situaties die we tegenkomen bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan 4.
Algemene regels, meld/informatieplichten, vergunningsplichten, etc.
Achtergrond In het omgevingsplan stellen we regels voor allerlei activiteiten, zoals bouwen, het gebruik van een gebouw en milieubelastende activiteiten. Er zijn verschillende manieren om een regel te formuleren. Zo kan met een regel een bepaalde ontwikkeling worden uitgesloten (verbod), maar vaak bieden regels ook kaders voor activiteiten die wél zijn toegestaan. Om te kunnen beoordelen of een activiteit past binnen regels heeft de gemeente informatie nodig. Voor bepaalde activiteiten wil de gemeente een plan volledig kunnen toetsen, voordat de activiteit wordt uitgevoerd (vergunning). In andere gevallen wil de gemeente enkel op de hoogte worden gesteld (informatieplicht). De verschillende manieren van regelen worden hieronder verder toegelicht. • Verbod: een verbod geeft aan wat niet mag. Voorbeeld uit Buitengebied Epe: ‘’Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder
7
geval wordt begrepen het gebruik van vrijstaande bijgebouwen en gastenverblijven voor bewoning […]’’ •
Vergunningsplicht: Met een vergunningsplicht wordt de initiatiefnemer verzocht om voor het starten van een activiteit een uitgewerkt plan aan te leveren bij de gemeente. De activiteit mag pas starten wanneer het plan getoetst is, akkoord is bevonden en de vergunning is verleend. Voorbeeld uit Buitengebied Epe: ‘’Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 26.2 sub b.1 voor de vermeerdering van de toegestane oppervlakte aan- en bijgebouwen ten behoeve van een agrarisch hobbybedrijf tot ten hoogste 200 m2 per woning […]’’
•
Algemene regels: Indien een activiteit voldoet aan de algemene regels in het omgevingsplan, is dit toegestaan en is hiervoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig. De initiatiefnemer hoeft vooraf geen melding of aanvraag te doen bij de gemeente. Een aantal kenmerken van algemene regels zijn onder andere: handhaving achteraf, geen leges, gesloten normen noodzakelijk (weinig flexibiliteit) en minder rechtszekerheid voor omwonenden. Voorbeeld uit Buitengebied Epe: ‘’Bed and breakfast is toegestaan binnen (bedrijfs)woningen, mits bed and breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie en het aantal slaapplaatsen niet meer bedraagt dan 4.’’
•
Meldplicht en informatieplicht: Bij een meldplicht wordt de initiatiefnemer verzocht de gemeente op de hoogte te stellen van een activiteit. Het college kan naar aanleiding van de melding besluiten meer informatie te willen van de initiatiefnemer. Een informatieplicht is vergelijkbaar met een meldplicht. Het belangrijkste verschil is dat bij een meldplicht een verbod geldt om te starten voordat de benodigde gegevens zijn aangeleverd. Dit moet een aantal weken voor het starten van de activiteit zijn, zodat de gemeente de melding kan beoordelen en eventueel nog kan bijsturen, bijvoorbeeld door het stellen van een maatwerkvoorschrift. Bij een informatieplicht geldt dit verbod niet en kan de gemeente ook kort voor of na het starten van de activiteit worden geïnformeerd. Voorbeeld van informatieplicht in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): ‘’Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum’’
•
Zorgplicht: De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Naast de algemene zorgplicht kunnen we als gemeente ook specifieke zorgplichten in het omgevingsplan opnemen. Ook deze zorgplichten fungeren als vangnet als we geen andere regels hebben gesteld. Voorbeeld van een zorgplicht uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): ‘’Degene die een milieubelastende activiteit, of een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht...”
•
Niets regelen: Het kan voorkomen dat we als gemeente over een bepaald onderwerp niks willen regelen in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld als er in de Omgevingswet al een verbod voor een bepaalde activiteit is opgenomen. 8
In de Rapportage implementatie Omgevingswet hebben we als uitgangspunt opgenomen dat de keuze voor een bepaald type regel afhankelijk is van de doelstellingen in de verschillende gebieden. Daarbij wordt regelgeving vereenvoudigd waar dat kan zonder dat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt aangetast. Ook wordt er uitgegaan van vertrouwen in de burger. Daarnaast kunnen welstandsniveaus en het o.a. cultuurhistorisch beleid leiden tot aanvullende criteria ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld als beleidsregel. En in deze gebieden kan de nadruk meer op een vergunningplicht komen te liggen. Keuzes •
Activiteiten die onder de huidige regelgeving vergunningsvrij zijn blijven vergunningsvrij. • We kiezen voor een beleidsneutrale overgang. In het kader van de thematische en gebiedsgerichte uitwerkingen van de omgevingsvisie bepalen we of we meer activiteiten vergunningsvrij willen maken. • We gaan uit van het vertrouwen in onze inwoners, bezoekers en ondernemers. We volstaan met het relatief lichtste instrument. Toelichting Een van de verbeterdoelen van de Omgevingswet is het versnellen en verbeteren van besluitvorming. Het introduceren van nieuwe vergunningplichten leidt tot langere besluitvorming en past daarom niet binnen het gedachtegoed van de Omgevingswet. Daarom kiezen we ervoor dat wat vergunningsvrij is ook vergunningsvrij blijft. We kiezen ervoor om zoveel mogelijk beleidsneutraal over te gaan. Daarbij kijken we kritisch naar de regels waaronder iets vergunningsvrij blijft, want vergunningsvrij is niet regelvrij. In het kader van uitwerking van de omgevingsvisie in thematische en gebiedsgerichte programma’s bekijken we of we extra activiteiten vergunningsvrij kunnen maken. Te denken valt aan bouwwerken in en om het huis. Uitgangspunt van de Omgevingswet is meer vertrouwen in inwoners en ondernemers. Waar mogelijk worden vergunningplichten vervangen door algemene regels, waarmee inwoners en ondernemers zelf kunnen beoordelen of een activiteit is toegestaan.
Ook in Epe kiezen we voor deze lijn. Bij het stellen van nieuwe regels gaan we in de basis uit van vertrouwen in onze inwoners, bezoekers en ondernemers. Dit betekent dat we in eerste instantie volstaan met het relatief lichtste instrument, zoals het gebruik van algemene regels.
9
5.
Omgevingswaarden
Achtergrond Gemeenten kunnen omgevingswaarden opstellen met als doel de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving vast te leggen en het beleid van de omgevingsvisie uit te voeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om waarden voor de luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geur en lichthinder. Een voorbeeld kan zijn dat de hoeveelheid fijnstof in 2040 nergens in de gemeente meer mag zijn dan X. Indien we als gemeente een omgevingswaarde hebben vastgesteld, zijn we verplicht om te meten en te beoordelen of aan die waarde wordt voldaan. Wordt de waarde niet gehaald of dreigt de waarde niet te worden gehaald, dan dient de gemeente een zogenaamd programma bij (dreigende) overschrijding vaststellen. In dat programma staan dan de acties om de omgevingswaarde alsnog te halen. In de Rapportage implementatie Omgevingswet is bepaald dat de overweging om van omgevingswaarden gebruik te maken onderdeel is van de verdere uitwerking van de omgevingsvisie. Keuze In het kader van de uitwerking van de omgevingsvisie in thematische en gebiedsgerichte programma’s bepalen we of we omgevingswaarden inzetten om onze doelstellingen te behalen. Toelichting Omgevingswaarden zijn een nieuw instrument. Het inzetten daarvan kan verstandig zijn, maar gaat ook gepaard met verplichtingen en kan grote consequenties hebben.
Het besluit om omgevingswaarden al dan niet in te zetten vraagt een zorgvuldige afweging, die niet generiek gemaakt kan worden. In het kader van de uitwerking van de omgevingsvisie in thematische en gebiedsgerichte programma’s is het een van de in te zetten instrumenten om onze doelstellingen te bereiken. In dat kader bepalen we of en waarvoor we omgevingswaarden inzetten.
10
6.
Maatwerkregels en maatwerkvoorschriften
Achtergrond Een maatwerkregel is een lokale uitwerking van een algemene regel van het Rijk of de provincie. De gemeente kan alleen maatwerkregels stellen als ze daarvoor de bevoegdheid krijgt van een hoger bestuursorgaan. In AMvB’s en omgevingsverordeningen staat opgeschreven voor welke activiteiten een maatwerkregel mogelijk is. Met een maatwerkregel kan je afwijken van een algemene regel, bijvoorbeeld ten behoeve van lokale omstandigheden of om ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Maatwerkregels zijn op zichzelf weer algemene regels over activiteiten, op gemeentelijk niveau en maken onderdeel uit van het omgevingsplan. Naast maatwerkregels bestaan er ook maatwerkvoorschriften. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag in individuele gevallen afwijken van algemene regels voor activiteiten. Een maatwerkvoorschrift is alleen mogelijk als dit door Rijk, provincie, gemeente of waterschap bij die algemene regels is aangegeven. Keuze Bij het voorbereiden van een wijziging van het omgevingsplan bepalen we of we maatwerkregels en de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften inzetten. Toelichting Het besluit om maatwerkregels en maatwerkvoorschriften al dan niet in te zetten vraagt om maatwerk.
Dit is een keuze die we niet generiek kunnen maken, maar maken we voor concrete situaties die we tegenkomen bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan.
11
Samenvatting De strategische ontwerpkeuzes zijn: 1. In het kader van de gebiedsgerichte en thematische uitwerkingen van de omgevingsvisie bepalen we hoeveel ruimte we in het omgevingsplan willen bieden voor nieuwe initiatieven. 2. We werken in beginsel met doelvoorschriften. In laagdynamische gebieden kan het werken met middelvoorschriften wenselijk zijn. Dat bepalen we bij het voorbereiden van de betreffende wijziging van het omgevingsplan 3. In bestemmingsplannen en verordeningen gebruiken we al open normen. Deze open normen blijven we ook in het omgevingsplan gebruiken. In hoogdynamische gebieden breiden we het gebruik van open normen uit. In laagdynamische gebieden kan het werken met extra open normen wenselijk zijn. Dat bepalen we bij het voorbereiden van de betreffende wijziging van het omgevingsplan 4.1 Activiteiten die onder de huidige regelgeving vergunningsvrij zijn, blijven vergunningsvrij. 4.2 We kiezen voor een beleidsneutrale overgang. In het kader van de thematische en gebiedsgerichte uitwerkingen van de omgevingsvisie bepalen we of we meer activiteiten vergunningsvrij willen maken. 4.3 We gaan uit van het vertrouwen in onze inwoners, bezoekers en ondernemers. Daarom volstaan met het relatief lichtste instrument. 5.
In het kader van de gebiedsgerichte en thematische uitwerkingen van de omgevingsvisie bepalen we of we omgevingswaarden inzetten om onze doelstellingen te behalen. 6. Bij het voorbereiden van een wijziging van het omgevingsplan bepalen we of we maatwerkregels en maatwerkvoorschriften inzetten.
12